Spechten zijn fascinerende vogels met een hele eigen levenswijze. Ze zoeken hun voedsel vaak al klauterend tegen een boomstam. En ook hun nest hakken ze zelf uit in een boom. Holtes die nadien vaak worden overgenomen door andere soorten.
Groen.
Ze herkennen is voor één soort alvast niet zo moeilijk. De groene specht heeft zijn naam niet gestolen en is dan ook op zijn rug groen gekleurd. De borst, buik, keel en wangen zijn dan weer grijs-groenig. En de stuit is vooral in de vlucht opvallend fluogroen. De teugel en de oogstreek zijn dan weer zwart. Maar kenmerkend is toch het rode petje. Mannetjes en vrouwtjes kan je uit elkaar houden door de kleur van de baardstreep. Bij vrouwtjes volledig zwart. Bij mannetjes met dezelfde rode kleur er in als hun petje. Jonge vogels hebben een gebandeerde bovenzijde, kop en onderzijde.
Je kent deze soort denkelijk als bezoeker van je gazon. Want mieren zijn één van hun lievelingsgerechten. Met hun lange snavel en nog veel langere tong halen ze die netjes uit jouw grasperk. Hun geluid is vooral in het voorjaar ook opvallend. Een in de vlucht schril kuu-kuuk-kuuk of vanaf hun zitplek een luid en in toon dalend kluu-kluu-kluu-kluu-klu. Wat hem bij ons de bijnaam “Maarts veulen” opleverde.
Tekening.
De bonte spechten is een ander paar mouwen. We hebben er drie. De grote, de middelste en de kleine. Wat afmetingen betreft lijkt het simpel. De grootste is de grote, de kleinste is de kleinste en die andere zit er tussenin. De meest voorkomende bij ons althans is de grote bonte.

De kleuren zijn zwart, wit en rood. Rood op de onderstaart en anaalstreek. en ook op het petje. Hier is dit het kenmerk voor het bepalen van het geslacht. Een rood vlekje op het achterhoofd is een mannetje. Geen rood op de kop is een vrouwtje. De jonge vogels hebben een volledig rood petje van vlak aan de snavelbasis tot op het achterhoofd. De rugtekening is ook een kenmerk. Twee over de lengte lopende witte vlekken en gebandeerde vleugeldekveren waardoor een zwarte driehoek ontstaat op de bovenrug. De baardstreep loopt door tot aan de halstekening.
Kleine.
De kleine is ook echt een kleine. Niet veel groter dan een boomklevertje. Elk jaar weer ben ik verbaasd over de afmetingen van dit minuscule spechtje dat over de takken kruipt. Ook hier is het rode petje weer aanwezig. Althans bij het mannetje dan toch. Het vrouwtje heeft een geeloranje petje op het voorhoofd. Bij deze soort geen rood op de anaalstreek. En de rugtekening is van boven tot beneden mooi zwart -wit gestreept. Roep is zachter dan de grote bonte en een hoog en snel kie-kie-kie-kie-kie-kie. Ook de roffel (het kloppen met de snavel op takken) is anders. Zachter (hij is dan ook kleiner) en constanter en iets langer dan de grote bonte. Vaak ook twee roffels vlak achter elkaar.

Roze.
En dan hebben we er nog eentje tussenin. Tot een aantal jaar geleden een zeldzaamheid. Maar nu duidelijk aan een opmars bezig. Ook hier een rood petje, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes. Dat lijkt trouwens roder dan bij de twee vorige soorten omdat er geen zwart rond zit. De wangtekening zit trouwens ook volledig los van de halstekening waardoor hij een veel witter gezicht lijkt te hebben. Het rood op de anaalstreek is meer roze (een zeer goed kenmerk in het veld). En de flanken zijn subtiel gestreept met een roze waas. De rugtekening lijkt heel veel op die van een grote bonte met twee grotere witte vlekken en een bandering op de dekveren. Hoewel deze meer banden heeft dan de grote bonte. Het geluid is heel anders dan de vorige soorten. Een roofvogelachtig (ik verwar hem in het voorjaar vaak met kekkerende sperwers) en luid geroepen kwéé-kwéé-kwéé…kwéé…kwéé. Hij zit ook meestal op de buitenste takken van de bomen op zoek naar voedsel wat een grote zelden of nooit doet.
