De buit is binnen

De voorbije week stond alweer in het teken van het ringwerk. Woensdag hadden we – dat zijn Kristof en ik voor die dag – onze voorlopig beste dag van dit seizoen met net geen 100 vogels (het waren er 97). Maar vooral de vette kersen deden ons vreugdesprongetjes maken, in ons hoofd uiteraard want we willen nog een beetje serieus genomen worden.

Ouwe rakkers

De eerste nachtegaal voor dit jaar. Maar ook mijn derde grauwe klauwier voor de ringplek. De eerste vingen we in 2015, nummer twee in 2024 en nu nummer drie. Een 1ste jaars vogel, net als de vorige twee.
Kristof mocht hem ringen met als onvergetelijke ervaring dat die kerels verdomd goed kunnen bijten.

Grauwe klauwier 1ste jaars – ringvangst – 29 juli 2026

Ondertussen komen de jonge bosrietzangers door. Maar dit hadden we al gemeld. Maar ook voor de kleine karekieten en de rietzangers is de trekperiode aangebroken. Hier ook de eerste adulte vogels.
Hoe we dit zien? Wel, deze soorten ruien als adulte vogels hun volledige verenkleed in hun overwinteringsgebied, het verre Afrika. Dus de pluimen die ze nu hebben dateren van hun vorige verblijf in hun winterkwartier. Ongeveer een jaar geleden. Als jij jouw kleren een jaar lang zou dragen dan denk ik dat ze er ook wat verfomfaaid gaan uitzien. Bij deze soorten is dat dus ook het geval. Alle pluimen stevig gesleten. Dit in tegenstelling tot de jonge vogels die in het beste geval ergens in het voorjaar zijn uitgevlogen. Zij ruien hun eerste verenkleed wel partieel (deels). Maar de slagpennen, staartpennen en heel wat dekveren op de vleugels houden ze van hun geboortepakje. Die veren zijn pakweg een drietal maanden oud. Die zien er nog heel vers uit. Je kan dat al voelen als je de vogel in de hand hebt. Hij voelt een stuk ‘zachter’ aan. Maar meestal kan je het ook duidelijk zien. Gesleten kleine karekieten, bosrietzangers en rietzangers zijn adulte vogels die wij noteren als >1 jaar. Opgelet, voor andere soorten kan dit anders zijn. Dit moet je als ringer goed in de vingers hebben. Anders bijt een klauwier het er wel even in.

Rietzanger 1ste jaars – ‘verse’ bevedering
Rietzanger adult of >1 – gesleten bevedering

Veel volk

Vrijdag was Tim van de partij en opnieuw vingen we heel wat vogels, vooral bij de eerste controle-ronde. Deze keer waren het er 73. De kers van de voormiddag was onze derde snor voor dit jaar. Het werd ook de eerste sessie waarin we meer kleine karekieten (33) vingen dan bosrietzangers (23). De lawaaimakers nemen het stilletjes over. We sloten juli af met 21 soorten en 475 vogels. Goed begonnen…

De rest van het weekend bleven de netten dicht, want ik ging samen met mijn vrouwtje een weekendje richting Wageningen in Nederland. Doel was de boekenmarkt van Deventer op zondag. Jente had ons gezegd dat dit de moeite was, de grootste van Europa. Wel, zijn uitspraak bleek te kloppen. Heel veel boekenstandjes (meer dan 600) en heel veel boekfanaten. Zo veel dat we het eerste uur gewoon wat rondwandelende omdat we gewoonweg niet aan de standen geraakten om naar de boeken te kijken. Gelukkig werd het verderop wat minder druk en in de namiddag, toen wij al pompaf waren, kwam er nog meer plaats.

Boekenmartk Deventer – 2 augustus 2026

Mijn aandacht ging uiteraard weer uit naar oude boeken over vogels. Het was zoeken naar een naald in een hooiberg. Maar uiteindelijk kwam ik met vier naalden terug naar huis. Twee plaatjesboeken uit de oude doos en een tweeluik over roofvogels met prachtige platen er in. Samen met een strip over vogels en een boek voor de kleindochter waar een bekende uil op stond. Dat is toch ook een vogel. De blikjes Radler horen ook bij de buit. Want die hebben mij uiteindelijk gered van uitdrogingsverschijnselen na een dagje boeken-jagen. Volgens mijn vrouwtje onvindbaar in ons landje, maar in overvloed in Nederland. Toch iets waar onze noorderburen ons mee de loef afsteken. Buiten die immense boekenmarkt.

De buit van Deventer

De jaarlijkse ommekeer

Dankzij onze koninklijke familie was het een redelijk werkvrije week. Die tijd werd nuttig besteed aan ringwerk. Mijn keuzestress kantelde duidelijk die richting uit. Vier dagen gingen de netten open, waardoor ik vlot over de 300 vogels ging.

Bey bey oudjes

De bosrietzangers namen met 116 exemplaren de grootste hap uit dat totaal. Normaal aangezien voor deze soort, zoals al gezegd, de trek al echt begonnen is. Na de adulte vogels komen nu ook de 1ste jaars pubers door. Deze week kon ik dit mooi zien. Waar de vorige week het vooral gesleten vogels waren die ik in handen kreeg, werden die vervangen door puntgave beestjes. Onderstaande grafiek laat mooi deze ommekeer zien. Van de eerste sessie van 10 juli tot vandaag, 26/7.

’t Zat snor

Ondertussen kon ik ook kennis maken met Tim, onze nieuwe stagair. Hij deed al wat ervaring op met vogels ringen in Albanië tijdens zijn schoolproject. De soorten die hij daar mocht uit het net halen mogen hier ook eens passeren. Hij was getuige van mijn eerste braamsluiper voor dit jaar. Alsook spotvogel nummer 7 en 8. Ook die komen goed door. Vorig jaar piekte deze soort op mijn ringplek met 17 exemplaren. Benieuwd of ik dit jaar dit kan overtreffen. We zijn alvast goed op weg. Hier trouwens tot nu toe enkel adulte vogels.

Spotvogel – ringvangst (archieffoto)
Resultaten VRS Graeterbeemd

Zondag werd een wat specialere editie op de ringplek. We kregen namelijk bezoek van een aantal leden van de Vogelwerkgroep Fruitstreek. Kristof was net op tijd terug van zijn reisje naar Oostenrijk om mij bij te staan. Want bij bezoek moeten er volgens de procedure twee ringers aanwezig zijn. Check!

Het werd een leuke voormiddag met een geweldig enthousiast en leergierig publiek. De vragen vlogen ons rond de oren. Gelukkig waren de vogels ook van de partij. We konden 58 exemplaren tonen. Waaronder mijn eerste en tweede snor voor dit jaar. Ik blij en mijn publiek duidelijk ook.

Snor met publiek – ringvangst 26 juli 2026

’t Is begonnen

De trek naar het zuiden is voor sommige soorten al begonnen. Zo heb je misschien al opgemerkt dat je geen koekoek meer hoort. Dit komt omdat er al heel wat onderweg zijn naar hun overwinteringsgebieden in Afrika. Het broedseizoen loopt dan ook op zijn einde, dus veel gekoekoek is niet meer nodig. Tijd om hun volgende hoofdstuk te starten. Bosrietzangers horen ook bij de vroege vertrekkers. Dat kon ik woensdag al merken bij het ringen. Ik ving er maar liefst 21 op een paar uur tijd. Vooral volwassen vogels. Want die vertrekken als eerste om hun 7.500 km lange tocht aan te vatten. Bestemming Oost en Zuidelijk Afrika. Om daar te raken zijn ze toch een paar maanden onderweg. Ze nemen regelmatig een pauze om terug op te vetten. Hun kroost laten ze achter. Een strategische keuze. Bosrietzangers ruien in Afrika. Dus ze kunnen vlak nadat hun ouderlijke taken er op zitten snel vertrekken. Kwestie van energie te sparen. Want een nieuw verenpakje aanmaken kost heel wat moeite en krachten. Daarnaast doen ze hun jongen een plezier door weg te trekken. Klink vreemd, maar minder vogels in een gebied is minder concurrentie om aan eten te raken. Hoe die jongen dan nadien in hun eentje ook in Afrika geraken is een klein mirakel. Blijkbaar krijgen ze de route mee in hun genen. Een gps-gen in je DNA, handig. De natuur blijft verbazen.

Rust

Vrijdag reed ik nog eens tot in Schulen. Want wie weet zijn daar al wat leuke steltjes aangekomen. Het gebied lag er minder nat bij dan in het voorjaar. Tja, na een paar weken hitte begin je dat daar ook te merken. Toch bleken er in de weinige plasjes die er nog waren toch wel wat bosruiters rond te scharrelen. Het begin van hopelijk een leuke tijd scannen naar dwaalgastjes. Hoewel het er rustig was blijft het een geweldig gebied, waar je altijd wel iets ziet. Wat gedacht van visdiefjes die met een prooi in de bek op zoek gaan naar hun jong. Eentje zag ik drie jonge visdieven ‘proberen’ die op de paaltjes zaten te wachten voor hij zijn vis afleverde. Tussendoor even genieten van een voorbijflitsende ijsvogel, ook met een vis in de snavel. Achtervolgd door wat meeuwen. De leukste ontmoeting was een braamsluiper die heel mooi en open bleef zitten. Iets later wist ik waarom. Er sprongen een drietal nog niet zo lang uitgevlogen jongen in zijn buurt rond. Ik zat te kijken naar een bezorgde ouder. Duidelijk een andere keuze dan onze bosrietzangers met hun trek-uw-plan modus.

Braamsluiper (Archieffoto)

Kaaskop

Zaterdag en zondag gingen de netten terug open. Hervallen zou je dit in de wereld van de verslavingen kunnen noemen. Het gaat snel. Eenmaal de microbe zich weer nestelt is het hek van de dam. Vogels ringen is een drug. Een leuke en gezonde gelukkig.

Ondertussen toch alweer 152 vogels in mijn handen gehad. We starten bescheiden. Nummer één uiteraard de bosrietzanger met 66 exemplaren. Maar ook de spotvogels met vijf stuks zijn een opsteker. Zaterdag had ik er drie. Allemaal volwassen vogels. Zondag zat er ook een sprinkhaanzanger bij. Daar word ik altijd blij van. Vroeger was diens naam trouwens nog een stuk langer: sprinkhaanrietzanger. Dat riet heeft hij laten schrappen. Vermoedelijk omdat hij eigenlijk meer ruigtes verkiest om in te broeden. Maar ook omdat 20 letters in je naam wel heel veel is.
Vandaag ook mijn eerste buitenlander in de netten. Een rietzanger – zonder sprinkhaan – met Nederlandse ring. Het was dan ook nog eens een jonge vogel, dit jaar uit het ei gekropen. Vermoedelijk ergens bij onze noorderburen. Dus een kaaskop van geboorte. Die in zijn jonge leven al kennis maakte met twee ringers. Eentje om hem een ring te geven en eentje om hem al eens af te lezen. Die kan zijn reisgenoten onderweg al iets vertellen.

Sprinkhaanzanger – 19 juli 2026 – ringvangst

De vermoedelijke vale

Zaterdag deed ik een ritje met de trein. Een primeur, twitchen met het openbaar vervoer. Doel van de reis: Leuven stad. Daar werd al een hele tijd een vale gierzwaluw gezien. Deze keer ook met foto’s ter bevestiging. Als voorbereiding had ik mij wat ingelezen. Ik moest dus letten op de middelste dekveren van de ondervleugel. Die zijn bij de vale bleker dan bij onze ‘gewone’. Daarnaast heeft hij bredere heupen en een bolle achterhand (de achterzijde van vleugel). De buik is geschubd met lichte veerrandjes. Maar jonge gierzwaluwen hebben dat ook. Voila, dat ging wel lukken. Wetende dat de roep van de vale anders is dan bij onze gierzwaluw. Hij roept in twee lettergrepen.

315

Op de plek waar hij meestal wordt gezien stond ik alleen. Dat was al een handicap. Ik had gehoopt op wat mede-vogelkijkers die mij hem konden aanwijzen. Tja, zelf zoeken dan maar. Het volgende uur bekeek ik zowat elke gierzwaluw die rondvloog in Leuven. Althans dat gevoel had ik. Bekijken was ook relatief. Probeer maar eens zo een voorbijflitsend projectiel in beeld te krijgen. Gierzwaluwen vliegen constant en snel, heel snel. Geen bolle achterhand, bleke dekveertjes of schubjes gezien. Dus besloot ik van tactiek te veranderen. Luisteren. Wat wel lukte. Ik hoorde een aantal keer heel duidlelijk de roep van een vale gierzwaluw. Uiteindelijk kreeg ik ook een goede kanshebber in beeld. Vooral de vorm was in orde. Maar zeker ben ik totaal niet.

Nadien bleek dat er vlakbij een aantal vogelkijkers samen naar die vale gierzwaluw stonden te kijken vanop het dak van een school. Tja, dat had het een stuk makkelijker gemaakt. Mijn voorbereiding was dan toch niet zo geweldig. Ik ben een beetje zoals de Belgen op het WK voetbal. We doen mee, maar als het er op aan komt maken we strategisch vaak wat blunders. Maar moeilijk gaat ook. Vermoedelijk gezien, maar zeker gehoord. Nummer 315 op mijn Belgische lijst is binnen.

Vale gierzwaluw – Leuven – 11 juli 2026 (Foto: Jogchum Vrielink)

Mini

Woensdag ging ik mijn laatste telling uitvoeren van de inventarisatie van de Caetsweyers. Zoals al gezegd lag de focus enkel op soorten die aan water gebonden zijn. Met 17 soorten die er nu al een territorium hadden mag ik zeker niet klagen. Want het natuurgebied ligt er voor een groot deel nog kaal bij. Sommige vijvers zijn nu nog grote ‘badkuipen’ zonder begroeiing. De meeste activiteit zat dan ook samen op twee vijvers waar wel riet of biezen stonden.

Caetsweyers juli 2026

Blij was ik met drie koppels tafeleenden die met jongen rondzwommen. Maar ook een roepende waterral, twee koppels dodaars met jongen en een fuut op een nest waren hoopvol. Rietvogels moeten het gebied nog terug ontdekken. Op mijn lijstje kon ik enkel kleine karekiet bijschrijven. Wel met vier zingende mannetjes. De meerkoeten, met acht broedparen, en kokmeeuwen zijn al wel ingeburgerd. Met minstens 12 nesten was er al een minikolonie aanwezig. Meest blij was ik met een koppeltje wintertalingen dat elke telling present tekende. Ik kon wel geen waarneming noteren die duidde op een succesvol broedsel of poging daartoe. Maar het systeem gaf ze toch door als een territorium. Want daar dient deze telling ook voor. Het bepalen van het aantal territoria per soort. Voor wintertaling was dat er dus eentje. Benieuwd of ze terugkomen en blijven om in de toekomst echt te gaan broeden?

Start

Ondertussen is mijn ringplek klaar voor alweer een seizoen ringen. Struiken wat bijgesnoeid, bramen terug gedrongen, banen gemaaid en netten opgesteld. Geluid werd ook al getest. Zondag kon ik dan ook niet weerstaan aan een eerste poging. Vroeger dan andere jaren. Normaal start ik pas op 15 juli. Hoewel, blijkbaar stond ik vorig jaar ook al vroeger tussen mijn netten. Maar aangezien alles klaar stond trok ik de netten al open. Wel moest ik hiervoor om 4u al uit mijn bedje. Dat was even doorbijten. Toch bleek het de moeite. Bosrietzangers waren al onderweg, ik kon er 16 vangen waaronder eentje met een Belgische ring. Zwartkop pakte de tweede plek met acht exemplaren, allemaal jonge vogels. Sommige nog niet zo lang uit het nest. Ook kleine karekiet is blijkbaar al on the move. Ik ving er zeven. Leuk waren ook de vier rietzangers. Maar de topper van mijn eerste sessie was toch een orpheusspotvogel. Ik had de ganse nacht zijn liedje gespeeld. Dus ik hoopte er op. Want deze soort is aan een stevige opmars bezig in Vlaanderen. Maar dat ik zo snel zou scoren had ik niet verwacht. Ook vorig jaar opende ik het seizoen met deze leuke soort. Dat ik dit kon herhalen is zeker een opsteker. Benieuwd wat de rest van het seizoen nog gaat brengen. Goed begonnen is zoals jullie weten al half gewonnen.

Orpheusspotvogel – ringvangst – 12 juli 2026

Klus geklaard

Vorig weekend was er geen post op mijn blog. Niet omdat er niets te vertellen viel, maar gewoon omdat ik geen energie had om te schrijven wegens pokkeheet. Temperaturen die mij verbanden naar een zetel met in de buurt een ventilator. Omstandigheden die volgens wetenschappers wel vaker gaan voorbij komen. Wie zal ze nog tegenspreken? Buiten een aantal Belgische politici die vermoedelijk hun week doorbrachten aan hun privé-zwembad met een vette steak op hun barbeque en een pintje in hun hand. Of zijne oranje Fattyness van aan de andere kant van de oceaan, samen met zijn rijke vriendjes die geld verdienen aan het idee dat er niets aan de hand is, gevolgd door een kudde volgers die dankzij de berichten op hun smartphone dom worden gehouden. Amai, tijd om opnieuw vogeltjes te gaan kijken om mijn zinnen te verzetten denk ik. Sorry, maar het zat even diep.

Verrebroek

Terug naar die lepelaar in Zonhoven. Je weet wel, die met de kleurringen. Daar kreeg ik ondertussen de gegevens van binnen. Geringd in Verrebroek op 19 juni 2022. Daar werd hij door Dirk Draulans – jawel, the one and only – afgelezen in september van datzelfde jaar. Om daarna te gaan overwinteren in Mauretania na een vluchtje van bijna 4.000 km. In natuurgebied Banc d’ Arguin, een populair vakantieverblijf voor lepelaars. Daar blijf hij of zij vermoedelijk een paar jaar hangen. Want er waren meldingen in november 2022, juli 2023 en november 2025 vanuit Afrika. Op 1 mei 2026 was hij terug in Europa. Nederland om juist te zijn, aan de Ackerdijkse plassen. Hij bleef daar tot zeker 15 mei rondhangen. Om dan uiteindelijk door mij afgelezen te worden op 17 juli in Wijvenheide. Die heeft er al wat kilometers op de teller.

Banc d’Arguin, Ile Niroumi (Foto Wikipedia)

Mc Donalds

Het was alweer het warme weer dat mij deed besluiten om vandaag mijn telling voor ABV (Algemene Broedvogels) af te werken. Volgend weekend werd er alweer een mogelijke hittegolf voorspeld. Die wilde in zeker vermijden. Dus eindigde het waar ik er ooit aan begon: op de parking van de Mc Donalds in St-Truiden. Ik nam geen kaartje mee. Een inschattingsfout. Want uiteindelijk had ik 13 in plaats van 12 telpunten op mijn lijstje staan op het einde van mijn wandeling. Dus kon ik thuis dat kaartje alsnog er bij halen. Overmoed is de moeder van de porselienwinkel, of zoiets. Deze keer had ik buiten de klassieke houtduiven ook heel wat gierende gierzwaluwen. Op een bepaald moment telde ik er minstens 50 boven de skyline van deze Haspengouwse stad. Met torenvalk deed ik er nog een nieuwe soort bij voor deze telhokken. Leuk.

Telpuntje op de parking, het kan.

Vrijdag was ik ook mijn opdracht in mijn hok bij Bergerven gaan afsluiten. Vroeg uit de veren om de zes telpunten af te gaan lopen. De combinatie van het vroege uur en het WK voetbal in de VS blijkt geen ideale combinatie. We worden oud denk ik. Maar uiteindelijk werden alledrie mijn hokken netjes afgewerkt binnen de bepaalde datumgrenzen.
In de bossen van Bergerven was het vrij rustig. Het broedseizoen zit in de laatste rechte lijn. Eentje met weinig activiteit. Maar we moeten onze tellingen afwerken. Want die procedure is er niet zo maar gekomen. Daar is over nagedacht.

Heel veel

Zaterdag was het alweer tellen geblazen. Deze keer in de Broekbeemd. Ook dit was de laatste telling voor dit jaar om dit gebied te inventariseren. De delen van het gebied waar ik vorige keer moeilijk door geraakte waren bevolkt met schapen of er waren banen door gemaaid voor diezelfde wollebollen er te laten grazen. Handig om door de manshoge netels te wandelen. Ook hier was er trouwens minder activiteit.
Thuis gekomen liet ik Avimap de clustering doen van alle waarnemingen die ik tijdens mijn bezoeken had ingegeven. Handig en vooral snel, veel sneller dan toen ik het vroeger op papier nog moest doen. Toch waren sommige resultaten wel verrassend. Zo besloot het systeem om 25 territoria van bosrietzanger op de kaart te zetten. Dat zijn er wel heel veel. Nu is er de mogelijkheid om nog aanpassingen te doen. Maar wie ben ik om Avimap tegen te spreken. Het systeem bekijkt alles heel objectief op basis van de criteria die SOVON heeft bepaald. Geldige waarnemingen moeten gebeuren tussen 5 mei en 15 juli. Enkel die duiden op territoriaal gedrag worden gevalideerd. Zingende bosrietzangers, vogels met voedsel in de bek of alarmerend. Wel, die had ik op heel wat plekken in het gebied. Als dan ook de fusieafstand, dit is de afstand tussen de nesten, slecht 100 meter blijkt te zijn kunnen koppels vrij dicht bij elkaar broeden. Avimap komt zo aan 25 territoria. Dat laatste woord is trouwens belangrijk. Dat zijn daarom nog geen 25 nesten. Want een zingend mannetje dat voldoet aan al deze criteria wordt ook meegeteld. Ook al vindt hij geen vrouwtje om een gezinnetje mee te stichten. Dus volg ik Avimap en doe ik geen aanpassingen.
Op dezelfde manier had ik ook een territorium van rietzanger. Ook al hoorde ik er maar eentje zingen op een van mijn bezoeken. Zeker geen broedgeval, maar wel een – vermoedelijk tijdelijk – territorium.

Rietzanger (Foto archief)

Onderzoek

Het is belangrijk om bij een ‘onderzoek’ de methode zo gestandaardiseerd mogelijk te houden. Zoals al gezegd, al die regeltjes zijn er niet voor niets. Dingen interpreteren kan, maar zorgt vaak voor afwijkingen of fouten.

Soms heb je het niet in de hand. Zoals dat telpunt in St-Truiden waar bewoners besloten hebben om hun tuin af te schermen met een lelijke groene doek. De twee eerste bezoeken had ik daar een mooie inkijk in de achtertuintjes van die buurt. Nu had ik een trapladdertje moeten meebrengen om hetzelfde zicht te hebben. Daar had ik even geen rekening mee gehouden.
Volgend telseizoen ga ik dan ook in de Broekbeemd werken met een vaste route en niet meer kriskras door het gebied lopen. Wetenschappelijk beter en ook een stuk makkelijker. Hierdoor ga ik vermoedelijk wat vogels missen. Maar mijn resultaten gaan wel relevanter zijn en een beter beeld schetsen van de evolutie van de broedvogels in dit leuke natuurgebiedje.

Met nog een telling in de Caetsweyers volgende week, zit mijn telseizoen er bijna op. De ringbaan is al gesnoeid en er wacht nog een vale gierzwaluw ergens in het centrum van Leuven om op mijn Belgische lijst te worden gezet. Maar dat is voor een volgende post… als de hittegolf geen stokje in de wielen komt steken.

Moet er nog bloed zijn?

Pokkeheet! Dat is de juiste woordkeuze. Terwijl hier en daar een wereldleider of lokale beleidsmaker letterlijk de warmte van de zon blijft onkennen, landbouworganisaties repetitief schreeuwen dat als we de natuur durven verbeteren iedereen gaat sterven van de honger en ondernemersorganisaties massale armoede voorspellen omdat elk bedrijf de boeken zal moeten neerleggen, blijft de natuur haar ding doen slaat het klimaat verder op hol. Zo kregen we onze tweede hittegolf in amper een paar maanden – de zomer moet nog beginnen- en spoelde in de meer westelijke provincies de modder door de huizen nadat een stortvloed de akkers had leeggespoeld. Dit even terzijde. Goed bezig? Ik denk het niet, maar wie ben ik.

Dubbel geringd

Zelf blijf ik gewoon mijn ding doen en ga ik ontspannen wat vogeltjes kijken. Daar kan ik dan nadenken hoe ik deze idiote wereld opnieuw wat normaler kan doen draaien. Kan ik daar iets aan veranderen. Ik denk het wel. Elke druppel telt (een uitspraak die sommige mensen na de voorbij onweders niet echt gepast gaan vinden). Woensdag was dat in het Vijvergebied Midden-Limburg. Heel vroeg met wat koelere temperaturen. Dat dacht ook een lepelaar die in een van de vijvers met zijn gekke snavel eten zat op te lepelen. Hij was geringd. Dat is voor mij altijd een uitdaging. Ik nam een hele reeks foto’s hopende dat ik de ring hierop kon aflezen. Eentje bleek succesvol. NBAR was de gekraakte code. Op die foto zag ik ook dat aan de rechterpoot nog een ring zat met een code. Die had ik helemaal niet opgemerkt. Alle gegevens werden al doorgemaild. Even wachten op zijn of haar levensverhaal. Of toch een stukje.

Lepelaar – Vijvergebied Zonhoven – 17 juni 2026

De wandeling werd niet alleen warmer, maar ook leuker. Een zingende blauwborst – vermoedelijk eentje die vrouwloos bleef – een overvliegende roerdomp en een roepende woudaap. Ik ben al voor minder uit mijn bed gekropen. En dan was er plots die boomvalk. Eerst druk roepend tegen een aantal kraaien die hem kwamen plagen. Om dan mooi in de top van een boom te gaan zitten. Hobby noemen de Britten hem. De betekenis weet ik niet van hun keuze. Maar het klinkt alvast leuker dan boomvalk. Elke valk gaat wel eens in een boom zitten denk ik dan. Of zie ik dat weer totaal verkeerd.

Boomvalk – Vijvergebied Zonhoven – 17 juni 2026

Prikkelig

Vrijdag zocht ik opnieuw de koelte op door vroeg te vertrekken. Hoewel, mijn wandeling begon met 25°C. Tenhaagdoornheide was mijn keuze. Dit omdat een groot deel van de route die ik koos door de bossen liep. Mooi gebied, warm en een beetje jammer, weinig vogels. Tja, het kan niet altijd bingo zijn.

Zaterdag opnieuw vroeg op om mijn voorlaatste telling in de Broekbeemd te gaan doen. Ondanks dat het juni was, bleken toch heel wat vogels actief. Mijn puntjes op de kaart kwamen er dan ook vlot bij. Ik was wel blij dat ik geen dazen moest tellen. Want er waren er veel, héél veel. Het was meppen van het begin tot het einde. Mijn bloed bleek populair. Ik vrees dat ik wel een litertje of twee kwijt was tegen dat mijn ronde er op zat. Vogels inventariseren, het is a hell of a job.

Daas in actie

Om deze hete week af te sluiten deed ik op zondag nog een poging om een wandeling te doen op mijn local patch, de Herkvallei. Niet zo heel veel vogels, maar ook hier dazen die mij vergezelden. Meppen was alweer de boodschap.

Nederlander

Ondertussen ontving ik de gegevens van de geringde ooievaar van Negenoord in Dilsen-Stokkem. Blijkbaar koos ik het verkeerde project uit de lijst die ik vond op CR-birding (website waar je veel projecten met kleurringen kan vinden). Gelukkig kreeg ik een vriendelijke mail om dit even te melden. Zij stuurden mijn melding ook netjes door naar de juiste bron. Die reageerden een paar dagen later. Uit hun mail bleek dat de door mij gemelde ooievaar op 10 juni 2023 als pullus werd geringd aan de Spikweg in Mariahoop door Dré en Hilde Gielen. Dit is een dorpje in Nederland op goed 17 km van de plek waar dit mannetje momenteel een poging deed om een broedsel succesvol af te ronden. Wat overigens niet gelukt is. Mijn theorie dat de reden van zijn falen zijn onervarenheid is werd hiermee bevestigd. Ik lees letterlijk dat ooievaars in hun derde levensjaar – ons mannetje is nu net drie geworden – geslachtsrijp worden. Maar dat sommige vogels als tweedejaars al een poging doen, maar dat dit vaak mislukt omdat ze onervaren zijn. Leuk om er eens boenk op te zitten. Volgend jaar beter zeker? Ik plan alvast een kraambezoek in. Bij een ooievaar, de omgekeerde wereld.

Kaartje met geboorteplek en huidige locatie van ‘onze’ ooievaar

Toppertjes week

Juni, de start van een periode waar menig vogelliefhebber een beetje van baalt. Het valt dan een beetje stil. De broedvogels doen vooral waarvoor ze zijn aangekomen, jongen grootbrengen. Geen tijd om veel te zingen of zich mooi te laten zien. De trekvogels hebben nog geen plannen om hun lange trip aan te vatten en over de wintergasten zal ik maar zwijgen. Armoe troef, alhoewel…

Schulense weelde

Woensdag ging ik eerst mijn telronde doen aan de Caetsweyers. Het water stond door de overvloedige regen mooi hoog. Jammer voor de kleine pleviertjes. Die liepen er wat verloren bij. Hun nestje zal zonder enige twijfel ondergelopen zijn. Maar voor de rest aan jong leven geen gebrek. De vreemde pulli van de meerkoeten zag ik overal rondzwemmen. Het blijven rare wezentjes. Tussen de biezen ontwaarde ik ook een aantal jonge kokmeeuwen. Broedsels geslaagd. Iets verder zwom een tafeleend met jongen. Op een paar vijvers zaten de kokmeeuwen alweer te broeden, maar ook meerkoeten en twee paartjes dodaars hadden duidelijk eieren die ze warm hielden. Leuk waren het paartje futen waar het vrouwtje duidelijk geen vertrouwen had in die rare kwiet met zijn verrekijker. Ze bleef netjes watertrappelen vlak bij wat volgens mij haar nest was. Een mooi palletje vogels voor een gebied dat eigenlijk er vrij kaal bijligt. Dat belooft voor de toekomst.

Meerkoet (archieffoto)

Na deze telling reed ik door naar Schulen. Daar is altijd wel iets te beleven en dat bleek een stevige onderschatting. Ik werd verwelkomd door de krakerige roep van een mannetje zomertaling. Ondertussen wel in een wat ‘verfomfaaid’ verenpakje, maar het blijft een mooie verschijning. Een grutto was druk op zoek naar eten voor (hopelijk) zijn jongen die iets verder in het grasland zaten te wachten. De kieviten hadden veel werk met het verjagen van alles en iedereen, zelfs de tureluurs kregen hun portie ‘gelapwing’. Overal vlogen oeverzwaluwen. Daartussen kwamen de visdieven een showtje geven. Sierlijk zoals alleen zij dat kunnen. In de verte zat de ooievaar op zijn nest. Vermoedelijk met jongen aan zijn gedrag te zien, maar ik kreeg ze jammer genoeg niet in het vizier. Aan de drasplas aan de buitenkant van de dijk liep een zwarte ruiter. Eentje die was blijven hangen of die te vroeg zijn broedgebied had verlaten. We zullen het nooit weten. Zo een exemplaar in zomerpakje is toch een stevig cadeau. Ik vergelijk het met een jongeman die netjes in smoking naar een feest trekt. Terwijl hij in de winter met een slobbertrui en een oude jeans in zijn zetel ligt te suffen. Deze had duidelijk zijn smoking aan. Dankzij een tip van een andere vogelkijker hoorde ik ook de kwartelkoning. Een topsoort om mijn lange lijstje mee te bekronen. Armoe troef? Amehoela. Wat een topgebied!

Maatje meer

Vrijdag bleef het maar regenen en bleef ik dan ook thuis. Ik haat regen. Klussen genoeg. Ook geen fan van, maar soms moet het. Zaterdag kroop ik toch weer vroeg uit mijn bed. Een tip van Carlo waar ik kans had om boomvalken te zien in de Maten deed mij naar Genk rijden. Ik vertrok om 6 uur aan het spiksplinternieuw bezoekerscentrum. Jammer genoeg was het pas in de namiddag open. Maar het weer was niet ideaal. Donker en bewolkt met regelmatig wat gemiezer. Toch werd het een leuke wandeling. Met minder soorten dan in Schulen, maar wel een paar toppers. Het begon met een ontmoeting met een bever. Deze kwam recht naar mij toe gezwommen om vervolgens heel elegant onder te duiken. Ik kon zijn brede staart mooi zien. Onderweg geen boomvalken, maar wel twee overvliegende lepelaars en om af te sluiten een woudaap die mooi van de oever naar het riet vloog. Topgebied twee van de voorbije week.

Woudaap (archieffoto)

Zondag stond mijn derde topgebied van deze week op het programma. Het Hageven in Pelt. Helemaal in het noorden van Limburg, vlak tegen de Nederlandse grens. Het gebied loopt eigenlijk door bij onze noorderburen. Vlak na zonsopgang stond ik er al op de parking, klaar voor een mooie wandeling. Met alweer een aantal leuke soorten. Snor zingend in het riet, grote karekiet die hetzelfde deed. Op de heidevlakte zoemde dan weer een sprinkhaanzanger, riep een kwartel en zag ik ook grauwe klauwier. Maar vooral de ‘gewone’ soorten zorgden voor een mooi lijstje. In totaal zag ik de voorbije week 73 verschillende soorten. Toch niet slecht voor een weekje in juni. Misschien is het dipje elk jaar niet te wijten aan minder vogels, maar net omdat veel vogelkijkers een pauze inlassen omdat ze denken dat er toch minder te zien is. Want ik elk van de door mij bezochte gebieden liep ik bijna alleen rond. Dat is dan wel zonder rekening te houden met die bus vogelkijkers die op de parking aan het Hageven klaar stonden om het gebied in te trekken toen mijn wandeling er al op zat. Enkel de boomvalk stuurde zijn kat. Figuurlijk dan…

Grauwe klauwier (archieffoto)

Kalender-vastheid

Deze week begon mijn vogelverhaal op woensdag. ’s Morgens heel vroeg reed ik samen met Wouter richting Vlaams-Brabant, in de stromende regen. Echt hoopvol was het niet. Ons doel: een krekelzanger. Voor Wouter een lifer, voor mij al van juni 2019 geleden dat ik er eentje zag en – bij deze soort – vooral hoorde. Gelukkig gingen de hemelsluizen dicht toen we bijna in Glabbeek waren. Niet veel later stonden we in de Paddepoel. Een gebied waar ik al veel over gehoord had, maar nog nooit was geraakt. De jodelende wulpen waren al een mooie bonus. Maar we kwamen voor een ratelende zanger. Want dat kan onze krekelzanger. Zoals zijn naam doet vermoeden lijkt zijn zang op een tsjirpende krekel. Wel eentje die er 200% voor gaat. Op de locatie waar hij was gezien stond al een fotograaf. ‘Net al gehoord’ was zijn hoopgevende boodschap. ‘Daar in dat struikje’. Hij wees naar een kleine meidoorn op goed tien meter van ons vandaan. Die was op dat moment krekelzangerloos. Maar niet voor lang. Een paar minuten later hoorden we de kenmerkende zang en niet veel erna zagen we de zanger in actie. Geen spectaculair vogeltje, maar wat een bizarre artiest. In mijn vogelgids wordt de zang omschreven als mechanisch klinkend, hypnotiserend. Jawel, we moesten dus opletten dat hij ons niet in trance bracht. Verder wordt hij omschreven als ‘doet denken aan reuzensprinkhaan (een wat monsterachtige omschrijving, niet?) of krachtige naaimachine. Vooral dat laatste kan ik beamen. Het doet mij denken aan mijn moeder die in de keuken haar modeontwerpster-kunsten botvierde aan haar oude naaimachine. Onze doelsoort liet zich prachtig bekijken en Wouter kon deze lifer dan ook mooi documenteren. Ook het toestel van de nog aanwezige fotograaf klikte er stevig op los. Toch moest hij zo nodig nog een betere foto hebben. Hij opende het hek van de weide waarin de vogel zong om hem beter te zien. Jammer, tussen onze vrienden fotografen zitten toch altijd rulebreakers. Alles voor die foto,… waarvan er de volgende dagen tientallen op het internet te zien zijn. Tja… Mijn foto’s werden netjes vanaf het paadje gemaakt. Volgens de regels.

Krekelzanger – Glabbeek – 3 juni 2026

Dunning

Vrijdag terug vroeg uit de veren. De volgende telling in de Broekbeemd moest afgewerkt worden. Het is op dit moment niet treuzelen als het weer ok lijkt om op pad te gaan. Ik wil alweer niet met een natte broek thuiskomen. Daarnaast probeer ik stukken met hoge begroeiing wat te mijden om andere redenen. Want door die ‘jungle’ waden zorgt voor verstoring en met wat pech loop je zo tegen een nest aan. Wegblijven en vanaf iets verder mijn broedvogels observeren is een goede keuze. Blijkbaar zorgt dit niet echt voor grote verschillen. De laatste keer dat ik de nu gemeden stukken van mijn telling nog wel kon doen omdat de netels en andere planten nog laag waren, had ik 30 soorten en 135 waarnemingen. Nu waren het dat er respectievelijk 26 en 119. Het iets lagere aantal is eerder toe te schrijven aan sommige soorten die momenteel hun bek dicht houden en zich wat meer verstoppen, dan dat ik ze zou gemist hebben. ‘Mijn’ wielewaal liet zich wel nog goed horen. Ik hoorde zelfs de roep waarmee ze alarm geven. Goed nieuws is dat, vermoedelijk zijn er al uitgevlogen jongen. Ook de blauwe reigers maakten mij gelukkig. Op een van de nesten zat minstens één jong dat zich duidelijk liet horen. Geslaagd broedsel! Het aantal zangposten van de bosrietzangers was dan weer gedaald tegenover mijn vorige bezoek. Maar zoals ik in mijn vorige post al schreef is dit normaal. De ‘echte’ broeders hebben ondertussen hopelijk een nestje. De zes die ik niet meer hoorde, want ik ging van 17 naar 11 zangposten, hebben andere oorden opgezocht. Maar 11 lijkt mij nog redelijk hoog. Jammer genoeg heb ik geen vroegere tellingen om dit te verifiëren. Maar dat zal in de toekomst wel zo zijn. Dit maakt dat vogeltjes tellen en met door netels geteisterde en tintelende benen thuis te komen toch de moeite waard.

Bosrietzanger (archieffoto)

Niet gehaald

’s Avonds gingen we weer op pad. Met ‘we’ bedoel ik Wouter, Pierre en ikzelf. Gert had een filmavondje gepland en kon niet mee. Aan de Platwijers had Geert Beckers een kleinst waterhoen ontdekt. Weliswaar in het afgesloten deel van het gebied. Maar er was een moment voorzien dat wie dat wou toch binnen mocht. Wel met duidelijke afspraken, strak schema en de nodige linten. Het leek een beetje op een crime scene van een moordpartij. Enkel de lijnen die de plek waar het lijk lag aanduiden ontbraken. Wij gingen op onderzoek uit. Vooral Wouter en Pierre waren kandidaat om zo een soort aan hun Belgische lijst toe te voegen. Een van onze, ondertussen wat ondergesneeuwde, doelen voor dit jaar. We waren niet alleen, maar iedereen was wel muisstil. Want het ging deze keer om horen en vermoedelijk niet zien. Alweer een soort met een kenmerkend en vreemd geluid (zijn er andere?). In mijn vogelgids beschrijven ze het als volgt: ‘zang een zacht, droog geratel met wisselende geluidsterkte, 2-3 sec lang, sterk herinnerend aan roep van groene kikker,rugstreeppad of in mindere mate mannetje zomertaling, tot 300m hoorbaar’. Hoopgevend, we stonden in een gebied waar een paar duizend kikkers zatten te kwaken. Toch haalde ik er de roep vrij snel uit. Inderdaad niet luid, maar wel duidelijk. De lifer voor mijn kompanen was binnen. Zelf werd het mijn tweede ontmoeting met deze kikker-imitator. De vorige dateerde van 2008 in het Schulensbroek, toch zo maar even 18 jaar geleden. Maar alweer netjes in dezelfde maand. Kleinste waterhoentjes hebben duidelijk ook een kalender en een strak schema.

Kleinst waterhoen (foto – Wikipedia)

Minder leuk nieuws kreeg ik van Bart Hilven, die ook kwam luisteren naar die zachte roep, een werknemer van het Natuurhulpcentrum. De door mij vorige week binnengebrachte lepelaar had het niet gehaald. Te erg verzwakt. Jammer.

Kluns

Zaterdag had ik baliedienst in De Wissen aan natuurgebied Negenoord. Zoals altijd was het er heel rustig. Dit bezoekerscentrum mist nog een ding, bezoekers. Het gaf mij wel de gelegenheid om tussendoor even te pauzeren met een wandeling in het gebied. Ik had gehoord dat de ooievaars blijkbaar een jong hadden. Het leek echter alsof er een oranje idioot even was overgevlogen vanuit Amerika om dit te checken, fake-news dus. Want het vrouwtje zat nog steeds te broeden. Geen goed teken, nu zouden er al lang jongen moeten zijn. Vermoedelijk zijn de eieren niet bevrucht. Die kans was groot. Toen het koppel pas was aangekomen kon ik hun eerste amoureuze avontuurtje persoonlijk aanschouwen. Het mannetjes had duidelijk weinig ervaring. Op een bepaald moment boog het vrouwtje zich voorover om haar partner uit te nodigen voor een potje paren. Hij stond erbij en keek ernaar. Geen idee wat van hem verwacht werd. Niet veel later kwam er dan toch een poging. Maar meneer tuimelde tijdens hun mogelijk eerste stoeipartij onhandig van haar rug, de kluns. Maar ervaring komt met de jaren. Hopelijk overleven beide vogels de winter en keren ze volgend jaar terug. Hopelijk heeft het mannetje dan zijn opleiding ‘hoe paar ik’ achter de rug.

Ooievaar (archieffoto)

Mijn weekend sloot ik af als gids voor een leuke groep van Natuurpunt Alken. We maakten een tocht door de Broekbeemd en Graeterbeemd. Maar de ogen waren vooral naar de bodem gericht. Op zoek naar orchideetjes en andere leuke planten. Hoewel die zingende braamsluiper toch even wat aandacht kreeg. Deze soort had ik op al mijn tellingen nog niet gehoord. Een toevallige passant of een late gast? We houden hem zeker in de smiezen.

Rescue ranger

Een weekje verlof en droog weer, dat wordt een topweekje om vogels te gaan kijken. Tot dat droge weer doorsloeg naar warm, neen, heet weer. Ik kan er niet tegen en de vogels vonden er ook niets aan. Toch kon ik, vooral in de vroege en wat koelere ochtenduren, er wat zien.

Bronsgroen

Op maandag dus al vroeg uit de veren. Bestemming was een kleine parel vlak bij Tongeren: de Keiberg. Een gebiedje waar ik al langer eens wilde gaan piepen. Want een paar jaar geleden werd hier al een broedsel van grauwe klauwier gemeld. In onze regio voorlopig nog een uitzondering. Deze keer geen grauwe op het menu, maar de ster van ons Limburgs volkslied. Daar zingt hij in het bronsgroen eikenhout: de nachtegaal. Hier was het eerder in de vliertakken en de wilgen. Maar hij zat er wel. De eerste die ik hoorde in een mooi valleitje met een streepje mist erbij. Sfeervol. Nummer twee – want er zongen er meer – vlak langs het wandelpad keihard van katoen aan het geven. Weer eentje voor mijn Fruitstreek jaarlijst. Maar vooral een geweldige soort om te horen.

Nachtegaal – Keiberg Tongeren – 25 mei 2026 (archieffoto)

Natte broek

Op dinsdag alweer vroeg op. tijd voor de volgende inventarisatie in de Broekbeemd. Het begint trouwens leuk en vooral interessant te worden met een mooie soortenlijst die de 20 soorten al even gepasseerd is. Toch stelde ik mij bij vertrek de vraag waarom ik dit voornemen al zo vaak heb afgeblazen na een paar tellingen. Tijdsgebrek? Onvoldoende kennis van geluiden? Te veel gedoe? Tot ik na een uurtje met een kletsnatte broek van het bedauwde gras en tintelende billen van de netels die tot aan mijn middel reikten beduusd in de Broekbeemd stond. Rond mij vanuit elke struik het gepiep van uitgevlogen jongen van wie weet welke soort. Daartussen probeerde ik mij te focussen op de korte zangstrofes van de adulten die op het moment dat ze hun snavel even niet vol eten hadden voor hun kroost lieten weten dat ze er nog waren. Dan is het wel doorbijten. Gelukkig dat die zingende wielewaal wel volop van zich liet horen. Samen met de talrijk aanwezige bosrietzangers. Maar liefst 17 zangposten kon ik noteren. Opgelet, dit zijn niet allemaal zekere broedparen. Op dit moment trekken er nog heel wat van deze vliegende jukeboxen door. Ze komen pas begin mei aan. Tijdens de momenten dat ze ergens even pauzeren beginnen ze al dadelijk te zingen. Trekken die door, dan hoor je er op die plek vermoedelijk geen meer. Maar het wordt nog wat ingewikkelder. Want de vogels die zich wel settelen, houden vanaf dat er een nest is ook hun snavel dicht. Ze dan zien – liefst met voedsel of uitwerpselen van de jongen in hun snavel – is de kunst. Of letten op hun korte alarmroep. Maar die is al even verwarrend als die piepende jongen die ik nu overal hoor. Het leven van een vogelteller kan hard zijn.

Gered

Donderdag ging ik opnieuw op pad om vogels te inventariseren. Deze keer in het andere gebied dat ik wil opvolgen: de Caetsweyers. Bij aankomst werd ik al dadelijk verwelkomd door een jonge lepelaar. Die liep langs een van vijvers. Ik kon er wel redelijk dichtbij komen. Onervaren zeker? Tijdens de telling kon ik toch heel wat jong leven ontdekken. De kokmeeuwen zaten nog voorbeeldig te broeden. Maar de grote canadese ganzen, meerkoeten en wilde eenden zwommen al rond met donskuikens. Dat is wat je noemt een zeker broedgeval. Blijkbaar krijgen ze het waterpeil niet zo makkelijk in evenwicht. Ook hier zal de warme periode en de droogte wel een rol spelen. Bij heel wat vijvers lagen de eilandjes dan ook droog. Een ideale plek voor de kleine plevieren om te broeden. Ik mocht meerdere nesten opschrijven.
Op het einde van mijn bezoek zag ik dat de jonge lepelaar nog steeds op dezelfde plek stond. Maar nu met de kop in de veren. Geen goed teken. Dus belde ik naar het Natuurhulpcentrum met de vraag wat ik moest doen. Aangezien het nog heel vroeg was en dus geen volk beschikbaar om naar hier te rijden, kreeg ik de vraag of ik hem wilde proberen te vangen. Tja, proberen dan maar zeker. Ik wandelde voorzichtig tot bij de duidelijk verzwakte vogel. Hij kwam pas in beweging toen ik er maar een paar meter vanaf stond. Om hem niet in de vijver te laten lopen (één natte broek per week is meer dan genoeg), dreef ik hem naar de rand van het bos. Daar greep ik mijn kans en kon de lepelaar, die tevergeefs probeerde op te vliegen, te pakken krijgen. Maar hoe moest ik die vervoeren? Een doos of iets dergelijks had ik niet bij. Daarom trok ik aan de auto mijn trui uit en wikkelde de vogel er in. Met de mouwen bond ik mijn verrassingspakketje dicht. Voorzichtig legde ik hem voor de passagierszetel zodat ik hem in het oog kon houden. Niet echt volgens de verkeersregels, maar nood breekt soms een beetje wet. Op die manier reed ik naar Oudsbergen. Daar stond de persoon van wacht al klaar om deze onfortuinlijke gast op te vangen. Volgens hem hun eerste jonge lepelaar van het jaar. Een bedenkelijke eer. Hopelijk haalt hij het.

Museum

Vrijdag alweer op pad. Met de nog steeds opkomende hitte koos ik opnieuw voor een gebied in de buurt. Een aantal vijvers rond Tongeren leek mij een goede keuze. Toch belandde ik uiteindelijk via een mooie holle weg in de buurt van StHuibrechts-Hern in een bos. Op kaart leek het een leuke plek om te gaan rondwandelen. Tot ik doorkreeg dat ik in Schabos was beland. Wie dit gedrocht niet kent, even wat uitleg. In dit mooie loofbos zijn door de jaren heen meerdere buitenverblijven neergepoot. Niet zo maar een hutje of kleine chalet in het bos, maar echte – weliswaar meestal houten – woningen. Met netjes aangelegde tuinen en vaak hoge en in mijn ogen dure omheiningen. Er is eigenlijk pal in een bos een dorp gedropt. Illegaal en ‘dankzij’ het feit dat heel wat politiekers de verkeerde kant opkeken. Misschien zelf er iets gebouwd hebben. Het trekt op geen fluit. Een grote schande. Eigenlijk zouden ze de naam moeten veranderen in Schandaalbos. Een voorbeeld van de falende ruimtelijke ordening – wanorde noemen ze dat in Vlaanderen – van de voorbije decennia. Misschien is het een goed idee om dit schandelijke voorbeeld ook als waarschuwing te behouden en open te stellen voor het publiek. Bokrijk als museum waar je de leefwijze van onze voorouders kan gaan bekijken. Schabos als plek waar je de gevolgen van een falende overheid en de manier waarop de burgers daarvan gebruik hebben gemaakt – want ook zij hebben boter op hun hoofd – kan zien. Zodat we die fouten niet meer opnieuw zouden maken. Of ben ik nu wat naief?

Schabos (foto Visit Limburg)

Langzaam

Zaterdag stond ik op met het geluid van kletterende regen tegen de ruit en gedonder in de verte. Gelukkig, de vroege hittegolf was voorbij. Ik was er zo blij mee dat ik mij aankleedde en na het ontbijt een stevige wandeling ging maken op mijn local patch. Paraplu in de hand, regenjas aan en met een smile op mijn gezicht. Weg hitte. Hoewel ik niet veel vogels zag, genoot ik toch van deze verpozing. De regen die ik kreeg onderweg en het iets te hoge natte gras op de wandelpaden nam ik er bij. Dus kwam ik thuis… met een natte broek.

Zondag sloot ik deze week af met opnieuw een bezoek aan de Broekbeemd. Deze keer echter in gezelschap van de toffe peren van de plantenwerkgroep. Zij hadden een excursie gepland in het gebied en Gert en ikzelf waren welkom om hen een beetje te begeleiden. Dit werd een inspanning die in de wereld van de sportcoaches zou omschreven worden als nutteloos om je conditie met een bijna onmogelijk meetbare fractie te verbeteren. Hun tempo lag zo laag dat we een half uur na het vertrek van hun zoektocht naar planten nog steeds op de parking stonden aan de visvijver waar we vertrokken waren. Gelukkig ging het nadien iets vlotter, maar Gert en ik stonden er toch regelmatig met de nodige verwondering naar te kijken. Wat ook een vreemde ervaring voor ons beiden was, dat er op geen enkel moment werd opgekeken of zelfs niet geluisterd naar geluidjes in de omgeving. Tja, planten maken nu eenmaal weinig geluid. Als dat toch zo is, is dat meestal geen goed teken. Met hun neus tegen de grond ging het langzaam maar zeker verder. Hun soortenlijst werd wel elke minuut indrukwekkender. Soorten als watergras, hoge cyperzegge, kruipend zenegroen, stinkende ballote, wollige munt en rode waterereprijs waren tot dan toe voor mij nobele onbekenden. Een leuke ervaring, dat was het zeker. Maar uiteindelijk gingen Gert en ikzelf nog even naar de reigernesten in de buurt turen. Effe afkicken. Want vogeltjes kijken vinden we toch nog net iets leuker,… en sneller.

Plantenwerkgroep in (stilstaande) actie in de Broekbeemd

Pit-pierewit

Mijn vogelkijk-week begon op woensdag met een stevige ‘dip’. Hoewel het bij ons ouwe wijven regende reed ik toch naar Hollogne-sur-Geer. Daar ligt een sympathiek, klein natuurreservaatje waar het vaak goed vertoeven is. Ook deze keer, want er was de voorbije dagen een kuifduiker gezien. Deze vertegenwoordiger van de fuutjes is eigenlijk een gepimpte geoorde fuut. Zo een beetje zoals het verschil tussen een VW Golf die je elke dag tegenkomt in ht verkeer en eentje die op een circuit rondscheurt of op een tuning-evenement met rokende banden rondspint om daarna te staan blinken voor het kwijlende autokenners-publiek. Met dat gevoel, of toch iets dat daarop leek, parkeerde ik mijn auto op de kleine parking aan het reservaat. Een kuifduiker zien, dat deed ik al wel vaker. Meestal echter in zijn veel saaiere winterpakje. Een keer kon ik er eentje in zomerkleed bewonderen aan de bezinkingsputten in Tienen. Maar van heel ver. Aan de foto’s van dit exemplaar te zien, was de kans om hem mooi dichtbij te zien bestaande.
Aan de plas waar de kuifduiker meermaals was gezien stonden al twee vogelkijkers. Maar ik zag dadelijk dat eentje, die met de lange telelens, er wat lusteloos bij stond. Met reden bleek even later. Want de gepimpte fuut bleek gevlogen. De tientallen geoorde fuutjes brachten een klein beetje troost. Maar ik reed kuifduiker-loos richting Wellen. Onderweg zorgde de regen voor nog een extra down-gevoel. Tja, het kan niet altijd kermis zijn.

Kuifduiker (gemist door mij) – foto: John Maréchal

Zuiders

Ondertussen ontbrak de zomertortel nog steeds op mijn jaarlijst. Daarom ging ik zaterdag bij het ochtendgloren op pad in de Meersbeemden. Een leuk gebied vlakbij in Borgloon. Daar waren er de voorbij dagen meermaals gezien. Ik wandelde op mijn gemak tot helemaal aan de spoorberm. Maar zonder ‘getur’ te horen. Ook het afspeuren van alle toppen van de struiken en de dode bomen bleven tortel-loos. Was er een volgende dip in de maak? Op de terugweg vloog er een duifje over. Maar voor ik ze goed kon bekijken was ze al achter een populierenbosje verdwenen. Te weinig om zomertortel op mijn lijst te zetten vond ik. En dan…vlak voor ik aan de weg kwam hoorde ik de verlossende stille roep van mijn doelsoort. Vlot draaide ik mij om op mijn hielen en even later stond ik onder een eik waarin een zomertortel zat te koeren. Na enige tijd vloog ze op om iets verder in een vlier volledig open te gaan zitten. Zoals zomertortels dat wel vaker doen. Eerst volop roepend en dan zichzelf mooi poetsend. The full-experience. Dat er nog een paartje voorbij vloog maakte mijn waarneming nog wat leuker. Minstens twee paartjes zaten hier. Voor deze rode-lijst soort een opsteker.

Zomertortel – Meersbeemden – 23 mei 2026

Daarna reed ik door naar Piringen. Pierre had een paar dagen geleden hier een orpheusspotvogel gevonden. Deze zuiderse versie van ‘onze’ spotvogel is aan een opmars richting onze streken bezig. De klimaatopwarming zorgt hier voor, veronderstel ik. Op de aangeduide locatie zat inderdaad eentje volop te zingen. Aangezien ik deze soort niet elke dag hoor, liet ik Merlin er even op los. Die bevestigde dadelijk mijn vermoeden dat ik naar de orpheus van Pierre stond te luisteren. Het werd nog iets leuker, toen er een wat bleker exemplaar van een spotvogel uit een meidoorn vloog en zich heel kort mooi liet bekijken. De zanger van dienst zat op dat moment nog steeds in de boom achter mij van katoen te geven. Volgens mij zat hier een paartje. De kans op een broedgeval voor de Fruitstreek werd hiermee iets groter. Dat zou pas de max zijn!

Orpheusspotvogel – Piringen – 23 mei 2026 (foto: Wouter Berden)

Dromenland

Zondag stond de volgende ABV-telling (Algemene Broedvogels) op mijn programma. Want tegen eind van de maand moet die klus geklaard worden. Met ondertussen een zeer zonnige periode een goed moment. Als je er vroeg aan begint dan toch. Dus stond ik om 5 uur al op.
Voor ik er aan begon, reed ik nog even naar de akker in Aals-bij-StTruiden. Vlakbij en misschien was de kwartel die daar was gehoord ook al vroeg uit de veren. Hopelijk voor dit beestje niet letterlijk. Als vogel is dat niet de beste keuze. Maar in die akkers bleef het buiten het gekweel van veldleeuweriken stil.
Dus verder door naar centrum Sint-Truiden. Want mijn twee hokken die ik hier ga tellen liggen in de stad en op een industrieterrein. Niet dadelijk de plek waar je vogels gaat kijken. Wel, daar heb ik toch een ander idee over. Niet dat ik speciaal hier ga rondlopen, maar door zo een telling te doen krijg je toch een ander zicht op de zaak. In het hok in Bergerven dat ik een week geleden telde en dat volledig in een bos ligt telde ik 16 soorten en 50 verschillende individuen. Hiervan zag ik er met moeite een paar. In het hok dat in de stad ligt mocht ik 18 soorten noteren en maar liefst 105 exemplaren. Die ik bijna allemaal ook kon bekijken. Op het industrieterrein tikte ik zelfs 26 soorten in! Wie zegt dat er in de stad niets te zien is…

Gierzwaluw – Sint-Truiden – 24 mei 2026

Het feit dat ik deze keer voor een, heel vroege, zondagmorgen koos zorgde dat het een stuk rustiger was dan de vorige telling op een weekdag. Hierdoor hoorde en zag ik uiteraard meer vogels. Daarbij waren een aantal zomergasten ondertussen aangekomen. Een zingende spotvogel achter de Hubo was dan ook een leuke waarneming. Maar ik genoot vooral van de door de lucht klievende gierzwaluwen. Ze deden volop het ding waardoor ze hun naam kregen: gieren. De Truienaren die voor een groot deel nog in dromenland vertoefden wisten niet welk prachtig spektakel er zich boven hun dak afspeelde. Acrobatische vluchten waar de artiesten van Cirque du Soleil zonder twijfel jaloers van worden.

Om mijn weekje vogels kijken af te sluiten reed ik toch nog eens terug naar de akkers in Aalst. Want het was nog redelijk vroeg. Ik was nog maar goed honderd meter ver gewandeld of ik hoorde de kenmerkende ‘pit-pieriwit’-roep van een kwartel. Jawel, ze had blijkbaar wat langer geslapen op deze zondag. Maar nu liet ze zich horen om op mijn jaarlijst te raken. Check!

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research