Met een aantal weken verlof in het vooruitzicht trok ik woensdag alvast naar onze telpost in Oetersloven. Wouter was al daar toen ik aankwam en had net een slanke kiekendief zien voorbijvliegen. De foto die hij nog kon nemen toen hij uit zijn auto was gestapt, gaf geen uitsluitsel. Een tegelijk hoopvolle, maar ook wat teleurstellende start van alweer een leuke telling. We besloten om deze kiekendief dan ook als steppe/grauwe de geschiedenis in te laten gaan. Want het moest een van deze twee geweest zijn. Het werd trouwens een goede voormiddag voor kiekendieven. Niet veel laten telden we vijf bruine kiekendieven op nog geen minuut. Mogelijk hadden ze in de buurt op een veld de nacht doorgebracht. Ze kwamen, zoals Wouter zo mooi verwoordde, als een treintje voorbij. Alleen al deze waarneming maakte mijn voormiddag goed. Dat er die dag wat minder vogels voorbij trokken vond ik niet zo erg.
Bruine kiekendief – Oetersloven – 17 september 2026
Vrijdag reed ik dan ook opnieuw naar onze telpost. Alweer een slome dag. Weinig vogels en een staalblauwe lucht zodat de weinige die overtrokken ook nog eens moeilijk te ontdekken waren. Het aantal ‘piepjes’ waar ik geen vogel aan kon koppelen liep aardig op. Geluiden: ze maken mij een kluns, zoals al eerder vermeld. Toch waren er opnieuw leuke momenten. Een mooi aantal holenduiven en die wat grotere beesten die dan ook nog eens mooi dichtbij voorbij komen pik ik er wel uit. Wouter kon ook boven Zepperen, dat is toch wel een stukje weg van de telpost, een groep van 11 ooievaars ontdekken. Jeugdige ogen zijn duidelijk een voordeel.
BoPi
Donderdag, tussen de twee trektellingen door, schoof ik mijn netten weer eens open. De zwartkoppen hielden mij goed bezig en stuwden het dagtotaal makkelijk boven de 140. Na de eerste ronde wissel ik altijd van geluid. Tijd voor de dagtrekkers waaronder toch wel wat geluiden van piepers en gorzen. Dit leverde toch alweer twee boompiepers op. Met 25 stuks tot nu toe is dit mijn beste jaar voor deze soort sinds ik hier vogels ring. En september is nog niet voorbij. Dus wie weet.
Ook de tjiffen komen op gang. Ik kon er toch 11 ringen. Die paar fitissen waren ook welkom, samen met de vier gekraagde roostaarten waaronder een prachtige adult mannetje. Toch ging uiteindelijk een pimpelmees op de foto. Niet enkel omdat het prachtige vogeltjes zijn. Maar vooral omdat ze voor elke ringer een nachtmerrie zijn om te behandelen. Deze kleine sadistjes hebben de gewoonte om stevig te bijten. Niet vol in je vingers, maar subtiel, met de punt van hun snaveltje. Ze pakken daarmee een heel klein stukje vel beet dat ze niet snel loslaten. Vaak op een plek waar het echt pijn doet. Ik ben er zeker van dat in vroeger tijden beulen pimpels vingen om hun slachtoffers dan in een kooi te steken vol met deze bijtertjes. Een marteling die menig voorvader tot ongewilde en soms zelf verzonnen bekentenissen heeft gedwongen. Of ga ik nu te ver met mijn gedachten…
Mijn vogelweek begon alweer op woensdag. wel pas in de namiddag wegens, een overigens heel boeiende, bijeenkomst bij Landschapspark Haspengouw over de toekomst van de natuur in onze regio. Ik reed richting Schulen om er de grijze wouw te gaan bekijken die er al een paar dagen mooi zat te wezen. De zoektocht was makkelijk, zoek het trosje fotografen en kijk in de richting dat hun ‘kanonnen’ wijzen. Mooi midden op het afgesloten deel in een struik zat onze schitterende rover zich te poetsen. Tot ergernis van de aanwezige fotografen: ‘te ver’. Ik liet het aan mij voorbij gaan en genoot van deze toekomstige broedvogel voor Limburg (daar ben ik nu al zeker van, de vraag is alleen waar en wanneer) door mijn telescoop. In Vlaanderen heeft hij deze prestatie al neergezet. Solidair met de fotomensen nam ik ook een foto. Waardeloos, maar er was wel een klik. In mijn fototoestel dan toch. De echte plaatjesmakers stonden erbij en keken ernaar. Het moment om bij te praten met oude bekenden en kennis te maken met nieuwe vrienden. Dan komen de foto’s altijd boven. Johan G. toonde mij zijn beelden van de vorkstaartmeeuw. Pareltjes. Zijn verhaal hoe hij er in slaagde om dit kleine meeuwtje zo sfeervol op beeld te zetten, kreeg ik er gratis bij. Gezellig. Mijn resultaat van de grijze wouw zet ik dan ook met schaamrood op de wangen hier even bij. Deelnemen is duidelijk belangrijker dan winnen voor mij.
Grijze wouw – Schulensbroek – 9 september 2026
Na deze kennismaking bleef ik nog even hangen op de dijk. Want hier is altijd wel wat te zien. De zoölogische flamingo was nog steeds present. Hij liet mij zelfs even zijn vlucht bewonderen. Het blijven bizarre beesten. Dat is wat ik er van denk. Twee visarenden boven het meer waren ook de moeite. Samen met toch wel wat steltjes. Niet de hoeveelheden van vorig jaar, maar de trek is nog bezig. Terwijl ik over het water stond te turen kwam er plots een jong kereltje naar mij toe. ik schat hem 9 of 10 jaar. ‘Zie je iets speciaals?’ was zijn eerste zin. De man met de verrekijker die iets verder aan kwam lopen was zijn opa. Zijn ‘Daar, een kleine zilverreiger!’ deed mij even glimlachen. Op die leeftijd zo een soort kennen en herkennen is zonder twijfel een mooie prestatie. Dat hij enthousiast werd van de flamingo vergeef ik hem. Het blijft een opvallende verschijning. Zijn opa had veel moeite om deze grote roze waadvogel te vinden. Maar ook dat vergeef ik hem. Het feit dat hij zijn passie doorgaf aan zijn kleinzoon maakte alles goed. Ik wees hen nog even de plek aan van waar ze de grijze wouw konden zien. Al taterend met zijn opa wandelden ze verder. Mij achterlatend met een zalig gevoel. Jong geweld is wat wij nodig hebben. Grijze exemplaren hebben wal al meer dan genoeg (ik ben er eentje van), tenzij het een wouw is.
Flamingo – Schulensmeer – 9 september 2026 (ook ik ben gafascineerd)
Triller
Omdat ze op zondag regen voorspelden besloot om donderdagavond mijn geluid klaar te zetten op mijn ringplek. Goede keuze! De zwartkoppen gaven er alweer een lap op. Ondertussen ringde ik er dit jaar al meer dan 600. Leuk waren de zes boompiepers tijdens mijn tweede controle. Die doen het goed dit jaar. Maar de kers van de voormiddag was een sprinkhaanzanger. Altijd leuk om zo eentje uit het net te halen. Dit beestje heeft een lange naam en een lange adem. Ooit was die naam zelfs nog langer. Ze hebben het ‘riet’ er tussenuit gehaald. Besparing van inkt vermoedelijk. Zijn adem is even lang gebleven. Hij kan minutenlang zijn eentonige triller laten horen. Een voor een vogel wel wat vreemd geluid, dat door heel wat niet-vogelkijkers totaal over het hoofd wordt gezien. Jammer, want voor mij is het telkens weer een moment dat ik even blijf staan. Horen, leuk, zien, een uitdaging. Behalve als hij in de onderste baan van mijn net hangt te bengelen. Het voorrecht van het ringwerk veronderstel ik.
Sprinkhaanzanger – ringvangst – 11 september 2026
Zondag beslisten de weergoden om de hemelsluizen regelmatig open te zetten. Het werd dan ook een dagje luieren in de zetel en op youtube wat genieten van wat vogeltjes en onze Belgen zien verliezen in het EK 3×3. Ook leuk, ik bedoel die vogeltjes op mijn tv-scherm. Maar buiten ze in levende lijve bekijken is toch veel beter. Op naar beter weer en meer vogels.
Het werd een telweek met drie bezoeken aan onze telpost in Oetersloven en een arbeidsintensieve ringdag op zondag. Met vogels, véééél vogels.
Op woensdag koos ik voor de telpost. Makkelijke keuze, want ze voorspelden veel wind. Dan is ringen geen optie. Het werd, samen met Pierre, een leuke dag met vooral zwaluwen on the move. We telden 153 ‘boerkes’ (boerenzwaluwen) en 10 ‘huiskes’ (huiszwaluwen). Die afkortingen gebruiken we op de telpost om de indruk te krijgen dat we als oude vogelaars toch nog cool zijn. Ik twijfel of dit met succes is. De ster van deze telling was zonder twijfel de jaarlijkse wulp. Hij kwam luid roepend aangevlogen. Gek was wel dat zowel Pierre als ik totaal geen idee hadden waar die luid roepende steltloper vandaan kwam. Tot we hem oppikten boven de kapel. De gekromde snavel was uiteraard onmiskenbaar. De laatste drie jaar kon Pierre er telkens eentje opschrijven. Dus zeker geen algemene soort voor onze telpost. Enkel in 2007 hadden we er twee. Maar er waren nog veel meer wulploze jaren.
Showbeest
Vrijdag stond ik er opnieuw. Alweer dankzij een stevige ZW-wind. Onze zwaluwen waren ook deze keer de meest vertegenwoordigde doortrekkers. Maar liefst 306 boerenzwaluwen en toch ook 18 huiszwaluwen. Die laatsten vliegen duidelijk een stuk hoger door, waardoor ze volgens mij wel vaker gemist worden. Wouter, die er deze keer ook bij was, ontdekte een jagende juveniele havik. Spektakel gegarandeerd! Maar die werd makkelijk overtroffen door een, ook eerstejaars, wespendief die zelfs even op een straatlamp vlakbij de telpost kwam zitten. Zo zie je ze niet vaak.
Wespendief 1ste jaars – telpost Oetersloven – 4 september 2026
Zaterdag opnieuw present in Oetersloven. Deze keer naast Pierre ook met de beloftevolle jeugd in de vorm van Jens en Nathan. Ondanks wat minder wind bleef het vrij rustig. Alweer waren het de zwaluwen die onze telling wat animeerden. Deze keer 220 boerenzwaluwen en 20 huiszwaluwen. Hiermee zag ik dus op de telpost op drie dagen in totaal 679 ‘boerkes’ en 48 ‘huiskes’. Ook op deze telling waren er entertainers van dienst in de vorm van een paartje tapuiten die op de paaltjes vlakbij onze telpost kwamen pronken. Leuke afwisseling.
Tapuit – telpost Oetersloven – 5 september 2026
Werkendag
Zondag besloot ik dan toch om nog eens een dagje vogels te ringen. De weermannen (en vrouwen) van dienst hadden een windstille voormiddag voorspeld met aangename temperaturen. Bij het openschuiven van de netten werd al snel duidelijk dat er tijdens de nacht heel wat vogels op mijn ringplek waren ingevallen. In elke struik hoorde ik geritsel. Dat beloofde. Mijn gevoel klopte. Met 135 zwartkoppen (zij namen zoals gewoonlijk de hoofdmoot voor hun rekening) was het afzien om alles geringd, gemeten en gewogen te krijgen. Kersen van de dag waren twee late bosrietzangers, de aanzet van de doortrek van heggenmussen voor dit najaar en mijn eerste vuurgoudhaantje voor dit jaar. Deze kleurenbommetjes zijn altijd een mooi cadeau.
Uiteindelijk kon ik 188 vogels ringen. Samen met de exemplaren die op de dagen dat ik op de telpost stond over mijn hoofd vlogen stond de teller voor deze week op maar liefst 1.051 vogels die ik zag. Een getal dat ook staat geregistreerd op de geweldige website van trektellen.be. Dus wie mijn verklaring in twijfel trekt mag daar eens gaan piepen.
Op woensdag stond ik weer op de telpost in Oetersloven. Na een paar vluchtige bezoeken was dat al weer even geleden. De trigger was de melding van doortrek van heel wat wespendieven. Duizenden vogels waren in mooie bellen begonnen aan hun trek naar Afrika. Bellen? Even uitleggen, dat zijn groepen roofvogels die op thermiek samen omhoog draaien om even later een voor een af te glijden. De manier om op een energiebesparende manier te reizen. Vooral heel spectaculair. Dat gevoel was ik even vergeten. Het ontdekken van zo een grote groep vogels in die staalblauwe lucht of tegen een witte wolk. Eigenlijk had ik dat wat gemist zonder dat ik mij dat realiseerde. Nu, de weergoden hadden mijn keuze makkelijk gemaakt. Met kans op stevige buien is vogels ringen thuis uitgesloten. Je wil geen vogels in de netten hebben hangen als er plots een onweer opkomt. Nefast voor de gevangen beestjes en heel kou, nat en onaangenaam voor de ringer, ik dus.
Goed begonnen
Mijn eerste dag op de telpost was trouwens al dadelijk een schot in de roos. Voormiddag was het slapjes met af en toe een bui en weinig vogels. Maar aangezien er nog wespendieven voorspeld waren kwamen Pierre en ik namiddag terug. Een goede keuze zo bleek. Twee mooie groepen ooievaars (35 in totaal), twee zwarte ooievaars, drie bruine kiekendieven waarvan eentje mooi jagend vlak voor de telpost, toch nog 48 wespendieven en als toetje een visarend. Een mooi lijstje voor een weide in Oetersloven.
Wespendief op trek (foto: Tibbout Van de Walle)
Donderdag koos ik dan toch voor mijn ringplek. Het blijft een dilemma, tellen, ringen of ergens vogels gaan kijken. Elke keer weer. Ook hier deden de boompiepers mee. Nadat ik ze op de telpost zag overvliegen, had ik ze nu in mijn handen. Ondertussen al 17 dit jaar. Op dit moment al het tweede beste jaar ooit voor deze mooie soort. Enkel in 2016 had ik er meer (24). Maar dan over gans het najaar. Eind augustus waren het er toen 15. Dus is er nog hoop om een nieuwe beste jaarprestatie neer te zetten. Bij het dichtschuiven van de netten kon ik nog een mooie bel wespendieven – het waren er 28 – boven de ringplek bewonderen. Voor mij een teken om alweer naar Oetersloven te rijden morgenvroeg.
Boompieper (archieffoto)
Dubbel?
Vrijdag stond ik dus om 8u alweer op de telpost. Tegen beter weten in, want Pierre bleef netjes thuis. Hij vond de weersvoorspellingen niet van die aard om naar Oetersloven te rijden. Uiteraard had hij gelijk. Het was een stuk stiller dan woensdag. Zo goed als geen trek. Maar ik zou en moest die pas geïnstalleerde app uitproberen. Tja, zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Elke nieuwe uitdaging is voor mij eentje die ik alweer aan 200% aanpak. Een zwak puntje zeggen sommigen. Al snel had ik door dat een tijd wegblijven op de telpost mij geen goed had gedaan. Een talent van een goede trekteller is dat hij op basis van een kort roepje en de manier hoe een vogel vliegt – als je hem al kan vinden in die brede lucht boven de telpost – kan zeggen welke soort er net voorbij kwam. Bij het ringen kan je die vogel uitgebreid bekijken. In het veld blijven meestal wel een tijdje zitten zodat je er je telescoop kan op richten. Op de telpost is dat vaak maar een fractie van een seconde. Dat was even slikken voor mij. Enkele groepjes vlogen dan ook voorbij zonder dat ik ze in mijn nieuwe app invoerde. Gewoonweg omdat ik ze niet op naam kon brengen. Het gaf een beetje het gevoel als iemand die ooit fietste en naar heel veel jaren terug op zijn fiets springt. Je weet dat je het kan, maar het zal weer wat oefenen worden. Uiteindelijk kon ik toch een aantal soorten noteren. Boompiepers (want die roep kende ik van op mijn ringplek), gele kwikstaarten, een duidelijke grote gele kwik (mooi kunnen bekijken in de kijker), een leuke groep van 12 grote lijsters en vier holenduiven die strak doorvlogen. Want dat is een voorwaarde om ze te mogen meetellen. Vaak krijgen wij van bezoekers en niet-vogelaars op de telpost die vraag. ‘Hoe weet je dat die vogel op trek is?’. Wel, dat zie je meteen. Een vogel die blijft ronddraaien boven of in de buurt van telpost wordt niet genoteerd. Enkel als ze strak en snel doorvliegen in een rechte lijn over de telpost in de goede windrichting is er sprake van trek. ‘En tel je die vogels niet dubbel?’ is ook een (te) vaak gehoorde vraag. Zo goed als zeker niet. Vogels die op trek zijn hebben geen zin om nog even een stukje terug te vliegen. Ze hebben nog heel veel kilometers te gaan, dus doorvliegen is de boodschap.
Zelf begin ik tot het besef te komen dat ik vooral een teller ben. Elke activiteit met vogeltjes waar ik een app mee kan gebruiken vind ik de max. Van ringwerk, inventariseren tot trektellen. Niet dat ik een zeldzame verschijning zal overslaan. Maar stilaan wordt het mij duidelijk welke keuzes ik ga maken. En de telpost in Oetersloven staat daar zonder twijfel tussen. Al is het maar voor dat mooie uitzicht dat we daar hebben.
Met een halve week verlof werden er alvast heel wat plannen gesmeed. Het begon met een bezoek aan het Schulensbroek op woensdag. De gemelde, weliswaar ontsnapte, flamingo wilde ik wel eens met mijn eigen ogen zien. Dat lukte wonderwel. Hij liep mooi te wezen op nog geen 50 meter van de dijk. Leuk beest. Maar eentje die niet meetelt voor mijn lijstjes. Het is wat ze in ons vogelkijkers-wereldje noemen een escape. Tenzij je ook een exoten-lijst hebt (wat ik eigenlijk stiekem ook bij hou). Deze roze schoonheid leefde nog niet zo lang geleden in een vogelpark in Nederland nabij Eindhoven. De ring aan zijn poot gaf dit weg. Tot hij besloot om de wijde wereld in te trekken. Zijn reis stopte voorlopig in Schulen.
Flamingo – Schulensbroek – 19 augustus 2026
Donderdag was het weer ringen geblazen. Verkeerde keuze trouwens, met slechts 30 vogels in de netten. Mijn veronderstelling dat het hete weer geen invloed had, kreeg nog een extra bewijs. Want nu was het weer ‘normaal’ wat betreft temperatuur. Buien vinden trekvogels veel minder leuk dan warm weer.
Zeevogel
Vrijdag opnieuw naar Schulen. Ik krijg het gevoel dat dit een vaste trip gaat worden. Wat een geweldig gebied is dit toch! Ik was er al heel vroeg en mijn vriendje de flamingo was nog steeds present. Maar er zat nog veel meer. De steltjes beginnen stilletjes binnen te druppelen. De eerste groenpootruiters en een zwarte ruiter is een goede start van hopelijk een geweldige steltjestrek. Maar de ster van de dag was zonder enige twijfel een visarend. Na even boven het meer te hebben gecirkeld, ging hij zelfs op een paaltje zitten. Wat ik toen zag is voor mij een nieuwe ervaring. De flamingo die vlakbij dat paaltje aan het fourageren was, vloog op en ging achter de visarend aan. Die schrok zich te pletter toen hij dat rare, roze beest op zich zag afkomen. Wat een spektakel!
’s Avonds kreeg ik de melding door van een adulte vorkstaartmeeuw aan de Maas. Weliswaar aan Nederlandse kant in Itteren. Toch zag ik dat er enkele Limburgse vogelkijkers naar daar waren gereden. De vogel werd gezien boven Belgisch grondgebied. Want het is een strenge regel dat je een vogel pas op je Belgische lijst mag meetellen als die effectief op of boven ons landje werd waargenomen. Vaak een regel die met een dikke korrel zout wordt genomen. Maar ik ben daar heel strikt in. Menige soort mis ik nog op mijn lijst omdat die het vertikte om aan de juiste kant van de Maas te komen zitten. Just is just. Mijn plannen om morinelplevieren te gaan zoeken in de Haspengouwse velden werd omgezet naar een trip naar de Maaskant. Goede keuze, want toen ik uit de auto stapte stonden er al een paar vogelkijkers. Nadat ik al mijn materiaal uit de koffer had gepakt, wandelde ik naar hen toe. Hun eerste zin was: ‘daar vliegt hij’. Nog geen seconde later kreeg ik een vliegende vorkstaartmeeuw in beeld. Dat is wel geluk hebben. Echter wel duidelijk een heel eind boven Nederland. Dus geen extra soort op mijn lijst. De herontdekker was een oude bekende, Stijn Raymaekers. Een mooie bonus na het bekijken van deze mooie meeuw. Omdat de vogel ver en hoog was weggevlogen besloten Stijn en ik om bij Itteren, waar de vogel ook al eens gezien was, te gaan kijken. We waren nog maar net Hochter Bampd binnen gewandeld of Stijn kreeg een bericht op zijn gsm dat de meeuw opnieuw was gezien in Smeermaas. Snel terug naar de auto en rechtsomkeer. Gelukkig zat ze er nog. Deze keer zittend tussen de andere meeuwen. Mooi!
Vorkstaartmeeuw adult – Smeermaas – 22 augustus 2026
Maar opnieuw in Nederland. Tot ze even later hoog opvloog naar het noorden. We konden ze goed volgen in de telescoop. Plots kwam er een boom in beeld waar ze naar links aan voorbij vloog. En ik kende die boom! Die stond op de dijk in Hochter Bampd. Toen de vorkstaart uit beeld was besloot ik dan ook richting dat natuurgebied te wandelen. Misschien was ze wel op de plas daar geland. Even later stond ik aan die bewuste boom. De kraaien die ik er in had zien zitten vanachter mijn telescoop, zaten er zelfs nog in. Nu was ik zeker, ik had een vorkstaartmeeuw gezien die boven Belgische grondgebied vloog. Nummer 316 op mijn Belgische lijst was een feit. Euforisch besloot ik door te wandelen tot in Herbricht, waar het meeuwtje ondertussen gemeld werd. Daar kon ik ze na een stevige wandeling nog eens goed bekijken. Wat een schoonheid trouwens. Deze meeuwen zie je normaal gezien enkel bij stormweer al eens aan de kust. Het zijn echte zeevogels. En een adulte vogel zien is dan ook nog eens niet vanzelfsprekend. Dit was echt een mooie waarneming. Nu moest ik wel nog helemaal terug tot aan mijn wagen in Smeermaas. Een stevige tocht die mijn huisdokter zonder enige twijfel zal toejuichen. Zijn raad om mijn auto, als ik naar een vogel ga kijken, een stuk verder te zetten had ik deze keer wel erg letterlijk genomen.
Zus leeft
Zondag was Kristof weer present om te komen helpen bij het ringen. De verwachtingen waren hoog, want Hub – een collega ringer – had de dag er voor meer dan 300 vogels geringd. Een stevig record volgens mij. Bij het openschuiven van de netten leek het geritsel in de struiken alvast het vermoeden dat er veel vogels onderweg waren te bevestigen. En bij de eerste ronde was het koekenbak. Vooral de zwartkoppen waren present. Er was een stevige landing aangekomen. Uiteindelijk konden we 174 vogels ringen. Het was een hele klus. Leukste soort waren de boompiepers. Die trekken op dit moment door, maar ze vangen is vaak niet zo makkelijk. Deze keer ging het wat vlotter met een nieuw dagrecord van acht stuks als gevolg. De leukste vogel was alweer een merel. Kristof mocht een van de door hem geringde pulli uit een nest vlakbij de ringplek terug goeiedag zeggen. Een zus van de vorige die ik ving. Met twee merels die nog leven is het broedsucces van dat nest dan toch 50%. Een positief verhaal om de week mee af te sluiten.
Ondanks de zinderende hitte werd er toch geringd. Ik heb trouwens totaal niet de indruk dat die tropische temperaturen invloed hebben op de trek. Het zijn dan wel bijna allemaal nachttrekkers die wij ringen, maar toch. De omstandigheden zijn uitzonderlijk zou je denken. ’s Morgens is het wel zalig. Tijdens die hitte lig ik vaak uitgeteld op de zetel binnen met een ventilator op mij gericht. Maar bij zonsopgang is het goed te doen. Woensdag had ik zelfs wat vallende sterren als bonus tijdens het openzetten van de netten.
Ondertussen groeit mijn soortenlijst weer wat aan. De jaarlijkse draaihalzen – jawel, twee op een dag – staan al genoteerd en ook mijn eerste bonte vliegenvanger kon ik ringen. Altijd leuk zo een paar ‘kersen’. Maar verder zij het vooral de kleine karekieten en zwartkoppen die met lange reeksen door mijn handen gaan. Toch blijft ook dit leuk. Oud of jong? Soms leuke ‘afwijkingen’, zoals eentje met een wit kruintje. Hebben ze rui en hoe? Opgevet voor hun lange reis of nog werk aan de winkel? Boeiend. Woensdag had ik bijvoorbeeld een kleine karekiet met wel heel mooie groeistrepen. Groeistrepen? Wel dat zijn onderbrekingen van de groeiende pennen, meestal de staartpennen door tekort aan voedsel. Die periodes kan je mooi zien, een beetje zoals jaarringen in een boom.
Groeistrepen kleine karekiet
Omdat de veren op dat moment langzamer groeien zitten de baarden (de zijhaartjes van een veer) dichter bij elkaar en krijg je donkere banden. Zoals op de foto. Dit duidt vaak op een jonge vogel. Vaak omdat het ook af en toe voorkomt bij adulte vogels. Ook die krijgen tijdens de rui nieuwe veren en dan kan er net op dat moment een tekort aan voedsel zijn. Het verschil is echter dat bij een 1ste jaars de veren allemaal tegelijk groeien en de groeistreep dan ook mooi recht is. Bij adulte vogels groeien de veren een voor een, meestal van het centrale deel van de staart of vleugel naar buiten en daardoor is de groeistreep dan niet recht maar gebogen. Een van de manieren om 1ste jaars en adulte vogels uit elkaar te houden.
Draaihals 1ste jaars – Graeterbeemd – 16 augustus 2026Bonte vliegenvanger 1ste jaars man – Graeterbeemd – 14 augustus 2026
Ooitjes bij de vleet
Zaterdag ging ik nog eens op pad met Wouter en Pierre. Schulensbroek was onze bestemming en dat bleek een goede keuze. Ik heb het hier al vaak gezegd, maar zeg het nog eens: dit is een topgebied. Zelfs na een periode van hittegolven. Misschien wel net na zo een periode, want hier is nog water te vinden. We begonnen met een aantal jonge waterrallen die zich mooi lieten bekijken en een vlucht van zes zwarte ooievaars over ons hoofd. Goed begonnen zou ik zeggen. De steltjes waren er, maar nog niet in grote aantallen. Witgatjes, bosruiters en heel wat watersnippen. Dit samen met maar liefst 15 kleine zilverreigers. Voor het binnenland zeker geen evidentie. De verwachte graszanger deed ook zijn ding, vliegen en zippen en als bisnummer zich mooi laten bekijken. Dat laatste deden ook een (vermoedelijke) familie grauwe klauwieren. Vlak langs de weg gaven ze een showtje in een meidoornstruik. Vader, moeder en kindlief. Die laatste kwam iets verder ook nog even netjes poseren voor onze camera’s. Zelfs ik kon mij niet meer bedwingen en haalde mijn camera boven. De groep van maar liefst 60 witte ooievaars die op thermiek hun trek naar het zuiden verder zetten, te zien vanaf het terras van ’t Vloot met een verfrissende Liefmans Kriek, was een waardige afsluiter van een schitterende voormiddag vogels kijken. Tja, dit moet ik echt meer gaan doen in deze spannende periode.
Grauwe klauwier juveniel – Schulensbroek – 15 augustus 2026
Leuk weerzien
Zondag was het opnieuw ringen geblazen. ’s Ochtends was het alvast een stuk koeler en ook de zon bleef een lange tijd achter de wolken zitten. Dat was even geleden. Maar opnieuw had het weinig effect op de vogels. Het werden er 77 met alweer twee draaihalzen. Volgens mij het eerste jaar dat ik twee dagen met meer dan één draaihals kan voorleggen aan de commissie. Er kwam ook een soort bij op mij lijst voor 2026: grauwe vliegenvanger. Deze soort vangen we echt niet veel. Pas de derde voor mijn ringplek. Dus een opsteker.
Grauwe vliegenvanger 1ste jaars – Graeterbeemd – 16 augustus 2026
Maar de leukste vangst van de voorbije week was zonder twijfel een merel. Een doodgewone soort, voor zo ver er doodgewone soorten bestaan. Maar eentje met een verhaal. Toen ik hem in het net zag hangen zag ik al dadelijk dat hij geringd was. Een controle van een reeds geringde vogel is altijd even kicken. Zeker als het geen blinkende ring is, wat hier het geval was. Want een blinkende ring – zeker na de eerste ronde – is heel vaak de terugvangst van een diezelfde dag al door onszelf gevangen vogel. In het beste geval is het er eentje van de voorbije dagen of weken. Maar een niet blinkende ring duidt vaak op een vogel die niet door ons werd geringd of al langer geleden al eens in het net vloog hier. Zo had al een mannetje zwartkop gecontroleerd die ik zelf in 2025 als 1ste jaars vogel zelf had geringd. Dit exemplaar had dus al een tocht naar het zuiden (vermoedelijk) er op zitten en is dan teruggekeerd naar zijn geboorteplek. Dat is toch al mooi. Maar die merel was nog een leuker verhaal. Want toen ik deze vogel uit het zakje haalde met het idee dat het een adult exemplaar was, bleek het een jong vrouwtje te zijn. Ik was wat in de war. Een op het eerste zicht oude ring met niet zo goed leesbare cijfertjes aan de poot van een vogel die dit jaar is geboren. Wat was hier aan de hand? Mijn reflex was dat het wel eens eentje kon zijn die Kristof had geringd met een oude reeks ringen. Mijn veronderstelling klopte half. Het bleek inderdaad een jonge merel te zijn die Kristof in de beemd vlakbij mijn ringplek had geringd op het nest. Maar het was geen oude ring. Kristof heeft namelijk de goede gewoonte om de ringen die hij gebruikt om pulli in het nest te ringen zwart te maken met een stift. Hierdoor is de kans dat de oudervogels dat glimmend ding uit het nest willen kieperen met het jong er aan vast veel kleiner. Hierdoor was deze ring veel doffer geworden. Dus niet alleen een toffe controle voor mij, maar ook een leuke terugmelding voor Kristof. Heel veel jongen sneuvelen al heel vroeg of vliegen zelfs niet uit. Kristof ondervond dit bij het zoeken naar nesten. Van de vele nesten van merels en zanglijsters die hij kon vinden kon hij maar een fractie ringen. Met de bijkomende vraag of ze dan ook effectief uitvliegen en groot worden. Erg? Niet echt. Dit is een normale en natuurlijke zaak. Ten eerste zijn de nesten die wij als ringers vinden vaak de makkelijker te vinden nesten, ook voor predators. De kans dat die mislukken is al vrij groot. Daarnaast sneuvelen zoals gezegd een heel groot percentage van de jongen of nesten. De natuur heeft dit voorzien. Vaak broeden en veel jongen produceren is de juiste keuze voor deze soorten. Als een broedpaar er in slaagt om meer jongen groot te krijgen dan er adulte vogels sterven groeit de populatie of blijft ze minstens stabiel. En zelfs met die grote uitval bij merels en zo ook heel wat andere soorten vogels, slagen de meeste koppels er in om elk jaar wel een paar jongen groot te krijgen. Missie meer dan geslaagd. Dat geldt dus ook voor de ouders van de merel die Kristof ringde en ik controleerde. Een overlever en aanwinst voor de populatie.
Merel adulte man (archieffoto)
Aangezien je dit leest, veronderstel ik dat je de ganse post hebt gelezen. Vind je mijn blog boeiend en de moeite om te lezen, abonneer je dan. Dat kan door gewoonweg je mailadres in te vullen rechts van deze post en op de ‘abonneren’-knop te klikken. Hierdoor ontvang je bij elke nieuwe post een persoonlijk bericht en mis je niets meer van deze blog. Gewoon doen!
Op woensdag werden de ringwerken opgeschort. Samen met Gert en Pierre planden we een trip naar onze Belgische kust. Daar was een mega (zeldzame soort die is gevonden) gespot, de kleinste strandloper. Een Amerikaanse dwaalgast. Pas de tweede waarneming voor België en voor mij een nieuwe lifer en dus ook een extra soort op mijn Belgische lijst. Dat hij de avond ervoor om 22u nog was gemeld terwijl hij zich zat te poetsen gaf ons hoop op een goede afloop. Wisten wij veel dat het heel anders zou lopen. Bij aankomst zat de kijkhut aan het plasje waar onze doelsoort al een aantal dagen verbleef al stevig vol. Het was wat drummen om naar buiten te kunnen kijken. De camera’s en telescopen stonden er jammer genoeg opvallend rustig bij. Voorlopig nog geen kleinste te zien. Maar er was hoop, want de andere dagen dook hij soms ook pas later in de ochtend op. Maar de klok tikte langzaam maar zeker door. Na een paar uurtjes naar het plasje turen zonk de moed ons stilletjes in de schoenen. Vermoedelijk was de poetsbeurt niet zijn avondritueel om te gaan slapen, maar een voorbereiding om die nacht zijn reis verder te zetten.
Het kleinste strandloper-loze plasje
Het risico van het kiezen voor een latere golf-twitch. Ik ben dan ook een amateuristische twitcher. De échte laten op het moment dat er zo een mega opduikt alles vallen en springen dadelijk in hun auto. Ze arriveren dan wel op het drukste moment met in dit geval nog veel meer volk in de kijkhut, maar de kans dat ze die kleinste strandloper mogen afvinken is redelijk groot. De bende die wat langer wacht, waar ik dus bij hoor, vist regelmatig achter het net. Dippen noemen ze dat. Stevig deze keer. We reden, wel na een lekkere portie mosselen op de Blankenbergse dijk, zonder onze kleinste strandloper naar huis. Die vloog ondertussen elders rond, zich van ons geen zier aantrekkend. Zoals het hoort. Some you win, some you lose…
Dan maar een grote
Vrijdag gingen de netten dan weer open. Hopelijk werd mijn dip van woensdag hier goedgemaakt. Wel, dat was wat mij betreft het geval. Het is duidelijk dat de trek van de bosrietzangers stilaan voorbij lijkt. Ik ving er nog acht. De kleine karekieten daarentegen deden het met 47 exemplaren prima. Vermoedelijk ilossen ze elke nacht ergens een bus in de buurt. Want veel riet moet je hier niet gaan zoeken. Voor het eerste rietveld van wat betekenis moet je toch al gauw 8 kilometer overbruggen in vogelvlucht. Dus elke rietvogel die ik hier vang is er eentje die op weg is naar zijn of haar overwinteringsgebied. Dat geldt ook voor de blauwborst die ik de eerste rond uit het net mocht halen. Een mooie kers, want die ring ik niet zo vaak. Het was pas de 8ste voor mijn ringplek. Maar het werd nog beter. Tijdens de tweede controleronde zag ik een grotere vogel hangen in het net achteraan, waar ik met wat olifantengras een zielige poging heb gedaan om een rietveldje na te bootsen. Eerst dacht ik een spreeuw – wat ook leuk was geweest – maar het bleek toch iets anders. Het was mijn tweede grote karekiet ooit. Een heel dikke kers. Tja, als je die kleinste hebt gemist, dan vang je toch gewoon een grote.
Blauwborst 1ste jaars man – ringvangst – 7 augustus 2026Grote karekiet 1ste jaars – ringvangst – 7 augustus 2026
Zondag opnieuw aan de slag op de ringplek. Deze keer met Kristof als hulp en het was nodig. Onze eerste voormiddag met meer dan 100 vogels. Het werden er 113. De kleine karekieten namen net geen 50% voor hun rekening (49). Tuinfluiter (15) en gekraagde roodstaart (12) waren ook on the move. De eerste fitissen en een boompieper duwden mijn soortenlijstje naar 27 voor dit najaar. Maar de kers van de dag was een nachtegaal. De tweede voor dit jaar en de 38ste voor de ringplek. Leuk dat deze iconische soort toch af en toe eens passeert en zich dan laat vangen.
Gekraagde roodstaart – adulte man – ringvangst – 9 augustus 2026Nachtegaal – 1ste jaars – ringvangst – 9 augustus 2026
De voorbije week stond alweer in het teken van het ringwerk. Woensdag hadden we – dat zijn Kristof en ik voor die dag – onze voorlopig beste dag van dit seizoen met net geen 100 vogels (het waren er 97). Maar vooral de vette kersen deden ons vreugdesprongetjes maken, in ons hoofd uiteraard want we willen nog een beetje serieus genomen worden.
Ouwe rakkers
De eerste nachtegaal voor dit jaar. Maar ook mijn derde grauwe klauwier voor de ringplek. De eerste vingen we in 2015, nummer twee in 2024 en nu nummer drie. Een 1ste jaars vogel, net als de vorige twee. Kristof mocht hem ringen met als onvergetelijke ervaring dat die kerels verdomd goed kunnen bijten.
Grauwe klauwier 1ste jaars – ringvangst – 29 juli 2026
Ondertussen komen de jonge bosrietzangers door. Maar dit hadden we al gemeld. Maar ook voor de kleine karekieten en de rietzangers is de trekperiode aangebroken. Hier ook de eerste adulte vogels. Hoe we dit zien? Wel, deze soorten ruien als adulte vogels hun volledige verenkleed in hun overwinteringsgebied, het verre Afrika. Dus de pluimen die ze nu hebben dateren van hun vorige verblijf in hun winterkwartier. Ongeveer een jaar geleden. Als jij jouw kleren een jaar lang zou dragen dan denk ik dat ze er ook wat verfomfaaid gaan uitzien. Bij deze soorten is dat dus ook het geval. Alle pluimen stevig gesleten. Dit in tegenstelling tot de jonge vogels die in het beste geval ergens in het voorjaar zijn uitgevlogen. Zij ruien hun eerste verenkleed wel partieel (deels). Maar de slagpennen, staartpennen en heel wat dekveren op de vleugels houden ze van hun geboortepakje. Die veren zijn pakweg een drietal maanden oud. Die zien er nog heel vers uit. Je kan dat al voelen als je de vogel in de hand hebt. Hij voelt een stuk ‘zachter’ aan. Maar meestal kan je het ook duidelijk zien. Gesleten kleine karekieten, bosrietzangers en rietzangers zijn adulte vogels die wij noteren als >1 jaar. Opgelet, voor andere soorten kan dit anders zijn. Dit moet je als ringer goed in de vingers hebben. Anders bijt een klauwier het er wel even in.
Vrijdag was Tim van de partij en opnieuw vingen we heel wat vogels, vooral bij de eerste controle-ronde. Deze keer waren het er 73. De kers van de voormiddag was onze derde snor voor dit jaar. Het werd ook de eerste sessie waarin we meer kleine karekieten (33) vingen dan bosrietzangers (23). De lawaaimakers nemen het stilletjes over. We sloten juli af met 21 soorten en 475 vogels. Goed begonnen…
De rest van het weekend bleven de netten dicht, want ik ging samen met mijn vrouwtje een weekendje richting Wageningen in Nederland. Doel was de boekenmarkt van Deventer op zondag. Jente had ons gezegd dat dit de moeite was, de grootste van Europa. Wel, zijn uitspraak bleek te kloppen. Heel veel boekenstandjes (meer dan 600) en heel veel boekfanaten. Zo veel dat we het eerste uur gewoon wat rondwandelende omdat we gewoonweg niet aan de standen geraakten om naar de boeken te kijken. Gelukkig werd het verderop wat minder druk en in de namiddag, toen wij al pompaf waren, kwam er nog meer plaats.
Boekenmartk Deventer – 2 augustus 2026
Mijn aandacht ging uiteraard weer uit naar oude boeken over vogels. Het was zoeken naar een naald in een hooiberg. Maar uiteindelijk kwam ik met vier naalden terug naar huis. Twee plaatjesboeken uit de oude doos en een tweeluik over roofvogels met prachtige platen er in. Samen met een strip over vogels en een boek voor de kleindochter waar een bekende uil op stond. Dat is toch ook een vogel. De blikjes Radler horen ook bij de buit. Want die hebben mij uiteindelijk gered van uitdrogingsverschijnselen na een dagje boeken-jagen. Volgens mijn vrouwtje onvindbaar in ons landje, maar in overvloed in Nederland. Toch iets waar onze noorderburen ons mee de loef afsteken. Buiten die immense boekenmarkt.
Dankzij onze koninklijke familie was het een redelijk werkvrije week. Die tijd werd nuttig besteed aan ringwerk. Mijn keuzestress kantelde duidelijk die richting uit. Vier dagen gingen de netten open, waardoor ik vlot over de 300 vogels ging.
Bey bey oudjes
De bosrietzangers namen met 116 exemplaren de grootste hap uit dat totaal. Normaal aangezien voor deze soort, zoals al gezegd, de trek al echt begonnen is. Na de adulte vogels komen nu ook de 1ste jaars pubers door. Deze week kon ik dit mooi zien. Waar de vorige week het vooral gesleten vogels waren die ik in handen kreeg, werden die vervangen door puntgave beestjes. Onderstaande grafiek laat mooi deze ommekeer zien. Van de eerste sessie van 10 juli tot vandaag, 26/7.
’t Zat snor
Ondertussen kon ik ook kennis maken met Tim, onze nieuwe stagair. Hij deed al wat ervaring op met vogels ringen in Albanië tijdens zijn schoolproject. De soorten die hij daar mocht uit het net halen mogen hier ook eens passeren. Hij was getuige van mijn eerste braamsluiper voor dit jaar. Alsook spotvogel nummer 7 en 8. Ook die komen goed door. Vorig jaar piekte deze soort op mijn ringplek met 17 exemplaren. Benieuwd of ik dit jaar dit kan overtreffen. We zijn alvast goed op weg. Hier trouwens tot nu toe enkel adulte vogels.
Zondag werd een wat specialere editie op de ringplek. We kregen namelijk bezoek van een aantal leden van de Vogelwerkgroep Fruitstreek. Kristof was net op tijd terug van zijn reisje naar Oostenrijk om mij bij te staan. Want bij bezoek moeten er volgens de procedure twee ringers aanwezig zijn. Check!
Het werd een leuke voormiddag met een geweldig enthousiast en leergierig publiek. De vragen vlogen ons rond de oren. Gelukkig waren de vogels ook van de partij. We konden 58 exemplaren tonen. Waaronder mijn eerste en tweede snor voor dit jaar. Ik blij en mijn publiek duidelijk ook.
De trek naar het zuiden is voor sommige soorten al begonnen. Zo heb je misschien al opgemerkt dat je geen koekoek meer hoort. Dit komt omdat er al heel wat onderweg zijn naar hun overwinteringsgebieden in Afrika. Het broedseizoen loopt dan ook op zijn einde, dus veel gekoekoek is niet meer nodig. Tijd om hun volgende hoofdstuk te starten. Bosrietzangers horen ook bij de vroege vertrekkers. Dat kon ik woensdag al merken bij het ringen. Ik ving er maar liefst 21 op een paar uur tijd. Vooral volwassen vogels. Want die vertrekken als eerste om hun 7.500 km lange tocht aan te vatten. Bestemming Oost en Zuidelijk Afrika. Om daar te raken zijn ze toch een paar maanden onderweg. Ze nemen regelmatig een pauze om terug op te vetten. Hun kroost laten ze achter. Een strategische keuze. Bosrietzangers ruien in Afrika. Dus ze kunnen vlak nadat hun ouderlijke taken er op zitten snel vertrekken. Kwestie van energie te sparen. Want een nieuw verenpakje aanmaken kost heel wat moeite en krachten. Daarnaast doen ze hun jongen een plezier door weg te trekken. Klink vreemd, maar minder vogels in een gebied is minder concurrentie om aan eten te raken. Hoe die jongen dan nadien in hun eentje ook in Afrika geraken is een klein mirakel. Blijkbaar krijgen ze de route mee in hun genen. Een gps-gen in je DNA, handig. De natuur blijft verbazen.
Rust
Vrijdag reed ik nog eens tot in Schulen. Want wie weet zijn daar al wat leuke steltjes aangekomen. Het gebied lag er minder nat bij dan in het voorjaar. Tja, na een paar weken hitte begin je dat daar ook te merken. Toch bleken er in de weinige plasjes die er nog waren toch wel wat bosruiters rond te scharrelen. Het begin van hopelijk een leuke tijd scannen naar dwaalgastjes. Hoewel het er rustig was blijft het een geweldig gebied, waar je altijd wel iets ziet. Wat gedacht van visdiefjes die met een prooi in de bek op zoek gaan naar hun jong. Eentje zag ik drie jonge visdieven ‘proberen’ die op de paaltjes zaten te wachten voor hij zijn vis afleverde. Tussendoor even genieten van een voorbijflitsende ijsvogel, ook met een vis in de snavel. Achtervolgd door wat meeuwen. De leukste ontmoeting was een braamsluiper die heel mooi en open bleef zitten. Iets later wist ik waarom. Er sprongen een drietal nog niet zo lang uitgevlogen jongen in zijn buurt rond. Ik zat te kijken naar een bezorgde ouder. Duidelijk een andere keuze dan onze bosrietzangers met hun trek-uw-plan modus.
Braamsluiper (Archieffoto)
Kaaskop
Zaterdag en zondag gingen de netten terug open. Hervallen zou je dit in de wereld van de verslavingen kunnen noemen. Het gaat snel. Eenmaal de microbe zich weer nestelt is het hek van de dam. Vogels ringen is een drug. Een leuke en gezonde gelukkig.
Ondertussen toch alweer 152 vogels in mijn handen gehad. We starten bescheiden. Nummer één uiteraard de bosrietzanger met 66 exemplaren. Maar ook de spotvogels met vijf stuks zijn een opsteker. Zaterdag had ik er drie. Allemaal volwassen vogels. Zondag zat er ook een sprinkhaanzanger bij. Daar word ik altijd blij van. Vroeger was diens naam trouwens nog een stuk langer: sprinkhaanrietzanger. Dat riet heeft hij laten schrappen. Vermoedelijk omdat hij eigenlijk meer ruigtes verkiest om in te broeden. Maar ook omdat 20 letters in je naam wel heel veel is. Vandaag ook mijn eerste buitenlander in de netten. Een rietzanger – zonder sprinkhaan – met Nederlandse ring. Het was dan ook nog eens een jonge vogel, dit jaar uit het ei gekropen. Vermoedelijk ergens bij onze noorderburen. Dus een kaaskop van geboorte. Die in zijn jonge leven al kennis maakte met twee ringers. Eentje om hem een ring te geven en eentje om hem al eens af te lezen. Die kan zijn reisgenoten onderweg al iets vertellen.