Moet er nog bloed zijn?

Pokkeheet! Dat is de juiste woordkeuze. Terwijl hier en daar een wereldleider of lokale beleidsmaker letterlijk de warmte van de zon blijft onkennen, landbouworganisaties repetitief schreeuwen dat als we de natuur durven verbeteren iedereen gaat sterven van de honger en ondernemersorganisaties massale armoede voorspellen omdat elk bedrijf de boeken zal moeten neerleggen, blijft de natuur haar ding doen slaat het klimaat verder op hol. Zo kregen we onze tweede hittegolf in amper een paar maanden – de zomer moet nog beginnen- en spoelde in de meer westelijke provincies de modder door de huizen nadat een stortvloed de akkers had leeggespoeld. Dit even terzijde. Goed bezig? Ik denk het niet, maar wie ben ik.

Dubbel geringd

Zelf blijf ik gewoon mijn ding doen en ga ik ontspannen wat vogeltjes kijken. Daar kan ik dan nadenken hoe ik deze idiote wereld opnieuw wat normaler kan doen draaien. Kan ik daar iets aan veranderen. Ik denk het wel. Elke druppel telt (een uitspraak die sommige mensen na de voorbij onweders niet echt gepast gaan vinden). Woensdag was dat in het Vijvergebied Midden-Limburg. Heel vroeg met wat koelere temperaturen. Dat dacht ook een lepelaar die in een van de vijvers met zijn gekke snavel eten zat op te lepelen. Hij was geringd. Dat is voor mij altijd een uitdaging. Ik nam een hele reeks foto’s hopende dat ik de ring hierop kon aflezen. Eentje bleek succesvol. NBAR was de gekraakte code. Op die foto zag ik ook dat aan de rechterpoot nog een ring zat met een code. Die had ik helemaal niet opgemerkt. Alle gegevens werden al doorgemaild. Even wachten op zijn of haar levensverhaal. Of toch een stukje.

Lepelaar – Vijvergebied Zonhoven – 17 juni 2026

De wandeling werd niet alleen warmer, maar ook leuker. Een zingende blauwborst – vermoedelijk eentje die vrouwloos bleef – een overvliegende roerdomp en een roepende woudaap. Ik ben al voor minder uit mijn bed gekropen. En dan was er plots die boomvalk. Eerst druk roepend tegen een aantal kraaien die hem kwamen plagen. Om dan mooi in de top van een boom te gaan zitten. Hobby noemen de Britten hem. De betekenis weet ik niet van hun keuze. Maar het klinkt alvast leuker dan boomvalk. Elke valk gaat wel eens in een boom zitten denk ik dan. Of zie ik dat weer totaal verkeerd.

Boomvalk – Vijvergebied Zonhoven – 17 juni 2026

Prikkelig

Vrijdag zocht ik opnieuw de koelte op door vroeg te vertrekken. Hoewel, mijn wandeling begon met 25°C. Tenhaagdoornheide was mijn keuze. Dit omdat een groot deel van de route die ik koos door de bossen liep. Mooi gebied, warm en een beetje jammer, weinig vogels. Tja, het kan niet altijd bingo zijn.

Zaterdag opnieuw vroeg op om mijn voorlaatste telling in de Broekbeemd te gaan doen. Ondanks dat het juni was, bleken toch heel wat vogels actief. Mijn puntjes op de kaart kwamen er dan ook vlot bij. Ik was wel blij dat ik geen dazen moest tellen. Want er waren er veel, héél veel. Het was meppen van het begin tot het einde. Mijn bloed bleek populair. Ik vrees dat ik wel een litertje of twee kwijt was tegen dat mijn ronde er op zat. Vogels inventariseren, het is a hell of a job.

Daas in actie

Om deze hete week af te sluiten deed ik op zondag nog een poging om een wandeling te doen op mijn local patch, de Herkvallei. Niet zo heel veel vogels, maar ook hier dazen die mij vergezelden. Meppen was alweer de boodschap.

Nederlander

Ondertussen ontving ik de gegevens van de geringde ooievaar van Negenoord in Dilsen-Stokkem. Blijkbaar koos ik het verkeerde project uit de lijst die ik vond op CR-birding (website waar je veel projecten met kleurringen kan vinden). Gelukkig kreeg ik een vriendelijke mail om dit even te melden. Zij stuurden mijn melding ook netjes door naar de juiste bron. Die reageerden een paar dagen later. Uit hun mail bleek dat de door mij gemelde ooievaar op 10 juni 2023 als pullus werd geringd aan de Spikweg in Mariahoop door Dré en Hilde Gielen. Dit is een dorpje in Nederland op goed 17 km van de plek waar dit mannetje momenteel een poging deed om een broedsel succesvol af te ronden. Wat overigens niet gelukt is. Mijn theorie dat de reden van zijn falen zijn onervarenheid is werd hiermee bevestigd. Ik lees letterlijk dat ooievaars in hun derde levensjaar – ons mannetje is nu net drie geworden – geslachtsrijp worden. Maar dat sommige vogels als tweedejaars al een poging doen, maar dat dit vaak mislukt omdat ze onervaren zijn. Leuk om er eens boenk op te zitten. Volgend jaar beter zeker? Ik plan alvast een kraambezoek in. Bij een ooievaar, de omgekeerde wereld.

Kaartje met geboorteplek en huidige locatie van ‘onze’ ooievaar

Toppertjes week

Juni, de start van een periode waar menig vogelliefhebber een beetje van baalt. Het valt dan een beetje stil. De broedvogels doen vooral waarvoor ze zijn aangekomen, jongen grootbrengen. Geen tijd om veel te zingen of zich mooi te laten zien. De trekvogels hebben nog geen plannen om hun lange trip aan te vatten en over de wintergasten zal ik maar zwijgen. Armoe troef, alhoewel…

Schulense weelde

Woensdag ging ik eerst mijn telronde doen aan de Caetsweyers. Het water stond door de overvloedige regen mooi hoog. Jammer voor de kleine pleviertjes. Die liepen er wat verloren bij. Hun nestje zal zonder enige twijfel ondergelopen zijn. Maar voor de rest aan jong leven geen gebrek. De vreemde pulli van de meerkoeten zag ik overal rondzwemmen. Het blijven rare wezentjes. Tussen de biezen ontwaarde ik ook een aantal jonge kokmeeuwen. Broedsels geslaagd. Iets verder zwom een tafeleend met jongen. Op een paar vijvers zaten de kokmeeuwen alweer te broeden, maar ook meerkoeten en twee paartjes dodaars hadden duidelijk eieren die ze warm hielden. Leuk waren het paartje futen waar het vrouwtje duidelijk geen vertrouwen had in die rare kwiet met zijn verrekijker. Ze bleef netjes watertrappelen vlak bij wat volgens mij haar nest was. Een mooi palletje vogels voor een gebied dat eigenlijk er vrij kaal bijligt. Dat belooft voor de toekomst.

Meerkoet (archieffoto)

Na deze telling reed ik door naar Schulen. Daar is altijd wel iets te beleven en dat bleek een stevige onderschatting. Ik werd verwelkomd door de krakerige roep van een mannetje zomertaling. Ondertussen wel in een wat ‘verfomfaaid’ verenpakje, maar het blijft een mooie verschijning. Een grutto was druk op zoek naar eten voor (hopelijk) zijn jongen die iets verder in het grasland zaten te wachten. De kieviten hadden veel werk met het verjagen van alles en iedereen, zelfs de tureluurs kregen hun portie ‘gelapwing’. Overal vlogen oeverzwaluwen. Daartussen kwamen de visdieven een showtje geven. Sierlijk zoals alleen zij dat kunnen. In de verte zat de ooievaar op zijn nest. Vermoedelijk met jongen aan zijn gedrag te zien, maar ik kreeg ze jammer genoeg niet in het vizier. Aan de drasplas aan de buitenkant van de dijk liep een zwarte ruiter. Eentje die was blijven hangen of die te vroeg zijn broedgebied had verlaten. We zullen het nooit weten. Zo een exemplaar in zomerpakje is toch een stevig cadeau. Ik vergelijk het met een jongeman die netjes in smoking naar een feest trekt. Terwijl hij in de winter met een slobbertrui en een oude jeans in zijn zetel ligt te suffen. Deze had duidelijk zijn smoking aan. Dankzij een tip van een andere vogelkijker hoorde ik ook de kwartelkoning. Een topsoort om mijn lange lijstje mee te bekronen. Armoe troef? Amehoela. Wat een topgebied!

Maatje meer

Vrijdag bleef het maar regenen en bleef ik dan ook thuis. Ik haat regen. Klussen genoeg. Ook geen fan van, maar soms moet het. Zaterdag kroop ik toch weer vroeg uit mijn bed. Een tip van Carlo waar ik kans had om boomvalken te zien in de Maten deed mij naar Genk rijden. Ik vertrok om 6 uur aan het spiksplinternieuw bezoekerscentrum. Jammer genoeg was het pas in de namiddag open. Maar het weer was niet ideaal. Donker en bewolkt met regelmatig wat gemiezer. Toch werd het een leuke wandeling. Met minder soorten dan in Schulen, maar wel een paar toppers. Het begon met een ontmoeting met een bever. Deze kwam recht naar mij toe gezwommen om vervolgens heel elegant onder te duiken. Ik kon zijn brede staart mooi zien. Onderweg geen boomvalken, maar wel twee overvliegende lepelaars en om af te sluiten een woudaap die mooi van de oever naar het riet vloog. Topgebied twee van de voorbije week.

Woudaap (archieffoto)

Zondag stond mijn derde topgebied van deze week op het programma. Het Hageven in Pelt. Helemaal in het noorden van Limburg, vlak tegen de Nederlandse grens. Het gebied loopt eigenlijk door bij onze noorderburen. Vlak na zonsopgang stond ik er al op de parking, klaar voor een mooie wandeling. Met alweer een aantal leuke soorten. Snor zingend in het riet, grote karekiet die hetzelfde deed. Op de heidevlakte zoemde dan weer een sprinkhaanzanger, riep een kwartel en zag ik ook grauwe klauwier. Maar vooral de ‘gewone’ soorten zorgden voor een mooi lijstje. In totaal zag ik de voorbije week 73 verschillende soorten. Toch niet slecht voor een weekje in juni. Misschien is het dipje elk jaar niet te wijten aan minder vogels, maar net omdat veel vogelkijkers een pauze inlassen omdat ze denken dat er toch minder te zien is. Want ik elk van de door mij bezochte gebieden liep ik bijna alleen rond. Dat is dan wel zonder rekening te houden met die bus vogelkijkers die op de parking aan het Hageven klaar stonden om het gebied in te trekken toen mijn wandeling er al op zat. Enkel de boomvalk stuurde zijn kat. Figuurlijk dan…

Grauwe klauwier (archieffoto)

Kalender-vastheid

Deze week begon mijn vogelverhaal op woensdag. ’s Morgens heel vroeg reed ik samen met Wouter richting Vlaams-Brabant, in de stromende regen. Echt hoopvol was het niet. Ons doel: een krekelzanger. Voor Wouter een lifer, voor mij al van juni 2019 geleden dat ik er eentje zag en – bij deze soort – vooral hoorde. Gelukkig gingen de hemelsluizen dicht toen we bijna in Glabbeek waren. Niet veel later stonden we in de Paddepoel. Een gebied waar ik al veel over gehoord had, maar nog nooit was geraakt. De jodelende wulpen waren al een mooie bonus. Maar we kwamen voor een ratelende zanger. Want dat kan onze krekelzanger. Zoals zijn naam doet vermoeden lijkt zijn zang op een tsjirpende krekel. Wel eentje die er 200% voor gaat. Op de locatie waar hij was gezien stond al een fotograaf. ‘Net al gehoord’ was zijn hoopgevende boodschap. ‘Daar in dat struikje’. Hij wees naar een kleine meidoorn op goed tien meter van ons vandaan. Die was op dat moment krekelzangerloos. Maar niet voor lang. Een paar minuten later hoorden we de kenmerkende zang en niet veel erna zagen we de zanger in actie. Geen spectaculair vogeltje, maar wat een bizarre artiest. In mijn vogelgids wordt de zang omschreven als mechanisch klinkend, hypnotiserend. Jawel, we moesten dus opletten dat hij ons niet in trance bracht. Verder wordt hij omschreven als ‘doet denken aan reuzensprinkhaan (een wat monsterachtige omschrijving, niet?) of krachtige naaimachine. Vooral dat laatste kan ik beamen. Het doet mij denken aan mijn moeder die in de keuken haar modeontwerpster-kunsten botvierde aan haar oude naaimachine. Onze doelsoort liet zich prachtig bekijken en Wouter kon deze lifer dan ook mooi documenteren. Ook het toestel van de nog aanwezige fotograaf klikte er stevig op los. Toch moest hij zo nodig nog een betere foto hebben. Hij opende het hek van de weide waarin de vogel zong om hem beter te zien. Jammer, tussen onze vrienden fotografen zitten toch altijd rulebreakers. Alles voor die foto,… waarvan er de volgende dagen tientallen op het internet te zien zijn. Tja… Mijn foto’s werden netjes vanaf het paadje gemaakt. Volgens de regels.

Krekelzanger – Glabbeek – 3 juni 2026

Dunning

Vrijdag terug vroeg uit de veren. De volgende telling in de Broekbeemd moest afgewerkt worden. Het is op dit moment niet treuzelen als het weer ok lijkt om op pad te gaan. Ik wil alweer niet met een natte broek thuiskomen. Daarnaast probeer ik stukken met hoge begroeiing wat te mijden om andere redenen. Want door die ‘jungle’ waden zorgt voor verstoring en met wat pech loop je zo tegen een nest aan. Wegblijven en vanaf iets verder mijn broedvogels observeren is een goede keuze. Blijkbaar zorgt dit niet echt voor grote verschillen. De laatste keer dat ik de nu gemeden stukken van mijn telling nog wel kon doen omdat de netels en andere planten nog laag waren, had ik 30 soorten en 135 waarnemingen. Nu waren het dat er respectievelijk 26 en 119. Het iets lagere aantal is eerder toe te schrijven aan sommige soorten die momenteel hun bek dicht houden en zich wat meer verstoppen, dan dat ik ze zou gemist hebben. ‘Mijn’ wielewaal liet zich wel nog goed horen. Ik hoorde zelfs de roep waarmee ze alarm geven. Goed nieuws is dat, vermoedelijk zijn er al uitgevlogen jongen. Ook de blauwe reigers maakten mij gelukkig. Op een van de nesten zat minstens één jong dat zich duidelijk liet horen. Geslaagd broedsel! Het aantal zangposten van de bosrietzangers was dan weer gedaald tegenover mijn vorige bezoek. Maar zoals ik in mijn vorige post al schreef is dit normaal. De ‘echte’ broeders hebben ondertussen hopelijk een nestje. De zes die ik niet meer hoorde, want ik ging van 17 naar 11 zangposten, hebben andere oorden opgezocht. Maar 11 lijkt mij nog redelijk hoog. Jammer genoeg heb ik geen vroegere tellingen om dit te verifiëren. Maar dat zal in de toekomst wel zo zijn. Dit maakt dat vogeltjes tellen en met door netels geteisterde en tintelende benen thuis te komen toch de moeite waard.

Bosrietzanger (archieffoto)

Niet gehaald

’s Avonds gingen we weer op pad. Met ‘we’ bedoel ik Wouter, Pierre en ikzelf. Gert had een filmavondje gepland en kon niet mee. Aan de Platwijers had Geert Beckers een kleinst waterhoen ontdekt. Weliswaar in het afgesloten deel van het gebied. Maar er was een moment voorzien dat wie dat wou toch binnen mocht. Wel met duidelijke afspraken, strak schema en de nodige linten. Het leek een beetje op een crime scene van een moordpartij. Enkel de lijnen die de plek waar het lijk lag aanduiden ontbraken. Wij gingen op onderzoek uit. Vooral Wouter en Pierre waren kandidaat om zo een soort aan hun Belgische lijst toe te voegen. Een van onze, ondertussen wat ondergesneeuwde, doelen voor dit jaar. We waren niet alleen, maar iedereen was wel muisstil. Want het ging deze keer om horen en vermoedelijk niet zien. Alweer een soort met een kenmerkend en vreemd geluid (zijn er andere?). In mijn vogelgids beschrijven ze het als volgt: ‘zang een zacht, droog geratel met wisselende geluidsterkte, 2-3 sec lang, sterk herinnerend aan roep van groene kikker,rugstreeppad of in mindere mate mannetje zomertaling, tot 300m hoorbaar’. Hoopgevend, we stonden in een gebied waar een paar duizend kikkers zatten te kwaken. Toch haalde ik er de roep vrij snel uit. Inderdaad niet luid, maar wel duidelijk. De lifer voor mijn kompanen was binnen. Zelf werd het mijn tweede ontmoeting met deze kikker-imitator. De vorige dateerde van 2008 in het Schulensbroek, toch zo maar even 18 jaar geleden. Maar alweer netjes in dezelfde maand. Kleinste waterhoentjes hebben duidelijk ook een kalender en een strak schema.

Kleinst waterhoen (foto – Wikipedia)

Minder leuk nieuws kreeg ik van Bart Hilven, die ook kwam luisteren naar die zachte roep, een werknemer van het Natuurhulpcentrum. De door mij vorige week binnengebrachte lepelaar had het niet gehaald. Te erg verzwakt. Jammer.

Kluns

Zaterdag had ik baliedienst in De Wissen aan natuurgebied Negenoord. Zoals altijd was het er heel rustig. Dit bezoekerscentrum mist nog een ding, bezoekers. Het gaf mij wel de gelegenheid om tussendoor even te pauzeren met een wandeling in het gebied. Ik had gehoord dat de ooievaars blijkbaar een jong hadden. Het leek echter alsof er een oranje idioot even was overgevlogen vanuit Amerika om dit te checken, fake-news dus. Want het vrouwtje zat nog steeds te broeden. Geen goed teken, nu zouden er al lang jongen moeten zijn. Vermoedelijk zijn de eieren niet bevrucht. Die kans was groot. Toen het koppel pas was aangekomen kon ik hun eerste amoureuze avontuurtje persoonlijk aanschouwen. Het mannetjes had duidelijk weinig ervaring. Op een bepaald moment boog het vrouwtje zich voorover om haar partner uit te nodigen voor een potje paren. Hij stond erbij en keek ernaar. Geen idee wat van hem verwacht werd. Niet veel later kwam er dan toch een poging. Maar meneer tuimelde tijdens hun mogelijk eerste stoeipartij onhandig van haar rug, de kluns. Maar ervaring komt met de jaren. Hopelijk overleven beide vogels de winter en keren ze volgend jaar terug. Hopelijk heeft het mannetje dan zijn opleiding ‘hoe paar ik’ achter de rug.

Ooievaar (archieffoto)

Mijn weekend sloot ik af als gids voor een leuke groep van Natuurpunt Alken. We maakten een tocht door de Broekbeemd en Graeterbeemd. Maar de ogen waren vooral naar de bodem gericht. Op zoek naar orchideetjes en andere leuke planten. Hoewel die zingende braamsluiper toch even wat aandacht kreeg. Deze soort had ik op al mijn tellingen nog niet gehoord. Een toevallige passant of een late gast? We houden hem zeker in de smiezen.

Rescue ranger

Een weekje verlof en droog weer, dat wordt een topweekje om vogels te gaan kijken. Tot dat droge weer doorsloeg naar warm, neen, heet weer. Ik kan er niet tegen en de vogels vonden er ook niets aan. Toch kon ik, vooral in de vroege en wat koelere ochtenduren, er wat zien.

Bronsgroen

Op maandag dus al vroeg uit de veren. Bestemming was een kleine parel vlak bij Tongeren: de Keiberg. Een gebiedje waar ik al langer eens wilde gaan piepen. Want een paar jaar geleden werd hier al een broedsel van grauwe klauwier gemeld. In onze regio voorlopig nog een uitzondering. Deze keer geen grauwe op het menu, maar de ster van ons Limburgs volkslied. Daar zingt hij in het bronsgroen eikenhout: de nachtegaal. Hier was het eerder in de vliertakken en de wilgen. Maar hij zat er wel. De eerste die ik hoorde in een mooi valleitje met een streepje mist erbij. Sfeervol. Nummer twee – want er zongen er meer – vlak langs het wandelpad keihard van katoen aan het geven. Weer eentje voor mijn Fruitstreek jaarlijst. Maar vooral een geweldige soort om te horen.

Nachtegaal – Keiberg Tongeren – 25 mei 2026 (archieffoto)

Natte broek

Op dinsdag alweer vroeg op. tijd voor de volgende inventarisatie in de Broekbeemd. Het begint trouwens leuk en vooral interessant te worden met een mooie soortenlijst die de 20 soorten al even gepasseerd is. Toch stelde ik mij bij vertrek de vraag waarom ik dit voornemen al zo vaak heb afgeblazen na een paar tellingen. Tijdsgebrek? Onvoldoende kennis van geluiden? Te veel gedoe? Tot ik na een uurtje met een kletsnatte broek van het bedauwde gras en tintelende billen van de netels die tot aan mijn middel reikten beduusd in de Broekbeemd stond. Rond mij vanuit elke struik het gepiep van uitgevlogen jongen van wie weet welke soort. Daartussen probeerde ik mij te focussen op de korte zangstrofes van de adulten die op het moment dat ze hun snavel even niet vol eten hadden voor hun kroost lieten weten dat ze er nog waren. Dan is het wel doorbijten. Gelukkig dat die zingende wielewaal wel volop van zich liet horen. Samen met de talrijk aanwezige bosrietzangers. Maar liefst 17 zangposten kon ik noteren. Opgelet, dit zijn niet allemaal zekere broedparen. Op dit moment trekken er nog heel wat van deze vliegende jukeboxen door. Ze komen pas begin mei aan. Tijdens de momenten dat ze ergens even pauzeren beginnen ze al dadelijk te zingen. Trekken die door, dan hoor je er op die plek vermoedelijk geen meer. Maar het wordt nog wat ingewikkelder. Want de vogels die zich wel settelen, houden vanaf dat er een nest is ook hun snavel dicht. Ze dan zien – liefst met voedsel of uitwerpselen van de jongen in hun snavel – is de kunst. Of letten op hun korte alarmroep. Maar die is al even verwarrend als die piepende jongen die ik nu overal hoor. Het leven van een vogelteller kan hard zijn.

Gered

Donderdag ging ik opnieuw op pad om vogels te inventariseren. Deze keer in het andere gebied dat ik wil opvolgen: de Caetsweyers. Bij aankomst werd ik al dadelijk verwelkomd door een jonge lepelaar. Die liep langs een van vijvers. Ik kon er wel redelijk dichtbij komen. Onervaren zeker? Tijdens de telling kon ik toch heel wat jong leven ontdekken. De kokmeeuwen zaten nog voorbeeldig te broeden. Maar de grote canadese ganzen, meerkoeten en wilde eenden zwommen al rond met donskuikens. Dat is wat je noemt een zeker broedgeval. Blijkbaar krijgen ze het waterpeil niet zo makkelijk in evenwicht. Ook hier zal de warme periode en de droogte wel een rol spelen. Bij heel wat vijvers lagen de eilandjes dan ook droog. Een ideale plek voor de kleine plevieren om te broeden. Ik mocht meerdere nesten opschrijven.
Op het einde van mijn bezoek zag ik dat de jonge lepelaar nog steeds op dezelfde plek stond. Maar nu met de kop in de veren. Geen goed teken. Dus belde ik naar het Natuurhulpcentrum met de vraag wat ik moest doen. Aangezien het nog heel vroeg was en dus geen volk beschikbaar om naar hier te rijden, kreeg ik de vraag of ik hem wilde proberen te vangen. Tja, proberen dan maar zeker. Ik wandelde voorzichtig tot bij de duidelijk verzwakte vogel. Hij kwam pas in beweging toen ik er maar een paar meter vanaf stond. Om hem niet in de vijver te laten lopen (één natte broek per week is meer dan genoeg), dreef ik hem naar de rand van het bos. Daar greep ik mijn kans en kon de lepelaar, die tevergeefs probeerde op te vliegen, te pakken krijgen. Maar hoe moest ik die vervoeren? Een doos of iets dergelijks had ik niet bij. Daarom trok ik aan de auto mijn trui uit en wikkelde de vogel er in. Met de mouwen bond ik mijn verrassingspakketje dicht. Voorzichtig legde ik hem voor de passagierszetel zodat ik hem in het oog kon houden. Niet echt volgens de verkeersregels, maar nood breekt soms een beetje wet. Op die manier reed ik naar Oudsbergen. Daar stond de persoon van wacht al klaar om deze onfortuinlijke gast op te vangen. Volgens hem hun eerste jonge lepelaar van het jaar. Een bedenkelijke eer. Hopelijk haalt hij het.

Museum

Vrijdag alweer op pad. Met de nog steeds opkomende hitte koos ik opnieuw voor een gebied in de buurt. Een aantal vijvers rond Tongeren leek mij een goede keuze. Toch belandde ik uiteindelijk via een mooie holle weg in de buurt van StHuibrechts-Hern in een bos. Op kaart leek het een leuke plek om te gaan rondwandelen. Tot ik doorkreeg dat ik in Schabos was beland. Wie dit gedrocht niet kent, even wat uitleg. In dit mooie loofbos zijn door de jaren heen meerdere buitenverblijven neergepoot. Niet zo maar een hutje of kleine chalet in het bos, maar echte – weliswaar meestal houten – woningen. Met netjes aangelegde tuinen en vaak hoge en in mijn ogen dure omheiningen. Er is eigenlijk pal in een bos een dorp gedropt. Illegaal en ‘dankzij’ het feit dat heel wat politiekers de verkeerde kant opkeken. Misschien zelf er iets gebouwd hebben. Het trekt op geen fluit. Een grote schande. Eigenlijk zouden ze de naam moeten veranderen in Schandaalbos. Een voorbeeld van de falende ruimtelijke ordening – wanorde noemen ze dat in Vlaanderen – van de voorbije decennia. Misschien is het een goed idee om dit schandelijke voorbeeld ook als waarschuwing te behouden en open te stellen voor het publiek. Bokrijk als museum waar je de leefwijze van onze voorouders kan gaan bekijken. Schabos als plek waar je de gevolgen van een falende overheid en de manier waarop de burgers daarvan gebruik hebben gemaakt – want ook zij hebben boter op hun hoofd – kan zien. Zodat we die fouten niet meer opnieuw zouden maken. Of ben ik nu wat naief?

Schabos (foto Visit Limburg)

Langzaam

Zaterdag stond ik op met het geluid van kletterende regen tegen de ruit en gedonder in de verte. Gelukkig, de vroege hittegolf was voorbij. Ik was er zo blij mee dat ik mij aankleedde en na het ontbijt een stevige wandeling ging maken op mijn local patch. Paraplu in de hand, regenjas aan en met een smile op mijn gezicht. Weg hitte. Hoewel ik niet veel vogels zag, genoot ik toch van deze verpozing. De regen die ik kreeg onderweg en het iets te hoge natte gras op de wandelpaden nam ik er bij. Dus kwam ik thuis… met een natte broek.

Zondag sloot ik deze week af met opnieuw een bezoek aan de Broekbeemd. Deze keer echter in gezelschap van de toffe peren van de plantenwerkgroep. Zij hadden een excursie gepland in het gebied en Gert en ikzelf waren welkom om hen een beetje te begeleiden. Dit werd een inspanning die in de wereld van de sportcoaches zou omschreven worden als nutteloos om je conditie met een bijna onmogelijk meetbare fractie te verbeteren. Hun tempo lag zo laag dat we een half uur na het vertrek van hun zoektocht naar planten nog steeds op de parking stonden aan de visvijver waar we vertrokken waren. Gelukkig ging het nadien iets vlotter, maar Gert en ik stonden er toch regelmatig met de nodige verwondering naar te kijken. Wat ook een vreemde ervaring voor ons beiden was, dat er op geen enkel moment werd opgekeken of zelfs niet geluisterd naar geluidjes in de omgeving. Tja, planten maken nu eenmaal weinig geluid. Als dat toch zo is, is dat meestal geen goed teken. Met hun neus tegen de grond ging het langzaam maar zeker verder. Hun soortenlijst werd wel elke minuut indrukwekkender. Soorten als watergras, hoge cyperzegge, kruipend zenegroen, stinkende ballote, wollige munt en rode waterereprijs waren tot dan toe voor mij nobele onbekenden. Een leuke ervaring, dat was het zeker. Maar uiteindelijk gingen Gert en ikzelf nog even naar de reigernesten in de buurt turen. Effe afkicken. Want vogeltjes kijken vinden we toch nog net iets leuker,… en sneller.

Plantenwerkgroep in (stilstaande) actie in de Broekbeemd

Pit-pierewit

Mijn vogelkijk-week begon op woensdag met een stevige ‘dip’. Hoewel het bij ons ouwe wijven regende reed ik toch naar Hollogne-sur-Geer. Daar ligt een sympathiek, klein natuurreservaatje waar het vaak goed vertoeven is. Ook deze keer, want er was de voorbije dagen een kuifduiker gezien. Deze vertegenwoordiger van de fuutjes is eigenlijk een gepimpte geoorde fuut. Zo een beetje zoals het verschil tussen een VW Golf die je elke dag tegenkomt in ht verkeer en eentje die op een circuit rondscheurt of op een tuning-evenement met rokende banden rondspint om daarna te staan blinken voor het kwijlende autokenners-publiek. Met dat gevoel, of toch iets dat daarop leek, parkeerde ik mijn auto op de kleine parking aan het reservaat. Een kuifduiker zien, dat deed ik al wel vaker. Meestal echter in zijn veel saaiere winterpakje. Een keer kon ik er eentje in zomerkleed bewonderen aan de bezinkingsputten in Tienen. Maar van heel ver. Aan de foto’s van dit exemplaar te zien, was de kans om hem mooi dichtbij te zien bestaande.
Aan de plas waar de kuifduiker meermaals was gezien stonden al twee vogelkijkers. Maar ik zag dadelijk dat eentje, die met de lange telelens, er wat lusteloos bij stond. Met reden bleek even later. Want de gepimpte fuut bleek gevlogen. De tientallen geoorde fuutjes brachten een klein beetje troost. Maar ik reed kuifduiker-loos richting Wellen. Onderweg zorgde de regen voor nog een extra down-gevoel. Tja, het kan niet altijd kermis zijn.

Kuifduiker (gemist door mij) – foto: John Maréchal

Zuiders

Ondertussen ontbrak de zomertortel nog steeds op mijn jaarlijst. Daarom ging ik zaterdag bij het ochtendgloren op pad in de Meersbeemden. Een leuk gebied vlakbij in Borgloon. Daar waren er de voorbij dagen meermaals gezien. Ik wandelde op mijn gemak tot helemaal aan de spoorberm. Maar zonder ‘getur’ te horen. Ook het afspeuren van alle toppen van de struiken en de dode bomen bleven tortel-loos. Was er een volgende dip in de maak? Op de terugweg vloog er een duifje over. Maar voor ik ze goed kon bekijken was ze al achter een populierenbosje verdwenen. Te weinig om zomertortel op mijn lijst te zetten vond ik. En dan…vlak voor ik aan de weg kwam hoorde ik de verlossende stille roep van mijn doelsoort. Vlot draaide ik mij om op mijn hielen en even later stond ik onder een eik waarin een zomertortel zat te koeren. Na enige tijd vloog ze op om iets verder in een vlier volledig open te gaan zitten. Zoals zomertortels dat wel vaker doen. Eerst volop roepend en dan zichzelf mooi poetsend. The full-experience. Dat er nog een paartje voorbij vloog maakte mijn waarneming nog wat leuker. Minstens twee paartjes zaten hier. Voor deze rode-lijst soort een opsteker.

Zomertortel – Meersbeemden – 23 mei 2026

Daarna reed ik door naar Piringen. Pierre had een paar dagen geleden hier een orpheusspotvogel gevonden. Deze zuiderse versie van ‘onze’ spotvogel is aan een opmars richting onze streken bezig. De klimaatopwarming zorgt hier voor, veronderstel ik. Op de aangeduide locatie zat inderdaad eentje volop te zingen. Aangezien ik deze soort niet elke dag hoor, liet ik Merlin er even op los. Die bevestigde dadelijk mijn vermoeden dat ik naar de orpheus van Pierre stond te luisteren. Het werd nog iets leuker, toen er een wat bleker exemplaar van een spotvogel uit een meidoorn vloog en zich heel kort mooi liet bekijken. De zanger van dienst zat op dat moment nog steeds in de boom achter mij van katoen te geven. Volgens mij zat hier een paartje. De kans op een broedgeval voor de Fruitstreek werd hiermee iets groter. Dat zou pas de max zijn!

Orpheusspotvogel – Piringen – 23 mei 2026 (foto: Wouter Berden)

Dromenland

Zondag stond de volgende ABV-telling (Algemene Broedvogels) op mijn programma. Want tegen eind van de maand moet die klus geklaard worden. Met ondertussen een zeer zonnige periode een goed moment. Als je er vroeg aan begint dan toch. Dus stond ik om 5 uur al op.
Voor ik er aan begon, reed ik nog even naar de akker in Aals-bij-StTruiden. Vlakbij en misschien was de kwartel die daar was gehoord ook al vroeg uit de veren. Hopelijk voor dit beestje niet letterlijk. Als vogel is dat niet de beste keuze. Maar in die akkers bleef het buiten het gekweel van veldleeuweriken stil.
Dus verder door naar centrum Sint-Truiden. Want mijn twee hokken die ik hier ga tellen liggen in de stad en op een industrieterrein. Niet dadelijk de plek waar je vogels gaat kijken. Wel, daar heb ik toch een ander idee over. Niet dat ik speciaal hier ga rondlopen, maar door zo een telling te doen krijg je toch een ander zicht op de zaak. In het hok in Bergerven dat ik een week geleden telde en dat volledig in een bos ligt telde ik 16 soorten en 50 verschillende individuen. Hiervan zag ik er met moeite een paar. In het hok dat in de stad ligt mocht ik 18 soorten noteren en maar liefst 105 exemplaren. Die ik bijna allemaal ook kon bekijken. Op het industrieterrein tikte ik zelfs 26 soorten in! Wie zegt dat er in de stad niets te zien is…

Gierzwaluw – Sint-Truiden – 24 mei 2026

Het feit dat ik deze keer voor een, heel vroege, zondagmorgen koos zorgde dat het een stuk rustiger was dan de vorige telling op een weekdag. Hierdoor hoorde en zag ik uiteraard meer vogels. Daarbij waren een aantal zomergasten ondertussen aangekomen. Een zingende spotvogel achter de Hubo was dan ook een leuke waarneming. Maar ik genoot vooral van de door de lucht klievende gierzwaluwen. Ze deden volop het ding waardoor ze hun naam kregen: gieren. De Truienaren die voor een groot deel nog in dromenland vertoefden wisten niet welk prachtig spektakel er zich boven hun dak afspeelde. Acrobatische vluchten waar de artiesten van Cirque du Soleil zonder twijfel jaloers van worden.

Om mijn weekje vogels kijken af te sluiten reed ik toch nog eens terug naar de akkers in Aalst. Want het was nog redelijk vroeg. Ik was nog maar goed honderd meter ver gewandeld of ik hoorde de kenmerkende ‘pit-pieriwit’-roep van een kwartel. Jawel, ze had blijkbaar wat langer geslapen op deze zondag. Maar nu liet ze zich horen om op mijn jaarlijst te raken. Check!

After party

Na onze mooie reis naar Lesbos was de pret nog niet voorbij. Op zaterdag 9 mei was namelijk de jaarlijkse birdathon gepland. Om 5 uur zouden we er in de Fruitstreek al aan beginnen. Geen probleem, tenzij je vliegtuig om middernacht is geland in Zavemtem. Zelf zag ik mijn bedje maar een paar uurtjes en Gert besloot zelfs om in zijn auto even proberen te slapen in centrum Wellen. Gelukkig doet gek zijn niet zo heel veel pijn.

De birdathon is een organisatie van Natuurpunt waar heel veel vogelwerkgroepen de ganse dag op zoek gaan naar vogels. Veel soorten scoren is de boodschap. Hoewel Limburg één regio vormt, gingen wij enkel op pad in de Fruitstreek. Wouter had er werk van gemaakt. Hij huurde een busje zodat wij samen konden rijden, affiches op de ramen en zelfs een roadbook voor iedereen. Dit leverde ons maar liefst 94 soorten op. Met snor, een verre grauwe kiekendief en een grauwe klauwier als uitschieters. Ik hield het wel niet uit tot op het einde. Om 17 uur was mijn kaarske uit.

Telwerk

Zondag bleef ik iets langer in mijn bed liggen. Kwestie van een leuke reis en een vermoeiend vervolg verteerd te krijgen. Het bleef met een wandeling in de Herkvallei, mijn local patch. De telling in de Broekbeemd schoof ik verstandig op naar later in de week.

Donderdag stond ik om iets voor 6 uur al klaar om deze uit te voeren. Mijn schema zou anders te ver achter geraken. Twee zingende wielewalen en maar liefst acht zangposten van bosrietzangers maakten het een mooie voormiddag. Die wispelturige zangers blijven toch een van mijn favorietjes.
Donderdag opnieuw vroeg uit de veren. Caetsweyers was aan de beurt. Daar bleken de kokmeeuwen goed bezig met een kolonietje te vormen. Ik telde minstens 11 nesten. De kleine pleviertjes waren ook present. Er trippelden zeker 8 paartjes rond. Eentje kon ik zittend op een nest, als je dat bij deze kleine ADHD-ertjes zo kan noemen, betrappen. Ik ontdekte ook een pullus van een kievit. Dit stond heel stil te wezen tussen de biezen. Begrijpelijk, want met al dat meeuwengeweld is dit ongetwijfeld een kievit voor de kat.
Aangezien deze telling er meestal na een goed uurtje op zit, reed ik nog even door naar Bernissem. Daar was een grote karekiet gespot de voorbije dagen. Na even zoeken hoorde ik zijn luid gekras uit een smalle rietkraag. Horen prima, maar zien dat was een ander paar mouwen. Gelukkig slaagden een paar collega–vogelkijkers daar duidelijk wel in. Waarvoor dank.

Grote karekiet – Bernissem – 15 mei 2026 (foto: Chris Hayen)

Lijstjes-koorts

Zaterdag opnieuw tellen geblazen. Deze keer in Bergerven, een hok van ABV (Algemene Broedvogels) dat volledig in bosgebied ligt. Dus moest ik vooral mijn oren spitsen. Ik zag welgeteld twee vogels voorbijflitsen, de rest was auditief (enkel gehoord). Bij tellingen is dat wel meer het geval. Wat mij opviel waren de weinige spechten, boomklevers en boomkruipers. Vorige keer tekenden die wel present. Deze telling scoorden vooral de roodborsten, vinken en koolmezen.
Na alle telpunten bezocht te hebben reed ik door naar Bichterweerd. Dat leuke gebied lag vlakbij. Mijn bezoek begon met een patrijs die zich mooi liet zien. Al lang geen makkelijke soort meer om te ontdekken. Ook hier ging ik even in inventaris-modus. Het koppel zwartkopmeeuwen dat vorig jaar hier kwam broeden was niet meer alleen. Ik telde minstens vier nesten. Een zippende graszanger was een leuke afsluiter. Tenslotte ging ik nog richting Negenoord. Een kijkje nemen bij het paartje ooievaars dat weer een van de nestpalen heeft ingenomen. Eentje bleek geringd. Even aflezen, maar dat bleek geen makkie. De ring was heel vuil en de drager ervan vertikte het om zich even om te keren zodat ik de kant waar de code wel zichtbaar was kon zien. Uiteindelijk lukte het dan toch. De mail naar het, hopelijk juiste, project is al vertrokken. Benieuwd waar deze ooievaar vandaan komt.

Patrijs – Bichterweerd – 16 mei 2026

Zondag geen tel-taak. Gelukkig, want het bleek een druilerig regenvoormiddag. Toch ging ik op pad. Het zou een easy-birding-trip worden. Met de auto van de ene plek naar de andere en als het even kan vogels kijken vanuit de wagen. Niet de manier van birding die mijn huisdokter mij zou aanraden. Maar nood breekt wet. Ik had de voorbije dagen de rangschikking van de jaarlijsten voor dit jaar in onze regio al een paar keer bekeken. Ik zat duidelijk opnieuw in lijstjes-modus. Ook al ontkende ik dat in mijn hoofd. Ik stond op plek drie. Dat er twee ‘nieuwelingen’ voor mij stonden was een leuke vaststelling. Maar ik had toch de drang om een aantal soorten die zij wel zagen en ik niet te gaan zoeken. Het papiertje met de locaties lag al klaar. Tja, lijstjes… ze kruipen toch altijd weer in mijn hoofd.

Maar het bleek geen makkelijk opdracht. De zomertortel die ik in Hoepertingen wilde afvinken gaf niet thuis. Op de dode boom waar ze in mijn gedachten netjes zou zitten zag ik houtduiven en een paartje holenduifjes, maar geen zomertortel te bespeuren. Dus reed ik door naar Lauw. Daar bezocht ik meerdere vijvers op zoek naar de illustere bergeend. Wilde, tafel- en kuifeendjes bij de vleet. Van de laatste zag ik er 26 samen. Maar geen bergeenden te zien. Gelukkig was mijn volgende bestemming wel succesvol. Jens had in Vechmaal een spotvogel gespot (leuke zin, niet?). Op een telpunt waar ik ooit akkervogels ging noteren en dan ook een spotvogel zag. Vermoedelijk de reden waarom hij er was gaan zoeken. Deze bleek plaatstrouw en zat luid te zingen in de holle weg. Check.
Laatste opdracht was het vinden van een roepende kwartel in Montenaken. Op de aangegeven locatie ontdekte ik een mooi wild akkertje waar deze soort zich zeker thuis zou voelen. Maar even roepen terwijl ik er stond, ho maar. Buiten wat kwelende veldleeuweriken en tsjippende gele kwikken bleef het oorverdovend stil. Dirk 1 – onvindbare vogels 3. Een pijnlijke nederlaag. Of toch niet? Het was een leuke voormiddag. De overvliegende roofvogel was een mooie bonus. Ik dacht aan bruine kiek, tot de AI van waarnemingen.be op basis van mijn foto er een zwarte wouw van maakte. Volgens het systeem 100% zeker. Ik blijf toch wat twijfelen en heb de foto al vaak herbekeken. De specialisten zullen het mij zinder twijfel wel vertellen als dit niet klopt. Ondertussen blijf ik netjes op plaatsje drie staan. Toch nog op het podium.

Zwarte wouw (?) – Montenaken – 17 mei 2026

Let’s Lesbos part 3

Met nog één lifer te gaan en een verbroken record in the pocket begonnen we aan onze laatste dagen van onze trip. Iedereen, maar vooral Gert en ik, waren gebrand om de lat voor de volgende groepen die Lesbos kwamen bezoeken zo hoog mogelijk te leggen.

Jeneverke

Het begon ’s morgens al goed. Aan de ontbijttafel vertelde Patrick, onze chauffeur en fotograaf, dat hij een citroenkwikstaart had gezien in het gebiedje vlak tegenvoer het hotel. Bijna iedereen liet zijn bordje staan, ook al lagen er lekkere omeletjes op en stormde naar buiten. Zelf moest ik nog even mijn verrekijker gaan halen. Hopelijk bleef hij zitten. Op de plek waar de kwikstaart was gezien stonden nog een paar vogelkijkers die de vogel netjes aanwezen. Maar ik kon hem niet vinden! Frustratie! Dan vloog hij op en landde in een struik iets verder. Daar kon ik een glimp opvangen, maar om er dan zo maar een citroenkwik van te maken was niet vanzelfsprekend. Gelukkig bleef hij zitten om zich uitgebreid te poetsen. Hierdoor kon ik mij nog wat verplaatsen en kreeg ik deze mooie kwikstaart vol in beeld. Wel geen lifer, maar wel nummer 161 op onze lijst. De lat ging een stukje omhoog.

Citroenkwikstaart (foto: Patrick Keirsebilck)

Een aantal van de dames waren blijven zitten aan de ontbijttafel. Ze genoten wel van het schouwspel van de zenuwachtige en rondrennende heren die een kwikstaart verkozen boven een warm ontbijt. Of misschien was het omdat ze dachten dat het om een citroenjenever ging. Dat was alvast wat ik Gilberte hoorde zeggen iets later toen iedereen aan tafel zat. Of waren ze dan mogelijk wel mee naar buiten gestormd? We zullen het nooit weten.

Na het ontbijt vertrokken we voor de langste rit van onze trip. Helemaal tot het westelijke punt van het eiland. Met een paar bizarre tussenstops. Als we eens wisten wat er ons nog allemaal te wachten stond. Tijdens een afdaling ging Johan in het eerste bus vol in de remmen. Patrick kon nog maar net gestopt geraken. Maar een knal voorspelde weinig goeds. Blijkbaar was een van de remschijven van het wiel gesprongen. Deze had de voorbije dagen ons al getrakteerd op een slepend geschuur. Nu dus niet meer. De oorzaak van dit voorval was een slangachtig ding dat over de weg kroop. Het bleek een pootloze hagedis te zijn, die luistert naar de vreemde naam scheltopusik. Zowel de naam als het beestje zelf horen volgens mij thuis in een rariteitenkabinet. Wie verzint het, een hagedis uitvinden en er dan geen poten aan zetten. Het beestje maakte er blijkbaar geen probleem van. Ze ging er in een rotvaart vandoor en kroop zelfs even over mijn schoen. Om dan in een sloot langs de weg te duiken. Daar werd ze nog even achtervolgd door onze paparazzi.

Scheltopusik (foto: Jean-Paul Delombaerde)

Optreden

Tijd om door te rijden. Hoewel de sfeer in ons busje toch even omsloeg van enthousiast naar lichte bezorgdheid. Door de bergen rijden met een remschijf minder. Is dat wel een goed idee? Maar ons busjes-onheil was nog niet aan zijn toppunt. Onderweg kregen we in een flits een vrouwtje grauwe kiekendief in beeld (nr. 162). We deden nog een tussenstop aan de voet van het klooster waar we de dag voordien de smyrnagors hadden ontdekt. In de hoop hem nog wat beter in beeld te krijgen. Dat lukte niet echt. Wel ontdekte Patrick V. een isabeltapuit die rondhipte met voedsel in haar bek. Niet ver van de weg zat er blijkbaar een nest. Dit leverde voor de fotografen mooie beelden op en voor mij weer een aantal minuten vol genieten van deze bij ons zeer zeldzame dwaalgast. In deze vallei vlogen er tientallen rond.

Niet veel later stonden we opnieuw aan de kust. De plek waar heel wat trekvogels voor het eerst op Lesbos aan land komen tijdens hun tocht naar hun broedgebieden meer noordelijk in Europa. Daar vonden we geen nieuwe soorten voor onze lijst. Maar kregen we wel een geweldig optreden van een rosse waaierstaart. Net voor we aan het strand aankwamen had het eerste busje al een voorprogramma gekregen omdat er eentje voor hen op de draad kwam zitten. Een vogelkijker met een motor reed echter, voor wij de rosse waaierstaart vanuit ons busje konden bekijken, naast ons door en joeg onze artiest de bosjes in. Maar dit werd ruim goedgemaakt aan het strand. Eerst liet deze rosse waaierstaart zich mooi bekijken zittend op een omheining. Om dan actiever te worden. Hij zong dat het een lieve lust was en deed het ding waarom waaierstaarten hun naam kregen, volop zijn staart openspreiden om te pronken met zijn prachtige tekening op de staart. Opnieuw genieten aan 200 per uur.

Rosse waaierstaart (foto: Patrick Keirsebilck)

Spot

Nadien maakten we nog een korte wandeling in de buurt. Daar hoorde ik uit een struik een ‘tekkend’ geluid. Dat is altijd de moeite om even verder te onderzoeken. Het grootste deel van onze groep was al doorgelopen en we stonden met drie te turen naar een geluidmakende struik. Plots kwam de producent te voorschijn. Een kleine zwartkop! (nr. 163) ging even mooi in een ijzeren omheining zitten. Om dan naar de overkant van de weg te vliegen om daar nog een te poseren op een takje. Mooi.

Kleine zwartkop (foto: Patrick Verstappen)

Gelukkig kregen we er nadien nog wel wat te zien, zodat iedereen van de groep deze mooie zanger op zijn lijstje kon aankruisen. We vatten onze terugtocht aan met opnieuw heel wat tussenstops. Aan een bergbeekje genoten we van ons dagelijkse broodje. Maar ook hier zaten weer heel wat vogels. Zelf zag ik er een paar in een struik langs de beek voortdurend omhoog vliegen om terug op hun vaste takje te gaan zitten. Duidelijk het gedrag van een vliegenvanger. Het bleken een grauwe en minstens drie bonte te zijn. Die laatste was nieuw op de lijst. We zaten aan nummer 164.

Maar we waren nog niet aan het einde van ons lijstje. De volgende stop was aan een vervallen kapelletje met een aantal dennen. Hier zou de voorbije dagen een spotvogel gezien zijn. Een soort die ik thuis ook wel eens tegenkom. Maar alles voor onze lijst. Al snel hoorden we zijn kenmerkende deuntje. Zien was een ander paar mouwen. Toch kregen een aantal van ons hem redelijk goed in beeld. Hiermee kwamen we aan nummer 165.

Overleden

Opnieuw op pad, dachten wij. Maar iets verder stond het eerste busje plots stil. Hij weigerde om opnieuw te starten. Na een paar pogingen kwam er terug leven in. Maar niet voor lang. Vlak voor de volgende top was het game over. De rook uit de motorkap en een lang spoor olie op de weg voorspelden niet veel goeds. In the middle of nowhere stonden we beteuterd naar het levensloze wrak te kijken. Wat nu gedaan? Onze gidsen begonnen snel aan een bizarre reddingsactie. Eerst reden ze met zijn tweetjes naar beneden om te bellen omdat er hier in de bergen bijna geen bereik was. Wij bleven wat wezenloos achter. Dan besloot de groep om de tocht te voet naar beneden aan te vatten. Alle materiaal uit het busje meesleurend. Onderweg bleven we uiteraard vogeltjes kijken. Een oostelijke orpheusgrasmus die zich mooi liet bekijken zittend op een steen fleurde onze tocht wat op. Gelukkig kwamen de gidsen vrij snel terug aangereden. Maar ze moesten eerst de sleutel in ons overleden vervoermiddel gaan leggen. Dus wandelden we nog even verder. Enkele dames stapten wel in. Het duurde dan wel heel lang voor ze terug verschenen. Was het andere busje ook naar de knoppen? Toen ze toch kwamen aangereden bleek dat ze samen met de dames, het sterke geslacht maar toch niet sterk genoeg blijkbaar, om het busje aan de kant te duwen. Tevergeefs. Er werd besloten om de ganse groep in het busje te proppen om zo naar het dorpje in het dal te rijden. Een idee dat we misschien al eerder hadden kunnen bedenken. Gert en ik kregen een plekje in de koffer. Niet echt comfortabel op zo een hobbelige weg. In het dorpje moest er gekozen worden wie meekon naar het hotel en denkelijk nog avondeten kreeg en wie in het dorpje moest wachten op de volgende rit. Want met iedereen in het busje tot aan het hotel rijden was zelfs volgens Lesbosische normen not done. Zeker niet met een remschijf te weinig, weet je nog wel. Wat denk je dat Gert en ik verkozen? Inderdaad, een verblijf in dit sfeervolle bergdorpje. Voor het busje vertrok scoorde Gert nog even een paartje palmtortels (nr. 166) waarvan iedereen nog even kwam genieten. Een sympathiekere versie van onze turkse tortel. Het vorige record werd zo verpulverd! De lamsboutjes met een Grieks biertje die ik bestelde op het terrasje smaakten nog beter hierdoor.

Palmtortel (foto: Jean-Paul Delombaerde)

Akkerrand

Uiteindelijk raakte iedereen veilig terug in het hotel. De strategie en het programma voor de volgende dag werd stevig door elkaar geschud door dit voorval. We zouden mogelijk de ganse voormiddag moeten wachten op een nieuw busje. Mijn hoop op een tiende lifer werd daardoor een beetje twijfelachtig. Ook al omdat de soort die ik hoopte te zien volgens Johan al een paar dagen niet meer was gemeld. Tja, negen is ook een mooi resultaat.

De volgende morgen hingen we nog wat rond in de buurt van het hotel. Geen spectaculaire vondsten of nieuwe soorten. De berusting sloop duidelijk in onze groep en de reis terug naar huis was thema van heel wat gesprekken. Het was mooi geweest. Rond 10 uur stond er dan toch een busje klaar. Eentje dat wel volledig in orde was. Een beetje vijgen na Pasen. Na een chaotische sessie koffers inladen met heel veel instructeurs en maar een paar kofferdragers vertrokken we voor onze laatste trip op Lesbos.

Eerste stop een goede plek voor orchideeën. Volgens onze gids kon je hier heel wat leuke plantensoorten vinden. Heel wat, bleek héééééééél wat. Zelfs voor een vogelkijker is dit een paradijsje vol bloemenpracht. Nog meer dan we al hadden gezien. En wees gerust, op Lesbos staan heel veel bloemen. Misschien moeten we onze landbouwers eens meenemen naar hier. Dan weten ze dadelijk wat er bedoeld wordt met een bloemrijke akkerrand. De ene plantensoort na de andere passeerde de revue. Veel te veel om te onthouden. Maar meer dan genoeg om nog eens met volle teugen te genieten. Tussendoor hoorden we nog een zanglijster zingen. (nr. 167).

Overdonderende bloemen-helling

Extase

’s Middags werden we in een idyllisch dorpje door onze gidsen getrakteerd op een typisch Grieks etentje in een al even typisch restaurantje. Dat hadden we wel verdiend na een week doodsangsten (dit is misschien licht overdreven) uitstaan in onze busjes. Op de parking waar we uitstapten ontdekte Gert, uiteraard hij weer, een steenuiltje. Mooi open op een dode boom (nr. 168). In het dorpje zagen we ook nog palmtortels. Het bleef maar komen.

Toch bleek ons geluk nog niet op. Na het eten reden we door naar een locatie waar mijn mogelijk tiende lifer kon zitten. Langs een vrij drukke weg naar Lesbosische normen moesten we een stukje wandelen. De helling langs de kust voortdurend afspeurend. We waren niet alleen. Heel wat passagiers van het vliegtuig dat ons straks naar Brussel zou brengen hadden dezelfde keuze gemaakt. Blijkbaar een traditie. Maar konden we hem vinden, nummer 169 op onze groepslijst en weer een lifer? Jawel. Na een sessie waarnemingen nakijken op de GSM van iemand van onze groep bleek dat ons doel in de voormiddag nog was gezien. We wandelden naar de locatie die op de app stond en niet veel later stond ik, helemaal in extase, naar mijn eerste Rüppels grasmus te kijken. Vlak voor mij op een struik in vol ornaat. Wat een geweldige beestje is dat! Zonder twijfel de mooiste grasmus die ik tot op heden mocht aanschouwen. Een meer dan waardige afsluiter. Ik trakteerde de groep met plezier op het beloofde drankje met een heel brede smile op mijn gezicht.

Rüppels grasmus (foto: Jean-Paul Delombaerde)

Harmonie

Wat een reis was dat! Tien lifers en ik zag zelf 164 soorten (vijf heb ik er gemist). Wat een rollercoaster! Elke natuurliefhebber zou dit eiland eens in zijn leven moeten komen ontdekken. Het is een baken van hoop in onze dolgedraaiende wereld waar welvaart steeds vaker wordt gemeten met centen. Een bewijs dat er nog plekken bestaan waar natuur en mens in harmonie met elkaar kunnen leven. Misschien moeten we onze beleidsmakers hier ook eens naartoe sturen? Of is dat toch niet zo een goed idee?
Voor mij staat het alvast nu al vast. I’ll be back (maar dan wel met wat beter vervoer).

Let’s Lesbos part 2

Op dag vier nam ik een beslissing die ik mij voor de rest van de reis niet zou beklagen. Met een aantal gedreven en goede fotografen in de groep liet ik mijn fototoestel in de kamer van het hotel liggen. Zo kon ik volop genieten van alle vogels die we mochten bewonderen. Geen gedoe om ze op foto te krijgen. Dat liet ik over aan degenen die daar wel plezier aan beleefden en dat ongetwijfeld veel beter konden dan ik. De foto’s in deze posts spreken voor zich.

Gekruisigde Jezus

De minder goede dagen wat betreft het weer waren achter de rug. Dus stonden we op met een lekker lentezonnetje en een vrouwtje maskerklauwier in de tuin van het hotel. Wat kan je nog meer verlangen? Na het ontbijt sprongen we, weliswaar voorzichtig, alweer in onze busjes voor een trip via de bergen naar de noordkust. Onderweg hielden we wel een korte stop. Onze gids had info doorgekregen dat in een tuin vlakbij een withalsvliegenvanger was gespot. Die zat samen met een bende vogelkijkers netjes op een paaltje op ons te wachten. De vogelkijkers wel op de weg voor die tuin en niet op dat paaltje. Dat zou wel heel gek geweest zijn. Voor mij alweer een lifer erbij.

Withalsvliegenvanger (foto: Patrick Keirsebilck)

Het zou niet de laatste zijn voor deze dag. Via een hobbelig wegje reden we langs de kust tot in een leuk haventje. De plek volgens onze gids Johan om pijlstormvogels te zien. Wat direct na het uitstappen al bevestigd werd. Wel ver weg, maar boven de golven keilden meerdere ‘pijlen’. Eentje was zo vriendelijk om wat dichterbij te passeren. Yelkouan was na wat debat de conclusie. Leuk, maar ik had mijn zinnen toch gezet op de andere pijlstormvogel die hier te zien was: de Scopoli’s. Een tweelingsbroer van de Kuhls die ik ooit in Kroatië heel mooi te zien kreeg vanaf een kleine motorboot. Deze keer was de afstand tussen mijzelf en mijn doelsoort wat groter. We moesten dus voortgaan op hun manier van vliegen. Yelkouan wisselt keilen (zweven boven de golven zonder de vleugels te bewegen) en snel flapperen met de vleugels af. Scopoli’s slaat bijna nooit met zijn vleugels en blijft constant als een gekruisigde Jezus boven de golven zweven. Vaak met grote sierlijke bochten in de lucht. Gert, wie anders, kreeg zo een exemplaar in de smiezen. Zijn ‘pijl’ bleef minutenlang keilen en was zelfs op die afstand merkelijk een stuk groter. Hoewel dit laatste op zo een afstand moeilijk te bepalen is. Maar de gids keurde onze waarneming goed.
Lifer nummer twee van de dag was binnen. Voor foto’s vloog hij echter wat ver.

Vier op een rij

Na nog even over de zee getuurd te hebben en Marc, onze filmregisseur het op zijn heupen kreeg omdat hij hier geen beelden kon schieten, reden we verder langs de hobbelige kustweg. Regelmatig maakten we een stop met telkens een mooi resultaat. Aan een inham hoorden we een zangstrofe die ik alvast niet kon thuisbrengen. Bruinkeelortolaan hoorde ik onze gids zeggen. Het signaal voor de ganse groep om uit elkaar te stuiven en de zanger te gaan zoeken. Die bleek iets verder op een rots te zitten om stevig van katoen te geven. Hij zong er op los en had weinig aandacht voor die rare bende die hem stond te begluren. De fotografen waren in hun nopjes en ik genoot met volle teugen van alweer een nieuwe lifer.

Bruinkeelortolaan (foto: Patrick Keirsebilck)

En nog was de pret niet voorbij. Een stukje verder zette Johan zijn busje alweer aan de kant. In een bosje tussen de zandweg en het strand vatten we post om alweer een leuke soort voor deze reis te ontdekken. Balkanbaardgrasmus stond hier op het menu. Een naam die bij scrabble volgens mij zelfs niet op het speelbord past. Ook die tekende present. Nog geen vijf minuten nadat we waren uitgestapt keken we naar een zingend mannetje boven op een struik. Wat een weelde! Aan hun gedrag, want er vloog ook een vrouwtje rond, was duidelijk te zien dat ze een nestje aan het bouwen waren. Lifer nummer vier van die dag.
Hoewel ik deze toch even moet parkeren. Want zoals ik al vertelde was ik al ooit op Lesbos tijdens een gezinsvakantie. Ik heb zelfs de map met de foto’s, op mijn computer deze keer en niet in mijn hoofd, terug gevonden. Daarin vond ik een foto van een grasmus die ik toen niet op naam kon brengen. Vermoedelijk gaat het om een juveniele balkanbaardgrasmus. Maar ik ben niet zeker. Laten we afspreken dat ik nu deze zekere waarneming mag meetellen op mijn levenslijst.

Balkanbaardgrasmus (foto: Patrick Keirsebilck)

Bij de neus genomen

De volgende dag gingen Gert en ik opnieuw voor het ontbijt in de buurt van ons hotel op zoek naar nieuwe soorten. We kwamen Marc, je weet wel onze filmer, ook tegen. Op een stenig eilandje zag ik iets bewegen. Het bleek een griel te zijn. Na even kijken waren het er zelfs drie. We kregen ook nog eens heel kort hun balts te zien. Een mooie start van wat weer een geweldige dag ging worden.

Geen foto van de griel, wel van de spotter (foto: Marc Gorrens)

Deze keer reden we zuidwaarts. Alweer door een geweldig landschap. Aan een wat troosteloze vijver hielden we een stop. Goed voor een aantal scharrelaars die op de telefoondraden zaten. De rit ging verder door prachtige valleien met heel veel vogels. Het was zoeken geblazen, want op elke steen of struik had je kans om weer een nieuwe soort te ontdekken. Ik hoorde alweer een onbekende zang. Dan durf ik de app Merlin er al eens bijhalen. Die gaf dadelijk kortteenleeuwerik aan! Ik zocht de hele helling af maar kon deze kleine leeuwerik niet vinden. Mijn boodschap aan de gids dat ik deze soort hier had gehoord werd op wenkbrauwgefrons onthaald. Maar er kwam geen ontkenning. Tot ik plots die zang weer hoorde, maar deze keer hoog in de lucht boven mij. Vreemd, want ik heb geen weet dat kortteenleeuwerik al vliegend zingt. Na even luisteren en kijken werd het mysterie opgelost. Het geluid kwam van de voorbijvliegende alpengierzwaluwen. Ze namen Merlin bij de neus. Alweer een bewijs dat je bij deze app altijd dubbel en zelfs meer moet controleren.
Mijn lichte ontgoocheling werd snel weggeveegd met een rotszwaluw die we wat verder mooi konden bekijken. Moving on.

De volgende stop kwam er nadat onze gids een aantal valkjes had ontdekt vanuit de busjes. Want dit zouden wel eens kleine torenvalken kunnen zijn. die jagen namelijk graag in groepen. Het werd zelfs beter. Het waren inderdaad kleine torenvalken, maar dan ook nog eens in gezelschap van een aantal roodpootvalken. Ze gaven een show die zonder twijfel makkelijk een paar sportpaleizen zou vullen. Met vogelkijkers dan uiteraard. Ze doken regelmatig naar de grond om dan hun vangst, kevers of andere insecten, daarna handig in de lucht op te peuzelen. Genieten in kwadraat was dat.

Kleine torenvalk (foto: Patrick Keirsebilck)

Uit zijn dak

We sloten de dag af met een wandeling langs een mooi riviertje. Buiten wat leuke vogels, vonden we hier vooral dagvlinders en libellen. Een van de stokpaardjes van onze gids. Hij was dan ook helemaal in zijn element. De ene nieuw naam na de andere rolde over zijn lippen. Bij eentje werd hij wel heel enthousiast. Het bleek een kleine oeverlibel te zijn. Een zeldzame verschijning blijkbaar. Omdat ik vlak bij hem stond mocht ik zijn relaas van alle kenmerken die deze soort moesten tonen aanhoren. We riepen een aantal fotografen terug, want die wou hij zeker op foto laten zetten. Patrick, die van dat vlijmscherpe metalen bord in zijn tuin, ging door de knieën om deze opdracht uit te voeren. Omdat hij zijn schermpje van de camera door de zon niet goed kon zien fungeerde onze gids als schaduwvlek. Alles voor een goede foto. Een schouwspel dat ik met veel plezier bekeek.

The making off… (foto: Gilberte Smolders)


Mijn enthousiasme en mijn grote mond zorgden na het avondeten en tijdens het rituele afvinken van onze daglijst voor een te snel gemaakte belofte. Met ondertussen zeven lifers (ik dacht dat ik aan zes zat, maar had onze mini-flamingo over het hoofd gezien) op mijn conto sprak ik de woorden ‘tien’, ‘lifers’, ‘groep’ en ‘traktatie’ samen uit. Moest ik mijn portefeuille klaar houden of had ik de lat zo hoog gelegd dat ik er vlot onderdoor kon? We zullen zien.

Kleine oeverlibel (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Kleine tanglibel (foto: Patrick Verstappen)

Recordjacht

De dag nadien verkenden we de westkant van Lesbos. Volgens onze gids de beste regio voor vogels. Dus lagen de verwachtingen alweer heel hoog. Niet alleen wat betreft leuke soorten, maar ook de lengte van ons lijstje. Blijkbaar zaten we op schema om het soorten-record dat door Starling-groepen voor deze reis door Lesbos was gerealiseerd te evenaren. De lat lag op 158 soorten. Wij zaten al aan 146. Dat we er vandaag een aantal zouden bij vinden stond in de sterren geschreven. Want we bezochten een van de weinige loofbossen van het eiland. Hoewel, bos was wat overdreven. Een hoop bij elkaar geschraapte steeneiken op een rotsige bodem zouden we hier niet dadelijk benoemen als een bos. Maar we deden niet moeilijk. Daar hadden we kans op heel wat algemene soorten van onze regio die hier zeldzaam bleken. Roodborst, winterkoning, boomkruiper. Wie mij had verteld dat ik met een groepje vogelkijkers hier deze soorten zou gaan zoeken had ik een klap in zijn gezicht gegeven om hem tot de orde te roepen. Maar op dat moment zochten we verwoed naar deze tuinsoorten met volle overgave en met succes. Tussendoor deed ik er nog een lifer bij: de balkanbergfluiter. Eerst op aangeven van onze gids die hem hoorde zingen. Zien was niet aan de orde. Tot we iets verder eentje in een verre eik even zagen voorbij springen. Gehoord en gezien noemen ze dat. Dat werd wat later ook nog eens goed gehoord en goed gezien met een mannetje dat volledig open en vlak bij de weg op een tak ging zitten kwelen. Afvinken! De lijst werd langer en langer.

Balkanbergfluiter (foto: Jean-Paul Delombaerde)

Maar het hoogtepunt van de dag en voor mij ook eentje van de reis moest dan nog komen. We zetten koers naar een oud klooster op een berg. Daar zouden we kans hebben op de voor mij iconische smyrnagors. Na een bezoekje aan het klooster waar we aanwijzingen kregen van een van de paters met een imposante baard welke vogels we er konden zien, wandelden we van de berg waar het klooster lag naar beneden. Op een helling gingen we op zoek naar mijn volgende lifer. Het was even zoeken, maar Gert, alweer, kon er eentje spotten. Zingend in de top van een eikje. Redelijk ver, maar toch goed te zien. Check! Terwijl een deel van de groep de klim naar het klooster terug aanvatte, bleef ik beneden. Hiermee kreeg ik mijn droomgors nog een paar keer mooi in beeld. Dichterbij en dankzij de tele van een daar aanwezige andere Belgische vogelkijker mooi in detail te bekijken. Mijn wens om minstens vijf lifers te scoren werd bij deze vlot overschreden. Ik zat ondertussen aan nummer negen. Nog eentje en mijn bankaart zou moeten bovengehaald worden.

Smyrnagors (foto: Patrick Keirsebilck)

Een extra bezoekje aan de poel waar we een paar dagen voordien het klein waterhoen hadden gevonden leverde dan ook nog eens de soort op waarmee we voorbij het record van Starling gingen: een rietzanger gevonden door onze regisseur Marc. We sloten die avond onze afvink-ceremonie af met 160 soorten. Met nog twee dagen voor de boeg kon niemand voorspellen waar we gingen eindigen. Alvast een stuk boven de lat die we zelf hadden gelegd. The game was on!

Let’s Lesbos

Net terug van een wandeling in de Grote Beemd, mijn local patch, om even af te kicken van een geweldige reis naar Lesbos. Een avontuur met veel vogels, héél veel vogels. Dus even opnieuw met de voetjes op onze Limburgse bodem. Daar zijn de bosrietzangers trouwens terug, even tussendoor, met minstens drie zangposten. Ook dat is voor mij genieten. Maar Lesbos is toch een klasse apart.

Blijkbaar was ik al ooit op Lesbos. Dat bezoek zat ergens ver weg in een mapje op mijn harde schijf in mijn hoofd. Want mijn vrouwtje moest er mij terug aan herinneren. Toen waren we daar duidelijk op een verkeerd moment, volgens mij in de zomerperiode, als het om vogeltjes kijken ging. De trip waarvan ik net terug ben zal ongetwijfeld wat langer blijven hangen. Uiteraard omdat ze nog maar een paar dagen voorbij is. Maar vooral omdat het een geweldige ervaring was.

Zet je even goed neer met een tasje koffie of – om in de Griekse sfeer te komen – een Ouzootje. Want het wordt een lange post deze keer. Dit verslag van een overweldigende (nieuwe) kennismaking met dit vogel- en natuurparadijs geeft hopelijk een inkijk hoe ik onder de indruk ben geraakt van dit eiland. Om alles verteld te krijgen heb ik mijn verslag opgedeeld in drie posts. Je leest nu het eerste deel. In de loop van de komende week mag je de rest verwachten. Ik wens je veel leesplezier.

Fast forward

Op de dag van de arbeid reden Gert en ik richting Zaventem. Na de gebruikelijke file aan de Brusselse ring, zelfs op deze feestdag, en het klassieke tijdverlies op onze nationale luchthaven stegen we even laten op richting Griekenland. Een korte kennismaking met onze reisgenoten was dan al achter de rug. Er waren drie oude bekenden bij. Jeanne en Erik waarmee we vroeger al eens mee op pad ging in Georgië. Een geweldig koppel dat ook de passie van vogels kijken deelt. En uiteraard onze sympathieke semi-Brit Nigel, de verpersoonlijking van gezelligheid en gemoedelijkheid. Dat kon alvast niet meer stuk. Ook de rest van de groep viel reuze mee. Tijdens het wachten op de luchthaven leerden we ze iets beter kennen. Met een paar vreemde verhalen als toetje.

Onze groep in actie

Wat gedacht van Patrick die een paar dagen voor we vetrokken in zijn tuin struikelde en zich aan een scherp metalen bord bijna de keel doorsneed (jawel, shit happens). Of Marc, een hyperactieve kerel die er wél in slaagt om met zijn Nikon P1000, ik loop er ook met zo eentje rond, goede filmbeelden te maken. Hij werd mijn buddy op de achterbank van het busje tijdens de ganse trip. Een uitdaging, want Marc gaat door het leven met een fast-forward knop en een volumeknop die beiden op maximum geblokkeerd zitten. En dan heb je nog onze gidsen. Patrick (nr. 2) die onze chauffeur van dienst was en regelmatig spoorloos verdween om een vogel op beeld te zetten. Heel wat van de foto’s bij deze post zijn dan ook van hem. Johan of Buck die alles had uitgestippeld en elke vogel op het eiland leek te weten zitten. Een vat vol vogelkennis, maar ook vlinders en libellen. Zijn motto zou ik graag ook omarmen. Hij plukt elke dag met heel veel enthousiasme.

Mus 2.0

De volgende dag was the game on. Nog voor het ontbijt gingen we op pad. Vanaf ons terras had ik al kennis gemaakt met de plaatselijke versie van onze huismus: de Spaanse mus. Wel een beetje vreemd om die op Griekse bodem te zien. Maar het zal wel kloppen zeker. Ik vond het wel niet erg om hem te ontmoeten. Volgens mij is het een veel mooiere versie van de bij ons bekende dakgoot-tsjilpers. Ik wil zeker niets afdoen van onze thuisversie. Want ook die zijn, als je ze goed gaat bekijken, mooi gekleurd. Maar hun Spaanse neefjes zijn toch van een andere orde. Het is een versie 2.0. Met de diepe zwarte tekening op de borst, de intensieve kastanjebruine petjes waardoor het wit witter lijkt dan wit. Een zalige verschijning. Hopelijk nemen mijn thuismussen het mij niet kwalijk.

Mannetje Spaanse mus (foto: Patrick Keirsebilck)

De verkenning rond het hotel dompelde ons vanaf dag één volledig onder in het overvolle natuurbad van Lesbos. Op een grote poel vlak tegenover het hotel vlogen honderden zwaluwen rond. Tussen de biezen liepen heel wat steltkluten en waren meerdere ralreigers aan het pootje baden. Vanuit de struiken klonk het gekras van een grote karekiet. Iets verder overstemd door de rollende zang van een oostelijke vale spotvogel. Een deuntje dat mij de ganse reis heel vaak zou doen omkijken. Tussen de zwaluwen ontdekten we ook een aantal roodstuitzwaluwen. Ook een 2.0 versie, maar dan van onze boerenzwaluwen. We kwamen ogen te kort.

Ralreiger

Tijdens een wandeling langs het strand zagen we ook een zeehond met zijn kopje boven het water dobberen. Ook leuk dachten wij, niet wetende dat we denkelijk net de waarneming van dat jaar hadden gedaan voor die regio. Niets vermoedend zetten we onze ontdekkingstocht verder. Terug aan het hotel hoorden wij dat die ‘zeehond’ een monniksrob bleek te zijn. Een van de zeldzaamste robben die je op onze aardkloot kan tegenkomen. Alle aanwezige vogelkijkers stroomden toe en in geen tijd zagen we tientallen telescopen en telelenzen richting de baai gericht om getuige te zijn van deze unieke vondst. Onze gids maakte een extra tochtje langs de baai zodat iedereen van de groep deze monniksrob kon bewonderen. Een blitz-start blijkbaar. Ook al hadden wij bij het zien van die ‘leuke zeehond’ totaal geen idee dat dit het geval zou zijn.

Monniksrob (foto: Patrick Keirsebilck)

Jonge jager

Tijd om in onze busjes te stappen. Het bleken twee krakkemikkige exemplaren die in ons landje al lang niet meer binnen mochten op de technische keuring en per direct voor eeuwig werden verbannen naar een of ander autokerkhof. Hier dus niet. Maar blijkbaar brachten ze geluk. Want ze voerden ons van de ene soort naar de andere. Met de nodige bijwerkingen, maar dat verhaal is voor later.

De eerste uitstap bracht ons naar een rivier in de buurt. Terwijl de groep al wat verder was gewandeld hoorde ik een deuntje dat ik niet kende. Zo zijn er wel meer in mijn geval. Maar dit trok toch mijn aandacht. Als snel vond ik de vogel die dit liedje had gecomponeerd. Eentje met een mooi opgerichte staart met witte puntjes aan het einde en een mooie oogstreep. Rosse waaierstaart ging er door mijn hoofd! Voor ik de rest van de groep kon verwittigen koos hij al het hazenpad. Mijn eerste lifer (zo noemt men een soort die je voor het eerst in je leven ziet) was een feit. Het zou niet de laatste zijn. Nadien kon de rest van de groep deze leuke soort ook bekijken. Zij het wat verscholen en vaak heel kort in een verre struik.

Dan reden we door naar de zoutpannes. Een gebied waar je als vogelkijker van de ene verbazing in de andere wordt gekatapulteerd. Ze hadden er een paar potten zwarte ooievaars en zwarte ibissen opengetrokken. Boven het water slingerden lachsternen, visdiefjes, witwangsternen en mijn favoriet, de flitsende witvleugelsternen. Achter elke rietkraag kwamen ralreigers te voorschijn. Op de voorgrond aangevuld met sporenkieviten. Elk plasje werd opgevuld met honderden steltjes. Bosruiters, kemphanen, kleine standlopertjes in overvloed. Je kreeg hier elke seconde een ornithologische overdosis ingespoten. Als er dan nog even een schreeuwarend overzeilt dan wordt het helemaal te gek. Dit was trouwens vlak nadat we onze eerste slangenarend van de reis mochten aanschouwen. Moet er nog zand zijn? Jazeker! Op een bepaald moment vlogen alle steltjes op. Als vogelkijker weet je wat dat wil zeggen: rover op komst. Ook deze keer bleek dat het geval. Een jonge slechtvalk cirkelde boven de plassen. Hij was duidelijk op zoek naar een lekker hapje om zijn honger te stillen. De steltjes vormden als verweer een grote zwerm die synchroon acrobatische vluchten uitvoerde om hun belager in de war te brengen. Toch dook ons jonge jager onversaagd en accuraat naar die zwerm. Hij vloog er zonder te twijfelen vol in. Met een flits plukte hij er een kemphaan uit om er dan achtervolgd door een raaf, jawel de lijst wordt alsmaar langer, snel mee weg te vliegen. Een schouwspel dat misschien een tiental seconden duurde, maar op mij een grote indruk maakte. Wat een adembenemende ervaring. Na de ontdekking van mijn rosse waaierstaart een verdiende tweede plaats in de hitparade van die dag.

Slechtvalk tussen kemphanen vlak voor de ‘kill’ (foto: Patrick Keirsebilck)

Roze mini-versie

De dikke regenjas kon uit de koffer, 11°C en af en toe een regenvlaag. Wie dit had voorspeld werd als weerman door elke Griekse TV-zender dadelijk aan de deur gezet. Maar het waren de omstandigheden van de derde dag van onze reis. Slecht weer. Toch gingen we op pad. Om kwart na vijf liep onze wekker al af. Met een deel van de groep gingen we bij het krieken van de dag op zoek naar klein waterhoen. Met succes, we zagen een mannetje en zeker twee vrouwtjes. Ondanks de dreigende wolken wandelden we nog een heel eind verder. Met als resultaat onze eerste maskerklauwier, een vrouwtje. Ook dit zou zeker niet de laatste worden. Aan een helling met veel rotsblokken zagen we ook onze eerste oostelijke blonde tapuit. Het was op dat moment dat mijn vorige reis naar Lesbos begon te dagen. Dit beestje had ik toen ook gezien. En alweer maakte het een stevige indruk op mij. Dat warme okerkleurige tintje in hun verder witte verenkleed, afgeboord met een knalzwart masker en dito vleugels. Een juweeltje. Dan zag plots iemand van onze groep een patrijs bovenaan de helling. Even zoeken en ik keek naar mijn tweede lifer van deze trip: Aziatische steenpatrijs. Ook gekend als chukarpatrijs. Een paartje liet zich mooi bekijken. Ik kon de mooie flank- en koptekening goed zien. Weer een topmomentje.

Paartje Chukar-patrijzen (foto: Patrick Keirsebilck)

Na het ontbijt ging het terug richting zoutpannes. Deze keer vanaf de andere kant van de vlakte. Onderweg ontdekte onze gids een paar dwergmeeuwen en een dunbekmeeuw. Maar de soort die hij daar wou vinden was de kroeskoppelikaan. Niet de ontsnapte fake-versie die al een aantal weken rondhangt in Limburg, maar the real deal. We kregen ze ook te zien. Eentje even dobberend in een kreek om dan mooi voor ons door te vliegen. Wonderlijk hoe zo een grote beesten zo elegant kunnen bewegen in de lucht.
Terug in ons busje, deze keer met iets meer plezier schuilend voor de snijdende wind, reden we weer een eind verder. Onze doelsoort was nu Turkse boomklever. Op de plek waar al jaren een paartje bleek te broeden tuurden we naar een dode boom waar het nest zich zou bevinden. We waren niet alleen, maar het feit dat de al aanwezige vogelkijkers druk stonden te babbelen was geen goed teken. Na een half uurtje wou Johan, onze gids, het voor bekeken houden. Dit omdat hij al een paar keer mussen uit de nestholte had zien vliegen. Maar dat was zonder onze filmregisseur Marc gerekend. ‘Hier zit er eentje’ was het signaal om alle blikken op een boom vlakbij te richten. Daar kleefde onze Turk tegen een tak. Mooi dichtbij. Zelfs Marc werd er stil van.

Om de dag af te sluiten reden we terug naar de zoutpannes. Blijkbaar was er al een tijdje een kleine flamingo aanwezig. Een dwaalgast uit Afrika. Deze zou terug gezien zijn. Die wilden we zeker ook even meepikken. Hij zou tussen de honderden flamingo’s die daar altijd rondwaden moeten rondlopen. Geen makkelijke opdracht.
Flamingo’s blijven voor mij trouwens rare wezens. Als ze met hun snavel in het water door het water lopen valt het nog mee. Maar eenmaal ze opstijgen veranderen ze in mijn ogen in een wiebelende zwevende polstok die met twee op een vreemde plaats gemonteerde roze-zwart gekleurde vleugels vooruit worden gestuurd. Hopelijk doe ik hier niet te veel afbraak aan deze in het water elegante verschijningen.

Flamingo in vlucht (foto: Jean-Paul Delombaerde)


Vrij snel vonden we de dwaalgast. Deze mini-versie van de toch al spectaculaire flamingo is een extreem zeldzame verschijning voor Lesbos en bij uitbreiding Europa. Normaal hoort hij in Ethiopië rond te waden in een plas water. Zijn felroze verenpakje in combinatie met de donkere snavel en het vuurrode oog, dat je zelfs zonder verrekijker kan zien, maakt dat deze ontmoeting op mijn netvlies werd gebrand en netjes in het hersenmapje ‘prachtige waarnemingen’ blijft opgeslagen.

Kleine flamingo

Zo sloten we het eerste deel van onze reis in de buurt van ons hotel af met een knaller. Na goed twee dagen vogeltjes kijken met een stevige wind en temperaturen die elke Griek doet wanhopen, zit ik al een lijstje met 110 soorten waarvan drie lifers. Voor de groep stonden er nog een paar meer soorten op de teller.
Geen slechte start zou ik zeggen, een onwaarschijnlijk under-statement.

Lijst op stelten

Tweeënzestig, dat is het cijfer dat ik de voorbije week mocht afvinken. Niet in verband met vogeltjes, maar weer een jaartje erbij op mijn eigen teller. Je bent zo oud als je je voelt zeggen ze dan. Tja, ik zal het maar geloven zeker.

Om dit te vieren had ik een dagje recup en ging ik een cadeautje opendoen aan het Schulens Meer. Daar was het alvast weer feest. Maar liefst 16 zwarte ruiters liepen er rond. Speciaal voor mijn feestje hadden er een aantal al hun zwarte pakje aangetrokken. Maar zelfs in deels winterkleed blijf ik het geweldige steltjes vinden.

Zwarte ruiter – Schulensbroek 21 april 2026

Maar er waren nog meer gasten op mijn feestje. Een mooi paapje, mijn eerste zingende braamsluiper voor dit jaar en een groep van 12 ooievaars die even goeiedag kwamen zeggen.

Paapje – Schulensbroek 21 april 2026

De after-party ging door in de Marmolbeek in Jesseren. Daar werd ik verwelkomd door een paartje bruine kiekendieven. Zalige roofvogels. Mijn wandeling sloot ik af met een druk doende koppel roodborsttapuiten. Zij vonden mijn aanwezigheid duidelijk niet ok.

Balerina’s

De volgende dag reed ik naar de Maten. Carlo had er de dag voordien twee steltkluten ontdekt. Ze worden trouwens de voorbije dagen overal gemeld. Tot zelfs in het centrum van Tongeren toe. Weliswaar enkel maar even rondcirkelend. Deze sierlijke steltjes met hun oneindig lange poten waren vlot te vinden. Ik zag ze al van ver zitten op de locatie die werd doorgegeven.

Na een half uurtje genieten van deze schoonheden zat ik met een dilemma. Er was een zeearend gemeld in het Webbekoms Broek in Diest. Vijftig minuten rijden. Ik vertrok met de auto om even later toch om te keren. Zeearend meepikken of een wandeling in de Maten die aanlokkelijk dichtbij lagen? Het werd het tweede. Het bleek de juist keuze. Een paar honderd meter voorbij de steltkluten, die er nog zaten, hoorde ik een snor ratelen. Want dit is de juiste bewoording. Zingen durf ik het niet noemen. Toch ook geen algemene soort. Enkele minuten later boomde er een roerdomp vlakbij. Het werd een geweldige wandeling in een schitterend natuurgebied. Natuurherstel in kwadraat. Na een paar uurtjes wandelen besloot ik aan een van de vele vijvers even op een bank te gaan zitten. Een reigerachtige vogel kwam aangevlogen en ging vlak voor mij in het riet zitten: een roerdomp! Voor ik het goed door had was hij tussen de begroeiing verdwenen.
Ik zette mijn wandeling met een grote ‘smile’ verder. Daar kwam ik Wouter en Pierre tegen. Die waren ook de steltkluutjes komen bewonderen. Maar ze hadden het vooral over een mannetje beflijster dat ze hadden gezien in een weide daar vlakbij. Dus hield ik daar samen met hen even halt. Niet veel later vonden we deze prachtige lijster terug.

Steltkluut – Maten Genk – 22 april 2026

Festival

De rest van de week was het werkendag. Maar ook dan kom ik wel eens buiten. Donderdag ging ik de wandelroute in de Caetsweyers aflopen. Dit leverde een zeer fel alarmerende grote gele kwikstaart op. Denkelijk is er daar gezinsuitbreiding. Zaterdag was ik weer van dienst aan de balie in De Wissen. De middagpauze gebruik ik dan altijd om even in het gebied te gaan wandelen. Daar bleken er opnieuw ooievaars op een van de nestpalen te zitten. Jammer genoeg moest ik een fotograaf aanspreken omdat hij op goed 30 meter ging staan om die voor hem blijkbaar belangrijke foto te maken. Onbegrijpelijk. Gelukkig trok het paartje er zich weinig van aan en klepperden ze er iets later duchtig op los.

Zondagvoormiddag vond je mij opnieuw aan het Schulense Meer. Dit gebied is momenteel met voorsprong mijn favoriet. Hoewel ik er pas rond 9 uur – toch wel heel laat voor een vogelkijker – aankwam, was het er toch een festival van steltjes. Maar liefst 38 kemphanen, 12 zwarte ruiters, 32 bosruiters en 59 groenpootruiters. Tel daar de watersnippen, tureluurs en grutto’s bij, dan kom je aan ongeveer 150 steltjes. Minimaal. Want ik heb er zonder twijfel nog heel wat gemist. Neem daar nog de nog steeds rondflanerende kraanvogel, een eenzame dwergmeeuw en een zingende nachtegaal bij. Dan mag je spreken van een mooie afsluiter van deze week. Toch kwam er nog een leuk staartje bij. Tijdens het terugwandelen van de rommelmarkt hoorde ik op mijn local patch nog een braamsluiper zingen. Zo eentje vlakbij thuis telt dubbel vind ik.

Eind komende week vertrek ik trouwens samen met Gert voor een vogelreisje naar Lesbos. Hierdoor zal de blog volgend weekend leeg blijven. Even vooraf melden om trouwe lezers – nietwaar Jaak – niet teleur te stellen. Verslag volgt ongetwijfeld. Hopelijk met een paar nieuwe ‘lifers’.

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research