Na onze mooie reis naar Lesbos was de pret nog niet voorbij. Op zaterdag 9 mei was namelijk de jaarlijkse birdathon gepland. Om 5 uur zouden we er in de Fruitstreek al aan beginnen. Geen probleem, tenzij je vliegtuig om middernacht is geland in Zavemtem. Zelf zag ik mijn bedje maar een paar uurtjes en Gert besloot zelfs om in zijn auto even proberen te slapen in centrum Wellen. Gelukkig doet gek zijn niet zo heel veel pijn.
De birdathon is een organisatie van Natuurpunt waar heel veel vogelwerkgroepen de ganse dag op zoek gaan naar vogels. Veel soorten scoren is de boodschap. Hoewel Limburg één regio vormt, gingen wij enkel op pad in de Fruitstreek. Wouter had er werk van gemaakt. Hij huurde een busje zodat wij samen konden rijden, affiches op de ramen en zelfs een roadbook voor iedereen. Dit leverde ons maar liefst 94 soorten op. Met snor, een verre grauwe kiekendief en een grauwe klauwier als uitschieters. Ik hield het wel niet uit tot op het einde. Om 17 uur was mijn kaarske uit.
Telwerk
Zondag bleef ik iets langer in mijn bed liggen. Kwestie van een leuke reis en een vermoeiend vervolg verteerd te krijgen. Het bleef met een wandeling in de Herkvallei, mijn local patch. De telling in de Broekbeemd schoof ik verstandig op naar later in de week.
Donderdag stond ik om iets voor 6 uur al klaar om deze uit te voeren. Mijn schema zou anders te ver achter geraken. Twee zingende wielewalen en maar liefst acht zangposten van bosrietzangers maakten het een mooie voormiddag. Die wispelturige zangers blijven toch een van mijn favorietjes. Donderdag opnieuw vroeg uit de veren. Caetsweyers was aan de beurt. Daar bleken de kokmeeuwen goed bezig met een kolonietje te vormen. Ik telde minstens 11 nesten. De kleine pleviertjes waren ook present. Er trippelden zeker 8 paartjes rond. Eentje kon ik zittend op een nest, als je dat bij deze kleine ADHD-ertjes zo kan noemen, betrappen. Ik ontdekte ook een pullus van een kievit. Dit stond heel stil te wezen tussen de biezen. Begrijpelijk, want met al dat meeuwengeweld is dit ongetwijfeld een kievit voor de kat. Aangezien deze telling er meestal na een goed uurtje op zit, reed ik nog even door naar Bernissem. Daar was een grote karekiet gespot de voorbije dagen. Na even zoeken hoorde ik zijn luid gekras uit een smalle rietkraag. Horen prima, maar zien dat was een ander paar mouwen. Gelukkig slaagden een paar collega–vogelkijkers daar duidelijk wel in. Waarvoor dank.
Grote karekiet – Bernissem – 15 mei 2026 (foto: Chris Hayen)
Lijstjes-koorts
Zaterdag opnieuw tellen geblazen. Deze keer in Bergerven, een hok van ABV (Algemene Broedvogels) dat volledig in bosgebied ligt. Dus moest ik vooral mijn oren spitsen. Ik zag welgeteld twee vogels voorbijflitsen, de rest was auditief (enkel gehoord). Bij tellingen is dat wel meer het geval. Wat mij opviel waren de weinige spechten, boomklevers en boomkruipers. Vorige keer tekenden die wel present. Deze telling scoorden vooral de roodborsten, vinken en koolmezen. Na alle telpunten bezocht te hebben reed ik door naar Bichterweerd. Dat leuke gebied lag vlakbij. Mijn bezoek begon met een patrijs die zich mooi liet zien. Al lang geen makkelijke soort meer om te ontdekken. Ook hier ging ik even in inventaris-modus. Het koppel zwartkopmeeuwen dat vorig jaar hier kwam broeden was niet meer alleen. Ik telde minstens vier nesten. Een zippende graszanger was een leuke afsluiter. Tenslotte ging ik nog richting Negenoord. Een kijkje nemen bij het paartje ooievaars dat weer een van de nestpalen heeft ingenomen. Eentje bleek geringd. Even aflezen, maar dat bleek geen makkie. De ring was heel vuil en de drager ervan vertikte het om zich even om te keren zodat ik de kant waar de code wel zichtbaar was kon zien. Uiteindelijk lukte het dan toch. De mail naar het, hopelijk juiste, project is al vertrokken. Benieuwd waar deze ooievaar vandaan komt.
Patrijs – Bichterweerd – 16 mei 2026
Zondag geen tel-taak. Gelukkig, want het bleek een druilerig regenvoormiddag. Toch ging ik op pad. Het zou een easy-birding-trip worden. Met de auto van de ene plek naar de andere en als het even kan vogels kijken vanuit de wagen. Niet de manier van birding die mijn huisdokter mij zou aanraden. Maar nood breekt wet. Ik had de voorbije dagen de rangschikking van de jaarlijsten voor dit jaar in onze regio al een paar keer bekeken. Ik zat duidelijk opnieuw in lijstjes-modus. Ook al ontkende ik dat in mijn hoofd. Ik stond op plek drie. Dat er twee ‘nieuwelingen’ voor mij stonden was een leuke vaststelling. Maar ik had toch de drang om een aantal soorten die zij wel zagen en ik niet te gaan zoeken. Het papiertje met de locaties lag al klaar. Tja, lijstjes… ze kruipen toch altijd weer in mijn hoofd.
Maar het bleek geen makkelijk opdracht. De zomertortel die ik in Hoepertingen wilde afvinken gaf niet thuis. Op de dode boom waar ze in mijn gedachten netjes zou zitten zag ik houtduiven en een paartje holenduifjes, maar geen zomertortel te bespeuren. Dus reed ik door naar Lauw. Daar bezocht ik meerdere vijvers op zoek naar de illustere bergeend. Wilde, tafel- en kuifeendjes bij de vleet. Van de laatste zag ik er 26 samen. Maar geen bergeenden te zien. Gelukkig was mijn volgende bestemming wel succesvol. Jens had in Vechmaal een spotvogel gespot (leuke zin, niet?). Op een telpunt waar ik ooit akkervogels ging noteren en dan ook een spotvogel zag. Vermoedelijk de reden waarom hij er was gaan zoeken. Deze bleek plaatstrouw en zat luid te zingen in de holle weg. Check. Laatste opdracht was het vinden van een roepende kwartel in Montenaken. Op de aangegeven locatie ontdekte ik een mooi wild akkertje waar deze soort zich zeker thuis zou voelen. Maar even roepen terwijl ik er stond, ho maar. Buiten wat kwelende veldleeuweriken en tsjippende gele kwikken bleef het oorverdovend stil. Dirk 1 – onvindbare vogels 3. Een pijnlijke nederlaag. Of toch niet? Het was een leuke voormiddag. De overvliegende roofvogel was een mooie bonus. Ik dacht aan bruine kiek, tot de AI van waarnemingen.be op basis van mijn foto er een zwarte wouw van maakte. Volgens het systeem 100% zeker. Ik blijf toch wat twijfelen en heb de foto al vaak herbekeken. De specialisten zullen het mij zinder twijfel wel vertellen als dit niet klopt. Ondertussen blijf ik netjes op plaatsje drie staan. Toch nog op het podium.
Met nog één lifer te gaan en een verbroken record in the pocket begonnen we aan onze laatste dagen van onze trip. Iedereen, maar vooral Gert en ik, waren gebrand om de lat voor de volgende groepen die Lesbos kwamen bezoeken zo hoog mogelijk te leggen.
Jeneverke
Het begon ’s morgens al goed. Aan de ontbijttafel vertelde Patrick, onze chauffeur en fotograaf, dat hij een citroenkwikstaart had gezien in het gebiedje vlak tegenvoer het hotel. Bijna iedereen liet zijn bordje staan, ook al lagen er lekkere omeletjes op en stormde naar buiten. Zelf moest ik nog even mijn verrekijker gaan halen. Hopelijk bleef hij zitten. Op de plek waar de kwikstaart was gezien stonden nog een paar vogelkijkers die de vogel netjes aanwezen. Maar ik kon hem niet vinden! Frustratie! Dan vloog hij op en landde in een struik iets verder. Daar kon ik een glimp opvangen, maar om er dan zo maar een citroenkwik van te maken was niet vanzelfsprekend. Gelukkig bleef hij zitten om zich uitgebreid te poetsen. Hierdoor kon ik mij nog wat verplaatsen en kreeg ik deze mooie kwikstaart vol in beeld. Wel geen lifer, maar wel nummer 161 op onze lijst. De lat ging een stukje omhoog.
Citroenkwikstaart (foto: Patrick Keirsebilck)
Een aantal van de dames waren blijven zitten aan de ontbijttafel. Ze genoten wel van het schouwspel van de zenuwachtige en rondrennende heren die een kwikstaart verkozen boven een warm ontbijt. Of misschien was het omdat ze dachten dat het om een citroenjenever ging. Dat was alvast wat ik Gilberte hoorde zeggen iets later toen iedereen aan tafel zat. Of waren ze dan mogelijk wel mee naar buiten gestormd? We zullen het nooit weten.
Na het ontbijt vertrokken we voor de langste rit van onze trip. Helemaal tot het westelijke punt van het eiland. Met een paar bizarre tussenstops. Als we eens wisten wat er ons nog allemaal te wachten stond. Tijdens een afdaling ging Johan in het eerste bus vol in de remmen. Patrick kon nog maar net gestopt geraken. Maar een knal voorspelde weinig goeds. Blijkbaar was een van de remschijven van het wiel gesprongen. Deze had de voorbije dagen ons al getrakteerd op een slepend geschuur. Nu dus niet meer. De oorzaak van dit voorval was een slangachtig ding dat over de weg kroop. Het bleek een pootloze hagedis te zijn, die luistert naar de vreemde naam scheltopusik. Zowel de naam als het beestje zelf horen volgens mij thuis in een rariteitenkabinet. Wie verzint het, een hagedis uitvinden en er dan geen poten aan zetten. Het beestje maakte er blijkbaar geen probleem van. Ze ging er in een rotvaart vandoor en kroop zelfs even over mijn schoen. Om dan in een sloot langs de weg te duiken. Daar werd ze nog even achtervolgd door onze paparazzi.
Scheltopusik (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Optreden
Tijd om door te rijden. Hoewel de sfeer in ons busje toch even omsloeg van enthousiast naar lichte bezorgdheid. Door de bergen rijden met een remschijf minder. Is dat wel een goed idee? Maar ons busjes-onheil was nog niet aan zijn toppunt. Onderweg kregen we in een flits een vrouwtje grauwe kiekendief in beeld (nr. 162). We deden nog een tussenstop aan de voet van het klooster waar we de dag voordien de smyrnagors hadden ontdekt. In de hoop hem nog wat beter in beeld te krijgen. Dat lukte niet echt. Wel ontdekte Patrick V. een isabeltapuit die rondhipte met voedsel in haar bek. Niet ver van de weg zat er blijkbaar een nest. Dit leverde voor de fotografen mooie beelden op en voor mij weer een aantal minuten vol genieten van deze bij ons zeer zeldzame dwaalgast. In deze vallei vlogen er tientallen rond.
Niet veel later stonden we opnieuw aan de kust. De plek waar heel wat trekvogels voor het eerst op Lesbos aan land komen tijdens hun tocht naar hun broedgebieden meer noordelijk in Europa. Daar vonden we geen nieuwe soorten voor onze lijst. Maar kregen we wel een geweldig optreden van een rosse waaierstaart. Net voor we aan het strand aankwamen had het eerste busje al een voorprogramma gekregen omdat er eentje voor hen op de draad kwam zitten. Een vogelkijker met een motor reed echter, voor wij de rosse waaierstaart vanuit ons busje konden bekijken, naast ons door en joeg onze artiest de bosjes in. Maar dit werd ruim goedgemaakt aan het strand. Eerst liet deze rosse waaierstaart zich mooi bekijken zittend op een omheining. Om dan actiever te worden. Hij zong dat het een lieve lust was en deed het ding waarom waaierstaarten hun naam kregen, volop zijn staart openspreiden om te pronken met zijn prachtige tekening op de staart. Opnieuw genieten aan 200 per uur.
Rosse waaierstaart (foto: Patrick Keirsebilck)
Spot
Nadien maakten we nog een korte wandeling in de buurt. Daar hoorde ik uit een struik een ‘tekkend’ geluid. Dat is altijd de moeite om even verder te onderzoeken. Het grootste deel van onze groep was al doorgelopen en we stonden met drie te turen naar een geluidmakende struik. Plots kwam de producent te voorschijn. Een kleine zwartkop! (nr. 163) ging even mooi in een ijzeren omheining zitten. Om dan naar de overkant van de weg te vliegen om daar nog een te poseren op een takje. Mooi.
Kleine zwartkop (foto: Patrick Verstappen)
Gelukkig kregen we er nadien nog wel wat te zien, zodat iedereen van de groep deze mooie zanger op zijn lijstje kon aankruisen. We vatten onze terugtocht aan met opnieuw heel wat tussenstops. Aan een bergbeekje genoten we van ons dagelijkse broodje. Maar ook hier zaten weer heel wat vogels. Zelf zag ik er een paar in een struik langs de beek voortdurend omhoog vliegen om terug op hun vaste takje te gaan zitten. Duidelijk het gedrag van een vliegenvanger. Het bleken een grauwe en minstens drie bonte te zijn. Die laatste was nieuw op de lijst. We zaten aan nummer 164.
Maar we waren nog niet aan het einde van ons lijstje. De volgende stop was aan een vervallen kapelletje met een aantal dennen. Hier zou de voorbije dagen een spotvogel gezien zijn. Een soort die ik thuis ook wel eens tegenkom. Maar alles voor onze lijst. Al snel hoorden we zijn kenmerkende deuntje. Zien was een ander paar mouwen. Toch kregen een aantal van ons hem redelijk goed in beeld. Hiermee kwamen we aan nummer 165.
Overleden
Opnieuw op pad, dachten wij. Maar iets verder stond het eerste busje plots stil. Hij weigerde om opnieuw te starten. Na een paar pogingen kwam er terug leven in. Maar niet voor lang. Vlak voor de volgende top was het game over. De rook uit de motorkap en een lang spoor olie op de weg voorspelden niet veel goeds. In the middle of nowhere stonden we beteuterd naar het levensloze wrak te kijken. Wat nu gedaan? Onze gidsen begonnen snel aan een bizarre reddingsactie. Eerst reden ze met zijn tweetjes naar beneden om te bellen omdat er hier in de bergen bijna geen bereik was. Wij bleven wat wezenloos achter. Dan besloot de groep om de tocht te voet naar beneden aan te vatten. Alle materiaal uit het busje meesleurend. Onderweg bleven we uiteraard vogeltjes kijken. Een oostelijke orpheusgrasmus die zich mooi liet bekijken zittend op een steen fleurde onze tocht wat op. Gelukkig kwamen de gidsen vrij snel terug aangereden. Maar ze moesten eerst de sleutel in ons overleden vervoermiddel gaan leggen. Dus wandelden we nog even verder. Enkele dames stapten wel in. Het duurde dan wel heel lang voor ze terug verschenen. Was het andere busje ook naar de knoppen? Toen ze toch kwamen aangereden bleek dat ze samen met de dames, het sterke geslacht maar toch niet sterk genoeg blijkbaar, om het busje aan de kant te duwen. Tevergeefs. Er werd besloten om de ganse groep in het busje te proppen om zo naar het dorpje in het dal te rijden. Een idee dat we misschien al eerder hadden kunnen bedenken. Gert en ik kregen een plekje in de koffer. Niet echt comfortabel op zo een hobbelige weg. In het dorpje moest er gekozen worden wie meekon naar het hotel en denkelijk nog avondeten kreeg en wie in het dorpje moest wachten op de volgende rit. Want met iedereen in het busje tot aan het hotel rijden was zelfs volgens Lesbosische normen not done. Zeker niet met een remschijf te weinig, weet je nog wel. Wat denk je dat Gert en ik verkozen? Inderdaad, een verblijf in dit sfeervolle bergdorpje. Voor het busje vertrok scoorde Gert nog even een paartje palmtortels (nr. 166) waarvan iedereen nog even kwam genieten. Een sympathiekere versie van onze turkse tortel. Het vorige record werd zo verpulverd! De lamsboutjes met een Grieks biertje die ik bestelde op het terrasje smaakten nog beter hierdoor.
Palmtortel (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Akkerrand
Uiteindelijk raakte iedereen veilig terug in het hotel. De strategie en het programma voor de volgende dag werd stevig door elkaar geschud door dit voorval. We zouden mogelijk de ganse voormiddag moeten wachten op een nieuw busje. Mijn hoop op een tiende lifer werd daardoor een beetje twijfelachtig. Ook al omdat de soort die ik hoopte te zien volgens Johan al een paar dagen niet meer was gemeld. Tja, negen is ook een mooi resultaat.
De volgende morgen hingen we nog wat rond in de buurt van het hotel. Geen spectaculaire vondsten of nieuwe soorten. De berusting sloop duidelijk in onze groep en de reis terug naar huis was thema van heel wat gesprekken. Het was mooi geweest. Rond 10 uur stond er dan toch een busje klaar. Eentje dat wel volledig in orde was. Een beetje vijgen na Pasen. Na een chaotische sessie koffers inladen met heel veel instructeurs en maar een paar kofferdragers vertrokken we voor onze laatste trip op Lesbos.
Eerste stop een goede plek voor orchideeën. Volgens onze gids kon je hier heel wat leuke plantensoorten vinden. Heel wat, bleek héééééééél wat. Zelfs voor een vogelkijker is dit een paradijsje vol bloemenpracht. Nog meer dan we al hadden gezien. En wees gerust, op Lesbos staan heel veel bloemen. Misschien moeten we onze landbouwers eens meenemen naar hier. Dan weten ze dadelijk wat er bedoeld wordt met een bloemrijke akkerrand. De ene plantensoort na de andere passeerde de revue. Veel te veel om te onthouden. Maar meer dan genoeg om nog eens met volle teugen te genieten. Tussendoor hoorden we nog een zanglijster zingen. (nr. 167).
Overdonderende bloemen-helling
Extase
’s Middags werden we in een idyllisch dorpje door onze gidsen getrakteerd op een typisch Grieks etentje in een al even typisch restaurantje. Dat hadden we wel verdiend na een week doodsangsten (dit is misschien licht overdreven) uitstaan in onze busjes. Op de parking waar we uitstapten ontdekte Gert, uiteraard hij weer, een steenuiltje. Mooi open op een dode boom (nr. 168). In het dorpje zagen we ook nog palmtortels. Het bleef maar komen.
Toch bleek ons geluk nog niet op. Na het eten reden we door naar een locatie waar mijn mogelijk tiende lifer kon zitten. Langs een vrij drukke weg naar Lesbosische normen moesten we een stukje wandelen. De helling langs de kust voortdurend afspeurend. We waren niet alleen. Heel wat passagiers van het vliegtuig dat ons straks naar Brussel zou brengen hadden dezelfde keuze gemaakt. Blijkbaar een traditie. Maar konden we hem vinden, nummer 169 op onze groepslijst en weer een lifer? Jawel. Na een sessie waarnemingen nakijken op de GSM van iemand van onze groep bleek dat ons doel in de voormiddag nog was gezien. We wandelden naar de locatie die op de app stond en niet veel later stond ik, helemaal in extase, naar mijn eerste Rüppels grasmus te kijken. Vlak voor mij op een struik in vol ornaat. Wat een geweldige beestje is dat! Zonder twijfel de mooiste grasmus die ik tot op heden mocht aanschouwen. Een meer dan waardige afsluiter. Ik trakteerde de groep met plezier op het beloofde drankje met een heel brede smile op mijn gezicht.
Rüppels grasmus (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Harmonie
Wat een reis was dat! Tien lifers en ik zag zelf 164 soorten (vijf heb ik er gemist). Wat een rollercoaster! Elke natuurliefhebber zou dit eiland eens in zijn leven moeten komen ontdekken. Het is een baken van hoop in onze dolgedraaiende wereld waar welvaart steeds vaker wordt gemeten met centen. Een bewijs dat er nog plekken bestaan waar natuur en mens in harmonie met elkaar kunnen leven. Misschien moeten we onze beleidsmakers hier ook eens naartoe sturen? Of is dat toch niet zo een goed idee? Voor mij staat het alvast nu al vast. I’ll be back (maar dan wel met wat beter vervoer).
Op dag vier nam ik een beslissing die ik mij voor de rest van de reis niet zou beklagen. Met een aantal gedreven en goede fotografen in de groep liet ik mijn fototoestel in de kamer van het hotel liggen. Zo kon ik volop genieten van alle vogels die we mochten bewonderen. Geen gedoe om ze op foto te krijgen. Dat liet ik over aan degenen die daar wel plezier aan beleefden en dat ongetwijfeld veel beter konden dan ik. De foto’s in deze posts spreken voor zich.
Gekruisigde Jezus
De minder goede dagen wat betreft het weer waren achter de rug. Dus stonden we op met een lekker lentezonnetje en een vrouwtje maskerklauwier in de tuin van het hotel. Wat kan je nog meer verlangen? Na het ontbijt sprongen we, weliswaar voorzichtig, alweer in onze busjes voor een trip via de bergen naar de noordkust. Onderweg hielden we wel een korte stop. Onze gids had info doorgekregen dat in een tuin vlakbij een withalsvliegenvanger was gespot. Die zat samen met een bende vogelkijkers netjes op een paaltje op ons te wachten. De vogelkijkers wel op de weg voor die tuin en niet op dat paaltje. Dat zou wel heel gek geweest zijn. Voor mij alweer een lifer erbij.
Withalsvliegenvanger (foto: Patrick Keirsebilck)
Het zou niet de laatste zijn voor deze dag. Via een hobbelig wegje reden we langs de kust tot in een leuk haventje. De plek volgens onze gids Johan om pijlstormvogels te zien. Wat direct na het uitstappen al bevestigd werd. Wel ver weg, maar boven de golven keilden meerdere ‘pijlen’. Eentje was zo vriendelijk om wat dichterbij te passeren. Yelkouan was na wat debat de conclusie. Leuk, maar ik had mijn zinnen toch gezet op de andere pijlstormvogel die hier te zien was: de Scopoli’s. Een tweelingsbroer van de Kuhls die ik ooit in Kroatië heel mooi te zien kreeg vanaf een kleine motorboot. Deze keer was de afstand tussen mijzelf en mijn doelsoort wat groter. We moesten dus voortgaan op hun manier van vliegen. Yelkouan wisselt keilen (zweven boven de golven zonder de vleugels te bewegen) en snel flapperen met de vleugels af. Scopoli’s slaat bijna nooit met zijn vleugels en blijft constant als een gekruisigde Jezus boven de golven zweven. Vaak met grote sierlijke bochten in de lucht. Gert, wie anders, kreeg zo een exemplaar in de smiezen. Zijn ‘pijl’ bleef minutenlang keilen en was zelfs op die afstand merkelijk een stuk groter. Hoewel dit laatste op zo een afstand moeilijk te bepalen is. Maar de gids keurde onze waarneming goed. Lifer nummer twee van de dag was binnen. Voor foto’s vloog hij echter wat ver.
Vier op een rij
Na nog even over de zee getuurd te hebben en Marc, onze filmregisseur het op zijn heupen kreeg omdat hij hier geen beelden kon schieten, reden we verder langs de hobbelige kustweg. Regelmatig maakten we een stop met telkens een mooi resultaat. Aan een inham hoorden we een zangstrofe die ik alvast niet kon thuisbrengen. Bruinkeelortolaan hoorde ik onze gids zeggen. Het signaal voor de ganse groep om uit elkaar te stuiven en de zanger te gaan zoeken. Die bleek iets verder op een rots te zitten om stevig van katoen te geven. Hij zong er op los en had weinig aandacht voor die rare bende die hem stond te begluren. De fotografen waren in hun nopjes en ik genoot met volle teugen van alweer een nieuwe lifer.
Bruinkeelortolaan (foto: Patrick Keirsebilck)
En nog was de pret niet voorbij. Een stukje verder zette Johan zijn busje alweer aan de kant. In een bosje tussen de zandweg en het strand vatten we post om alweer een leuke soort voor deze reis te ontdekken. Balkanbaardgrasmus stond hier op het menu. Een naam die bij scrabble volgens mij zelfs niet op het speelbord past. Ook die tekende present. Nog geen vijf minuten nadat we waren uitgestapt keken we naar een zingend mannetje boven op een struik. Wat een weelde! Aan hun gedrag, want er vloog ook een vrouwtje rond, was duidelijk te zien dat ze een nestje aan het bouwen waren. Lifer nummer vier van die dag. Hoewel ik deze toch even moet parkeren. Want zoals ik al vertelde was ik al ooit op Lesbos tijdens een gezinsvakantie. Ik heb zelfs de map met de foto’s, op mijn computer deze keer en niet in mijn hoofd, terug gevonden. Daarin vond ik een foto van een grasmus die ik toen niet op naam kon brengen. Vermoedelijk gaat het om een juveniele balkanbaardgrasmus. Maar ik ben niet zeker. Laten we afspreken dat ik nu deze zekere waarneming mag meetellen op mijn levenslijst.
Balkanbaardgrasmus (foto: Patrick Keirsebilck)
Bij de neus genomen
De volgende dag gingen Gert en ik opnieuw voor het ontbijt in de buurt van ons hotel op zoek naar nieuwe soorten. We kwamen Marc, je weet wel onze filmer, ook tegen. Op een stenig eilandje zag ik iets bewegen. Het bleek een griel te zijn. Na even kijken waren het er zelfs drie. We kregen ook nog eens heel kort hun balts te zien. Een mooie start van wat weer een geweldige dag ging worden.
Geen foto van de griel, wel van de spotter (foto: Marc Gorrens)
Deze keer reden we zuidwaarts. Alweer door een geweldig landschap. Aan een wat troosteloze vijver hielden we een stop. Goed voor een aantal scharrelaars die op de telefoondraden zaten. De rit ging verder door prachtige valleien met heel veel vogels. Het was zoeken geblazen, want op elke steen of struik had je kans om weer een nieuwe soort te ontdekken. Ik hoorde alweer een onbekende zang. Dan durf ik de app Merlin er al eens bijhalen. Die gaf dadelijk kortteenleeuwerik aan! Ik zocht de hele helling af maar kon deze kleine leeuwerik niet vinden. Mijn boodschap aan de gids dat ik deze soort hier had gehoord werd op wenkbrauwgefrons onthaald. Maar er kwam geen ontkenning. Tot ik plots die zang weer hoorde, maar deze keer hoog in de lucht boven mij. Vreemd, want ik heb geen weet dat kortteenleeuwerik al vliegend zingt. Na even luisteren en kijken werd het mysterie opgelost. Het geluid kwam van de voorbijvliegende alpengierzwaluwen. Ze namen Merlin bij de neus. Alweer een bewijs dat je bij deze app altijd dubbel en zelfs meer moet controleren. Mijn lichte ontgoocheling werd snel weggeveegd met een rotszwaluw die we wat verder mooi konden bekijken. Moving on.
De volgende stop kwam er nadat onze gids een aantal valkjes had ontdekt vanuit de busjes. Want dit zouden wel eens kleine torenvalken kunnen zijn. die jagen namelijk graag in groepen. Het werd zelfs beter. Het waren inderdaad kleine torenvalken, maar dan ook nog eens in gezelschap van een aantal roodpootvalken. Ze gaven een show die zonder twijfel makkelijk een paar sportpaleizen zou vullen. Met vogelkijkers dan uiteraard. Ze doken regelmatig naar de grond om dan hun vangst, kevers of andere insecten, daarna handig in de lucht op te peuzelen. Genieten in kwadraat was dat.
Kleine torenvalk (foto: Patrick Keirsebilck)
Uit zijn dak
We sloten de dag af met een wandeling langs een mooi riviertje. Buiten wat leuke vogels, vonden we hier vooral dagvlinders en libellen. Een van de stokpaardjes van onze gids. Hij was dan ook helemaal in zijn element. De ene nieuw naam na de andere rolde over zijn lippen. Bij eentje werd hij wel heel enthousiast. Het bleek een kleine oeverlibel te zijn. Een zeldzame verschijning blijkbaar. Omdat ik vlak bij hem stond mocht ik zijn relaas van alle kenmerken die deze soort moesten tonen aanhoren. We riepen een aantal fotografen terug, want die wou hij zeker op foto laten zetten. Patrick, die van dat vlijmscherpe metalen bord in zijn tuin, ging door de knieën om deze opdracht uit te voeren. Omdat hij zijn schermpje van de camera door de zon niet goed kon zien fungeerde onze gids als schaduwvlek. Alles voor een goede foto. Een schouwspel dat ik met veel plezier bekeek.
The making off… (foto: Gilberte Smolders)
Mijn enthousiasme en mijn grote mond zorgden na het avondeten en tijdens het rituele afvinken van onze daglijst voor een te snel gemaakte belofte. Met ondertussen zeven lifers (ik dacht dat ik aan zes zat, maar had onze mini-flamingo over het hoofd gezien) op mijn conto sprak ik de woorden ‘tien’, ‘lifers’, ‘groep’ en ‘traktatie’ samen uit. Moest ik mijn portefeuille klaar houden of had ik de lat zo hoog gelegd dat ik er vlot onderdoor kon? We zullen zien.
Kleine oeverlibel (foto: Jean-Paul Delombaerde)Kleine tanglibel (foto: Patrick Verstappen)
Recordjacht
De dag nadien verkenden we de westkant van Lesbos. Volgens onze gids de beste regio voor vogels. Dus lagen de verwachtingen alweer heel hoog. Niet alleen wat betreft leuke soorten, maar ook de lengte van ons lijstje. Blijkbaar zaten we op schema om het soorten-record dat door Starling-groepen voor deze reis door Lesbos was gerealiseerd te evenaren. De lat lag op 158 soorten. Wij zaten al aan 146. Dat we er vandaag een aantal zouden bij vinden stond in de sterren geschreven. Want we bezochten een van de weinige loofbossen van het eiland. Hoewel, bos was wat overdreven. Een hoop bij elkaar geschraapte steeneiken op een rotsige bodem zouden we hier niet dadelijk benoemen als een bos. Maar we deden niet moeilijk. Daar hadden we kans op heel wat algemene soorten van onze regio die hier zeldzaam bleken. Roodborst, winterkoning, boomkruiper. Wie mij had verteld dat ik met een groepje vogelkijkers hier deze soorten zou gaan zoeken had ik een klap in zijn gezicht gegeven om hem tot de orde te roepen. Maar op dat moment zochten we verwoed naar deze tuinsoorten met volle overgave en met succes. Tussendoor deed ik er nog een lifer bij: de balkanbergfluiter. Eerst op aangeven van onze gids die hem hoorde zingen. Zien was niet aan de orde. Tot we iets verder eentje in een verre eik even zagen voorbij springen. Gehoord en gezien noemen ze dat. Dat werd wat later ook nog eens goed gehoord en goed gezien met een mannetje dat volledig open en vlak bij de weg op een tak ging zitten kwelen. Afvinken! De lijst werd langer en langer.
Balkanbergfluiter (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Maar het hoogtepunt van de dag en voor mij ook eentje van de reis moest dan nog komen. We zetten koers naar een oud klooster op een berg. Daar zouden we kans hebben op de voor mij iconische smyrnagors. Na een bezoekje aan het klooster waar we aanwijzingen kregen van een van de paters met een imposante baard welke vogels we er konden zien, wandelden we van de berg waar het klooster lag naar beneden. Op een helling gingen we op zoek naar mijn volgende lifer. Het was even zoeken, maar Gert, alweer, kon er eentje spotten. Zingend in de top van een eikje. Redelijk ver, maar toch goed te zien. Check! Terwijl een deel van de groep de klim naar het klooster terug aanvatte, bleef ik beneden. Hiermee kreeg ik mijn droomgors nog een paar keer mooi in beeld. Dichterbij en dankzij de tele van een daar aanwezige andere Belgische vogelkijker mooi in detail te bekijken. Mijn wens om minstens vijf lifers te scoren werd bij deze vlot overschreden. Ik zat ondertussen aan nummer negen. Nog eentje en mijn bankaart zou moeten bovengehaald worden.
Smyrnagors (foto: Patrick Keirsebilck)
Een extra bezoekje aan de poel waar we een paar dagen voordien het klein waterhoen hadden gevonden leverde dan ook nog eens de soort op waarmee we voorbij het record van Starling gingen: een rietzanger gevonden door onze regisseur Marc. We sloten die avond onze afvink-ceremonie af met 160 soorten. Met nog twee dagen voor de boeg kon niemand voorspellen waar we gingen eindigen. Alvast een stuk boven de lat die we zelf hadden gelegd. The game was on!
Net terug van een wandeling in de Grote Beemd, mijn local patch, om even af te kicken van een geweldige reis naar Lesbos. Een avontuur met veel vogels, héél veel vogels. Dus even opnieuw met de voetjes op onze Limburgse bodem. Daar zijn de bosrietzangers trouwens terug, even tussendoor, met minstens drie zangposten. Ook dat is voor mij genieten. Maar Lesbos is toch een klasse apart.
Blijkbaar was ik al ooit op Lesbos. Dat bezoek zat ergens ver weg in een mapje op mijn harde schijf in mijn hoofd. Want mijn vrouwtje moest er mij terug aan herinneren. Toen waren we daar duidelijk op een verkeerd moment, volgens mij in de zomerperiode, als het om vogeltjes kijken ging. De trip waarvan ik net terug ben zal ongetwijfeld wat langer blijven hangen. Uiteraard omdat ze nog maar een paar dagen voorbij is. Maar vooral omdat het een geweldige ervaring was.
Zet je even goed neer met een tasje koffie of – om in de Griekse sfeer te komen – een Ouzootje. Want het wordt een lange post deze keer. Dit verslag van een overweldigende (nieuwe) kennismaking met dit vogel- en natuurparadijs geeft hopelijk een inkijk hoe ik onder de indruk ben geraakt van dit eiland. Om alles verteld te krijgen heb ik mijn verslag opgedeeld in drie posts. Je leest nu het eerste deel. In de loop van de komende week mag je de rest verwachten. Ik wens je veel leesplezier.
Fast forward
Op de dag van de arbeid reden Gert en ik richting Zaventem. Na de gebruikelijke file aan de Brusselse ring, zelfs op deze feestdag, en het klassieke tijdverlies op onze nationale luchthaven stegen we even laten op richting Griekenland. Een korte kennismaking met onze reisgenoten was dan al achter de rug. Er waren drie oude bekenden bij. Jeanne en Erik waarmee we vroeger al eens mee op pad ging in Georgië. Een geweldig koppel dat ook de passie van vogels kijken deelt. En uiteraard onze sympathieke semi-Brit Nigel, de verpersoonlijking van gezelligheid en gemoedelijkheid. Dat kon alvast niet meer stuk. Ook de rest van de groep viel reuze mee. Tijdens het wachten op de luchthaven leerden we ze iets beter kennen. Met een paar vreemde verhalen als toetje.
Onze groep in actie
Wat gedacht van Patrick die een paar dagen voor we vetrokken in zijn tuin struikelde en zich aan een scherp metalen bord bijna de keel doorsneed (jawel, shit happens). Of Marc, een hyperactieve kerel die er wél in slaagt om met zijn Nikon P1000, ik loop er ook met zo eentje rond, goede filmbeelden te maken. Hij werd mijn buddy op de achterbank van het busje tijdens de ganse trip. Een uitdaging, want Marc gaat door het leven met een fast-forward knop en een volumeknop die beiden op maximum geblokkeerd zitten. En dan heb je nog onze gidsen. Patrick (nr. 2) die onze chauffeur van dienst was en regelmatig spoorloos verdween om een vogel op beeld te zetten. Heel wat van de foto’s bij deze post zijn dan ook van hem. Johan of Buck die alles had uitgestippeld en elke vogel op het eiland leek te weten zitten. Een vat vol vogelkennis, maar ook vlinders en libellen. Zijn motto zou ik graag ook omarmen. Hij plukt elke dag met heel veel enthousiasme.
Mus 2.0
De volgende dag was the game on. Nog voor het ontbijt gingen we op pad. Vanaf ons terras had ik al kennis gemaakt met de plaatselijke versie van onze huismus: de Spaanse mus. Wel een beetje vreemd om die op Griekse bodem te zien. Maar het zal wel kloppen zeker. Ik vond het wel niet erg om hem te ontmoeten. Volgens mij is het een veel mooiere versie van de bij ons bekende dakgoot-tsjilpers. Ik wil zeker niets afdoen van onze thuisversie. Want ook die zijn, als je ze goed gaat bekijken, mooi gekleurd. Maar hun Spaanse neefjes zijn toch van een andere orde. Het is een versie 2.0. Met de diepe zwarte tekening op de borst, de intensieve kastanjebruine petjes waardoor het wit witter lijkt dan wit. Een zalige verschijning. Hopelijk nemen mijn thuismussen het mij niet kwalijk.
Mannetje Spaanse mus (foto: Patrick Keirsebilck)
De verkenning rond het hotel dompelde ons vanaf dag één volledig onder in het overvolle natuurbad van Lesbos. Op een grote poel vlak tegenover het hotel vlogen honderden zwaluwen rond. Tussen de biezen liepen heel wat steltkluten en waren meerdere ralreigers aan het pootje baden. Vanuit de struiken klonk het gekras van een grote karekiet. Iets verder overstemd door de rollende zang van een oostelijke vale spotvogel. Een deuntje dat mij de ganse reis heel vaak zou doen omkijken. Tussen de zwaluwen ontdekten we ook een aantal roodstuitzwaluwen. Ook een 2.0 versie, maar dan van onze boerenzwaluwen. We kwamen ogen te kort.
Ralreiger
Tijdens een wandeling langs het strand zagen we ook een zeehond met zijn kopje boven het water dobberen. Ook leuk dachten wij, niet wetende dat we denkelijk net de waarneming van dat jaar hadden gedaan voor die regio. Niets vermoedend zetten we onze ontdekkingstocht verder. Terug aan het hotel hoorden wij dat die ‘zeehond’ een monniksrob bleek te zijn. Een van de zeldzaamste robben die je op onze aardkloot kan tegenkomen. Alle aanwezige vogelkijkers stroomden toe en in geen tijd zagen we tientallen telescopen en telelenzen richting de baai gericht om getuige te zijn van deze unieke vondst. Onze gids maakte een extra tochtje langs de baai zodat iedereen van de groep deze monniksrob kon bewonderen. Een blitz-start blijkbaar. Ook al hadden wij bij het zien van die ‘leuke zeehond’ totaal geen idee dat dit het geval zou zijn.
Monniksrob (foto: Patrick Keirsebilck)
Jonge jager
Tijd om in onze busjes te stappen. Het bleken twee krakkemikkige exemplaren die in ons landje al lang niet meer binnen mochten op de technische keuring en per direct voor eeuwig werden verbannen naar een of ander autokerkhof. Hier dus niet. Maar blijkbaar brachten ze geluk. Want ze voerden ons van de ene soort naar de andere. Met de nodige bijwerkingen, maar dat verhaal is voor later.
De eerste uitstap bracht ons naar een rivier in de buurt. Terwijl de groep al wat verder was gewandeld hoorde ik een deuntje dat ik niet kende. Zo zijn er wel meer in mijn geval. Maar dit trok toch mijn aandacht. Als snel vond ik de vogel die dit liedje had gecomponeerd. Eentje met een mooi opgerichte staart met witte puntjes aan het einde en een mooie oogstreep. Rosse waaierstaart ging er door mijn hoofd! Voor ik de rest van de groep kon verwittigen koos hij al het hazenpad. Mijn eerste lifer (zo noemt men een soort die je voor het eerst in je leven ziet) was een feit. Het zou niet de laatste zijn. Nadien kon de rest van de groep deze leuke soort ook bekijken. Zij het wat verscholen en vaak heel kort in een verre struik.
Dan reden we door naar de zoutpannes. Een gebied waar je als vogelkijker van de ene verbazing in de andere wordt gekatapulteerd. Ze hadden er een paar potten zwarte ooievaars en zwarte ibissen opengetrokken. Boven het water slingerden lachsternen, visdiefjes, witwangsternen en mijn favoriet, de flitsende witvleugelsternen. Achter elke rietkraag kwamen ralreigers te voorschijn. Op de voorgrond aangevuld met sporenkieviten. Elk plasje werd opgevuld met honderden steltjes. Bosruiters, kemphanen, kleine standlopertjes in overvloed. Je kreeg hier elke seconde een ornithologische overdosis ingespoten. Als er dan nog even een schreeuwarend overzeilt dan wordt het helemaal te gek. Dit was trouwens vlak nadat we onze eerste slangenarend van de reis mochten aanschouwen. Moet er nog zand zijn? Jazeker! Op een bepaald moment vlogen alle steltjes op. Als vogelkijker weet je wat dat wil zeggen: rover op komst. Ook deze keer bleek dat het geval. Een jonge slechtvalk cirkelde boven de plassen. Hij was duidelijk op zoek naar een lekker hapje om zijn honger te stillen. De steltjes vormden als verweer een grote zwerm die synchroon acrobatische vluchten uitvoerde om hun belager in de war te brengen. Toch dook ons jonge jager onversaagd en accuraat naar die zwerm. Hij vloog er zonder te twijfelen vol in. Met een flits plukte hij er een kemphaan uit om er dan achtervolgd door een raaf, jawel de lijst wordt alsmaar langer, snel mee weg te vliegen. Een schouwspel dat misschien een tiental seconden duurde, maar op mij een grote indruk maakte. Wat een adembenemende ervaring. Na de ontdekking van mijn rosse waaierstaart een verdiende tweede plaats in de hitparade van die dag.
Slechtvalk tussen kemphanen vlak voor de ‘kill’ (foto: Patrick Keirsebilck)
Roze mini-versie
De dikke regenjas kon uit de koffer, 11°C en af en toe een regenvlaag. Wie dit had voorspeld werd als weerman door elke Griekse TV-zender dadelijk aan de deur gezet. Maar het waren de omstandigheden van de derde dag van onze reis. Slecht weer. Toch gingen we op pad. Om kwart na vijf liep onze wekker al af. Met een deel van de groep gingen we bij het krieken van de dag op zoek naar klein waterhoen. Met succes, we zagen een mannetje en zeker twee vrouwtjes. Ondanks de dreigende wolken wandelden we nog een heel eind verder. Met als resultaat onze eerste maskerklauwier, een vrouwtje. Ook dit zou zeker niet de laatste worden. Aan een helling met veel rotsblokken zagen we ook onze eerste oostelijke blonde tapuit. Het was op dat moment dat mijn vorige reis naar Lesbos begon te dagen. Dit beestje had ik toen ook gezien. En alweer maakte het een stevige indruk op mij. Dat warme okerkleurige tintje in hun verder witte verenkleed, afgeboord met een knalzwart masker en dito vleugels. Een juweeltje. Dan zag plots iemand van onze groep een patrijs bovenaan de helling. Even zoeken en ik keek naar mijn tweede lifer van deze trip: Aziatische steenpatrijs. Ook gekend als chukarpatrijs. Een paartje liet zich mooi bekijken. Ik kon de mooie flank- en koptekening goed zien. Weer een topmomentje.
Paartje Chukar-patrijzen (foto: Patrick Keirsebilck)
Na het ontbijt ging het terug richting zoutpannes. Deze keer vanaf de andere kant van de vlakte. Onderweg ontdekte onze gids een paar dwergmeeuwen en een dunbekmeeuw. Maar de soort die hij daar wou vinden was de kroeskoppelikaan. Niet de ontsnapte fake-versie die al een aantal weken rondhangt in Limburg, maar the real deal. We kregen ze ook te zien. Eentje even dobberend in een kreek om dan mooi voor ons door te vliegen. Wonderlijk hoe zo een grote beesten zo elegant kunnen bewegen in de lucht. Terug in ons busje, deze keer met iets meer plezier schuilend voor de snijdende wind, reden we weer een eind verder. Onze doelsoort was nu Turkse boomklever. Op de plek waar al jaren een paartje bleek te broeden tuurden we naar een dode boom waar het nest zich zou bevinden. We waren niet alleen, maar het feit dat de al aanwezige vogelkijkers druk stonden te babbelen was geen goed teken. Na een half uurtje wou Johan, onze gids, het voor bekeken houden. Dit omdat hij al een paar keer mussen uit de nestholte had zien vliegen. Maar dat was zonder onze filmregisseur Marc gerekend. ‘Hier zit er eentje’ was het signaal om alle blikken op een boom vlakbij te richten. Daar kleefde onze Turk tegen een tak. Mooi dichtbij. Zelfs Marc werd er stil van.
Om de dag af te sluiten reden we terug naar de zoutpannes. Blijkbaar was er al een tijdje een kleine flamingo aanwezig. Een dwaalgast uit Afrika. Deze zou terug gezien zijn. Die wilden we zeker ook even meepikken. Hij zou tussen de honderden flamingo’s die daar altijd rondwaden moeten rondlopen. Geen makkelijke opdracht. Flamingo’s blijven voor mij trouwens rare wezens. Als ze met hun snavel in het water door het water lopen valt het nog mee. Maar eenmaal ze opstijgen veranderen ze in mijn ogen in een wiebelende zwevende polstok die met twee op een vreemde plaats gemonteerde roze-zwart gekleurde vleugels vooruit worden gestuurd. Hopelijk doe ik hier niet te veel afbraak aan deze in het water elegante verschijningen.
Flamingo in vlucht (foto: Jean-Paul Delombaerde)
Vrij snel vonden we de dwaalgast. Deze mini-versie van de toch al spectaculaire flamingo is een extreem zeldzame verschijning voor Lesbos en bij uitbreiding Europa. Normaal hoort hij in Ethiopië rond te waden in een plas water. Zijn felroze verenpakje in combinatie met de donkere snavel en het vuurrode oog, dat je zelfs zonder verrekijker kan zien, maakt dat deze ontmoeting op mijn netvlies werd gebrand en netjes in het hersenmapje ‘prachtige waarnemingen’ blijft opgeslagen.
Kleine flamingo
Zo sloten we het eerste deel van onze reis in de buurt van ons hotel af met een knaller. Na goed twee dagen vogeltjes kijken met een stevige wind en temperaturen die elke Griek doet wanhopen, zit ik al een lijstje met 110 soorten waarvan drie lifers. Voor de groep stonden er nog een paar meer soorten op de teller. Geen slechte start zou ik zeggen, een onwaarschijnlijk under-statement.
Tweeënzestig, dat is het cijfer dat ik de voorbije week mocht afvinken. Niet in verband met vogeltjes, maar weer een jaartje erbij op mijn eigen teller. Je bent zo oud als je je voelt zeggen ze dan. Tja, ik zal het maar geloven zeker.
Om dit te vieren had ik een dagje recup en ging ik een cadeautje opendoen aan het Schulens Meer. Daar was het alvast weer feest. Maar liefst 16 zwarte ruiters liepen er rond. Speciaal voor mijn feestje hadden er een aantal al hun zwarte pakje aangetrokken. Maar zelfs in deels winterkleed blijf ik het geweldige steltjes vinden.
Zwarte ruiter – Schulensbroek 21 april 2026
Maar er waren nog meer gasten op mijn feestje. Een mooi paapje, mijn eerste zingende braamsluiper voor dit jaar en een groep van 12 ooievaars die even goeiedag kwamen zeggen.
Paapje – Schulensbroek 21 april 2026
De after-party ging door in de Marmolbeek in Jesseren. Daar werd ik verwelkomd door een paartje bruine kiekendieven. Zalige roofvogels. Mijn wandeling sloot ik af met een druk doende koppel roodborsttapuiten. Zij vonden mijn aanwezigheid duidelijk niet ok.
Balerina’s
De volgende dag reed ik naar de Maten. Carlo had er de dag voordien twee steltkluten ontdekt. Ze worden trouwens de voorbije dagen overal gemeld. Tot zelfs in het centrum van Tongeren toe. Weliswaar enkel maar even rondcirkelend. Deze sierlijke steltjes met hun oneindig lange poten waren vlot te vinden. Ik zag ze al van ver zitten op de locatie die werd doorgegeven.
Na een half uurtje genieten van deze schoonheden zat ik met een dilemma. Er was een zeearend gemeld in het Webbekoms Broek in Diest. Vijftig minuten rijden. Ik vertrok met de auto om even later toch om te keren. Zeearend meepikken of een wandeling in de Maten die aanlokkelijk dichtbij lagen? Het werd het tweede. Het bleek de juist keuze. Een paar honderd meter voorbij de steltkluten, die er nog zaten, hoorde ik een snor ratelen. Want dit is de juiste bewoording. Zingen durf ik het niet noemen. Toch ook geen algemene soort. Enkele minuten later boomde er een roerdomp vlakbij. Het werd een geweldige wandeling in een schitterend natuurgebied. Natuurherstel in kwadraat. Na een paar uurtjes wandelen besloot ik aan een van de vele vijvers even op een bank te gaan zitten. Een reigerachtige vogel kwam aangevlogen en ging vlak voor mij in het riet zitten: een roerdomp! Voor ik het goed door had was hij tussen de begroeiing verdwenen. Ik zette mijn wandeling met een grote ‘smile’ verder. Daar kwam ik Wouter en Pierre tegen. Die waren ook de steltkluutjes komen bewonderen. Maar ze hadden het vooral over een mannetje beflijster dat ze hadden gezien in een weide daar vlakbij. Dus hield ik daar samen met hen even halt. Niet veel later vonden we deze prachtige lijster terug.
Steltkluut – Maten Genk – 22 april 2026
Festival
De rest van de week was het werkendag. Maar ook dan kom ik wel eens buiten. Donderdag ging ik de wandelroute in de Caetsweyers aflopen. Dit leverde een zeer fel alarmerende grote gele kwikstaart op. Denkelijk is er daar gezinsuitbreiding. Zaterdag was ik weer van dienst aan de balie in De Wissen. De middagpauze gebruik ik dan altijd om even in het gebied te gaan wandelen. Daar bleken er opnieuw ooievaars op een van de nestpalen te zitten. Jammer genoeg moest ik een fotograaf aanspreken omdat hij op goed 30 meter ging staan om die voor hem blijkbaar belangrijke foto te maken. Onbegrijpelijk. Gelukkig trok het paartje er zich weinig van aan en klepperden ze er iets later duchtig op los.
Zondagvoormiddag vond je mij opnieuw aan het Schulense Meer. Dit gebied is momenteel met voorsprong mijn favoriet. Hoewel ik er pas rond 9 uur – toch wel heel laat voor een vogelkijker – aankwam, was het er toch een festival van steltjes. Maar liefst 38 kemphanen, 12 zwarte ruiters, 32 bosruiters en 59 groenpootruiters. Tel daar de watersnippen, tureluurs en grutto’s bij, dan kom je aan ongeveer 150 steltjes. Minimaal. Want ik heb er zonder twijfel nog heel wat gemist. Neem daar nog de nog steeds rondflanerende kraanvogel, een eenzame dwergmeeuw en een zingende nachtegaal bij. Dan mag je spreken van een mooie afsluiter van deze week. Toch kwam er nog een leuk staartje bij. Tijdens het terugwandelen van de rommelmarkt hoorde ik op mijn local patch nog een braamsluiper zingen. Zo eentje vlakbij thuis telt dubbel vind ik.
Eind komende week vertrek ik trouwens samen met Gert voor een vogelreisje naar Lesbos. Hierdoor zal de blog volgend weekend leeg blijven. Even vooraf melden om trouwe lezers – nietwaar Jaak – niet teleur te stellen. Verslag volgt ongetwijfeld. Hopelijk met een paar nieuwe ‘lifers’.
De voorbije week stond vooral in het teken van inventariseren. Woensdag liep ik een rondje in de Broekbeemd. Het aantal rode bolletjes in mijn app neemt fors toe. Waar ik in het begin had besloten om de heel algemene soorten te negeren, blijkt dat nu toch niet het geval. Zwartkoppen, winterkoningen en tjiffende tjaffen worden vlot ingegeven. Dat vraagt extra aandacht en werk, maar het is wel leuk om hun ijverige gezang te belonen met een plekje op de kaart in mijn gsm. Nieuw waren grasmus en een redelijk vroege tuinfluiter. Maar de verrassing was een rietzanger die duchtig van katoen gaf in het plukje riet aan het kalkmoeras. De eerste ooit voor dit natuurgebiedje. Benieuwd of het een blijver zal worden.
Vrijdag kon ik dankzij een dagje recup ook een bezoek aan de Caetsweyers inplannen. Hoewel het gebied er nog kaal bijligt na de pas afgeronde werken, was er toch wel wat te beleven. Meerdere paartjes kleine plevier waren druk aan het ruzie maken voor een plekje. Volgens de website van avimap waren het er meer dan gemiddeld. We zullen zien of er kleine kleine pleviertjes van komen. Een rare zin, maar ze klopt wel. Lees ze nog maar even na. Het blijft voor de soorten die ik daar opvolg moeilijk om te beslissen of ik ze ingeef met broedcodes of niet. Zo vlogen er heel wat meeuwen rond, maar van bezette nesten is er nog geen sprake. De steeds wijzigende waterstand – de beheerder is nog zoekende naar de juiste afstemming – speelt hen parten. Nog een voorbeeld zijn de meerkoeten. Ik had zes paartjes op mijn kaart gezet omdat ze duidelijk territoriaal gedrag vertonen. Met de kop vlak op het water dreigend naar elkaar toezwemmen. Je kent dat wel. Maar ik kon geen enkel paartje betrappen op nestbouw. Terwijl in andere gebieden waar ik de voorbije week kwam er overal nesten met meerkoeten te zien zijn. Het zal wachten zijn op rondzwemmende donsbolletjes bij heel wat van die watervogels. We houden vol.
Dit is hoe ik het graag heb, duidelijk… (nestbouw meerkoet in De Wijers)
Ontsnapt
Omdat een rondje Caetsweyers er meestal op een uurtje op zit, besloot ik om door te rijden naar De Wijers in Zonhoven. Daar werd al enige dagen een kroeskoppelikaan gezien. 100% zeker een ontsnapte vogel, maar blijkbaar is zo een vreemde vogel toch een magneet voor vogelkijkers en vooral fotografen. Telt niet voor je lijstjes, brengt niets bij wat betreft data voor broedvogels. Maar toch willen heel wat mensen ze zien. Zelf hoor ik daar zo te zien ook nog bij. Het is een verslaving vrees ik. Exoten en escapes – zoals ze worden genoemd – fascineren mij al langer. Ooit had ik zelfs het idee om alle rare vogels die hier eigenlijk niet thuishoren eens gaan te bekijken. De lijst die ik toen maakte was verrassend lang. Wie weet, ooit ook een challenge?
De pelikaan kreeg ik jammer genoeg niet te zien. Ondanks het feit dat ze in de tijd dat ik in het gebied rondliep werd gemeld. Misschien is mijn motivatie dit jaar wat dat betreft toch niet groot genoeg. Ik maakte liever een mooie wandeling door de Wijers. Met als trofeeën een in het riet verscholen maar duidelijk roepende wouwaap, een boomende roerdomp ergens in de buurt en een paartje geoorde fuutjes. Volgens mij de mooiste fuutjes die onze provincie rijk is.
Geoorde fuut – De Wijers 17 april 2026
Ontbijt-birding
Zaterdag reed ik naar het Schulens Meer. Dit gebied moet je als vogelkijker in deze periode toch minstens een keer in de week gaan bezoeken. Wat een weelde! Hoewel de eerder gemelde steltkluten blijkbaar waren vertrokken naar andere oorden, kreeg ik toch mijn tijd goed gevuld. Een kwartetje lepelaars, twee overvliegende zwartkopmeeuwen – met dank aan de tip van een collega vogelkijker die mij er attent op maakte -, meerdere blauwborsten, een foeragerende kraanvolel, twee zangposten van sprinkhaanzanger, een hoop steltjes (minstens 50 kemphanen) en als afsluiter een vijftal zomertalingen. Mijn favoriete eendjes. Op die manier groeide mijn Limburgse jaarlijst weer wat aan. Hoewel ik bij het begin van dit jaar neerschreef dat ik niet veel aandacht ging besteden aan lijstjes, begint het weer te kriebelen. Dus ging ik stiekem toch even kijken hoe de stand van zaken is. Ik zit voor mijn Belgische jaarlijst aan 131 soorten. Vorig jaar zat ik op dit moment aan 157. Voor mijn regio, de Fruitstreek, zit ik dan wel beter op schema. Met 87 opgetekende soorten zit ik 17 soorten hoger dan in 2025 op dezelfde datum. De focus is duidelijk verschoven.
Deze morgen deed ik nog snel eentje bij. Vandaag geen vogels op het programma. Maar wel een bezoek aan een rommelmarkt in Tongeren. Na vogels kijken ook een favoriet op mijn wat-gaan-we-vandaag-doen-lijstje. Maar vogels blijft bij mij een constante. Het bewijs is de waarneming van een rode wouw deze morgen. Net uit bed en mijn boterhammekes smerend in de keuken zag ik vanuit mijn keukenraam een sierlijk vliegende vogel aankomen. Snel mijn verrekijker gaan pakken en in looppas naar buiten. Midden op de straat – niet echt verantwoord, maar nood breekt wet – sta ik twee tellen later te kijken naar een rode wouw die vlak over mijn huis vliegt. Wat een beest! Zelfs op de rommelmarkt blijven vogels een rol spelen. Niet alleen ben ik voortdurend op zoek naar leuke prullaria die vogel-gerelateerd zijn. Maar ook een zingende tjiftjaf in een boom achter de kraampjes trekt mijn aandacht. Of een roepende grote gele kwik in een beek waar wij passeren op weg naar die markt. Hij kreeg een vermelding bij mijn waarnemingen van deze week. Die vogels-kijken-knop afzetten is onmogelijk. Gelukkig.
Onze buit van de rommelmarkt, om voor een keer met een foto zonder vogel deze post af te sluiten.
Een weekje verlof, dus veel tijd om vogels te gaan kijken. Het begon met een bezoekje aan de Maaskant op dinsdagmorgen in natuurgebied Hochter Bampd. Mijn eerste zekere zomertalingen voor dit jaar zaten daar op mij te wachten. Na de twijfelwaarneming van vorige week dan toch kunnen afvinken. Het blijven geweldige eendjes. Ook hier alweer blauwborst zingend, een paar voorbijflitsende ijsvogels en een lepelaar. Terug een kanshebber voor een broedgeval? De kolonie blauwe reigers en aalscholvers blijft spectaculair. Een topgebied.
Zicht op Hochter BampdMannetje zomertaling
Namiddag ging ik nog eens langs in Schulen. Daar bleken de steltjes stilaan aan te komen. Grutto, groenpootruiter, zwarte ruiter, kemphanen en tureluur. Overal zingende blauwborsten en boerenzwaluwen, heel veel boerenzwaluwen. Honderden. Zonder enige twijfel ga je mij hier de komende weken vaak kunnen tegenkomen. Gewoonweg the place to be voor elke Limburgse vogelkijker.
Grutto en zwarte ruiter samen op een plaatje
Sint montanus
Dan nam ik de vreemde beslissing om twee dagen rond te gaan wandelen in landbouwgebied. Was het de ontdekking van die steppekiekendief door een collega vogelkijker een paar weken geleden? Of toch de hoop om een verdwaalde duinpieper of ortolaan te ontdekken? wie zal het zeggen. Wat ik wel ondertussen weer weet is dat je dit kan zien voor een natuurliefhebber als een zelfkastijding. Ik ga jullie alweer een klaagzang over de toestand van onze akkers en omgeving besparen. Dit laat ik over aan andere auteurs. Wel leverde het mijn eerste boerenzwaluw op voor dit jaar in eigen regio. Toch een lichtpuntje. Ook zingende veldleeuweriken. Weinig, maar er waren er nog.
Na mijn wandeling in de buurt van Lauw reed ik naar de laatste plek waar je ringmussen kan zien: Heiselt. Een godvergeten gat in het uiterste zuiden van Limburg. Goed twee of drie straten groot. Hier wordt een zielige populatie van nog geen tien ringmussen met alle middelen in leven gehouden. Met voedersilootjes, nestkasten en een student die ze opvolgt, omdat ze zijn verworden tot een bestudeer-waardig onderwerp, als hulplijnen. Ik kreeg er een drietal behoorlijk in beeld. Hoe ver is het gekomen dat je als vogelkijker speciaal naar deze plek rijdt om een ondertussen met uitsterven bedreigde Limburgse soort te gaan bekijken? Het leek wel een boetetocht naar een bedevaartsoord. Enkel de kraampjes met daarin de krijten beeldjes van de pas door de paus heilig verklaarde Passer Montanus ontbraken nog. Amen.
Heiseltse ringmus op de uitkijk
Nog zo een kritieke soort is de grauwe gors. Niet zo ver van het bedevaartsoord van de heilige ringmus wist ik een plek waar ze nog te vinden zijn. Er zaten er nog. Dadelijk nadat ik uit de auto stapte hoorde ik al de klingelende zang van deze forse gors. Het bleken er twee te zijn. Ook hier zou zo een kraampje niet misstaan. Maar blijkbaar hebben ze gekozen om hier niet voor te gaan, maar een aantal windmolens neer te poten. Vermoedelijk de doodsteek voor deze mini-populatie in Montenaken. Alweer amen.
Grauwe gors
Nieuw bloed
Op vrijdagavond ging het van amen naar alleluia. Tijd voor een stevige positieve noot: de cursus vogels kijken. Na een paar jaren zonder was er bij onze vogelwerkgroep besloten om weer eens een cursus te organiseren voor beginnende vogelkijkers. Voor mij een topavond. Een twintigtal ‘leerlingen’ kwamen opdagen. Gretig op zoek naar info om te starten met de geweldigste hobby die er is. Opvallend veel dames. Ook een positieve evolutie. De tijd dat de wereld van de vogelkijkers enkel werd bevolkt door mannen met meestal grijze – of geen – haartooi en een ringbaardje is duidelijk achter de rug. Gelukkig. Jong geweld en vrouwelijke charmes deden hun intrede. De reacties tijdens en na deze avond gaven mij alvast een heel goed gevoel. De verdwijnende ringmussen en grauwe gorzen waren alweer even vergeten.
Op zaterdag kon ik nog even nagenieten van deze geslaagde avond in Negenoord te Stokkem. Mijn taak achter de balie van bezoekerscentrum de Wissen kon ik ’s middags even afwisselen met een korte wandeling door het natuurgebied. Hoogtepunten waren twee dwergmeeuwen en de terugkeer van de daar broedende visdieven. Maar ook mijn eerste zingende tuinfluiter maakte mij happy. Het was wel even terug die melodie uit mijn geheugen schrapen voor ik hem noteerde als ‘gehoord’ op mijn gsm.
Zondag was het tijd voor het tweede deel van de cursus. Met als opdracht de theorie die ze vrijdagavond hoorden omzetten in de praktijk. ‘Mijn’ cursisten mochten zelf vogels gaan determineren aan het Schulens Meer. Oefenstof genoeg. En voor mij alweer dat geweldige gevoel om ‘nieuwkomers’ zich te zien verwonderen over vogels. Geen zeldzame dwaalgasten of spectaculaire waarnemingen. Neen hoor, ze keken ademloos naar pas uitgekomen meerkoeten die hun eerste zwemles kregen, een mannetje blauwborst dat zich mooi liet zien en horen, de geweldige kleuren en verbazend grote snavel van een slobeend en de knalwitte verschijning van een grote zilverreiger. Even met de voetjes op de grond gezet door al dat enthousiasme. Natuur en dan vooral vogeltjes zijn zo mooi. In hun eenvoud en enorme schoonheid tegelijk. Wie leert er eigenlijk wie iets aan?
De mensen die mijn blog wekelijks volgen zullen het gemerkt hebben. Vorig weekend bleef een nieuwe post uit. Dit wegens een korte zondagavond na een drukke week. Alles draaide rond de Caetsweyers. Donderdag kwamen heel wat hoge personaliteiten langs om de eerste fase van de werken officieel af te sluiten. Dit samen met minister Brouns. Hij sprak lovend over dit initiatief en haalde aan dat hij toch de ruimte had gevonden om centen vrij te maken in deze budgetair moeilijke tijden voor zo een mooi project. Zever in pakskes uiteraard. Die centen kwamen nog van de vorige minister van Omgeving, Zuhal Demir. Onze huidige minister van landbouw en een heel klein beetje milieu is bezig aan een duidelijke afbouw van alles wat natuur betreft in Vlaanderen. Zo is de tak educatie rond natuur ondertussen zo goed als volledig verdwenen. Tellingen van akkervogels passen niet in zijn plaatje, want die geven slechte resultaten voor de landbouw. Dus weg ermee. Moet ik nog even verder gaan. Die dag had ik dan ook een heel dubbel gevoel. Hij draaide in de Caetsweyers de kraan open om het water te laten stromen, maar tegelijk draait hij heel vaak de kraan dicht als het over natuur gaat. Een kapitale fout zal in de toekomst blijken. Dat ik op de foto die in de pers verscheen een kleine rol speelde is dan ook een toevallig en ongewild feit. Zaterdag gingen we met een aantal conservators in dat gebied op pad. Hun interesse en enthousiasme was geen toneeltje, maar gemeend. Een stevige verluchting. Maar de echte boost kwam er op zondag. Wij hadden de buurtbewoners uitgenodigd om te komen kijken. Zeker 200 mensen namen de moeite om langs te komen en naar onze uitleg te luisteren. Hun positieve respons was hartverwarmend. Het gaf mij alvast een heel goed gevoel, ook al was mijn kaarske uit toen ik terug thuis kwam.
Zie je mij staan?
Met de cursus vogels kijken in het vooruitzicht ging ik vorige vrijdag op verkenning in het Schulensbroek. Want daar ga ik met de deelnemers zondag naartoe. Het was heel bewolkt en bitter koud. Toch kon ik genieten van heel wat vogeltjes. Ik hoorde en zag denkelijk twee zomertalingen. Hun ‘krek-krek’-roep had hen verraden. De leukste waarneming was zonder twijfel een zingende blauwborst toen ik net was vertrokken. Dat ik dit mocht delen met een pas gestarte vogelkijker die vlakbij het gebied woonde was symbolisch voor wat er aan komt. Hij had net zijn verrekijker gekocht. Veel plezier alvast Ilias. Trouwens, ik kon maar liefst vijf zangposten van blauwborst opschrijven.
Hoopvol geluid
Zaterdag liep ik alweer rond in de Caetsweyers. Deze keer voor mijn volgende telling voor de inventarisatie van dit gebied uit te voeren. Geen makkelijke. Er zaten heel wat watervogels. Maar bepalen of het nu broedvogels zijn of niet is soms tricky. Al die in paartjes rondzwemmende eenden zijn twijfelgevallen. Komen ze even langs of gaan ze daadwerkelijk hier broeden? Ik noteerde ze dan ook niet in mijn app. Beter wachten tot ik ze met jongen zie ronddobberen. Wel zekerheden waren roepende dodaars en waterral. Alsook de kokmeeuwen die het gebied zonder enige twijfel gaan claimen. Ik kon drie waarschijnlijke nesten noteren. Maar dat worden er zeker meer.
Nadien reed ik nog even naar een locatie – die ik op vraag van de vogelkijker die mij de tip gaf geheim zal houden – waar een oehoe broedt. Ondertussen geen echte zeldzaamheid meer. Maar dit nest was mooi te bekijken vanaf een boswegje in een druk bezocht gebied. Heel wat wandelaars en fietsers lopen of rijden er niets vermoedend aan voorbij. Ik bleef wel even staan. Na eventjes zoeken keek ik met mijn verrekijker in de prachtige ogen van een vrouwtje oehoe. Even maar, want ik wandelde dan snel verder om haar zeker niet te storen. Ook al stond ik er redelijk ver vandaan.
Zondag was ik uitgenodigd door de paashaas. Tja, een kleindochter hebben zorgt ook voor verplichtingen. Toch ging ik ’s morgens nog even op pad in de Herkvallei in Wellen. Een leuke tocht die mij mijn eerste roepende koekoek voor dit voorjaar opleverde. Hij kwam zelfs even vlak boven mij zitten om mij te vertellen dat de lente nu echt begonnen was. Een zingend mannetje kneu in een voortuin en maar liefst 76 bezette roekennesten – 16 meer dan de vorige keer dat ik ze telde – vlakbij en dit zonder klagende buurtbewoners maakten mijn wandeling nog wat aangenamer. Het bewijs dat het wel goed komt. De natuur gaat door, die minister is vermoedelijk maar tijdelijk. Gelukkig.
Daar sta je dan. Iets na zonsopgang op een vrijdagmorgen op de parking van de Mc Donalds aan een drukke weg in Sint-Truiden. Opdracht: een van de telpunten afwerken van de ABV-hokken die ik mag tellen dit jaar . Twee ervan liggen in de stad en een industrieterrein in het stedelijke centrum van de Fruitstreek . Daar is het een heel ander verhaal dan in de natuurgebieden waar ik anders vogels ga kijken. Voor mijn ogen schiet de dagelijkse ratrace in gang. Met het nodige gedruis. Niemand let op die rare kwiet die met zijn verrekijker naar boven staat te turen. Niemand die bezig is met de vogels die in die heksenketel hun ding doen. Een vreemd gevoel.
Dikke stadsduiven.
Op mijn eerste punt tel ik maar een paar soorten. Hier een vogel horen zingen is een hele klus. Wie kan al dat lawaai even overstemmen? In de laatste seconden van de vijf minuten die ik moet tellen trekken twee luid roepende kleine mantelmeeuwen mijn aandacht. Ze achtervolgen een roofvogel. Het is een slechtvalk die met een prooi in de klauwen richting centrum vliegt. Hij trekt zich bitter weinig aan van die luid schreeuwende kabaalmakers. Wie zegt er dat er in de stad geen leuke waarnemingen mogelijk zijn? Wat mij opvalt zijn de hoge aantallen houtduiven die ik er tel. Uiteindelijk staan er na alle getelde punten – dat waren er 12 – maar liefst 67 op mijn lijstje. Stadsduif doet het met minder dan 10 veel matiger. Waar houtduiven vroeger bosvogels waren, zijn ze geëvolueerd naar echte stadsbewoners. Veel veiliger en eten en plekjes om te broeden in overvloed. Wat wil je nog meer. Ik weet nog dat mijn vader ooit vertelde dat elke houtduif, of ‘dikke duif’ zoals ze in ons dorp genoemd werden, door heel wat bewoners in het oog werd gehouden. Eenmaal er een nest werd ontdekt en de jongen veren begonnen te krijgen verdwenen die vaak uit het nest, of wat er voor moest doorgaan, richting de kookpot. Hierdoor was de houtduif een zeldzaamheid in die tijd. Ze werd ook bosduif genoemd. Een indicatie dat ze vooral daar te vinden waren. Nu dus niet meer of toch veel minder. Houtduiven in de kookpot is nu de zeldzaamheid. Volgens mij verdringen ze in de stad langzaam maar zeker de stadsduif van de eerste plek als broedvogel.
Pioniers
Woensdag stond een bezoek aan de Caetsweyers op mijn programma. De eerste echte telling van mijn AVImap-project daar. De werken aan de vijvers zijn ondertussen afgerond en met het broedseizoen in aantocht druppelen de eerste nieuwe bewoners al binnen. Hinnikende dodaars en vleugelflappende kieviten waren hoopvolle waarnemingen. Een snelle, ritmische roep trok mijn aandacht. Vlak boven mijn hoofd kwam een prachtig mannetje kleine bonte specht zitten. Telkens ben ik weer verwonderd hoe minuscuul petieterig deze roffelaars wel zijn. Niet alle vijvers staan trouwens al vol water. Alles speelde zich af aan de twee meest oostelijke vijvers. Want daar is er al wat begroeiing en staat water. De rest van het gebied is een kale bouwwerf. Toch mocht ik ook daar een verwachte gast verwelkomen. Een kleine plevier landde op de zandvlakte die een mooi eiland moet worden. Deze pionier is grote fan van dit soort biotoop. Maar dit zal snel veranderen. Eenmaal de natuur hier terug haar plaats zal innemen verwacht ik hier nog leuke dingen. De aanzet van wat volgens mij een van de topgebieden gaat worden in deze regio.
Caetsweyers maart 2026
Schol! Eksters
Woensdag en zaterdag ging ik ook weer op pad met mijn vriend de ekster. Het is het ideale moment om deze te ringen. Mijn lijstje groeit elke keer stevig aan. Toch heb ik het gevoel dat het aantal broedparen afneemt. Waar ik vroeger zonder veel moeite tientallen nesten kon ontdekken, is het nu vaak toch even zoeken. Ook hier moet je in meer bebouwd gebied aan de slag. Hun motivatie is net dezelfde als bij de houtduiven. Veiliger, meer eten en bomen om een nest in te bouwen genoeg. Op zaterdag reed ik rond in hetzelfde gebied waar ik de dag er voor mijn ABV-telling had uitgevoerd. Maar wat een verschil. Van al die drukte van de dag ervoor was er niets meer te merken. Overal hoorde ik merels zingen en de zwarte roodstaart, die vermoedelijk de dag ervoor daar ook zong, kon ik nu wel prima horen. De kleine mantelmeeuwen waren weer present. Het waren twee koppels en ik ben vrij zeker dat ik weet op welk dak ze hun nest gaan bouwen. Dan ontdekte ik nog een andere ‘ekster’. Luid roepend vloog die over mijn hoofd. Een scholekster! Buiten hun zwart-witte verenpakje hebben ze weinig gemeen met de eksters die ik probeerde te vangen. Het was een paartje. Altijd leuk om die in de Fruitstreek te mogen opschrijven.
Scholekster (illustratie Thorburn)
Bezet
Zondag opnieuw vroeg uit de veren. Afspraak aan de kapel van Helshoven waar Nathan en Jens, twee enthousiaste en jeugdige vogelkijkers, mij stonden op te wachten. Alleen al dat feit maakte dit tot het leukste moment van de hele week. Nathan had het plan opgenomen om natuurgebied Helshoven te gaan inventariseren. Hij had mij gevraagd om eens mee te lopen. Mijn raad was hier overbodig, want hij deed dit voortreffelijk. Eigenlijk zelfs beter dan mij. Want hij had zich voorgenomen om bijna alle soorten op te volgen. Zelf moest ik tot mijn schande toegeven dat ik heel wat soorten liet voor wat ze waren. Denk aan tjiftjaf, winterkoning of roodborst. Na ons bezoek speelde ik met het idee om die toch mee te nemen. We zullen zien. Een leuk gebiedje trouwens. Met heel wat riet en water. Dus kans op leuke soorten. Hopelijk mag ik nog wel eens een keertje mee op pad. Omdat we rond 10u al rond waren passeerde ik nog even door de Broekbeemd. De twee nesten van blauwe reiger die mij vorig jaar waren aangewezen door een buurtbewoner waren bezet. De – vermoedelijk reeds – broedende vrouwtjes drukten zich, maar ik kon hun kop nog net zien. Mijn eigen mini-kolonie was nu officieel een feit. Dat ik ’s middags ook nog een paar orchideetjes ontdekte die hun eerste blaadjes open spreidden in mijn bloemenweide thuis zorgden voor een waardige afsluiter van een drukke, maar boeiende week. Laat de lente nu maar losbarsten!
Een weekje met veel regen en dus wat minder vogeltjes kijken. Maar het weekend maakte vele goed. Dat stond bijna volledig in het teken van onze gevederde vrienden.
Dromenvanger
Het begon op vrijdagavond met onze jaarlijkse bijeenkomst van de Vogelwerkgroep Fruitstreek. Deze keer hadden we Kris Hermans uitgenodigd om een lezing te komen geven over zijn trip naar het hoge noorden. Hij maakte zijn reputatie meer dan waar. Een rasverteller en topfotograaf. Een combinatie die ons ruim twee uur stevig kon boeien. Laplanduilen, taigagaaien, haakbekken en meer van dat moois passeerde op het scherm. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk. Maar mijn droom om er ook met zo een kleine camper op uit te trekken werd na een (wel heel kort) gesprek met mijn echtgenote de volgende dag geplaatst waar het thuishoort. In een dromenvanger.
Kris in actie, toen mijn droom nog bestond
Lokker
Op woensdag kreeg ik mijn lokker te pakken om eksters te gaan ringen. Dus reed ik zaterdag en zondagnamiddag rond met mijn nieuwe vriend. Eigenlijk een vriendin, want het is een vrouwtje. Zij brengt zonder moeite het hoofd van elk koppeltje eksters dat ik kan vinden op hol. Het begon wat hobbelig. Bij de eerste poging bleef het deurtje van de val hangen. Dus vloog de ekster die ik dacht gevangen te hebben netjes de kooi uit. Bij de volgende poging was het opnieuw raak. Maar bij het dragen van de kooi naar de auto schoof er weer een deurtje open. Onhandig van mij en weg ekster. Gelukkig ging het vanaf dan wel beter. Eksters zijn heel slimme beestjes, maar bij het verdedigen van hun nestplek in het voorjaar nemen de hormonen het over van hun verstand. Het lijken wel mensen. Ondertussen staat mijn ekster-teller op twaalf.
Steentjes
Zondagmorgen reed ik om kwart voor zeven naar de Broekbeemd. Tijd voor mijn volgende telling van de broedvogelinventarisatie van dit gebied. Het was weer geweldig. Toen ik uitstapt hoorde ik al het typische geluid van tegen elkaar schurende steentjes. Mijn eerste zwarte roodstaart voor dit jaar. Die mocht ik wel niet meetellen, want hij zong buiten het door mij afgebakende gebied. Wie wel een plekje kreeg op mijn kaartje waren de boomkruipers die volop zongen, vermoedelijk twee koppels blauwe reigers. Ze vlogen rond in de buurt van de nesten van vorig jaar. Ze waren wel met zijn vijven. Dat is er dus eentje te veel of wie weet, te weinig. Een romantisch koppeltje holenduiven en een zeer drukken nijlgans op de top van een afgebroken populier waren ook kanshebbers om in de database te raken. Het was een mooie maar vermoeiende wandeling. Door drassige stukken waar ik bij elke stap moest afwachten hoe diep ik wegzakte in de plassen. Oversteken van beekjes met een klein hartje en soms twijfel of ik de overkant haal zonder natte voeten. Maar het brengt je wel op heel leuke plekjes.
Prachtig stukje Broekbeemd
Vluchtelingen
Voor ik naar huis reed passeerde ik nog even de roekenkolonie die in mijn buurt zit. De vraag van Pierre en Gert op de vogelavond of de koppels van Alken daar niet zaten maakte mij nieuwsgierig. Vorig jaar telde ik daar een 15-tal nesten. Nu waren het er minstens 60 en er werd nog druk gebouwd. De kans dat dit vluchtelingen zijn van Alken is dan ook heel groot. Even duiden… Aan de speeltuin zat tot vorig jaar een grote kolonie roeken. Maar door werken werd er door de gemeente beslist om de populieren daar te kappen. De mensen van Natuurpunt hebben nog wat weerwerk geboden. Maar tevergeefs. Nu, populieren staan nooit eeuwig. Dus ooit ging dit toch gebeuren. Maar geen nood. Onze roeken trekken hun plan. Elk koppeltje ging op zoek naar een nieuw plekje en de kous is af. Ik denk dat de kolonie aan de manege in Alken, waar er ook al jaren broeden, zal ook wel uitgebreid worden. Daarom moet ik lachen met de geweldige actie die de krant haalde over een roekenkolonie in Pelt. De buurt was daar in opstand gekomen omdat deze vogels tijdens het broedseizoen te veel lawaai maakten en hun auto’s en terrassen vol kakskes dropten. Totaal overroepen. Toch kregen ze gehoor bij de plaatselijke politiekers. Tja, logisch, roeken mogen niet stemmen. Maar de beslissing van ANB om de buurtbewoners toestemming te geven om de kolonie te verstoren sloeg iedere vogel- en natuurliefhebber met verbazing. De buren haalden met hun actie niet alleen de krant, maar zelfs het journaal op tv. Zij gingen deze ambetante beesten met een laserpen te lijf. Eerst werden oude nesten weggehaald. Totaal zinloos, want roeken bouwen vaak volledig nieuwe nesten. Maar die laserpennen zouden wel werken beweerden de ‘verdelgers van dienst’. Dat kan, maar het probleem werd gewoon verplaatst. Ook deze roeken zitten nu denkelijk gewoon elders te broeden. Onze angst is nu wel dat iedereen die denkt dat een vogel overlast bezorgt ook met zo een laserding aan de slag gaat. Een gevaarlijke beslissing. Tenzij onze roeken het oplossen door allemaal een zonnebril op te zetten. Zou dat niet cool zijn…