De kaap van de 50 is gerond. Een koude ochtendwandeling bracht de verlossing. Een mooie verlossing, met een knallende waarneming van een van de meest populaire vogels: de ijsvogel. Hij – want het was een mannetje – doorbrak net het wateroppervlak van de beek, met een visje in zijn snavel, vlak voor mij op. Hij ging netjes zitten op een takje van een over de beek hangende eik om zijn vangst naar binnen te spelen. Daar bleef hij dan minutenlang zitten zodat ik mijn ronde-cijfer-jaarsoort uitgebreid kon bewonderen.

Laaghangend fruit
Een jaarlijst kan je opbouwen door allereerst de ‘makkelijke’ soorten van je local patch te zoeken. Bij mij gaat dit om net geen 80 soorten. Voor een valleigebied is dat zeker niet slecht, maar ook geen grote weelde.
Terwijl je die gericht gaat zoeken is de kans dat je op ‘bonussoorten’ botst reëel. Zo tel ik in de Herkvallei 46 soorten die je het ganse jaar kan tegenkomen. Daar heb ik er al 41 van op mijn lijst staan. Havik, sperwer, kleine bonte specht, kerkuil en kievit ontbreken nog. Dus ga ik bij mijn volgende bezoek op zoek naar kleine bonte specht – want die zijn momenteel actief – en kievit. Omdat ik voor deze laatste in het stukje akkerland van mijn local patch ga ronddwalen, komt er mogelijk een andere soort die daar net voorbijkomt op mijn lijst. Altijd spannend.
De echte wintergasten zijn met 9, waarvan ik er al 5 kon vinden. De exoten met 3, hier nog eentje te gaan. De zomergasten zijn voor later, hoewel ik al eentje kon afvinken, een overwinterende tjiftjaf. Enkel van de doortrekkers, die met 6 zijn, moet ik ze nog allemaal ontdekken.
Deze soorten komen zeker op mijn lijst als ik wat moeite doe. Al de rest zijn bonussoorten. Om de vooropgestelde doel van 96 soorten te halen, moet ik dus 17 ‘bonussen’ te pakken krijgen.
Twee keer is scheepsrecht
Tussendoor gaan ik met mijn maten op zoek naar leuke soorten elders. Na een vruchteloze zoektocht vorig weekend, gingen Gert en ik terug richting Mol. Met meer succes deze keer. De nieuw gemelde bonte kraai bleek redelijk makkelijk te vinden. Voor de zwartbuikwaterspreeuw – een noordelijke ondersoort – kregen we hulp van een vriendelijk collega-vogelaar op de fiets. Hij wees ons het beestje aan dat vlak onder ons, op de betonnen wand van de sluis zat te genieten van een net gevangen en duidelijk lekker waterdiertje. De dwergaalscholver deed hetzelfde als de week ervoor. Zich niet laten zien.
Zondag ging ik dan op zoek naar een gemeld koppeltje raven in een van de weinige – wat kan doorgaan voor een – bos in mijn buurt. Deze raven deden hetzelfde als de ‘dwergali’, en bleven onzichtbaar. Maar met een koppeltje glanskoppen en een mooie waarneming van een middelste bonte specht en een lange lijst ‘gewone’ soorten was ik dik tevreden.
