Mijn Limburgse soortenlijst staat op 118. De winterpret is bijna voorbij. Grote zaagbekken en brilduikers beginnen stilaan terug te vertrekken naar hun noordelijke broedgebieden. Dus is het wachten op onze zomergasten. De eerste piek in mijn lijst is dan ook voorbij vrees ik.
Ik goot alles even in een grafiekje. Altijd leuk, ook al heeft het weinig wetenschappelijke waarde. Maar dat is ook niet mijn ambitie. Het laat gewoon zien dat bij de start van het jaar er een stevige piek is, want dan is elke soort die je ziet een nieuw ‘vinkje’ op de lijst. Daarna volgt weer een stevige stijging als je tijd kan vinden om naar goede gebieden met veel soorten die hier overwinteren te gaan.

Welke soorten kwamen erbij?
Nr. 113 – kleine plevier
Aan elke plas in Limburg loopt er wel eentje rond. Het is een echte pionier die je het makkelijkst kan vinden op pas ingerichte vlaktes of oevers van plassen. Ik vond mijn eerste voor dit jaar in Bichterweerd aan een grindplas.
Nr. 114 – tureluur
Een van de eerste steltjes die terugkeren in ons landje. Aan diezelfde plas liepen er twee langs de oever op zoek naar lekkers.
Nr. 115 – Lepelaar
Deze soort is in opmars. Vorig jaar was er nog een broedgeval langs de Maas. Is dit de voorbode van een vervolg voor dit jaar? Ik hoop het. Want deze gekke verschijning met zijn aparte snavel is wat mij betreft van harte welkom. Bij deze waarneming bleef die snavel trouwens netjes verborgen. Ik moest het doen met een rustend exemplaar op één poot.

Nr. 116 – Roerdomp
Een prachtige wandeling in het Hageven – een aanrader – begon met een korte roep van de roerdomp. Kort, maar heel duidelijk. Zien is een ander paar mouwen, maar hopelijk krijg ik die kans nog in de loop van dit jaar.
Nr. 117 – Wulp
Waarom een lange wandeling maken, als de ‘nieuwe’ soorten pas opduiken als ik bijna terug aan mijn wagen ben (mijn huisdokter zal het mij wel even uitleggen)?
De jodelende roep herken je uit duizenden. Al snel had ik ze ook in mijn kijker. Een koppel aan het Schulens Meer, waar er elk jaar wel een paar broedparen zitten. Weer een steltje – in dit geval zeg maar gerust ‘stelt – erbij op de lijst.

Nr. 118 – Kleine bonte specht
Ik werd al een beetje moedeloos. Want deze soort laat zich maar kort horen. Na heel wat bossen bezocht te hebben, bleef zijn vakje leeg op mijn lijst. Zelf het afspelen van het geluid bracht geen soelaas.
Maar tijdens het bekijken van het koppel wulpen trok een licht geroffel dat uit een bosje kwam mijn aandacht. Niet de korte roffel van een grote bonte of de snelle roffel van de kleine. Eerder een onregelmatig getokkel van een vogel die op zoek was naar eten of een broedholte aan het uithakken was. Dan vloog hij netjes voor mij door en kon ik zijn karakteristieke golvende vlucht zien. Kleine bonte!
Zo gaat het wel vaker. Lang en vruchteloos zoeken om dan op verrassing gepakt te worden. Daarom is vogels kijken zo boeiend.