Na een deugddoende vakantie in Drenthe met een bezoek aan een paar schitterende natuurgebieden – Dwingelderveld, het grootste natte heidegebied van West-Europa en Bargerveen – kon ik mijn queeste verder zetten. Zo veel mogelijk soorten zien dit jaar in Limburg.
In Drenthe kreeg ik alvast de zeearend in beeld. Ver maar duidelijk herkenbaar. Maar de afstand tot Belgisch Limburg was iets te ver om deze te mogen meetellen. Daarnaast sloeg het ringvirus weer genadeloos toe. Elke voormiddag zonder regen werd doorgebracht tussen de mistnetten en in mijn gezellige ‘ringkotje’. Dus bracht ik eigenlijk te weinig tijd door in het veld. Geen ideale manier om aan mijn lijst te werken.
Geen scheepsrecht
Zo werd er op 28 juli een krombekstrandloper ontdekt in Schulen. Ik ging maar liefst vier keer op pad. Maar blijkbaar telkens op het verkeerde moment. Eerst een paar keer in de namiddag. Dan bleek deze niet-meewerkende vogel vlak er voor of vlak na mijn bezoek actief te zijn op de gemelde locatie. Twee keer ging ik ook op een avond langs. De laatste keer zelfs in gezelschap van stevige buien. Vanonder mijn paraplu keek ik door mijn telescoop naar elk ‘steltje’ dat er pootje baadde. Maar geen krombek te zien. Het moet een belachelijk zicht geweest zijn. Mijn zoektocht leverde mij wel onder andere drie koereigers, een aantal bosruiters, een temmincks strandloper en een fotogenieke kemphaan op. Leuk , maar geen streepje op mijn lijst.

Nr. 201 – Kleine jager
Maar dan keerde het tij. Vrijdag kwam een melding binnen van een kleine jager – alweer – aan het Schulensmeer. Eén probleem: ik werd geacht naar een familiefeestje te gaan samen met mijn echtgenote. Maar de compromis werd snel gesloten – tegen de zin van mijn vrouwtje in weliswaar (dan is het geen compromis zeker?) – ik zou haar en haar moeder afzetten op het feestje en ging dan ‘even’ doorrijden tot in Schulen. Het werd een spannende rit. Zou hij er nog rondvliegen? En zoja, ging ik hem snel vinden? Stress in het kwadraat. Aan het Schulensmeer liep ik met mijn verrekijker in aanslag naar de gemelde plek van waar de vogel was gezien. Gelukkig stond er nog een vogelkijker, Peter Gabriëls, over het meer te kijken. Maar zijn eerste reactie was niet hoopgevend. ‘Ik heb hem even gezien en dan is hij hoog weggevlogen’. De moed zonk mij in de schoenen. Een paar andere vogelkijkers kwamen er ook bij staan. Zij hadden de kleine jager al gezien. Nog even stressen zeker. Tot de verlossende woorden werden uitgesproken: ‘daar is hij’. Inderdaad, een aanzeilende – vliegen doen jagers volgens mij niet echt – stip kwam snel dichterbij om even voor ons te komen paraderen in de lucht. Gezien!

Later bleek mijn euforie iets te voorbarig. Ik dacht dat ik een driepunter had gescoord (nieuwe Belg – nieuwe Limburger – soort op mijn jaarlijst). Maar thuis bleek dat ik 2009 al eentje zag aan de kust. Trouwens de meest logische plek om ze te vinden. Daar kwam nog een waarneming bij van 2010 in Koningssteen met fotobewijs. Dus werd het enkel een streepje om mijn jaarlijst. Maar dan kan ik zeker mee leven. Mijn echtgenote iets minder. Mijn reden om te laat aan te komen op het feestje was niet meer echt legitiem.
Deze soorten – er is een kleinste, kleine, middelste en grote jager – zijn de pestkoppen van de lucht. Als je denkt dat meeuwen ‘bully’s’ zijn, dan is dit nog een graad extra. Hun specialiteit is het achtervolgen van andere vogels – meestal meeuwen of sternen (zoals op de foto van Peter) – om ze zo hun prooi afhandig te maken. De Latijnse naam van deze kleine jager is dan ook parasiticus. Goed gekozen zou ik zeggen. Ze broeden in het hoge noorden en worden meestal gezien aan de kust. Want ze brengen de winter door op zee. Eentje zien in het binnenland is dus de uitzondering.
Nr. 202 – Drieteenmeeuw
Tijdens mij heel korte bezoek – je weet wel, het feestje – hoorde ik dat er ook een drieteenmeeuw was gespot door Geert. En aangezien ze de volgende dag redelijk wat regen voorspelden, besloot ik om terug naar het Schulens Meer te rijden en mijn mistnetten dicht te laten. Een abonnement voor dit natuurgebied – als dat daar al kon – zou een optie geweest zijn. De eerste vogel waar ik mijn telescoop voor neerplantte, was de kleine jager. Een groep cirkelende en schreeuwende meeuwen en sterns trokken mijn aandacht. In die groep vloog de vogel waarvoor ik gisteren een feestje aan de kant schoof. Mijn echtgenote zou dit zonder twijfel met een smalende opmerking aanhoren.

Maar mijn opdracht was meeuwen bekijken. Want hopelijk vloog er een ‘drieteen’ tussen. Geen makkelijke opdracht, want in mijn ogen lijken al die verschillende soorten meeuwen op elkaar. Daarbij vliegen ze veel en snel. Maar wie niet waagt… Dus werd elke meeuw bekeken. Met succes. Want net op dezelfde locatie als Geert had doorgegeven kreeg ik een contrastrijk exemplaar in beeld. Jawel, een 1ste jaars drieteenmeeuw. Ik kon ze lang volgen met mijn telescoop en alle kenmerken afvinken. Een foto bleek te veel gevraagd. Daarvoor was ze mij wat te snel af.
Bosriet-tijd (2)
Met weinig uren in het veld en een periode dat er niet zo heel veel beweging is in het vogelwereldje, twee extra soorten op mijn lijst. Daar ben ik heel blij mee.

Daarnaast ben ik wel wat uurtjes bezig geweest met mijn ringwerk. De teller staat dan ook al op meer dan 600 vogels voor dit najaar. Mijn beste juli-maand tot nu toe. Maar ik heb dan ook 70 uur doorgebracht op mijn ringplek. Koploper is voorlopig de bosrietzanger met 222 geringde of gecontroleerde vogels – waarvan eentje uit Nederland. Deze zangertjes zijn een van de eerste soorten die hun trek naar Afrika aanvatten. Vanaf juli houden ze het hier al voor bekeken. Eerst de adulte vogels en daarna de jongen die dit jaar uit hun ei kropen. Die trekken dus alleen en voor de allereerste keer naar hun overwinteringsgebieden. Puur op instinct en via hun genen doorgegeven informatie. Een van de wonderen van de vogeltrek.
Het aantal soorten loopt ook wekelijks op. Daar zit ik aan 27 verschillende. Met leuke kersen op de ‘ringtaart’ zoals nachtegaal, snor of braamsluiper. Maar de verrassing voor dit najaar is het aantal spotvogels. We zitten aan 16 stuks, op twee na allemaal adulte vogels. Het dubbel van mijn beste jaar tot nu toe. Wat wil dat zeggen? Zijn er niet veel jongen en weinig geslaagde broedsels? Reageren de adulte vogels beter op het geluid dat ik speel op mijn ringplek dan de jonge vogels? Als ik de aantallen bekijken voor alle ringposten die hun gegevens op trektellen.be zetten, lijken de aantallen voor spotvogel niet extreem hoger dan andere jaren. Wetende dat in juli de meeste spotvogels passeren. Misschien de vraag eens op de mailgroep van de ringers gooien? Als er iets uitkomt, dan horen jullie het via mijn blog.