Het voorbije weekend gingen we met een delegatie van onze Vogelwerkgroep Fruitstreek richting de Belgische kust. Met hoge verwachtingen, want op donderdag was het daar stevig stormweer en de zeevogels vlogen de waarnemers bijna om de oren. Om 6u00 reden we al richting zeetje.
Echte
Eerste stop was het Zwin. Altijd een goede plek om vogels te kijken, zelfs als het regent. Want in het bezoekerscentrum konden we alvast wat oefenen in soorten determineren met een heleboel opgezette exemplaren. Sommige hadden duidelijk al wat jaren op de teller en keken ons dan ook met uitpuilende oogjes aan. In het park passeerden we even bij de ringers die werkloos zaten te keuvelen. Nadien hoorden we dat ze 12 hele vogels hadden geringd. Voor zangvogels en ander klein grut was het duidelijk geen topweekend. Na een bezoekje aan de grote kijkhut, waar we van de gids van dienst een mooie uitleg kregen over het gebruik van vogelsnavels, wandelden we over de dijk naar de zwinvlakte. Daar zat onze eerste doelsoort, een flamingo. Dit keer een ‘echte’. Niet zo een ontsnapt beest dat momenteel nog altijd in Schulen zit, maar eentje die in de natuur is opgegroeid. Waardoor hij meetelt voor mijn Belgische lijst. Weer eentje erbij.

Dan reden we door naar de Baai van Heist. Zoals verwacht liet de wind ons geen kleine vogeltjes spotten. Maar in de baai zelfs aan het strand zaten wel veel meeuwen en steltjes. Een drietal sterntjes werden onderwerp van discussie. Dwerg, visdief of misschien zelfs noordse. De vleugelbochten, koptekening, pootkleur, snavelkleur en grootte klonken door de lucht. Uiteindelijk klopten we af op visdiefjes. Handig toch zo een telescoop die in de koffer van het busje was blijven liggen. Na te zijn uitgewaaid ging het richting ons verblijf voor de komende dagen. Bij aankomst kregen we nog een stevig onweer over ons heen. Mijn reisgenoten die naar hun bungalow spurten met de koffers lieten de achterdeur van het busje wagenwijd openstaan zodat mijn wandelschoenen vol water stonden. Een nat einde van een eerste leuke dag.
Pijlen
De volgende morgen hadden we een afspraak op de telpost Spanjaardduinen. Daar mag je tegenwoordig zo maar niet meer binnen. Dit dankzij een aantal, vooral mannen, die ook vogelen. Maar dan in de bosjes en zonder verrekijker. Gelukkig hadden we deze sympathieke trektellers vorig jaar al ontmoet en regelden zij dat we toch binnen mochten. De massa vinken van vorig jaar, ze hadden er vorig jaar op de dag dat wij er waren meer dan 55.000, bleven uit. Nadien zagen we op hun telling dat ze er maar liefst 8 hadden gezien. Tja, de ene dag is duidelijk de andere niet. Ons bezoek leverde ons wel een (mogelijk zelfs te) eervolle vermelding op bij hun resultaten van de telling.
Wegens te weinig doortrek van kleine vogels stelden onze gastheren voor om in de duinen te gaan staan om over zee te turen. Want voor zeevogels was het wel redelijk goed. Dat bleek een schot in de roos. Jan-van-Genten, rotganzen en grote sternen kwamen door. Maar waar ik vooral blij mee was waren de grauwe pijlstormvogels en noordse pijlstormvogels. Want op die manier kon ik eindelijk deze ‘schaamsoorten’ (soort die bijna alle vogelkijkers hebben gezien, maar jij niet) op mijn lijstje zetten. De aankondiging van een vaal stormvogeltje op een telpost iets meer noordelijk deed mij nog meer glunderen. Dat zou een lifer zijn. Maar na een uurtje moesten we besluiten dat hij vermoedelijk tussen de hoge golven en zo uit ons zicht was voorbij gevlogen. Maar er kwamen nog een dag aan om ook deze soort te scoren.

Op aanraden van Brecht (de teller van de zeevogels) reden we naar Oostende. Daar kan je vanaf het staketsel dat een heel stuk de zee inloopt bij stevige wind zeevogels vaak van dichtbij bewonderen. Dit omdat ze de kustlijn volgen en dan afbuigen om zo langs het staketsel te vliegen. Zijn raad bleek waarheid te worden met als hoogtepunt een rosse franjepoot die vlak voor ons even op zee ging zitten. We sloten de dag af aan de IJzermonding waar een goudplevier was gezien. De schaamsoort van Gert. Die bleek niet te vinden, maar ook hier belandden we op de dijk en konden we genieten van alweer wat zeevogels.
Politie je vriend
De dag nadien zou de wind nog wat aantrekken. Dus gingen we al vanaf de ochtend het staketsel op. Maar onze app had het mis. Want het bleek veel rustiger en alles vloog redelijk ver weg.
Tijd om wat rond te kijken, waardoor André een scène uit een crime-reeks mocht aanschouwen. Op de andere pier werden een paar vogelkijkers die op de blokken stonden ter orde geroepen. Tja, dat mag niet dachten wij. Maar even laten verscheen diezelfde combi ook aan onze zijde. In de verte zagen wij ze praten met een paar vogelkijkers die dan afdropen. Wat was er aan de hand? Vluchten was geen optie tenzij we een duik in de zee waagden. Even later stopte de combi bij ons en werden onze paspoorten gevraagd. Blijkbaar mochten wij niet op het staketsel als de slagboom gesloten was. Resultaat, iedereen een GAS-boete. De argumenten die sommige van onze groep nog opwierpen hadden weinig effect. Bij stormweer is de slagboom dicht en mag je er niet op. ‘Moeten we dan vertrekken’ vroegen we aan de agenten. Hun antwoord sloeg ons met verbazing. ‘Neen hoor, blijf maar gerust hier. We hebben net de slagboom open gezet’. Hun theorie over dat stormweer veranderde in een klucht in uniform. Wel eentje die ons vermoedelijk centjes gaat kosten.

Een bezoekje in de namiddag aan de Sashul, met als doel een gemelde sperwergrasmus leverde niets op. We sloten uiteindelijk ons weekend af in de Uitkerkse polders onder het toeziend oog van een twintigtal koereigertjes en een velduil. Pierre, Gert en Wouter verstevigden hun Belgische lijst met respectievelijk 8, 8 en 9 soorten. Ze raken zo verwikkeld in een nek-aan-nek-race met 269, 267 en 266 soorten op hun lijstjes. Zelf steeg ik met 3 naar nu 319. Een vruchtbaar en vooral leuk weekend. Weliswaar nog steeds zonder een stormvogeltje. Die zit ergens op de Noordzee mij uit te lachten achter een of andere golf. Maar wie weet? Ooit…