Op dit moment vliegen er elke nacht duizenden vogels over ons hoofd. Want heel wat soorten zijn hun heroïsche tocht naar het warme zuiden al begonnen. Als ringer kan ik dit fenomeen van heel kortbij ervaren. Maar ook als vogelkijker kan je een stukje van deze superleuke taart meepikken.
Bessen.
Want na elke etappe tanken deze trekvogels bij in een wegrestaurant. Niet door aan te schuiven aan een selfservice. Maar door zich vol te proppen met voedsel dat ze in bosjes, hagen en zelfs uw tuin vinden. Plekken met veel bessen en beschutting zijn dan ook de locaties waar je momenteel wel een kijkje kan gaan nemen. Het is wel hard werken. Alle struiken afscannen en elke beweging die je ziet grondig checken. Want onze reizigers weten dat achter elk blaadje of struikje gevaar kan schuilen. Dus zijn ze heel voorzichtig en sluipen ze als het ware door de struiken. Spannend.
Basis.
En je kan echt alles tegenkomen. En daarom is het belangrijk dat je de “gewone” soorten goed leert kennen. Eenmaal die op je harde schijf staan gebrand dan weet je als er iets speciaals voorbij hipt. En wees gerust. Dan schiet de adrenaline naar ongekende hoogtes.
Dus hier een overzichtje van de basissoorten (en wees gerust, die vind ik zelf ook de moeite om te kunnen bekijken).
Zwartkop.
De meest voorkomende soort is de zwartkop. De naam zegt het eigenlijk helemaal. Een grijs-bruine vogel met een zwarte kruin. De vrouwtjes houden het bij een roodbruin kapsel. Juveniele vogels hebben dan weer een doffer bruine kruin. En de pubers die mannetjes blijken te zijn krijgen in het najaar stilaan een zwarte kruin. Dus vogels met tweekleurige kruin zijn zeker 1ste jaars vogels. Hun zang is prachtig. Ze worden dan ook soms bastaardnachtegalen genoemd.

Vrouwtje zwartkop (mannetje bovenaan) – Sylvia atricapilla.
Tuinfluiter.
De tweede vertegenwoordiger is de tuinfluiter. De simpelste wat betreft uitzicht. Een forse vogel met een eentonig grijs verenkleed. Geen toeters of bellen. Vrouwtjes en mannetjes zijn identiek. De 1ste jaars vogels zijn iets bruiniger van kleur. Zijn liedje is ook vrij bescheiden. Een zacht melodieus gezang. Het lijkt op dat van zwartkop maar bescheidener en zonder die forse uithalen.

Tuinfluiter – Sylvia borin.
Grasmus.
De hevigste van de bende is de grasmus. Het mannetje laat zich tijdens het broedseizoen goed opvallen door op toppen van struiken te gaan zingen of opvallende baltsvluchten te doen, al zingend. Een goed kenmerk. Een bruikbaar kenmerk zijn hier de roodbruine gerande vleugeldekveren en armpennen. Dit valt echt op in het veld. Ook de witte keel is een weggever. Maar de braamsluiper die dadelijk aan de beurt komt heeft dit ook. Mannetjes hebben een grijsblauwe kruin en wangen en een opvallend roodachtig oog. Ze hebben ook een roze schijn op de borst en flanken. Vrouwtjes missen deze roze schijn en de kop is ook minder intensief gekleurd. Jonge vogels zijn meer grijsbruin. Maar de roodbruine randen in de vleugel zijn wel al aanwezig.

Grasmus – Sylvia communis.
Braamsluiper.
De minst algemene van ons viertal is de braamsluiper. Zoals de naam zegt een geniepig kereltje dat je niet zo makkelijk te zien krijgt. Vaak geeft hij zijn aanwezigheid enkel prijs door zijn gezang. Hij start met een stil prevelend liedje gevolgd door een luide en snelle ratel. Hij lijkt op de grasmus. In het Engels noemen ze hem dan ook de lesser whitethroat (kleinere grasmus). En dat is hij ook. Een miniversie van de grasmus met de opvallende witte keel en op de vleugels ook een bruine omranding. Maar veel minder intensief en opvallend dan bij de grasmus. Typisch is hier de zwarte oogstreep en donkere oorstreek. Nog extra geaccentueerd met een (soms niet zo opvallende) witte wenkbrauwstreep. De poten geven ook een hint. Bij braamsluiper zwart, bij grasmus vleeskleurig. Bij jonge vogels of tijdens winter is de oogstreep minder opvallend, maar wel steeds aanwezig.

Braamsluiper – Sylvia curruca.