Doelsoort was taigaboomkruiper. Voor zowel Wouter, Pierre als ikzelf een nieuwe ‘Belg’. Dus reden we vanmorgen richting de Hoge Venen. Want op een bekende plek voor Wouter en mijzelf was al meermaals deze soort gezien.
De warme temperaturen en een mooi lentezonnetje hadden heel wat wandelaars en blijkbaar ook vogelkijkers uit hun bed gehaald. Nog maar pas vertrokken aan de parking kwamen we al een groepje vogelaars tegen. Hun commentaar was echter heel schaars. ‘Niets gezien’ was de sobere boodschap. Dus wandelden we maar verder en konden vuurgoudhaan, zwarte mees, glanskop en kuifmees aanvinken (vink dus ook). Allemaal volop zingend. Leuke wandeling. Ondertussen kwamen we meer vogelkijkers tegen. Hun doelsoort was duidelijk niet taigaboomkruiper. Ze waren allemaal op zoek naar notenkrakers. Tja, die wilden wij ook wel zien. Een zeer vriendelijke fotograaf gaf ons een tip: ‘de helling op en waar het terug omlaag gaat heb je kans om hem te zien’. Nuttige info. ‘Wij zagen er eentje op een kilometer. Net nadat die grote groep was vertrokken.’ Ok, nu wisten we waarom we daar zo een kouwelijke reactie kregen.
De doelsoort wijzigde dus van ‘taiga’ naar ‘kraker’. De aanwijzingen die we kregen waren blijkbaar toch niet zo simpel. Of wij hadden niet goed geluisterd (denkelijk zal het dat wel geweest zijn). Want na de afdaling bleef dat zicht waar je notenkrakers kon zien op een kilometer uit. Toen we bij een open plek kwamen met een aantal dode dennen vermoeden wij dat we onze bestemming bereikt hadden. Maar buiten zwartkop, zingende boompieper en een drietal overvliegende gaaien, bleef het stil. Met hetzelfde gevoel als die groep van net na ons vertrek vatten we de terugweg aan. Opmerkingen als ‘toch een mooi lijstje’ en ‘die stevige wandeling hebben we dan toch gehad’, werden boven gehaal dom onze teleurstelling wat te relativeren.
Af en toe bleven we toch even staan. Wie weet vonden we onze taigaboomkruiper toch nog. Aan een brandgang zag ik plots tegen het bos een vogel opvliegen. Dadelijk riep Wouter: ‘witte staartband!’. Jawel, we keken alle drie naar een notenkraker. Onze telescopen lagen in de auto – want in het bos is dat meestal enkel een lastig gewicht – dus moesten we het met onze verrekijkers doen. Maar het beestje werkte goed mee. Hij ging even mooi in een spar zitten en Wouter kon zelfs een bewijsfoto maken. Euforie alom. Twee wandelaars – die van Kortessem bleken te zijn – spraken ons aan. Ze moesten even hebben gedacht dat ze een trio gekken hadden laten ontsnappen. We waren door het dolle heen. Maar het werd nog beter. Want onze notenkraker begon druk voedsel te zoeken in de door everzwijnen omgewoelde brandgang. Hij hipte langzaam onze richting uit. Ons enthousiasme kon niet op. Steeds dichter en dichter. Tot hij op minder dan 10 meter van ons was genaderd. Zich totaal niets aantrekkend van die drie rare kwieten, die ademloos bleven kijken met ondertussen een hartslag waar menig atleet zelfs duizelig van wordt. Zelfs zonder verrekijker kon ik deze notenkraker in al zijn schoonheid bewonderen. Wat een topervaring! Een nieuwe ‘Belg’, voor mij zelfs een nieuwe ‘lifer’.
De eerste roepende koekoek voor dit jaar, die ik hoorde toen ik na de middag thuis even buiten in mijn tuin liep, was een leuke aanvulling. Hij kwam zonder twijfel mij even feliciteren met die geweldige ontmoeting met ‘mijn’ notenkraker.
