Het is elk jaar – heel even – hetzelfde liedje. Rond 15 juli stel ik mij de vraag: ga ik vogeltjes ringen of vogeltjes kijken. Want op dat moment is mijn ringplek weer netjes klaar gezet voor weer een najaar in actie te schieten.
Maar de twijfels duren nooit lang, want vogels ringen is een verslavende bezigheid. Elk dag dat de radar veel trek voorspelt en het weer ok lijkt ga ik vroeg mijn bedje in om een uur voor zonsopgang op te staan voor weer een spannende voormiddag. Dat moment is vaak – vooral de namiddag erna – een kwelling. Maar eenmaal je door die zure appel hebt gebeten is het gewoonweg fantastisch. Dat er momenteel – met Kristof – een kompaan mee helpt (hij is gestart aan zijn opleiding als ringer bij mij), is een extra motivatie. Als ik die al nodig had.
Op dit moment is bijna 50% van de vogels die we ringen een bosrietzanger. Dit komt omdat het een van de eerste soorten is die ons landje terug verlaat. Nog maar enkele maanden geleden stond ik met een glimlach op mijn gezicht te luisteren naar de eerste bosrietzanger van dat voorjaar in de Herkvallei. Volgens mijn gegevens op waarnemingen.be was dat op 8 mei. Diezelfde vogel heeft – hopelijk – ondertussen een nestje jongen grootgebracht om daarna al snel zijn koffers te pakken. Want het verre Afrika roept. Tijd voor zijn jaarlijkse verre reis. Sommige passeren dan even op mijn ringplek en krijgen een ring rond de poot. Herkenbaar voor de rest van hun leven.
Dat herkennen is trouwens bij bosrietzangers niet altijd zo makkelijk. Want ze hebben met de kleine karekiet een look-a-like. Ze lijken verdomd goed op elkaar, als een identieke tweeling. In het veld is het bijna onmogelijk om ze uit elkaar te houden. Behalve als ze hun zang ten gehore brengen. Die verschilt enorm. Dan kan je niet missen. Maar ze gewoon op het zicht uit elkaar houden is zelfs voor de beste vogelkijker een moeilijke kwestie.
Ik heb trouwens – sinds ik in mijn boekenverzameling een aantal oudere vogelgidsen heb staan – voor de vroegere generatie vogelkijkers een groot respect opgebouwd. Bekijk maar even de afbeelding van beide op elkaar gelijkende soorten, die halfweg de vorige eeuw, door vogelkijkers diende gebruikt te worden om deze soorten te determineren.

Denkelijk met een verrekijker met een vergroting en lichtsterkte die momenteel volledig ontoelaatbaar zou zijn. Met in je wazige beeld een bruin vogeltje en in je andere hand een boekje met deze afbeeldingen. Ik wens je veel succes.
Toch ontdek ik al een paar kenmerken die ook bij vogels in de hand bruikbaar zijn. De meer warmerbruine tint bij de kleine karekiet en de ‘strooien’ pootjes bij de bosrietzanger. Als die beestjes dan netjes blijven zitten dan is er nog een kans. Maar het blijken dan ook nog eens actieve ‘rondspringers’ te zijn.
In de huidige vogelbijbel is het al wat realistischer voorgesteld. Maar dan nog is het een rotklus om ze in het veld, als ze hun snavel weigeren open te trekken, op soort te brengen.

Gelukkig heb je als ringer de kans om elke vogel wat beter te bekijken en kan je dankzij de vleugelformule (dat zijn de kenmerken en afmetingen die je bij een vogel kan ontdekken in zijn vleugels) ze voor het grootste deel op naam brengen.
Het is een kwestie van kort en lang of lang en kort. Bij de kleine karekiet is de vleugel korter dan bij de bosrietzanger. Bij de inkeping aan de binnenkant van de top van de 2de handpen is het net omgekeerd. Bij de kleine karekiet langer dan bij de bosrietzanger. Vaak heel duidelijk, maar soms ook twijfelachtig. Daarom checken we alle kenmerken: de pootkleur, de vorm van de kop en de snavel, de algehele kleur zowel op de bovendelen als borst en buik.
Gelukkig is het op leeftijd brengen – 1ste jaars of ouder – simpeler. Het kernwoord is slijtage. De jonge vogels hebben hun verenkleed maximaal nog maar een paar maanden in gebruik. Het ziet er dan nog heel gaaf uit. Netjes in de plooi. Bij de adulte vogels werd dat verenkleed al sinds ze in Afrika hun tocht hebben ingezet naar hun broedgebied aan alle elementen blootgesteld. Hun veren hebben dus een tocht van meerdere duizenden kilometers achter de rug, alsook een energieverslindend broedsel hier. Dan zien je veren er niet meer zo geweldig uit. Stel je maar even voor dat jij je t-shirt het laatste half jaar dag en nacht hebt gedragen. Je zou het er ook aan zien… en ruiken. Dat is bij onze bosrietzangertjes gelukkig niet het geval.

Heel veel succes met de start van het ringseizoen en hopelijk kunnen wij mee van genieten op de blog. Op de grens van het Demervalleireservaat Hoeselt – Bilzen is het voor mij genieten van een braakliggend industrieterrein . Er zitten al een tijdje twee koppeltjes kleine plevier en hebben met succes twee broedgevallen groot gebracht. Ook regelmatig een oeverloper, enz. Waar een industrieterrein al goed voor is. Natuurvriendelijke groeten, Henri
LikeLike