Ik had een andere titel in mijn hoofd. Het bijvoegsel ‘on’ stond daar niet in. Maar het is anders gelopen. Het begon woensdagmorgen rond 8u. Ik stond aan de bierhoeve in Averbode. Niet om mij lazarus te drinken, hoewel die gedachte een viertal uur later wel in mij opkwam. Mijn doelsoort was een notenkraker die daar al een aantal dagen sporadisch was gezien. Hierbij heb ik de ‘kraak’ in de titel al verklapt. Maar voor mij werd ‘sporadisch’ vervangen door ‘niet’. Geen notenkraker te zien. De foto’s die ik al had afgedrukt in mijn hoofd kon ik op mijn buik schrijven. De kapel aan het einde van de dreef was volgens mij daar speciaal voor mij gezet. Buiten het feit dat je om daar een kaarske te komen branden best met de fiets komt, was het opschrift zeer toepasselijk voor het gevoel dat ik op dat moment had. Zonder buit naar huis.

Atlas
Vrijdag hielden de weergoden mij binnen met enkel een wandeling vlakbij in de Grote Beemd. Zaterdag opnieuw vroeg uit de veren om samen met Pierre, Nathan en Jens (twee hoopvolle en jonge vogelaars) naar Antwerpen te rijden. Daar speelde zich de ganse dag de jaarlijkse Belgische Vogeldag af. Deze keer volledig in het teken van de nieuwe broedvogelatlas (en wintergasten er extra bij). Veel vogels, maar dan op een groot scherm. Ook leuk, heel leuk eigenlijk.

Heel wat van de aanwezigen (er werkten 440 tellers mee) hadden 4 jaar lang het beste van zichzelf gegeven en op terrein volgens een standaard procedure hokken geteld. Ik was daar, met het schaamrood op mijn wangen en zelfs verder , niet bij geweest. Vogelkijkers uit naburige gemeentes die mijn hok vlakbij thuis hebben geteld spreken er nu nog schande over, terecht. Ik bleef dan ook de ganse dag heel bescheiden en stil.
Al dat tellen mondde uit in een joekel van een boek (meer dan 3kg) met daarin de bespreking van 331 soorten, waarvan 199 broedvogels en 289 wintergasten verspreid over 592 pagina’s. Toen ik drie exemplaren naar de auto op de parking moest brengen was ik daar iets minder enthousiast over.
In de voormiddag werd er dieper ingegaan op een aantal conclusies die nu al uit dit meesterwerk konden gefilterd worden. Zo blijkt duidelijk dat heel wat wintergasten door de klimaatopwarming vaak noordelijker blijven hangen en in kleinere aantallen in ons land worden gezien dan vroeger.
De moerasvogels deden het over het algemeen vrij goed. Bij de kustvogels probeerde de spreker, zoals hij het zelf omschreef, wat rechte lijnen te trekken in dit zootje ongeregeld. Wel hoorde ik dat de kolonie van grote sterns aan onze kust de 2de grootste blijkt te zijn van Europa. Iets om fier op te zijn, maar ook om heel voorzichtig mee om te springen. Ons landje heeft hier een grote verantwoordelijkheid. Af en toe (eigenlijk relatief vaak) kwam Limburg ook ter sprake. Zo blijken er bij ons toch heel wat stormmeeuwen te broeden. Dat doen ze echter op industrieterreinen waardoor ze vaak over het hoofd worden gezien. Weinig vogelkijkers gaan daar even op pad. Tenzij je zoals ik een ABV-hok moet gaan tellen dat pal in een industriezone ligt. Ik had er geen stormmeeuwtjes, maar wel kleine mantels.
Bij onze bossoorten kregen we een dubbele boodschap. Loofbossen ok, naaldbossen een ramp. De letterzetter doet de sparren in een snel tempo verdwijnen, samen met de vogelsoorten die er broeden. Hierdoor maken de kuifmezen en zwarte mezen een stevige duik en doet de boomklever het wel goed. Want die loofbossen worden steeds ouder, met hiermee meer holen om in te broeden. Samen met een beter bosbeheer waar ze dood hout laten liggen, met heel wat voedsel als gevolg. De roodborsttapuit heeft naast de heidegebieden ook onze landbouwgebieden ontdekt. Een van de weinige soorten die daar een beetje floreren. Want voor de rest is het huilen met de pet op. Nadat we voor de atlas al een steile daling kregen (noem het gerust een afgrond), ging er de voorbije jaren nog eens 27% vanaf. Elke organisatie die durft te beweren dat ze binnen de landbouw ook aan de natuur denken liegt dat hij zwart ziet. Niet dus! Het clubje van 95% (daling dus) groeit elk jaar aan. Grauwe gors, zomertortel, patrijs, veldleeuwerik en ringmus liggen al even aan het infuus. Maar ook graspieper en geelgors krijgen klappen. Rampzalig.

Wel een leuke uitspraak was dat onze eksters en kraaien het landschap broederlijk verdelen. Onze zwart-witte vrienden blijven het liefst in stedelijk gebied, de zwarte gastjes kiezen voor het platteland. Een stelling die ik, nu ik even nadenk, zelf al kon vaststellen.
Dat er ook een hoofdstuk is toegevoegd over de exoten, met 48 soorten die de atlas haalden, kan ik enkel maar toejuichen. Ik blijf ze leuk vinden. Dat hoofdstuk ga ik zeker als eerste bekijken.
Emotie
Maar toch ging ik wat rechter zitten toen de roofvogels op het scherm verschenen. Ik was niet de enige in de zaal. Het lijkt een succesverhaal. Komende van amper 300 paar in Vlaanderen in de jaren 60 en 70, dankzij een immense vervolging en ongebreideld gebruik van pesticiden zoals DDT, ging het via een stijging van 2.500% (jawel!) naar een momenteel leefbare populatie. Voor de duivenmelkers en andere roofvogelhaters beginnen te klagen, het lijkt een positief verhaal. Maar niet voor alle soorten. Slechtvalk, havik, wespendief en bruine kiekendief zijn bij de winnaars. Sperwer, boomvalk en vooral torenvalk nemen fors af. Deze laatste zelfs met een stuk boven de 20%.
De jaarlijkse kwis was ook dit jaar alweer geen spek voor mijn bek. Na zes vragen ging mijn papier de vuilbak in. Later bleek ik een schaamtelijke 6 op 20 te hebben gescoord. Dik gebuisd noemen ze dat in het onderwijs.
Gelukkig werd mijn wanprestatie opgevolgd door een prachtige lezing van Jos Rutten over het meest soortenrijke hok van de telling. Dat lag in Stamprooierbroek, een gebied waar ook Limburgs Landschap actief is. Ik blonk het logo op mijn jasje nog even extra op. Hoewel mijn effectieve bijdrage aan deze prestatie nihil is. Fier op mijn collega’s dan maar.
Maar de beste lezing moest nog komen. Een geweldige analyse door Marc Herremans (wie anders?) over het ringwerk in Batumi. Hij nam ons mee door zijn analyses op een onnavolgbare wijze. Niet enkel komen daar ruim 1,4 miljoen roofvogels door, maar ook de nachttrekkers blijken hier in grote aantallen voorbij te trekken. Een dagje ringen met 550 vogels blijkt daar een slechte dag. Dan weet je het wel.

Vooral bovenstaande slide en de daarbij horende info deden mij extra opletten. Bosrietzangers (een van mijn favorieten) blijken in Batumi niet graag te stoppen. Vooral de adulte vogels die gevangen werden bleken moddervet. Een signaal dat ze eigenlijk liever nonstop een aantal dagen en nachten doorvliegen. Kleine karekieten maken hun reis daar dan weer liever in korte etappes. Elke vogel vliegt zoals hij opgevet is. Het moment van deze lezing kwam echter uit het publiek. Tijdens de vragenronde nam een dame (waar ik zeker van ben dat het om een zeer lieve mevrouw gaat met een heel groot hart voor de natuur) die vlakbij mij zat het woord. Ze barstte net niet in een huilbui uit. Volgens haar was zo een onderzoek een marteling voor die vogels die volop in de stress in het net moesten blijven hangen om nadien nog eens bepottelt te worden door een ringer (de vogel, niet deze dame voor alle duidelijkheid). Marc reageerde zeer gepast op haar emotionele tussenkomst door te stellen dat deze ervaring voor een vogel zeker niet de meest dramatische is die hij in zijn leven meemaakt. Misschien moet ze eens een weekje als vogel door het leven gaan. Ik ben er zeker van dat ze dan iets anders gaat piepen (iets wat vogels wel meer doen als ze stress hebben).
De dag werd afgesloten met een lezing van een jong wetenschapper die een prijs mocht ontvangen voor zijn zeer boeiend onderzoek rond het effect van lichtvervuiling op nachtzwaluwen. Gevolgd door een verbazend verhaal over 29 broedparen velduilen in de Westhoek en (bijna) 3 broedende grijze wouwen in diezelfde regio. Een koppel bracht twee keer vier jongen groot en dacht zelfs aan een derde poging. Een ander paartje hield het bij een nest met ook vier jongen. Een derde koppel hield het bij een amoureuze ontmoeting. One-naght stand durf ik te zeggen, zonder gevolgen. Grijze wouw is een soort waar weinig vogelkijkers geld hadden op verwed dat die nu in die aantallen in Vlaanderen zouden rondvliegen. De Walen doen trouwens fiks mee. Weliswaar met maar één geslaagd broedsel, maar wel zeven paartjes. Een piek in de populatie van de veldmuizen werd als waarschijnlijke trigger aangegeven voor dit succes. Dat beide Vlaamse paren in een stevige meidoorn hun nest bouwden deed mij even dromen. Want die stekelige struiken hebben we hier meer dan genoeg.
De klassieke afsluiter was het jaaroverzicht door Gerald. De ene topsoort na de andere kwam beelschermvullend binnen. Schitterende foto’s gecombineerd met de verbluffende soortenkennis van Gerald blijft een succes-mix. Dat mijn havikarend (vermoedelijk wegens het ontbreken van een degelijke foto) dit overzicht niet haalde nam ik er deemoedig bij. De prachtige beelden van de kleinste strandloper die wij na een lange rit naar de kust hadden gemist deed meer pijn.
Herhaling
Zondag zette ik de wekker opnieuw. Dit keer zelfs een uurtje vroeger wegens de overstap naar het winteruur. De bedenker van dit fenomeen is zonder enige twijfel géén vogelkijker. Dat extra uurtje slapen kan je dan namelijk vergeten, want de natuur moet geen klok terugdraaien. Om 7u stond alweer aan de bierhoeve in Averbode. Hopend op een glimp van de notenkraker. Want (tot mijn frustratie) was die op donderdag opnieuw gemeld. Deze keer besloot ik de tactiek van ‘wait and see’ toe te passen. Op een plek blijven staan en hopen dat je doelsoort daar voorbij komt of opduikt. Het bleef bij heel veel ‘waiten’ en bijzonder weinig ‘see’. Geen notenkraker te bespeuren. Het aantal zoekende vogelkijkers nam gestadig toe. Maar ook dit leverde niets op. De leden van onze Vogelwerkgroep Fruitstreek hadden in Averbode hun maandelijkse uitstap gepland. Ook zij kwamen mij even wat steunen (of uitlachen, daar ben ik nog niet uit). Uiteindelijk ging ik alweer met lege geheugenkaart naar huis. Tja, iemand die maar 6 op 10 scoort op een vogelkwis verdient misschien niet beter? Gelukkig kwam een groepje staartmezen mij wat opmonteren door op een paar meter van mij hun kunstjes te komen laten zien. Ze kraken wel geen nootjes, maar het is toch een beetje een troost. Een heel klein beetje…
