Litouwse avonturen (2)

Dag drie van onze reis en de wekker loopt opnieuw af om 5 uur. Doelsoort: auerhoen. Eentje waarvoor ik mij inschreef voor deze trip.
De hoop dat we er eentje zien wordt nog wat groter als blijkt dat we de specialist van deze soort ook mee aan boord nemen. Een grijs en wijs uitziende man. Hij past perfect in het plaatje in mijn hoofd. Het wordt weer een hobbelige en boeiende rit door de bossen. Elke beweging tussen de bomen doet de stoplichten van ons busje oplichten. Maar voorlopig blijft mijn nieuwe lifer uit beeld.
Na een tijdje mogen we uitstappen en gaat onze specialist gewapend met een dikke stok op zoek naar een blijkbaar boos mannetje auer. Wij verkennen ondertussen de omgeving. Gert ontdekt alvast een drol die door onze gidsen aan een wolf wordt toegewezen. Die zie je ook niet elke dag.

Wolvenkakske

Duwen

Even later staat onze specialist terug aan ons busje. Het mannetje dat hij hier wist zitten blijkt op burenbezoek te zijn. Tot mijn verwondering begint hij met de deuren van het busje te slaan. Gefrustreerd omdat hij de vogel niet kan vinden? Neen, dit blijkt zo een agressief beest te zijn dat hij zelfs op het geluid van slaande autodeuren reageert. Maar deze keer dus niet.
Geen nood, we gaan opnieuw op pad. Dat levert als snel een opvliegend hazelhoen op. Die staart herkende ik van de vorige keer. Even later staan we opnieuw stil. Maar deze keer blijft het hazelhoen wat langer zitten. Ik kan dit mannetje een tiental seconden goed bekijken terwijl het wegrent in het bos. Geen vanzelfsprekende ervaring.
Het ontbijt dat we in een hut, diep in het bos, voorgeschoteld krijgen smaakt des te beter. Wel rijdt onze gids zich nadien vast op de modderige weg die naar de hut liep. Gelukkig was er genoeg mankracht aan boord om ons terug rollend te krijgen. Zelf bekeek ik het gezwoeg van op een afstand. Iemand moet de foto’s maken, nietwaar.

Pechverhelping in actie

Kunstbeest

Opnieuw reden we rond in de bossen. Speurend naar bewegende bosgrond. Want zowel hazel- als auerhoen zijn specialisten in camouflage. Toch konden we verschillende vrouwtjes auerhoen ontdekken. Vaak zag ik ze opvliegend vanaf de plek waar mijn maten naar wezen. Maar eentje bleef wel echt goed zitten. Zij toonde haar opvallende oranje borst voor ze opvloog. Doelsoort dik binnengekopt. Het werd nog beter toen Gert een mannetje hazelhoen ontdekte langs de weg, zittend op een omgevallen berk. Hij bleef minutenlang zitten en alle details konden netjes bekeken worden. Uitzonderlijke kans volgens onze gids. Ik genoot met volle teugen.
Een korte wandeling naar onze volgende locatie voor weer een lekkere Litouwse maaltijd werd een paar keer onderbroken. Onze eerste ringmussen van deze reis (wat heb ik deze beestjes al lang niet meer gezien), een roffelende grijskopspecht (het bleef voor mij voorlopig met horen) en een grote roofvogel. Het bleek een schreeuwarend te zijn.
De avondlijke zoektocht naar dwerg- en ruigpootuilen bleek opnieuw tevergeefs. Onze gids keek een beetje beteuterd. Ik niet, door die vrouwtjes auerhoen kon mijn dag niet meer stuk.

Vlechtwerk

De volgende dag werden Gert en ik opnieuw vroeg gewekt door het ondertussen irritante geluid van mijn GSM. Ik begon mij af te vragen of er geen leukere hobby’s waren waar ik mijn vrije tijd mee kon vullen. Maar een paar uur later wist op opnieuw waarom ik vogels kijken top vind.
We stonden met het busje op een bosweg met voor ons op pakweg 50 meter een vrouwtje auerhoen. Zij leek onze aanwezigheid niet echt bedreigend te vinden, want ze zocht op haar gemak verder naar steentje op het pad. We bekeken ze minutenlang. Toen we doorreden wandelde ze gewoon voor ons op het pad verder. Op een kruispunt konden we de deur van het busje langzaam open doen en kregen we ze zonder een raam ertussen in beeld. Dan pas zag ik pas goed wat een prachtige kleuren deze vrouwtjes hebben. De warm-oranje borst, de fragiel getekende flanken en het verbluffende patroon op de vleugels en rug. Ondanks dit kleurenspektakel worden ze zittend op hun nest of gewoon lopend in het bos onzichtbaar. Als je de tijd hebt om ze goed te bekijken zie je wat voor een met prachtige kunstwerken dit zijn. Gewoon adembenemend.
Toen onze gids in een zijweg even later ook nog eens een mannetje kon spotten, was de ervaring compleet. Dat hij geen showtje gaf met gespreide staart zag ik zonder problemen door de vingers.

Bezoekerscentrum met een natuurgebied van 60.000 ha!

Namiddag gingen we naar een andere biotoop. Een groot meer met brede rietkragen. Eerste stop was aan een aantal met water ondergezette weilanden. De soortenlijst kreeg een stevige boost. Honderden kemphanen, waarvan het grootste deel in prachtkleed, grutto’s, bonte strandlopers waren er enkelen van. Als bonus vond ik een prachtig mannetje zomertaling. Ik ben superfan van deze eendjes.
Ster van dit bezoek was zonder twijfel een roodhalsfuut in broedkleed. Hier blijkbaar een algemene broedvogel.
Tijdens onze rit naar de volgende bestemming zag ik een klein vogeltje voorbij vliegen. Aan het donkere masker herkende ik dadelijk de buidelmees. Noodstop en iedereen uit de bus. Het bleek een mannetje te zijn dat vlak langs de weg een nest bouwde in een wilg. We kregen een uitgebreide demonstratie. Meermaals vloog de bouwheer aan met nestmateriaal dat hij vakkundig in zijn kunstige, hangende nestje vlocht.
Volgende stop was een uitgestrekt natuurgebied met een prachtig bezoekerscentrum en een ruime kijkhut. Goed voor nog een paartje buidelmezen, een roepend klein waterhoen en een baardmannetje (man) die tot op enkele meters van ons in het riet kwam rondscharrelen. Dat er in elke rietkraag die we tegenkwamen een roerdomp zat te ‘hoempen’ was een rode draad door onze mooie namiddag.

Litouwse avonturen (1)

Soms moet je er wat moeite voor doen, om die vogels te zien die je nog mist op je lifelist. Een weekje naar Litouwen reizen met een groep vrienden bijvoorbeeld. Een aanrader.

Ons vogelavontuur begon maar pas echt op een parking van een benzinestation in dit prachtige land. Een broodje met tot op heden onbekend beleg in de ene hand en mijn verrekijker in de andere. Bonte kraai, ekster, witte kwik. De reislijst was gestart. Mijn doel waren zes nieuwe soorten. De zogenaamde lifers: vogels die je nog nooit in je leven hebt gezien. Benieuwd of we ze gingen vinden. Onze zeer gedreven plaatselijke gids Marius had er alvast alle vertrouwen in.

Vette wei

Onze volgende stop was een ondergelopen weidegebied. Zo vind je ze hier in Vlaanderen niet meer. Uitgestrekt en met een stevige plas-dras. Dat moest leuke soorten opleveren en dat deed het ook. Het begon met een koppel wilde zwanen. In Litouwen een algemene broedvogel. Daarna onze eerste – het zouden zeker niet de laatsten zijn – kraanvogels. Ook een broedvogel in elk moerasje dat die naam waardig is. Verder hing de lucht vol met jodelende veldleeuweriken, zwierige kieviten en een paar bruine kieken. Wat een weelde.

Onze eerste stop


Daarna reden we naar ons eerste bosgebied. Met een van bomen voorziene oppervlakte van 50% van het land heb je hier keuze genoeg. Hoewel het duidelijk om productiebossen ging, was de ondergroei en de structuur toch heel natuurlijk en rijk. We keken aandachtig naar een koppeltje staartmezen, want die behoren hier tot de met een hagelwitte kop bekroonde ondersoort. Chuppa-chups volgens onze gids. Naast een overvloed aan goudveil en de eerste elandsporen (dat verhaal krijgt nog een staartje) sloten we onze dag af met een overzeilende jonge zeearend.

Grensgeval

De volgende dat liep onze wekker af om 5 uur (4 uur Belgische tijd). Toch stapten we met twee goede benen uit ons bedje. Want er stonden korhoenders op het programma. Locatie geheim en dat moesten we zo houden.
Een goed uur later stonden we op een groot uitkijkplatform te turen over een met een mistgordijn gedrapeerde heidevlakte. Op de achtergrond al het geluid van bolderende korhoenders in een uniek duet met roepende kraanvogels. Toen de mist wat optrok werden de figuranten van dit spektakel ook zichtbaar. Druk draaiend rond een vrouwtje of bij gebrek aan dames rond elkaar. Af en toe gekke sprongen makend. Baltsende korhoenders, minstens 15 stuks. Met als achtergrond een hekwerk dat onlangs op de grens met Belarus werd opgetrokken.
Natuur op zoek naar liefde voor een muur van haat, wat een contrast.

Korhoendersgebied bij uitstek

Raven

Plots viel het gebolder stil. Een grote groep zwarte vogels kwam aangevlogen uit het bos. Meer dan 50 stuks, allemaal raven. Een veelvoud van de totale Vlaamse populatie in één kijkersbeeld. Opnieuw een wow-momentje.
Maar onze gids was vooral onder de indruk van een andere soort: een vrouwtje roodborsttapuit. Dit bleek in Litouwen een topsoort te zijn. Zeer zeldzaam.
Zelf had ik meer aandacht voor de appelvinken die zich mooi lieten bekijken. Wat een toeters hebben die beesten toch op hun kop zitten.
Tijdens de terugrit werd er regelmatig gestopt. Voor een groep pestvogels bijvoorbeeld. Ze komen hier elk jaar overwinteren. Soms enkele, soms veel. Voor mij waren het er heel veel. Bij de verkiezing van de mooiste vogels die er zijn staan ze zonder twijfel in mijn top 10.
Een roepende dwerguil deed onze gids ook opspringen. Maar we kregen hem – ondanks het imitatietalent van Marius – niet te zien. Dat lukte wel met ons eerste hazelhoen van de reis. Zoals voorspeld een korte flits en een staart – met de juiste kenmerken – die snel in het bos verdween. Volgens de gids waren het er twee. Ik was al blij met een korte blik op een wegvluchtende staart. Ze goed laten zien was volgens onze gids zijn nachtmerrie.

Tuinsoorten

Na een stevige maaltijd gingen we op bezoek bij een vriend van Marius. Hij woonde in een typische Litouwse woning in een afgelegen dorpje of wat daar voor moest doorgaan. Met als achtertuin meer dan 10 ha topnatuur. Tot blijdschap van Gert begraasd door Schotse Hooglanders. Zijn toilet – eentje met een hartje in de deur en geplaatst in de achtertuin – werd regelmatig gebruikt als fotohut om de dansende kraanvogels te fotograferen.
Als bioloog was hij de referentie voor het onderzoek naar waterrietzangers. Zijn missie was om deze soort te redden door ze met de hand op te trekken en de jongen in geschikte gebieden los te laten. Een fulltime job tijdens het broedseizoen voor heel wat vrijwilligers. Maar blijkbaar met groot succes.
Na dit boeiende bezoek werd onze lijst aangevuld met goudvinken – forse en duidelijk in topvorm verkerende exemplaren – en nog een zeearend in vlucht.

Stulpje van de waterrietzangerman

Onze eerste volledige dag werd afgesloten met een avondje rondrijden in de bossen op zoek naar uilen. Eindstand van deze wedstrijd: groep versus uilen 0-1. Geen nachtroofvogel te horen of te zien.
Maar toch gingen we met een goed gevoel slapen dankzij een aantal forse troostprijzen: mekkerende watersnippen, varkens-imiterende waterrallen, plonsende elanden (niet gezien, het staartje komt nog) en een prachtige sterrenhemel met een – volgens de kenners – mooie oplichtende planeet Venus.

Elk weer is vogel-kijk-weer

Een ganse week regen. Daar worden de meeste mensen niet bij van. Behalve vogelkijkers, die malen er niet om. Want elk weer is goed om naar vogels te kijken. Bij zonnig weer fluiten de vol testosteron gegoten mannetjes de longen uit hun lijf. Bij regen houden de doortrekkers dan weer vaak een onvermijdelijke pauze. Door de regen vliegen is vaak geen optie.

Plassen met leuke bezoekers

Daarnaast wijzigt het landschap drastisch. Zeker bij plotse en hevige regenbuien. Deze keer door een langdurige periode van regen. Dan duiken er in wat lager gelegen weides mooie waterplassen op. Zoals we al weten zijn eten, schuilplekken en water drie aantrekkingspolen voor vogels. Daarom dat ik blij ben met al die regen van de voorbije dagen. Waar ik anders vrij snel doorwandel kon ik nu krakeend, wilde eend, grauwe ganzen – toch geen alledaagse verschijning hier – en een mooie groep graspiepers opschrijven. Deze laatste was een nieuwe soort voor dit jaar. Op zulke plekken kan je dus alles verwachten. Zonder twijfel is er bij jou in de buurt ook zo een tijdelijke vogelmagneet.

Hopeloos

Vlakbij had ik nog een nieuwe jaarsoort. Ik had ze al langer verwacht, maar nu waren ze present. Zittend op hun nest met vier eieren: kievit. Ik kon het nest snel vinden en weet nu al dat het een verloren broedsel is. Er een foto van maken kan dus hier totaal geen kwaad.

Eerste kievitsnest voor dit jaar

Kieviten zijn een uitstervende soort in onze regio. Waar het vroeger ging om een soort die in graslanden broedde, zitten ze nu voor het grootste deel op maisakkers. Foute switch blijkt. Hun keuze is echter een gevolg van een intensievere landbouw. Ooit zaten kieviten op soortenrijke graslanden vol leven. Nu zijn dit vaak donkergroene, eentonige woestijnen. Geen afwisseling, geen voedsel, geen kans op overleven. Alles wordt dan ook nog eens van het voorjaar tot het najaar om de haverklap gemaaid met grote machines. Wie het dan nog in zijn hoofd zou halen om er jongen in groot te brengen, blijft gegarandeerd kinderloos achter. Dus verkassen de kieviten en andere soorten die hier ooit broedden, naar andere oorden. Maar ook hier botsen ze op een massa problemen. De akkers die ze uitkozen om een nestje te bouwen worden steeds vroeger en vaker bewerkt. Daarbij komt dan ook nog eens het feit dat hun nest hier open en bloot ligt. Om dit nest te vinden moest ik gewoon even zoeken naar het broedende vrouwtje en kon ik er zo naartoe lopen. Ik heb totaal geen talent nodig om kievitsnesten te vinden. Als ik dat kan, dan kunnen heel wat soorten die wel een kievitsei lusten dat nog makkelijker. Dan blijken die akkers ook nog eens heel ‘proper’ te zijn. Onkruiden worden bestreden met alle middelen. Legaal, maar voor onze kieviten nefast. De jongen , als het nest niet weg is tegen dat ze uitkomen, vinden geen wormpje of kevertje op de kale bodems.

Ploegende boeren, ei-zoekende beestjes en gebrek aan voedsel. Kans op overleven: zero. Hoe lang kunnen we nog genieten van deze prachtige zwart-witte vliegkunstenaars? Ik vrees het ergste.

Vrouwtje kievit (tekening: Nicolas Van Overmeeren)

We zitten ondertussen aan 69 soorten op mijn jaarlijst: kievit (67), graspieper (68) en kneu (69). Welke soort wordt nummer 70?

Aangekomen

Le nouveau zwartkop est arrivé. Jawel, zingend in een houtkant tussen de overal tjiftjaffende tjiftjaffen. Duidelijk gehoord en even laten ook open te zien: mijn eerste zwartkop voor dit jaar.

Mannetje zwartkop (foto: Lucas Bollingh)

Herkomst onbekend

Waar die deze winter heeft uitgehangen is een open vraag. Waar ze vroeger bijna gegarandeerd uit het verre zuiden terugkeerden, is dat nu niet meer zo simpel. De natuur is altijd bezig met verandering. Dat is de enige zekerheid.

Zo zijn er de ‘klassieke’ zwartkoppen die – zoals ze dat altijd al gedaan hebben – naar het zuiden trekken. Maar er is een populatie, vooral oostelijke broeders, die de voedertafels van de vogelgekke Engelsen ontdekt hebben. Zij vliegen van oost naar west door Europa om de Noordzee over te steken. Daar overwinteren ze met de gratie van tuinvogelaars. Een veel kortere en dus minder riskante reis. Maar het grote voordeel is dat deze zwartkoppen eerder aankomen in hun broedgebied. Dus is ‘mijn’ zwartkop denkelijk eentje met een Engels accent? Was het maar zo simpel. Want ondertussen zijn er ook exemplaren die hun jaarlijkse reis gewoon volledig uitstellen en bij ons overwinteren. Misschien is het dus zo een lui – of moet ik zeggen slim – mannetje. Wie zal het zeggen?

Onopvallend

Zwartkoppen zijn trouwens de meest onderschatte broedvogels van ons landje. Bijna niemand kent ze, terwijl ze goed als zeker ook in jouw buurt of zelfs tuin elk jaar een paar nestjes grootbrengen. Hun gedrag is echter onopvallend. Wat betreft ze te zien krijgen dan toch. Ze leven verborgen in dicht struikgewas. Hun laten horen doen ze dan weer volop. Maar dan moet je hun deuntje dus herkennen. Voor veel mensen een ogenschijnlijk onmogelijke opdracht (wat dus niet zo is). Ze zingen luid en heel melodieus, wat hun de bijnaam van bastaardnachtegaal opleverde. Net geen hoofdprijs in de zangwedstrijd voor de vogels dus, eerder een wat tegen een scheldwoord aanleunende troostprijs. Maar wel dik verdiend. Welkom vriend!

Zalige bonus

Mijn tochten door de Herkvallei brachten deze week nog een extra soort voor mijn jaarlijst op. Omdat ik nog steeds geen kievit kon vinden – ze worden elk jaar zeldzamer – besloot ik om het kleine stukje akkerland op mijn local patch te gaan afspeuren. Met succes, maar wel niet de verwachte zwartwitte flapperaar.

Net aangekomen zag ik in mijn ooghoek een grote vogel met zwarte vleugelpunten. ‘Dat is wel een heel grote meeuw’ was mijn eerste idee. Maar een tweede blik zorgde voor een symbolisch vreugdesprongetje – of heb ik dat toch onbewust echt gemaakt? Boven de stilaan groener wordende akkers vloog een sierlijk jager: de blauwe kiekendief. Een adult mannetje! Wat een beauty. Voor hij besloot om zijn tocht naar noordelijke oorden verder te zetten liet hij mij nog even genieten van zijn magistrale vliegkunsten. Nummer 66 met een stevige strik. Zo heb ik ze graag.

Mannetje blauwe kiek (tekening Nicolas Van Overmeeren)

PS. Zo blij dat ik de geweldige aquarellen van Nicolas Van Overmeeren mag gebruiken. Ga zeker eens kijken op zijn website, echt de moeite.

Zelfde plaats, zelfde soort

De lente trekt een stevig spurtje met een topsnelheid van 14 tjiftjafkes per uur. Deze voormiddag heb ik ze bewust geteld: 33 zingende mannetjes op mijn enige wandeling van dit weekend. Ze zijn aangekomen, dat is het minste wat je kan zeggen.
Maar wees gerust, ze gaan niet allemaal blijven. Want anders zit het binnenkort stampvol met ‘tjiffen’. Neen, de meesten trekken nog wat meer noordwaarts om een ander plekje – vaak in hun geboortestreek – te bezetten om hun eentonige liedje te gaan afdreunen.

Tjiftjaf, een eenvoudige lentebrenger.

Krasser

Mijn wandeling was trouwens heel goed begonnen. Nog maar net de deur uit werd mijn aandacht getrokken door een geluid dat ik al een tijdje niet meer had gehoord. Het schurende gekras van een zingende zwarte roodstaart. Elk jaar zit hij trouw te zingen op het dak of in een boom van onze overburen. Zo dus ook dit jaar. Een te verwachten soort die ik weer kan bijschrijven op mijn jaarlijst.

Mannetje zwarte roodstaart

Zelfde boom

Woensdag had ik trouwens al een leuke soort toegevoegd aan die jaarlijst. Met weinig moeite, want Gert wees hem mij netjes aan. Toen hij mij kwam oppikken om samen naar een vergadering te gaan had hij een ooievaar ontdekt vlak bij mijn woning. Dit exemplaar zat net op dezelfde dode boom als een eerder exemplaar ongeveer een jaar ervoor. Blijkbaar een populair plekje om even te rusten tijdens hun lange vlucht naar hun broedgebied. Voor mij een bonussoort, waardoor de teller nu op 64 soorten staat. Dan moet de grote golf zomergasten nog aankomen. Hoopvol.

Foto van de ooievaar van vorig jaar

Babyboom

Denkelijk heeft het niets met elkaar te maken, maar toch. Een ooievaar betekent dat er nieuw leven op komst is. Hoewel deze geen doekje met een baby in zijn snavel had, ontdekte ik dit weekend toch het eerste nestje in mijn tuin. Dat het om een turkse tortel ging is niet verwonderlijk. Die zijn er elk jaar weer vroeg bij. Bij zachte winters durven ze zelfs gewoon doorgaan met broeden.
In mijn krentenboompje werd hun typische, wankele bouwsel op een al even wankele tak geconstrueerd. Nauwelijks de naam nest waardig. Voor mij elke keer weer onbegrijpelijk hoe ze op dat hoopje takjes hun jongen zonder ongelukken groot krijgen. Vaak zie je de twee witte eitjes dwars door de bodem van het nest liggen. Mijn zorgen worden echter teniet gedaan door een warm gevoel: het ultieme bewijs dat de lente nu er echt aan komt.

Altijd vroeg erbij, turkse tortel.

Toch per twee

Het is de fout van Frankske, de weerman. Hij had de ganse dag regen voorspeld en ’s morgens bleek hij gelijk te hebben. Het miezerde. Dus kroop ik achter mijn computer en schreef mijn wekelijkse post voor mijn blog. Te vroeg dus.

Rode passant

Namiddag was er dus een luie-zetel-sessie gepland. Dit lukte perfect tot ik zag dat het zonnetje af en toe door de wolken kwam piepen. Dan begon de grote strijd om uit die comfortabele en gezellige zetel te kruipen. Een zware klus om uiteindelijk mijn wandelschoenen en jas terug aan te trekken en naar buiten te gaan. Maar het lukte. Even later was ik al aan het kijken naar een opgewonden koppeltje canadese ganzen en vlogen er twee luid roepende ‘kleine mantels’ over mijn hoofd. Die had ik de dagen ervoor nog maar pas op mijn jaarlijst gezet.
In de grote beemd werd ik verwelkomd door roepende buizerds. Hun miauwende roep liet horen dat ook zij dat waterzonnetje konden appreciëren.
Even later zag ik opnieuw een grote roofvogel. Groter en slanker. Met mijn verrekijker zag ik door de takken van de populieren waarachter hij cirkelde al snel de gevorkte staart en de tegen zijn rosse lichaam afstekende blekere kop: rode wouw! Een korte spurt naar een meer open stukje gaf mij een mooie blik op deze passant. Ik wist dat ze aan het doortrekken waren en dat er dus een kans was dat ik er eentje kon ontdekken. Maar hem nu ook effectief zien zorgde toch voor de nodige adrenaline. 62 is binnen!

Rode wouw op doortrek (foto uit de wat oudere doos)

Voorspeld

Rode wouwen zijn trekvogels. Ze overwinteren in Afrika en keren op dit moment naar hun broedgebieden terug. Voor een deel in België, vooral de Oost-Kantons. Maar ook meer noordelijk. Dus passeren er nu heel wat van deze mooie rovers. Door hun herkenbaar uiterlijk worden ze vaak opgepikt. Het is trouwens nu de periode dat ze passeren (zie grafiek hieronder).
Het aantal broedparen in Vlaanderen neemt ook langzaam maar zeker toe. Zo was er vorig jaar een melding van een paartje dat ook in Haspengouw een nest probeerde te bouwen. Jammer genoeg bleek het vrouwtje niet gezond en moest deze vogel, nadat ze tot twee keer toe in een vogelopvangcentrum belandde, uit haar lijden verlost worden. Het broedsel mislukte dan ook. Maar wie weet volgt er dit jaar opnieuw een poging. Wij duimen alvast. Want deze prachtige roofvogels mogen van mij wat meer over mijn hoofd vliegen.

Doortrekpatroon rode wouw

Turks duifke

Nu ik toch opnieuw aan het schrijven ben pak ik ook even uit met mijn TV-lijst. Ze was wat op de achtergrond geraakt. Maar gisteren – opnieuw vanuit mijn luie zetel – werd ik aan zijn bestaan herinnerd. Tijdens een reportage over de dramatische gebeurtenissen in Turkije passeerde er een vogeltje op mijn TV-scherm. Over het puin van een aantal huizen trippelde een kleine tortel. Even ging het deprimerende nieuws over deze enorme ramp uit mijn hoofd. Even maar, want snel kwam de ernst van de situatie terug en verdween het duifje – terecht – naar de achtergrond.
Vanavond bleek dat het beeld toch nog ergens in mijn hoofd zat. Dus ging ik op internet op zoek naar dat bewuste beestje. Een luxe momenteel, omdat je bijna alle beelden die je op TV ziet voorbij komen, terug kan vinden.
Al snel stond een stilstaand beeld op mijn scherm met een palmtortel. Om zeker te zijn werd de vogelgids er naast gelegd. Alle kenmerken klopten, alsook de regio waar ze voorkomen. Dus komt er nu ook een soort bij op mijn – voorlopig nog veel te korte – TV-lijst. Met respect voor de slachtoffers van de aardbeving in Turkije. Hopelijk brengt – net als bij mij – dit duifje voor hen ook een lichtpuntje in de voor hen momenteel donkere dagen.

Palmtortel op TV

Met kleine (mantelmeeuw) stapjes

Het is even wachten op de volgende piek in mijn jaarlijstje voor de Herkvallei. Momenteel is het harken om een soort erbij te vinden. Toch ben ik er vrijdag weer in geslaagd om eentje toe te voegen: kleine mantelmeeuw.

Dankzij de viezeriken

Meeuwen zijn al langer geen ongewoon zicht in het toch ver van de Noordzee gelegen Haspengouw. Waar je vroeger deze soorten zonder enige twijfel koppelde aan de witte koppen van de rollende golfjes op het strand in West-Vlaanderen, is dat nu totaal niet meer het geval.
Op onze akkers, op parkings of industrieterreinen, vuilnishopen of waar dan ook, waar er eten te vinden is zie je tegenwoordig meeuwen. Het zijn dan ook het voorbeeld van de opportunisten in onze natuur (correctie: hun natuur, want we mogen als mens niet denken dat wij dit beheersen, integendeel). Je ziet ze waar ze eten vinden. Dat is op heel veel plaatsen, vooral omdat wij zo een bende ‘viezeriken’ zijn.
Dus kan ik, dankzij hun overlevingsvisie, kleine mantelmeeuw dan ook elk jaar op mijn lijstje plaatsen zonder dat ik hiervoor een autorit van een paar honderd kilometer moet maken. Netjes in mijn achtertuin. Deze keer was het een groep van een 15-tal exemplaren die over de beemd vlogen. We zitten dus aan 61.

Kleine mantelmeeuw ergens op een Haspengouwse akker

Exotisch of niet?

De dag erna gingen we opnieuw op pad met de maten. Verder weg dan mijn achtertuin. Gert had een mooi lijstje met potentiële rode soorten opgesteld, voornamelijk in het Antwerpse. Aangezien we er toch passeerden startte onze trip in Mol. De dwergaalscholver die tot nu toe zijn kat had gestuurd bij elk van onze bezoekjes, deed opnieuw hetzelfde. Een niet zo goed begin van de dag.
Maar de kuifduiker op een grote plas waar we al eerder de kijkhut bezochten tekende wel present. Voor de verandering had ik mijn fototoestel in mijn rugzak gestopt. Dus kon ik deze keer ook wat plaatjes schieten. Tegen mijn eigen advies in eerder in deze blog (zie deze post).

Kuifduiker in winterkleed

Net ervoor hadden we het triootje zwarte ibissen ook al kunnen bekijken. Het blijft een vreemd gezicht om deze soort te zien eten zoeken tussen meerkoetjes en wilde eenden. Je zou ze toch eerder in een exotische setting plaatsen onder een brandende zon tussen papyrusplanten. Maar zo tussen de biezen met hun snavel in de modder pikkend? Tja, ze staan in mijn vogelgids op dezelfde pagina als de lepelaar met een kaartje met veel oranje vlekjes op de zuidgrens van ons continent. Het zal dus wel kloppen zeker.

Twee van de drie zwarte ibissen aan een Antwerpse plas

Gele kijkers

Na nog een vruchteloze poging om in een zee van lisdodde een petieterige buidelmees te vinden, reden we terug naar onze vertrouwde regio. Met in ons achterhoofd het plan om die velduilen in Aalst (bij St-Truiden trouwens) te gaan zoeken. Zelf had ik al een drietal pogingen zonder succes ondernomen. Dus ik wilde een berisping van te laat terug thuis zijn van mijn vrouwtje wel riskeren (een berisping die ik trouwens verdiend kreeg).
Met Gert en Wouter bleek succes verzekerd. Want nog maar net uit de auto zagen we – weliswaar heel ver – een velduil op een akker zitten.
Het plan werd opgevat om via de verkavelingswegen er naartoe te wandelen. Een tochtje dat ons ook een paar keer de gelegenheid gaf om te genieten van de sierlijke jachtvlucht van een blauwe kiekendief. Altijd een genoegen om te mogen bekijken.
Bijna aangekomen aan de bewuste akker ontdekte Wouter een ander exemplaar in een laagstamplantage. Hij liet zich (of haar) uitstekend bekijken. De prachtige tekening en vooral de heldergele ogen spetterden van het beeld in mijn telescoop. Hij was zelfs zo vriendelijk om, nadat we hem uitgebreid hadden kunnen bekijken, nog te poseren voor de foto.
Even later kwam er een tweede exemplaar bij zitten. Opgeschrikt door wandelaars aan de overzijde van de plantage. Met de velduil die nog steeds op de akker onverstoord bleef rondkijken en eentje die opvloog van een ander veldje, kwam de teller op vier.
Met deze beelden op mijn netvlies kon ik de berisping van mijn vrouwtje iets later makkelijk aan.

Een van de vier velduilen

Hagelwit en knalzwart

Dit weekend geen winst op mijn plaatselijke lijst. Simpelweg omdat ik niet op pad ging. Zaterdag boompjes gaan planten met onze Wellense natuurvereniging ’t Bokje. Een goede daad voor ons klimaat.
Op de terugweg naar huis dan toch nog een grote zilverreiger kunnen bewonderen. Hij liep te foerageren in de beek en vloog even later op zijn gekende statige manier op. Hagelwit, zoals alleen een ‘grote zilly’ dat kan zijn. Het is voor mij nog altijd een raadsel waarom geen enkele producent van waspoeder deze soort als mascotte heeft aangesteld. Want witter dan dit kan je echt niet vinden.

Grote zilverreiger

Diepe stem

Zondag opnieuw op pad om de raven te gaan zoeken in een bos in de buurt. Voor onze regio de kanshebber op een zeldzaam broedgeval. Hoewel deze soort aan een stevige opmars bezig is blijft hij bij ons een topper om te zien.
Al snel hoorde ik hun diepe roep. Onmiskenbaar. Terug heel kort, maar deze keer wel heel duidelijk. Nu ze nog zien.

‘Respect, beleefdheid en kalmte werken altijd’


Dus ging ik, na een verkennende wandeling aan de rand van het bos, op een strategisch plekje post vatten. Een methode die vaak succesvol is. Ook deze keer weer. Na een halfuurtje zag ik een duidelijk grotere kraaiachtige naderen. In het beeld van mijn verrekijker kon ik een aantal kenmerken perfect zien. De langere en wigvormige staart, de spits uitlopende vleugels, de massieve snavel en de losse bevedering errond. Raaf! Een tweede exemplaar sloot dan net aan. Mooi!
Omdat ik ze hoopte ook nog in zit te kunnen bekijken ging ik opnieuw op pad. Maar in plaats van de raven stootte ik op een beetje boze boer. Zijn vraag wat ik daar deed en of ik zijn eigendom wou verlaten eindigde in een gezellig en leuk gesprek over raven, everzwijnen en in de morgen uit het bos komende reetjes. Respect, beleefdheid en kalmte werken altijd (of toch heel vaak).

Vliegbeeld raaf

Drama

Mijn voormiddag eindigde echter met een klein drama. Nagenietend van de mooie waarnemingen, zittend in mijn luie zetel, kwam mijn dochter mij vertellen dat er een vogeltje zich had opgehangen aan een van de mussenkasten. Wat leek op een absurde en ongeloofwaardige grap, bleek wrede waarheid.
Uit de invliegopening van een van mijn kasten hing inderdaad het levenloze lichaam van een huismus. Verstrengeld in een plastieken lint dat ze als nestmateriaal naar binnen hadden gesleept. Een fatale beslissing blijkbaar.
Het lijkje werd met de nodige ‘jammers’ verwijderd. Terwijl ik toch op mijn ladder stond kon ik in de nestkasten kijken. Alle drie met een nest in aanbouw. Eentje nu dus zonder zijn bouwster en toekomstige mussenmoeder. Zij kreeg een eervolle begrafenis.
De volgende bewoonster zat al te loeren vanuit de grote buxus vlakbij. De harde gang van zaken in onze natuur.


Met vuur naar de 60

We haalden dit weekend weer een rond getal binnen. Netjes naar nummer 60. Hoewel ik nog een aantal ‘makkelijke ‘soorten mis zit ik goed op schema. Het was een groepje rietgorzen in het riet – lijkt logisch – aan het kalkmoeras in de Broekbeemd die mij de kaap van de 60 deden ronden. Al een paar keer ging ik op zoek naar deze mooie gorsachtigen. Maar tot op vandaag bleven ze onvindbaar. Vandaag lieten ze zich goed horen en heel even ook zien, in de vlucht.
Bonussoort voor deze week was een luid roepende keep. Zijn ‘gekwéék’ trok mijn aandacht op een eenzame vogel die in de top van een populier zat. Hoewel ik hem niet goed kon bekijken, was het geluid duidelijk genoeg om deze soort op mijn lijst te zetten.

Vuurwerk

De waarneming van deze week was echter het vuurgoudhaantje. Deze dwerg – het is het kleinste vogeltje van ons land – kan zijn gestalte ruim compenseren met een opvallende kuif. Ik had het genoegen om twee maal eentje te ontdekken deze week. Eerst in de Broekbeemd waar in een paar sparren het geluid van goudhaantjes mijn aandacht trok. Na een paar minuutjes de dode takken af te speuren kreeg ik ‘de oogstreep’ in mijn kijker. Want de koptekening is het grote verschil tussen een vuurgoudhaantje en een ‘gewoon’ goudhaantje.

Vuurwerk van de vuurgoudhaan – Foto: Andre Gaens

Vrijdag was het opnieuw prijs. Ook hier weer een aantal sparren – hun favoriete bomen – met daarin de hoge tonen van goudhaantjes. Deze keer was de ontmoeting nog intenser. Want op een paar meter van mij vandaan kwam een mannetje vuurgoudhaan mij verblijden door zijn prachtige kuif in vol ornaat te tonen. Als ze enthousiast zijn – dat is toch wat ik er van denk – spreiden ze hun kopveren open en tonen ze hun knaloranje kuif. Gewoonweg vuurwerk.

Kaal

Het is trouwens het moment om vogels te gaan zoeken in haagkanten of bosjes. Hun takken staan weliswaar al volop in de knop. Maar de bladeren zijn er nog niet. Hierdoor is de kans om vogels te spotten veel groter dan binnen een goede maand. Eenmaal het bladerdek terug dicht is gegroeid wordt het een veel moeilijkere opdracht. Dus profiteren is de boodschap.

‘Nu profiteren van de kale bomen en hagen is de boodschap’

De kruinen van de bomen en haagkanten afspeuren levert nu vaak leuke soorten op. Het vuurgoudhaantje dat ik kon vinden is het levende bewijs.

Ooievaar

Dat niet elke waarneming een soort erbij is op de lijst, hoort bij het spel. De volgende twee moest ik dan ook zonder ze op te schrijven laten passeren.

Mechels kieken

Hoewel het ook een vogel is, maakt deze Mechelse dame geen kans om op mijn jaarlijst te komen.

Ooievaar of niet?

Ooievaar zou dan weer wel een extra soort zijn. Maar dit exemplaar telt niet mee. Is het trouwens wel een ooievaar? Volgens mijn vogelgids ontbreken een paar kenmerken. Maar de maker van dit fraaie kunstwerk had alvast deze soort in zijn hoofd. Hopelijk kom ik de ‘echte’ exemplaren dit jaar nog tegen op mijn local patch.

Ganzen in de vlucht herkennen

We zitten aan 56 soorten. Twee bezoeken aan mijn local patch leverde 5 nieuwe soorten op. De jaarlijkse grote gele kwikstaart is binnen. Op de mij bekende broedlocaties lijken de vaste bewoners terug aangekomen. Eentje aan de molen in de Broekbeemd en eentje aan de manége in Alken. De bewoners aan Graetmolen blijven voorlopig nog spoorloos.
Op het stukje akkerland kwam een klein groepje veldleeuweriken mijn druilerige voormiddag opfleuren. Hun kenmerkende roep was de aanzet om ze op mijn jaarlijst te krijgen.
Een stuk makkelijker was een opvliegende grote zilverreiger. Deze opvallende witte reus missen is bijna onmogelijk. Elke winter komen er wel een paar overwinteren in de vallei. Maar het heeft toch even geduurd voor ik hem kon spotten.
Vandaag ook eindelijk een kleine bonte specht. In gezelschap van zijn grotere broer, de grote bonte. Mooi om dan te zien hoe klein ze wel zijn. Even later kwam zij, want het was een vrouwtje, nog even mooi boven mij in de top van een populier zitten. Net op dezelfde locatie als een jaar ervoor. Daar moet ergens een boomholte zijn waar elk jaar een aantal nieuwe kleine bontjes uit hun eitje kruipen.

Bonussoort

Buiten dit viertal kwam er nog een soort bij die niet op mijn lijst van aangekondigde soorten staat: de grauwe gans. Het waren twee overvliegende en ‘gakkende’ ganzen die mijn aandacht trokken. Al snel kon ik er grauwe van maken. De tweekleurige ondervleugel, korte hals en de duidelijk oranje snavel – samen met het geluid – waren allemaal kenmerken voor deze soort.

Totaal anders dan de grote canadese ganzen die ik wel vaker zie overvliegen. Deze kan je dadelijk herkennen aan hun zwarte hals en kop en de opvallende witte keelvlek.
De enige soort die daar op lijk tin de vlucht is de brandgans. Maar die zijn veel grijzer van kleur en hebben een bijna volledige witte kop.
Vliegende ganzen die dan weer lijken op de grauwe zijn kolgans en rietgans. Maar ook hier is het niet zo moeilijk om ze uit elkaar te houden. Kolganzen hebben buiten een eenkleurige ondervleugel een zelfs in de vlucht zichtbare witte ‘kol’ op hun voorhoofd en achter hun snavel. Maar het kenmerk voor kolgans zijn de brede zwarte banen op de buik.
Rietganzen hebben dan weer een algemeen donker uiterlijk. Vooral de donkere hals is een goed kenmerk. Ook de snavel is donker van kleur, het kleine oranje vlekje valt bijna niet op.

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research