De periode dat je je PTT-telling moet afwerken is ondertussen voorbij. Maar ik tekende in op nog een telproject voor wintergasten: de watervogeltellingen. WVT zeggen ze in de interne keuken. Het concept is simpel.
Eendjes tellen
Je kiest een waterrijk gebied uit. Vraagt aan de coördinator van jouw regio of dit al op hun kaart staat (alle info op meetnetten.be). Indien dat zo is dan kan je je als teller voor dit gebied opgeven of aansluiten bij de vogelkijkers die er al tellen. Indien niet, dan doe je een voorstel om het toe te voegen aan de lijst. Meestal gebeurt dat vrij snel en kan je aan de slag. Zelf had ik drie gebieden in Zuid-Limburg aangevraagd. De Caetswijers – het gebied waar ik ook ga inventariseren-, Bernissem – een wachtbekken dat ooit top was maar momenteel door recreatie wordt overspoeld – en de vijver van Maupertuus – die het omgekeerde deed, vroeger recreatie en nu natuur.

Voor dit project moet je zes keer op pad. Vanaf oktober tot maart wordt er elk weekend dat het dichtst bij de 15de van de maand ligt geteld. Je bezoekt dan je gebied vanaf de late ochtend – want ochtendtrek willen we vermijden in onze cijfers – tot ten laatste tot zonsondergang. Je telt alle watervogels en indien je dat wil ook meeuwen en steltlopers. Noteert de aantallen per soort of geeft ze in op waarnemingen.be. Om ze dan nadien op de pagina van dit project in te vullen bij jouw telling. Simpel en vooral heel leuk.
Teal
De gebieden die ik uitkoos zijn zeker geen toppers wat overwinterende watervogels betreft. Die liggen vooral meer noordelijk in Limburg en langs de Maas. Maar hier tellen is zeker een meerwaarde voor het project en voor onze plaatselijke vogelwerkgroep. Na een bezoek aan de drie gebieden – wat op iets meer dan drie uur gefikst was – stonden er toch ruim 500 vogels op de teller. Wilde eend ging aan de haal met de gouden medaille met meer dan 200 exemplaren. Gevolgd door kokmeeuw, dankzij een grote groep die in Bernissem blijkbaar graag komt uitrusten. Brons ging naar krakeend met 55 stuks. Heel leuk waren de meer dan 20 wintertalingen die nog aanwezig waren. Een stevige groep in Bernissem en een paartje in de Caetswijers. Vooral dat laatste was boeiend. Wetende dat ik daar de broedvogels ga opvolgen vanaf maart. Hopelijk kom ik ze dan terug tegen. Het mannetje kuifeend op de vijver van Maupertuus zat er trouwens ook nog. Die vindt het daar blijkbaar gezellig.

Lentekriebels
Voormiddag ging ik samen met mijn kersverse collega-ringer Kristof op pad om steenuilenkasten te controleren. We noemen het wintercontroles en hebben nu de kans om de koppeltjes samen in de kast aan te treffen. Maar dat was gerekend zonder dat aangename winterzonnetje. Veel steenuilen zaten blijkbaar ergens te genieten van die warmte. Hoe zou je zelf zijn. De eerste tien kasten waren allemaal leeg. Toch konden we nog twee koppels controleren. Eentje bleek het gekende paartje dat er al een aantal jaren zit. Maar op een andere locatie was een totaal nieuw koppel aanwezig. Het mannetje werd door mijzelf geringd in 2024 in een nestkast op pakweg 400 meter van de kast waar hij nu ging beginnen aan een gezinnetje. Het vrouwtje was een jaartje jonger. zij werd door een collega ringer – Andre – vorig jaar geringd in een nestkast in Zepperen. Hier was de afstand iets meer dan anderhalve kilometer. En bij onze bioboer Jon hadden ze elkaar gevonden.
Dit verhaal en waarschijnlijk ook dat lekkere zonnetje gaven mij alvast lentekriebels. Die werden nog wat versterkt door de voorjaarsbloeiers die hier en daar hun kopje al boven de grond steken. De eerste bloeiende sneeuwklokjes staan al op de foto.
De triggers om het woord lente met hoofdletters in mijn hoofd te schrijven waren zingende boomkruipers, koolmezen, roffelende spechten en mijn eerste grote lijster die zich niet enkel liet zien, maar deze keer ook liet horen. De goesting om aan de andere projecten te beginnen zat er al stevig in. Laat de lente maar komen.