Deze week ging het van bakken regen en kil naar een ware lentedag. Woensdag was het hek van de dam. Superwarm voor de tijd van het jaar. Het ideale moment om mijn eerste telling in de Broekbeemd te plannen. Want daar ga ik dit jaar een broedvogelinventarisatie doen. Een lang en ingewikkeld woord voor broedvogels tellen. Bedoeling is om een tiental keer in het broedseizoen het gebied volledig te doorkruisen en elke vogel die gedrag vertoont dat kan duiden op een broedgeval op te tekenen. Gelukkig is dat met een handige app op mijn smartphone en niet meer – zoals ik het ook ooit deed – op blad papier met een kaartje en een potlood. Wat dan ook nog eens vochtig wordt zodat je met een doorlopen vodje thuiskomt. Neen, de technologie nam grote stappen en ik volg. Althans dat proberen we.
Te vroeg?
Nu al broedvogels noteren? Inderdaad. Heel wat soorten zijn al druk bezig met de vrouwtjes te behagen. Neem nu de bosuil. Die is al op versierpad sinds begin januari. Hiervoor moet je wel ’s avonds op pad. Dat staat nog op mijn programma. Alle spechten zijn ook al druk aan het roffelen. Zo kon ik drie mogelijke broedparen van grote bonte specht op mijn schermpje intikken. Ook leuk waren de overal zingende boomkruipers. Hun korte maar vrolijke deuntje weerklonk op zeven plaatsen. De wilde eenden waren ook al opgedeeld in koppeltjes. Minstens zes zag ik rondzwemmen op de Herk of op de vele plassen die in het gebied stonden. Maar de ontdekking waren twee nesten van blauwe reigers. Vermoedelijk dan toch. Een bewoner had er mij een paar maanden geleden al op gewezen. Zo te zien werd er al op bijgebouwd en in de buurt zaten twee blauwe reigers. Genoeg tekenen om ze in te geven. Hopelijk kiezen ze dit jaar opnieuw voor dit gebied.

In nesten
Het voordeel van momenteel op pad te gaan is dat je oude nesten goed kan zien. De bomen zijn nog kaal en vooral grotere nesten vallen dan wel op. Zo kon ik de locatie van het nest van een koppel buizerds dat er elk jaar komt broeden perfect lokaliseren. Dat de bewoners er luid roepend rondvlogen was wel een stevige hulp. De code die ik ingaf was ‘waarschijnlijke nestplaats‘.
Bij het inventariseren van broedvogels heb je een mooie keuze uit een aantal codes die verbonden zijn aan nesten. Zo is er ‘bezet nest‘. Dit gebruik je als je een nest ontdekt waar een oudervogel op zit of net vanaf vliegt. Ontdek je een nest met eieren, dan wordt dat ‘bezet nest met eieren‘. Zitten er jongen in, dan wordt het – of wat had je gedacht ‘bezet nest met jongen‘. Niet dat je actief nesten moet gaan zoeken. Maar tijdens zo een intensieve scanning van een gebied kom je ze wel eens tegen. Zeker grotere soorten of kolonievogels kan je op die manier zeker ontdekken. Maar de regel blijft, de vogels gaan voor op de zoektocht. Verstoring moet je ten alle tijden voorkomen.
Daarom is het beter om je te focussen op zingende mannetjes, zogenaamde zangposten. Altijd een indicatie dat er romantiek in de lucht hangt. Oudervogels die met hun snavel vol voedsel naar het nest vliegen zijn ook nuttige waarnemingen. Of die wegvliegen van het nest met een kakje van hun jongen. Veel vogels hebben de gewoonte om tijdens de eerste dagen na het uitkomen van de jongen diens ontlasting – die dan in een vliesje zit – weg te dragen van het nest en elders te droppen. Kwestie van hun nestplaats niet te verraden. Die gaan met de code ‘transport voedsel of ontlasting‘ de boeken in. Dan is er nog de code voor waarnemingen van jongen die net uitgevlogen zijn of voor nestvlieders – dat zijn soorten waarvan de jongen iets nadat ze uit het ei kropen al rondlopen of zwemmen – die je ontdekt. Die noteert men als ‘pas uitgevlogen/ donsjongen‘. Maar daar is het nog even op wachten. Als die jongen ribbedebie zijn dan blijven de oudervogels achter met het lege nestsyndroom. Passeer jij dan net en ontdek je het verlaten nest dan mag je dat ook noteren met de code ‘recent gebruikt nest‘. Hoe herken je dan een gebruikt nest? Wel, vaak liggen er op de bodem de schilfers van de net uitgekomen veertjes. Die zitten bij een jonge vogel – of een oudere vogel die aan het ruien is – in het begin in een witte schacht. De resten van die schacht zie je mooi liggen, zelfs een tijd nadat de jongen zijn uitgevlogen. Nog een bewijs dat zo een nest werd gebruikt zijn de sporen van uitwerpselen. Dus goed opletten. Want soms kom je ook oudere nesten tegen. Die noteer je uiteraard niet.
Stille kranen

De dag van mijn eerste inventarisatie kreeg nog een mooie bonus met een groep van negen overtrekkende kraanvogels. Wel opvallend, ik hoorde ze niet aankomen. Wat voor deze ‘toeterende’ reuzen een beetje a-typisch is. Normaal gezien hoor je hun ‘grus-grus’-roep al van ver. Was het omdat ze maar met negen waren en contact houden niet echt noodzakelijk was? Wie zal het zeggen? Hoewel ik de kiekenvel-bezorgende roep moest missen, was het toch de waarneming van de week. Zo kreeg ik ook nog een klein stukje mee van een dag dat de kraanvogels besloten om naar hun broedgebieden te vertrekken. Jammer genoeg mocht ik ze niet ingeven op mijn app. Maar wie weet, ooit…
Een verdiende nummer twee van waarneming van de week werd op zaterdag genoteerd. Ik had samen met mijn lieftallige echtgenote een weekendje Antwerpen geboekt. Vooral om wat cultuur op te snuiven (aangevuld met wat shoppen tot mijn grote vreugde, dit is zoals de mensen die mij kennen uiteraard sarcastisch bedoeld). Maar midden op de Meir bleef ik even staan. Hoorde ik dit goed? Jawel, een concert van een grote groep puttertjes. Na even zoeken zag ik ze met zijn allen smikkelen van de zaadbollen van een voor mij nog steeds onbekende boom daar op een drukke winkelstraat in hartje Antwerpen. Natuur in steden. Het blijft mij fascineren. Binnenkort mag ik trouwens starten met het tellen van een paar hokken in stedelijk gebied, namelijk St-Truiden. Ik kijk er al naar uit. Weliswaar geen grootstad zoals Antwerpen. Hoewel de Truienaars vermoedelijk anders zullen beweren. Tja, een ras apart. Verlag in een van mijn volgende posts.