Net terug van een wandeling in de Grote Beemd, mijn local patch, om even af te kicken van een geweldige reis naar Lesbos. Een avontuur met veel vogels, héél veel vogels. Dus even opnieuw met de voetjes op onze Limburgse bodem. Daar zijn de bosrietzangers trouwens terug, even tussendoor, met minstens drie zangposten. Ook dat is voor mij genieten. Maar Lesbos is toch een klasse apart.
Blijkbaar was ik al ooit op Lesbos. Dat bezoek zat ergens ver weg in een mapje op mijn harde schijf in mijn hoofd. Want mijn vrouwtje moest er mij terug aan herinneren. Toen waren we daar duidelijk op een verkeerd moment, volgens mij in de zomerperiode, als het om vogeltjes kijken ging. De trip waarvan ik net terug ben zal ongetwijfeld wat langer blijven hangen. Uiteraard omdat ze nog maar een paar dagen voorbij is. Maar vooral omdat het een geweldige ervaring was.
Zet je even goed neer met een tasje koffie of – om in de Griekse sfeer te komen – een Ouzootje. Want het wordt een lange post deze keer. Dit verslag van een overweldigende (nieuwe) kennismaking met dit vogel- en natuurparadijs geeft hopelijk een inkijk hoe ik onder de indruk ben geraakt van dit eiland. Om alles verteld te krijgen heb ik mijn verslag opgedeeld in drie posts. Je leest nu het eerste deel. In de loop van de komende week mag je de rest verwachten. Ik wens je veel leesplezier.
Fast forward
Op de dag van de arbeid reden Gert en ik richting Zaventem. Na de gebruikelijke file aan de Brusselse ring, zelfs op deze feestdag, en het klassieke tijdverlies op onze nationale luchthaven stegen we even laten op richting Griekenland. Een korte kennismaking met onze reisgenoten was dan al achter de rug. Er waren drie oude bekenden bij. Jeanne en Erik waarmee we vroeger al eens mee op pad ging in Georgië. Een geweldig koppel dat ook de passie van vogels kijken deelt. En uiteraard onze sympathieke semi-Brit Nigel, de verpersoonlijking van gezelligheid en gemoedelijkheid. Dat kon alvast niet meer stuk. Ook de rest van de groep viel reuze mee. Tijdens het wachten op de luchthaven leerden we ze iets beter kennen. Met een paar vreemde verhalen als toetje.

Wat gedacht van Patrick die een paar dagen voor we vetrokken in zijn tuin struikelde en zich aan een scherp metalen bord bijna de keel doorsneed (jawel, shit happens). Of Marc, een hyperactieve kerel die er wél in slaagt om met zijn Nikon P1000, ik loop er ook met zo eentje rond, goede filmbeelden te maken. Hij werd mijn buddy op de achterbank van het busje tijdens de ganse trip. Een uitdaging, want Marc gaat door het leven met een fast-forward knop en een volumeknop die beiden op maximum geblokkeerd zitten. En dan heb je nog onze gidsen. Patrick (nr. 2) die onze chauffeur van dienst was en regelmatig spoorloos verdween om een vogel op beeld te zetten. Heel wat van de foto’s bij deze post zijn dan ook van hem. Johan of Buck die alles had uitgestippeld en elke vogel op het eiland leek te weten zitten. Een vat vol vogelkennis, maar ook vlinders en libellen. Zijn motto zou ik graag ook omarmen. Hij plukt elke dag met heel veel enthousiasme.
Mus 2.0
De volgende dag was the game on. Nog voor het ontbijt gingen we op pad. Vanaf ons terras had ik al kennis gemaakt met de plaatselijke versie van onze huismus: de Spaanse mus. Wel een beetje vreemd om die op Griekse bodem te zien. Maar het zal wel kloppen zeker. Ik vond het wel niet erg om hem te ontmoeten. Volgens mij is het een veel mooiere versie van de bij ons bekende dakgoot-tsjilpers. Ik wil zeker niets afdoen van onze thuisversie. Want ook die zijn, als je ze goed gaat bekijken, mooi gekleurd. Maar hun Spaanse neefjes zijn toch van een andere orde. Het is een versie 2.0. Met de diepe zwarte tekening op de borst, de intensieve kastanjebruine petjes waardoor het wit witter lijkt dan wit. Een zalige verschijning. Hopelijk nemen mijn thuismussen het mij niet kwalijk.

De verkenning rond het hotel dompelde ons vanaf dag één volledig onder in het overvolle natuurbad van Lesbos. Op een grote poel vlak tegenover het hotel vlogen honderden zwaluwen rond. Tussen de biezen liepen heel wat steltkluten en waren meerdere ralreigers aan het pootje baden. Vanuit de struiken klonk het gekras van een grote karekiet. Iets verder overstemd door de rollende zang van een oostelijke vale spotvogel. Een deuntje dat mij de ganse reis heel vaak zou doen omkijken. Tussen de zwaluwen ontdekten we ook een aantal roodstuitzwaluwen. Ook een 2.0 versie, maar dan van onze boerenzwaluwen. We kwamen ogen te kort.

Tijdens een wandeling langs het strand zagen we ook een zeehond met zijn kopje boven het water dobberen. Ook leuk dachten wij, niet wetende dat we denkelijk net de waarneming van dat jaar hadden gedaan voor die regio. Niets vermoedend zetten we onze ontdekkingstocht verder. Terug aan het hotel hoorden wij dat die ‘zeehond’ een monniksrob bleek te zijn. Een van de zeldzaamste robben die je op onze aardkloot kan tegenkomen. Alle aanwezige vogelkijkers stroomden toe en in geen tijd zagen we tientallen telescopen en telelenzen richting de baai gericht om getuige te zijn van deze unieke vondst. Onze gids maakte een extra tochtje langs de baai zodat iedereen van de groep deze monniksrob kon bewonderen. Een blitz-start blijkbaar. Ook al hadden wij bij het zien van die ‘leuke zeehond’ totaal geen idee dat dit het geval zou zijn.

Jonge jager
Tijd om in onze busjes te stappen. Het bleken twee krakkemikkige exemplaren die in ons landje al lang niet meer binnen mochten op de technische keuring en per direct voor eeuwig werden verbannen naar een of ander autokerkhof. Hier dus niet. Maar blijkbaar brachten ze geluk. Want ze voerden ons van de ene soort naar de andere. Met de nodige bijwerkingen, maar dat verhaal is voor later.
De eerste uitstap bracht ons naar een rivier in de buurt. Terwijl de groep al wat verder was gewandeld hoorde ik een deuntje dat ik niet kende. Zo zijn er wel meer in mijn geval. Maar dit trok toch mijn aandacht. Als snel vond ik de vogel die dit liedje had gecomponeerd. Eentje met een mooi opgerichte staart met witte puntjes aan het einde en een mooie oogstreep. Rosse waaierstaart ging er door mijn hoofd! Voor ik de rest van de groep kon verwittigen koos hij al het hazenpad. Mijn eerste lifer (zo noemt men een soort die je voor het eerst in je leven ziet) was een feit. Het zou niet de laatste zijn. Nadien kon de rest van de groep deze leuke soort ook bekijken. Zij het wat verscholen en vaak heel kort in een verre struik.
Dan reden we door naar de zoutpannes. Een gebied waar je als vogelkijker van de ene verbazing in de andere wordt gekatapulteerd. Ze hadden er een paar potten zwarte ooievaars en zwarte ibissen opengetrokken. Boven het water slingerden lachsternen, visdiefjes, witwangsternen en mijn favoriet, de flitsende witvleugelsternen. Achter elke rietkraag kwamen ralreigers te voorschijn. Op de voorgrond aangevuld met sporenkieviten. Elk plasje werd opgevuld met honderden steltjes. Bosruiters, kemphanen, kleine standlopertjes in overvloed. Je kreeg hier elke seconde een ornithologische overdosis ingespoten. Als er dan nog even een schreeuwarend overzeilt dan wordt het helemaal te gek. Dit was trouwens vlak nadat we onze eerste slangenarend van de reis mochten aanschouwen. Moet er nog zand zijn? Jazeker! Op een bepaald moment vlogen alle steltjes op. Als vogelkijker weet je wat dat wil zeggen: rover op komst. Ook deze keer bleek dat het geval. Een jonge slechtvalk cirkelde boven de plassen. Hij was duidelijk op zoek naar een lekker hapje om zijn honger te stillen. De steltjes vormden als verweer een grote zwerm die synchroon acrobatische vluchten uitvoerde om hun belager in de war te brengen. Toch dook ons jonge jager onversaagd en accuraat naar die zwerm. Hij vloog er zonder te twijfelen vol in. Met een flits plukte hij er een kemphaan uit om er dan achtervolgd door een raaf, jawel de lijst wordt alsmaar langer, snel mee weg te vliegen. Een schouwspel dat misschien een tiental seconden duurde, maar op mij een grote indruk maakte. Wat een adembenemende ervaring. Na de ontdekking van mijn rosse waaierstaart een verdiende tweede plaats in de hitparade van die dag.

Roze mini-versie
De dikke regenjas kon uit de koffer, 11°C en af en toe een regenvlaag. Wie dit had voorspeld werd als weerman door elke Griekse TV-zender dadelijk aan de deur gezet. Maar het waren de omstandigheden van de derde dag van onze reis. Slecht weer. Toch gingen we op pad. Om kwart na vijf liep onze wekker al af. Met een deel van de groep gingen we bij het krieken van de dag op zoek naar klein waterhoen. Met succes, we zagen een mannetje en zeker twee vrouwtjes. Ondanks de dreigende wolken wandelden we nog een heel eind verder. Met als resultaat onze eerste maskerklauwier, een vrouwtje. Ook dit zou zeker niet de laatste worden. Aan een helling met veel rotsblokken zagen we ook onze eerste oostelijke blonde tapuit. Het was op dat moment dat mijn vorige reis naar Lesbos begon te dagen. Dit beestje had ik toen ook gezien. En alweer maakte het een stevige indruk op mij. Dat warme okerkleurige tintje in hun verder witte verenkleed, afgeboord met een knalzwart masker en dito vleugels. Een juweeltje. Dan zag plots iemand van onze groep een patrijs bovenaan de helling. Even zoeken en ik keek naar mijn tweede lifer van deze trip: Aziatische steenpatrijs. Ook gekend als chukarpatrijs. Een paartje liet zich mooi bekijken. Ik kon de mooie flank- en koptekening goed zien. Weer een topmomentje.

Na het ontbijt ging het terug richting zoutpannes. Deze keer vanaf de andere kant van de vlakte. Onderweg ontdekte onze gids een paar dwergmeeuwen en een dunbekmeeuw. Maar de soort die hij daar wou vinden was de kroeskoppelikaan. Niet de ontsnapte fake-versie die al een aantal weken rondhangt in Limburg, maar the real deal. We kregen ze ook te zien. Eentje even dobberend in een kreek om dan mooi voor ons door te vliegen. Wonderlijk hoe zo een grote beesten zo elegant kunnen bewegen in de lucht.
Terug in ons busje, deze keer met iets meer plezier schuilend voor de snijdende wind, reden we weer een eind verder. Onze doelsoort was nu Turkse boomklever. Op de plek waar al jaren een paartje bleek te broeden tuurden we naar een dode boom waar het nest zich zou bevinden. We waren niet alleen, maar het feit dat de al aanwezige vogelkijkers druk stonden te babbelen was geen goed teken. Na een half uurtje wou Johan, onze gids, het voor bekeken houden. Dit omdat hij al een paar keer mussen uit de nestholte had zien vliegen. Maar dat was zonder onze filmregisseur Marc gerekend. ‘Hier zit er eentje’ was het signaal om alle blikken op een boom vlakbij te richten. Daar kleefde onze Turk tegen een tak. Mooi dichtbij. Zelfs Marc werd er stil van.
Om de dag af te sluiten reden we terug naar de zoutpannes. Blijkbaar was er al een tijdje een kleine flamingo aanwezig. Een dwaalgast uit Afrika. Deze zou terug gezien zijn. Die wilden we zeker ook even meepikken. Hij zou tussen de honderden flamingo’s die daar altijd rondwaden moeten rondlopen. Geen makkelijke opdracht.
Flamingo’s blijven voor mij trouwens rare wezens. Als ze met hun snavel in het water door het water lopen valt het nog mee. Maar eenmaal ze opstijgen veranderen ze in mijn ogen in een wiebelende zwevende polstok die met twee op een vreemde plaats gemonteerde roze-zwart gekleurde vleugels vooruit worden gestuurd. Hopelijk doe ik hier niet te veel afbraak aan deze in het water elegante verschijningen.

Vrij snel vonden we de dwaalgast. Deze mini-versie van de toch al spectaculaire flamingo is een extreem zeldzame verschijning voor Lesbos en bij uitbreiding Europa. Normaal hoort hij in Ethiopië rond te waden in een plas water. Zijn felroze verenpakje in combinatie met de donkere snavel en het vuurrode oog, dat je zelfs zonder verrekijker kan zien, maakt dat deze ontmoeting op mijn netvlies werd gebrand en netjes in het hersenmapje ‘prachtige waarnemingen’ blijft opgeslagen.

Zo sloten we het eerste deel van onze reis in de buurt van ons hotel af met een knaller. Na goed twee dagen vogeltjes kijken met een stevige wind en temperaturen die elke Griek doet wanhopen, zit ik al een lijstje met 110 soorten waarvan drie lifers. Voor de groep stonden er nog een paar meer soorten op de teller.
Geen slechte start zou ik zeggen, een onwaarschijnlijk under-statement.