Weekendtips.

Foto Victor Claes

Het meest opvallende feit van de voorbije week waren de behoorlijke aantallen zwarte wouwen die werden gezien. Vooral op bemande telposten was het de soort die iedereen deed opkijken. Niet uitzonderlijk, want ook vorig jaar was het aantal waarnemingen hoog in het voorjaar. Maar toch duidelijk een piekjaar voor deze soort.

Schermafbeelding 2017-05-02 om 21.29.28

De voorspellingen zijn ook voor het komende weekend goed voor doortrekkende roofvogels. Dus wie tijd heeft om een paar uurtjes op een trektelpost door te brengen. Zeker doen.

Schermafbeelding 2017-05-02 om 21.26.00

Doortrekpatroon zwarte wouw vorig weekend.

Na blauw komt rood.

Iberische tjif blijft opduiken. Zowel in België als Nederland werden meerdere vogels opgemerkt. Heel leuk was een Amerikaanse wintertaling in het Zwin. En bij onze noorderburen was de buffelkopeend nog steeds paraat in Barendrecht.

Buffelkopeend Robin Gouka

Buffelkopeend (Foto Robin Gouka)

Iberische tjif Peter Lindenburg

Iberische tjiftjaf (foto Peter Lindenburg)

In kwikjesland werden ook wel wat leuke soorten gezien. Twee wil ik jullie zeker niet onthouden. Op Schiermonniksoog zit al een tijdje een witkeel- of Iberische kwikstaart. En bij Haarlemermeer zit dan weer een citroenkwikstaart.

Maar de attractie van vorige week in Nederland was zonder twijfel de rode rotslijster. Na zijn blauwe neefje dook er nu dus ook een rode rotslijster op bij Den Helder.

Rode rotslijster Pieter Doorn

Foto Pieter Doorn

Ondertussen blijven de zomergasten binnen druppelen. Zo noteerde men de eerste kwartel, bosrietzanger en grauwe klauwier. En verder blijft het zeker uitkijken naar plekken met slikplaten en grote plassen. Want sterntjes en steltjes zijn nog steeds op doortocht. Veel plezier dit weekend.

Size matters.

De grootte van een vogel inschatten is vaak heel belangrijk voor een correcte determinatie. Maar het is niet altijd even gemakkelijk. Allereerst moet je er rekening mee houden dat een vogel bekijken door een verrekijker en zeker door een telescoop een totaal verkeerd beeld kan geven van zijn afmetingen. Zo heb ik al heel vaak moeten horen van mensen die mij vroegen welke roofvogel ze regelmatig bij hun tuis zagen rondcirkelen, als ik hun vertelde dat dit zo goed als zeker een buizerd was : “neen, die ik zag was veel groter dan een buizerd”. En toch was het 9 keer op 10 toch een buizerd.

Zeearend Tinus vd Hul

Foto Tinus vd Hul

Dat er verschil is tussen groot en groot bewijst deze prachtige foto van Tinus vd Hul. In vergelijking met een machtige zeearend lijkt die buizerd, die we voordien toch wel redelijk groot vonden, plots een klein roofvogeltje.

Vergelijken.

Daarom kan je best, als er materiaal in de buurt is, de vogel die je wil determineren vergelijken met soorten die je kent die in de buurt zitten. Maar dan moet je natuurlijk een soort die je kent in de buurt hebben zitten. Liefst dan ook nog eens in één kijkerbeeld.

Schermafbeelding 2017-05-04 om 18.25.21

Neem dit beeld. Stel dat ik de grote vogel op de foto niet zou kennen. Ik bekijk hem zorgvuldig en noteer alle kenmerken die ik zie. Bij de grootte kan ik niet echt de juiste afmetingen in centimeters noteren. Daarvoor ga ik met mijn meetlatje ruim te laat komen. Maar ik wist wel dat de andere vogels op de foto dwergsternen zijn. Dus noteer ik in mijn boekje : “veel groter dan dwergstern – verhouding 1 op 2.

Als de vogels weg zijn kan ik in mijn vogelgids lezen dat een dwergstern 22-24 cm meet (lengte). Dus mijn onbekende zou dan al minstens 40 – 50 cm meten. Dit past bij grote kuifstern (en die zou ik wel eens willen zien hier).

Let er wel op dat de vogels die je vergelijkt dicht bij elkaar zitten. Want met een telescoop haal je het beeld dichterbij en verklein je ook optisch de afstanden tussen de vogels. Het lijkt of ze dicht bij elkaar zitten, maar het kan dat de ene een stuk verder van je verwijderd is dan die andere vogel. En dat geeft voor het inschatten van de grootte vaak een vertekend beeld.

Maatjes.

Een door heel wat vogelkijkers gebruikt trucje dat je kan toepassen, zeker als de vogel alleen wordt gezien, is het gebruiken van maten. En hiervoor gebruiken we een aantal soorten die we goed kennen. Je kan jouw maten zelf kiezen. Bij mij is dat pimpelmees – huismus – spreeuw – turkse tortel – houtduif – zilvermeeuw – buizerd. Naargelang de soortengroep die ik moet determineren en de activiteit van de vogels kan dit lijstje wel wat verschillen. Zo heb ik ook een rijtje watervogels in mijn kopje zitten. En bij roofvogels in vlucht zitten er torenvalk en kraai ook tussen.

Dan komt er in mijn boekje : “zo groot als een spreeuw” of “iets kleiner dan een pimpelmees”.

bird_shapes_t810

Een geijkte methode – dat bewijst dit plaatje dat ik vond op het internet.

Kapotte GPS.

Deze blauwstaart die ik ooit kon fotograferen aan de Belgische kust voldoet zonder twijfel aan de term die we vandaag bespreken. Een dwaalgast.

Het gaat om soorten die opduiken op plaatsen waar ze normaal gezien niet thuis horen. De illegalen van de vogelwereld zou ik durven te stellen. Heel vaak gaat het om lange-afstandstrekkers. Sommigen worden door zwaar weer volledig uit koers geslagen en belanden zo in onze regio. Weer anderen blijken dan te veel energie te hebben en doen er op hun normale eindbestemming nog een stukje bij. Een mooie engelse term hiervoor is “overshoot”.

017

Sperwergrasmus, ook soms uit koers geslagen.

De periode dat je bepaalde van deze dwaalgasten kan verwachten heeft dikwijls te maken met hun trekperiode of de weersomstandigheden. Dus je kan ongeveer voorspellen wanneer er die ene of andere soort zou kunnen opduiken. Maar of ze dat ook gaan doen blijft natuurlijk steeds afwachten. Een orkaantje aan de overzijde van de oceaan levert dan soms Amerikaanse gasten op. En een stevige wind vanuit het oosten kan dan weer oostelijke of Aziatische soorten naar hier brengen.

De luiere dwaalgast durft ook al eens meeliften met een bootje. “Ship-assited” noemen ze die dan. Meestal komen ze al dwalend boven de oceaan op een boot terecht en varen ze de rest van de tocht netjes mee. Om dan, als de boot ergens aanmeert, aan land te gaan.

Sneeuwuil

Deze sneeuwuil kwam indertijd met het bootje.

Voor twitchers zijn dit leuke waarnemingen waar dikwijls heel veel volk naartoe komt. Maar zelf durf ik zo een dwaalgastje hier in de buurt ook wel met een bezoekje vereren. Want extreme dwaalgasten duiken niet zo vaak op. En er dan niet bij zijn is een dwaling van formaat. Om het bij ons onderwerp te houden.

Een ringetje rond de poot.

Ik ben sinds een aantal jaar zelf bezig met ringwerk. Een superboeiende hobby en zinvolle bezigheid. Wat is de bedoeling ? Via een metalen ringetje dat de vogel rond zijn poot krijgt is hij individueel te herkennen. Zo kan hij of zij bij een hervangst of als ze gevonden worden heel wat info over trekgedrag, verplaatsing leveren. Maar er is meer want de ringers noteren ook leeftijd, geslacht, gewicht en bepaalde afmetingen. Hierdoor is er een immense database ontstaan met miljoenen gegevens die kunnen gebruikt worden voor allerhande onderzoek. De artikels of studies die via deze weg werden uitgevoerd zijn ontelbaar.

sleedoorn0001-2

Ook kieviten worden geringd.

Pulli.

Zelf ben ik ook veel bezig met het ringen van nestjongen. Vooral via nestkasten, denk maar aan de mezen. Maar ook steenuil, bosuil, kerkuil en torenvalk worden via onze ringgroep veel van een ringetje voorzien. Dit levert heel veel belangrijke info op over deze soorten. Het ringen van pulli is volgens mij zeer belangrijk om zo meer te weten te komen over de vogels die in mijn regio geboren worden. Ook info over populatieverloop en broedsucces is noodzakelijk. Zo weten we bijvoorbeeld dankzij het ringwerk dat jongen van kieviten bijna allemaal sneuvelen in hun eerste levensjaar. De reden waarom deze soort het helemaal niet goed doet.

steenuil pulli0001

Jonge steenuiltjes, net geringd.

Examens.

Ringer worden doe je niet zomaar. Allereerst moet je een zeer goede kennis hebben van alle vogels. Niet enkel de soorten herkennen. Maar ook alles weten over het bepalen van geslacht, leeftijd en hun rui. In België moet je een heel parcours doorlopen. Eerst twee jaar stage bij een erkend ringer. Dan een eerste examen waardoor je, als je slaagt, nestjongen mag gaan ringen. Opnieuw twee jaar stage om dan opnieuw een stevig examen te moeten afleggen voor je volledige vergunning. Dan pas ben je ringer. In Nederland is die procedure dan weer iets anders, maar ook daar moet je je soorten heel goed kennen.

Netwerk.

In de meeste landen is er een instantie die het ringwerk organiseert. En al die centrales hebben contact met elkaar. Dit is ook logisch want er worden heel wat vogels terug gevangen of gevonden die in een ander land werden geringd. Deze terugmeldingen, zoals we dat noemen, geven dan een beeld hoe een soort zich verplaatst.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Brandganzen ringen.

Ringwerk is echt boeiend om te doen en te volgen. Als je ooit de kans hebt om eens mee te gaan helpen of volgen bij ringwerk in jouw buurt, zeker doen.

Meer weten : kijk dan eens op de websites van het Belgische Ringwerk of Nederlandse Ringwerk.

Zwart en wit.

Foto Ronny De Malsche

Vandaag gaan we even dieper in op de familie van de kluten. Deze steltlopers hebben niet echt een kleurenTV nodig, want ze zweren bij een sober zwart en wit pakje.

De kluut is voornamelijk aan de kustregio een broedvogel. Mannetje en wijfje lijken heel veel op elkaar. Enkel een lichtere zone aan de snavelbasis en een onduidelijke oogring maakt er een wijfje van. Maar dan moet je ze al heel goed kunnen bekijken. Hun opvallendste kenmerk is natuurlijk de omhoog gebogen snavel.

Kluut Daniel Van Nieuwenhove

Foto Daniel  Van Nieuwenhove

De juveniele vogels kan je er wel goed uithalen. Die missen het knalzwarte pakje. Bij hen zijn die zones meer bruinbeige. Wat hun geluid betreft is het deze keer makkelijk. Een helder en vloeiend kluut-kluut of klip. 

Kluut Roland Francois

Juveniele vogel (foto Roland Francois)

Stelten.

De tweede vertegenwoordiger van deze kleine groep is de steltkluut. Deze koos ook voor een zwart wit pakje. Maar met een stevige optie, twee extreem lange en opvallend rode poten. Ze houden wel wat van variatie want de kop kan achteraan volledig zwart zijn of totaal wit. De mannetjes kan je eruit pikken omdat hun rugkleur zwarter en met een groen glans overdekt is. In het najaar en de winter is het zwart op de kop meer grijsachtig.

steltkluut0804

Mannetje steltkluut (eigen foto)

Juveniele en 1ste jaars vogels zijn minder intensief van kleur. Het zwart is meer bruinachtig en met witte randjes aan de dekveren op de vleugels. De poten zijn ook bleker.

steltkluut0804-6.jpg

Juveniel (eigen foto)

Hun geluid is een nasaal en blikkerig kjuu, kek of kiep. Ze komen meer zuidelijk voor. Maar elk jaar duiken er bij ons wel een aantal exemplaren op. En de voorbije jaren waren er zelfs een aantal die ons landje goed genoeg vonden om een nestje te bouwen.

Weekendtips.

Dunbekmeeuw (foto Ronny De Malsche)

Ons wekelijks overzicht heeft als ster deze keer een dunbekmeeuw die al een aantal dagen werd gezien vanaf de kijkwand aan het meeuweneiland in Doel (B) en nadien werd ze nog gezien op de Verrebroekse Plassen. Vandaag werd het beest nog niet gemeld, maar in de plaats zat er wel een zwarte ibis. Er werd dus zeker gezocht naar deze mooie dwaalgast.

In Nederland was er ook een topper met een blauwe rotslijster in Vlieland (NL). Al iets moeilijker om deze te gaan bekijken. Ofwel moet je met een bootje overvaren ofwel moet je olympisch kampioen lange afstandszwemmen zijn (hoewel, met een telescoop is dat niet echt makkelijk). Ook deze werd de laatste dagen niet meer gemeld.

Wie er wel nog zat (of vloog) was de roodstuitzwaluw van Texel (NL). En ondertussen werden er in België ook al een paar gezien. De laatste was aan het Etang de Virelles (B)

Roodstuit AJ Laansma

Roodstuitzwaluw (foto AJ Laansma)

Onze eendjes blijven ook mooi plakken. In België zit nog steeds de witkopeend te Kallo (B). en in Nederland de buffelkopeend te Barendrecht (NL). Iberische tjiftjaffen duiken ook bijna dagelijks op. Die van Noordwijk (NL) blijkt een blijvertje. En steppekiekendieven worden ook nog dagelijks waargenomen, vooral in Nederland. Meestal doortrekkend of even pleisterend.

Steppekiek Karel Hoogteyling

Steppekiek man met bruine kiek man (foto  Karel Hoogteyling)

Goede plekken voor steltlopers verdienen de komende dagen en weken zeker extra aandacht. Dat bewijst de poelruiter van de Drijdyck te Kieldrecht. Zo kwamen de rosse grutto’s en de eerste morinelplevieren al voorbij.

Opvallend waren ook de meldingen van verschillende reuzensterns op telposten. In de akkergebieden is het uitkijken naar grauwe kiekendieven en duinpiepers. En de merkwaardige draaihalzen zijn ook op doortocht. Terwijl de fluiters stilaan hun broedgebieden terug innemen.

Leren over projecteren.

Vandaag gaan we het hebben over de handpenprojectie. De buitenspelval van het vogels kijken. Iedereen heeft er wel al eens van gehoord, maar uitleggen wat het juist is, ho maar.

De correcte uitleg in elke vogelgids is : het deel van opgevouwen vleugel dat uitsteekt buiten de langste tertial.

Even op een rijtje zetten. Het gaat over de opgevouwen vleugel. Dat is de vleugel zoals een vogel hem houdt als hij in rust is. En dan de tertials. Even de les over de delen van de vleugel er terug bij halen.

1280px-BirdWingFeatherSketch.svg

De tertials zijn de drie veren die tussen de armpennen (4) en het lichaam (9) liggen. Op onze tekening dus nr. 8. Als de vleugel sluit dan liggen de tertials bovenaan. Daaronder de armpennen en daaronder de handpennen (1). Op de volgende tekening kan je goed zien wat waar zit bij een open vleugel en bij een gesloten of opgevouwen vleugel. Links boven de open vleugel van boven gezien. Rechts beneden de vogel in rust met een gesloten vleugel.

wing_tutorial_by_tnhawke-d3jfjyb

De punt van de vleugel wordt gevormd door de top van de langste handpen. De handpenprojectie is dus de afstand van de top van de langste tertial tot de vleugelpunt. Hieronder nog even ter verduidelijking. Groen zijn de tertials, rood de handpennen. Het gaat over de afstand van het meest linkse punt van de tertials tot de punt van de vleugel (meest linkse punt van handpennen).

bird_topography

Tweelingen.

Waarom willen we aan dit ene kenmerk zoveel aandacht besteden. Wel, het is een belangrijk kenmerk waar vaak op elkaar lijkende soorten verschil in hebben. Ik denk aan fitis (lange) en tjiftjaf (korte). Spotvogel (lange) en orpheusspotvogel (korte). Het is natuurlijk niet het enige kenmerk om deze soorten uit elkaar te halen. Maar wel een belangrijke.

We geven even een voorbeeld van soorten die je nu wel eens kan tegenkomen.

Paap Rik Clicque

Foto Rik Clicque

Paapjes en roodborsttapuiten. De mannetjes gaan niet zo veel problemen geven. Die haal je niet dadelijk door elkaar. Dit bewijst dit mannetje paap met zijn opvallende witte wenkbrauwstreep. Eén van de kenmerken van paapje. Maar de vrouwtjes dat is een ander paar mouwen.

Paap Marc Van Aerde

Foto Marc Van Aerde

Bij dit wijfje paapje hierboven zie je mooi de handpenprojectie. De brede donkere veren in het midden van de rug zijn de tertials. Het gaat dus om de afstand van de onderzijde van deze tertials tot de vleugelpunt (niet de staartpunt). Die is bij een paapje langer dan bij een roodborsttapuit.

Roodborsttapuit Frederik Noppe

Foto Frederik Noppe

Dit zie je bij dit vrouwtje roodborsttapuit. Wel een beetje in zijaanzicht. Maar de tertials zijn goed zichtbaar en de afstand tot het vleugelpunt is duidelijk korter.

Maar vogels zouden geen vogels zijn als ze dit af en toe niet wat moeilijker maakten. De aziatische roodborsttapuit, een ondersoort die af en toe bij ons eens opduikt, heeft dan weer een langere handpenprojectie dan zijn plaatselijke familielid. Een wijfje roodborsttapuit met een lange handpenprojectie kan je dus best even wat grondiger bekijken…

Aziatische robotap Johan Buckens

Aziatische roodborsttapuit (foto Johan Buckens)

To bogey of toch niet ?

Stormvogeltjes, zonder twijfel mijn bogey-bird. Want voorlopig staat hij nog steeds op geen enkele van mijn lijstjes. En je mag ze gerust allemaal in detail overlopen.

Een bogey-bird is een soort die je maar niet te pakken krijgt. Hoeveel moeite je ook doet. Terwijl bijna iedereen die je kent deze soort wel op zijn of haar lijstje heeft staan. En het hoeft niet echt een superzeldzaamheid te zijn. Dat bewijs ik zelf met mijn ongrijpbare soort.

Menige sea-watch (vogels spotten die over zee vliegen vanaf de kust) ten spijt. Jan-van-Genten, alken, zeekoeten en heel wat andere stormvogels kwamen mooi in beeld. Maar geen stormvogeltje.

valepijl2-1293

Vale pijlstormvogel, maar geen stormvogeltje in Oostende.

Zelfs een driedaagse trip met een overzetboot van Engeland naar Spanje speciaal voor walvisachtigen en zeevogels bracht geen soelaas. Er werden tijdens die trip meer dan 50 stormvogeltjes gezien. Zelf zag ik er zero. Buitenlandse reizen naar Madeira, Kroatië, Bulgarije waar men volgens de reisverslagen die ik las veel kans had op voorbijvliegende zeevogels op bepaalde uitkijkpunten over zee bleven ook zonder resultaat. Niet dat ik geen zeevogels zag. Integendeel, een prachtige lijst bracht ik mee naar huis. Ontbrekende soort… inderdaad, stormvogeltje.

kuhls pijl

Kuhls pijlstormvogel in Kroatië, maar gaan stormvogeltje.

Iedereen heeft zo wel een soort die je maar niet op je lijstje krijgt. En vaak is het er eentje waarvan al de vogelkijkers die rond je staan dan kunnen opscheppen met de keren dat ze die wel zagen. Het moment dat je die dan ooit toch kan te pakken krijgen zal zeker en vast een stoot adrenaline door je lijf jagen waarvan menig topsporter alleen maar van kan dromen. Dus ik blijf proberen tot ik die adrenaline kan laten stromen. De queeste naar mijn stormvogeltje blijft bestaan. Ooit…

 

Bonte piet.

We gaan geen controversiële post starten over de ridicule discussie over de Sint en zijn Pieten (ik durf het woord zwart er al niet meer bij te typen). Met de maand mei op komst starten we met een reeks over steltlopers. Want de komende weken kan je die zeker tegenkomen als je op de juiste plekken gaat vogels kijken.

Zwart en wit.

We starten met een groep waarvan er bij ons slechts één vertegenwoordiger is, de scholekster. Een luidruchtig baasje dat zowel tijdens de verleiding van zijn vrouwtje als nadien als er jonge “schollies” rondlopen zich constant laat horen. Een kenmerkend piet piet of een scherp en luid tepiet tepiet leverde hen in Nederland de bijnaam “bonte piet” op. Het verenkleed is opvallend maar simpel. Wit aan de onderzijde en zwart aan de bovenzijde. Meneer en mevrouw hebben dezelfde garderobe.

scholekster0001

Adulte vogel in broedkleed

Keelband.

In de zomer zijn de adulte vogels volledig zwart. Maar in hun winterkleed dragen ze een witte keelband. Dan kan je de adulte vogels en de 1ste winter vogels (dat zijn de jongen van dat jaar die hun 1ste winter meemaken) te onderscheiden door twee verschillen. De snavel van een adulte vogel is volledig oranje. En bij de 1ste jaars vogels is er een zwarte snavelpunt te zien. Een tweede verschil is de kleur van de rug en de vleugels. Bij adulte vogels mooi zwart en bij 1ste jaars vogels bruinzwart en doffer van kleur. De juveniele vogels zijn nog iets doffer en hebben witte randjes aan hun vleugeldekveren. Die houden ze tot aan hun 1ste winter en dan zijn bij de meeste vogels die randjes verdwenen. Letterlijk, ze zijn afgesleten.

_MG_5979

Bruinzwarte rug, zwarte snavelpunt, witte keelband : 1ste winter.

scholekster0001-3

Ondanks dat we de snavel niet zien door de zwarte rug : adulte vogels in winterkleed.

Dakwerkers.

Scholeksters kom je al lang niet meer enkel tegen aan de kust. Hier zien we ze op soms in weides en dan vaak in de buurt van gebouwen met platte daken. Ze vinden deze daken bedekt met stenen blijkbaar een goed plekje om een nest te bouwen. Bouwen is trouwens een groot woord. Een kuiltje tussen de stenen vinden ze meer dan goed genoeg. En waarom ze platte daken verkiezen is simpel. Probeer maar eens een ei te leggen op een schuin dak. Dat kan zelfs onze bonte piet niet.

scholekster0001-2

Het kenmerkende zwart-witte patroon tijdens de vlucht met de knal-oranje lange snavel is onmiskenbaar. Als je trouwens goed kijkt kan je zelfs op deze afstand de adulte en de 1ste jaars vogels uit elkaar halen. Bij vogel 3, 4 en de laatste zie je de zwarte snavelpunt. Dit zijn dus 1ste jaars vogels. Al de rest zijn adulte bonte pieten.

 

Zijn er eitjes op komst ?

Vandaag gaan we het hebben over de broedcodes. Zeker bij het inventariseren van vogels, maar ook bij gewone waarnemingen, is dit interessant. Het gaat om het noteren van het gedrag van een vogels (of een paartje) bij je waarneming. En bij de broedcodes gaat het om gedrag dat aanwijzingen geeft over een mogelijk broedgeval. Hoe hoger de code, hoe zekerder het feit dat er eitjes komen (zijn of geweest zijn). Het opslaan van zulk gedrag bij je waarnemingen maakt ze dadelijk een stuk waardevoller. Dus zeker doen. We zetten ze even op een rijtje.

Adult in broedbiotoop (code 1).

De soort is aanwezig. Een eerste vereiste om een nestje te bouwen. Maar totaal geen garantie dat dit ook gaat gebeuren. Misschien is hij gewoon op doortocht of vindt hij geen madam om een gezinnetje te stichten.

Baltsend of zingend (code 2).

Een mannetje dat zit te zingen wil zeggen dat hij het gebied geschikt vindt om er te gaan broeden. Dus dat is al een stapje verder. Maar nog steeds geen bewijs van een geslaagd broedgeval. Want madam hebben we nog niet gezien.

Paar in broedbiotoop (code 3).

Voila, madam is er ook. Weer een code hoger. Want om eitjes te maken die nadien kleine vogeltjes worden moet je in de vogelwereld voorlopig nog altijd met zijn tweetjes zijn.

Baltsend paar (ook paring) (code 4).

Hier zijn ze dus ook met zijn tweetjes. En ze laten ook zien dat ze elkaar wel zien zitten. Voor mij trouwens bij heel wat soorten de leukste waarnemingen om te zien. Wacht maar tot je bijvoorbeeld baltsende kiekendieven hebt gezien. Dat zal je niet gauw vergeten. De foto bovenaan is duidelijk een code 4.

Waarschijnlijke nestplaats (code 5).

Je ziet de vogel naar een mogelijke nestplaats vliegen. Maar het nest zelf heb je niet gezien. Als voorbeeld geven ze een huismus die ergens onder de dakpannen kruipt.

Alarmerend (code 6).

Een vogel die alarmeert doet dat nooit zonder reden. En tijdens het broedseizoen is die reden vaak het verwittigen van zijn partner of de jongen voor mogelijk gevaar. De alarmroepjes van soorten leren kennen is dan wel nodig.

Vogel met broedvlek (code 7).

Vogels die gaan broeden ruien hun buikveren en krijgen een meer dooraderde huid op die plek om de eieren beter te kunnen verwarmen. Dat noemen ze een broedvlek. Dus als je een vogel waarneemt met zo een kale plek dan weet je dat die een nest met eieren heeft. Of dit dan juist op de plek is waar je haar (of soms ook hem) waarneemt is natuurlijk weer een andere vraag.

Nestbouw (code 8).

Een vogel rondvliegend of rondhippend met nestmateriaal is zo goed als zeker bezig met een nestje te bouwen.

Afleidingsgedrag (code 9).

Heel wat soorten hebben gedrag ontwikkeld om mogelijk gevaar af te leiden van hun nestplaats. Een gekend gedrag is het veinzen van een gebroken vleugel. De vogel loopt met afhangende vleugel weg van het nest in de hoop dat de mogelijke predator hem volgt denkend aan een makkelijk hapje. Vogels met oscar-ambities.

Recent gebruikt nest (code 10).

Een leeg nestje dat duidelijk nog niet zo lang geleden bewoond was is weer een code hoger. Vers gebruikt kan je zien aan verschillende dingen. Verse uitwerpselen in het nest, veerstof (wanneer vogels hun veren ontwikkelen komen die eerst uit in een schacht die nadien in schilfers afvalt) of sporen van bewoning onder het nest.

Pas uitgevlogen of donsjongen (code 11).

Dit is natuurlijk een groot bewijs dat er een broedsel was. Maar toch niet de hoogste code omdat jonge vogels soms toch redelijke afstanden kunnen afleggen na het uitvliegen. Dus  de juiste plek van het nest kan soms toch verder liggen dan waar jij de jongen hebt  gezien.

Bezet nest (code 12).

Je ziet een vogel van of naar een nest vliegen. Maar de inhoud kennen we niet. Toch is de kans héél groot dat het hier om een broedgeval gaat.

Transport van voedsel en ontlasting (code 13).

Een vogel die met voedsel in zijn snavel rondvliegt heeft zeker een nestje ergens in de buurt. Nadat ze voedsel brengen wordt de ontlasting die in een soort zakje zit door de oudervogels bij heel wat soorten weggedragen naar een plek iets verder van het nest. Kwestie van de boel proper te houden en vooral om je nestplaats niet te verraden. Dus als je een vogel ziet met zo een poepzakje dan zijn we ook zeker dat er ergens jongen in een nest zitten.

Bezet nest met eieren (code 14).

De op één na hoogste code. 100% zeker een broedgeval. Maar of het een geslaagd broedgeval gaat worden weten we nog niet.

Bezet nest met jongen (code 15).

De hoogste code. Want nu zijn we 200% zeker. Er is een paartje, er is een nest, er waren eieren en nu zijn er ook jongen.

Vakje.

Moet je deze codes van buiten leren. Neen, dat is niet echt nodig. Want op het moment dat je je waarneming wil ingeven op de websites waarnemingen.be of waarneming.nl dan krijg je een vakje “gedrag” waar je uit een lijstje de meest passende keuze aanduidt.

En let ook op dat als je een waarneming doet van een mogelijk of zeker broedgeval je dit zo voorzichtig mogelijk aanpakt. Want het verliefde koppeltje verstoren is toch het laatste wat we willen, nietwaar ?

Common_Blackbird

Voedsel in de bek ? Code 13 dacht ik.

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research