Bonte piet.

We gaan geen controversiële post starten over de ridicule discussie over de Sint en zijn Pieten (ik durf het woord zwart er al niet meer bij te typen). Met de maand mei op komst starten we met een reeks over steltlopers. Want de komende weken kan je die zeker tegenkomen als je op de juiste plekken gaat vogels kijken.

Zwart en wit.

We starten met een groep waarvan er bij ons slechts één vertegenwoordiger is, de scholekster. Een luidruchtig baasje dat zowel tijdens de verleiding van zijn vrouwtje als nadien als er jonge “schollies” rondlopen zich constant laat horen. Een kenmerkend piet piet of een scherp en luid tepiet tepiet leverde hen in Nederland de bijnaam “bonte piet” op. Het verenkleed is opvallend maar simpel. Wit aan de onderzijde en zwart aan de bovenzijde. Meneer en mevrouw hebben dezelfde garderobe.

scholekster0001

Adulte vogel in broedkleed

Keelband.

In de zomer zijn de adulte vogels volledig zwart. Maar in hun winterkleed dragen ze een witte keelband. Dan kan je de adulte vogels en de 1ste winter vogels (dat zijn de jongen van dat jaar die hun 1ste winter meemaken) te onderscheiden door twee verschillen. De snavel van een adulte vogel is volledig oranje. En bij de 1ste jaars vogels is er een zwarte snavelpunt te zien. Een tweede verschil is de kleur van de rug en de vleugels. Bij adulte vogels mooi zwart en bij 1ste jaars vogels bruinzwart en doffer van kleur. De juveniele vogels zijn nog iets doffer en hebben witte randjes aan hun vleugeldekveren. Die houden ze tot aan hun 1ste winter en dan zijn bij de meeste vogels die randjes verdwenen. Letterlijk, ze zijn afgesleten.

_MG_5979

Bruinzwarte rug, zwarte snavelpunt, witte keelband : 1ste winter.

scholekster0001-3

Ondanks dat we de snavel niet zien door de zwarte rug : adulte vogels in winterkleed.

Dakwerkers.

Scholeksters kom je al lang niet meer enkel tegen aan de kust. Hier zien we ze op soms in weides en dan vaak in de buurt van gebouwen met platte daken. Ze vinden deze daken bedekt met stenen blijkbaar een goed plekje om een nest te bouwen. Bouwen is trouwens een groot woord. Een kuiltje tussen de stenen vinden ze meer dan goed genoeg. En waarom ze platte daken verkiezen is simpel. Probeer maar eens een ei te leggen op een schuin dak. Dat kan zelfs onze bonte piet niet.

scholekster0001-2

Het kenmerkende zwart-witte patroon tijdens de vlucht met de knal-oranje lange snavel is onmiskenbaar. Als je trouwens goed kijkt kan je zelfs op deze afstand de adulte en de 1ste jaars vogels uit elkaar halen. Bij vogel 3, 4 en de laatste zie je de zwarte snavelpunt. Dit zijn dus 1ste jaars vogels. Al de rest zijn adulte bonte pieten.

 

Zijn er eitjes op komst ?

Vandaag gaan we het hebben over de broedcodes. Zeker bij het inventariseren van vogels, maar ook bij gewone waarnemingen, is dit interessant. Het gaat om het noteren van het gedrag van een vogels (of een paartje) bij je waarneming. En bij de broedcodes gaat het om gedrag dat aanwijzingen geeft over een mogelijk broedgeval. Hoe hoger de code, hoe zekerder het feit dat er eitjes komen (zijn of geweest zijn). Het opslaan van zulk gedrag bij je waarnemingen maakt ze dadelijk een stuk waardevoller. Dus zeker doen. We zetten ze even op een rijtje.

Adult in broedbiotoop (code 1).

De soort is aanwezig. Een eerste vereiste om een nestje te bouwen. Maar totaal geen garantie dat dit ook gaat gebeuren. Misschien is hij gewoon op doortocht of vindt hij geen madam om een gezinnetje te stichten.

Baltsend of zingend (code 2).

Een mannetje dat zit te zingen wil zeggen dat hij het gebied geschikt vindt om er te gaan broeden. Dus dat is al een stapje verder. Maar nog steeds geen bewijs van een geslaagd broedgeval. Want madam hebben we nog niet gezien.

Paar in broedbiotoop (code 3).

Voila, madam is er ook. Weer een code hoger. Want om eitjes te maken die nadien kleine vogeltjes worden moet je in de vogelwereld voorlopig nog altijd met zijn tweetjes zijn.

Baltsend paar (ook paring) (code 4).

Hier zijn ze dus ook met zijn tweetjes. En ze laten ook zien dat ze elkaar wel zien zitten. Voor mij trouwens bij heel wat soorten de leukste waarnemingen om te zien. Wacht maar tot je bijvoorbeeld baltsende kiekendieven hebt gezien. Dat zal je niet gauw vergeten. De foto bovenaan is duidelijk een code 4.

Waarschijnlijke nestplaats (code 5).

Je ziet de vogel naar een mogelijke nestplaats vliegen. Maar het nest zelf heb je niet gezien. Als voorbeeld geven ze een huismus die ergens onder de dakpannen kruipt.

Alarmerend (code 6).

Een vogel die alarmeert doet dat nooit zonder reden. En tijdens het broedseizoen is die reden vaak het verwittigen van zijn partner of de jongen voor mogelijk gevaar. De alarmroepjes van soorten leren kennen is dan wel nodig.

Vogel met broedvlek (code 7).

Vogels die gaan broeden ruien hun buikveren en krijgen een meer dooraderde huid op die plek om de eieren beter te kunnen verwarmen. Dat noemen ze een broedvlek. Dus als je een vogel waarneemt met zo een kale plek dan weet je dat die een nest met eieren heeft. Of dit dan juist op de plek is waar je haar (of soms ook hem) waarneemt is natuurlijk weer een andere vraag.

Nestbouw (code 8).

Een vogel rondvliegend of rondhippend met nestmateriaal is zo goed als zeker bezig met een nestje te bouwen.

Afleidingsgedrag (code 9).

Heel wat soorten hebben gedrag ontwikkeld om mogelijk gevaar af te leiden van hun nestplaats. Een gekend gedrag is het veinzen van een gebroken vleugel. De vogel loopt met afhangende vleugel weg van het nest in de hoop dat de mogelijke predator hem volgt denkend aan een makkelijk hapje. Vogels met oscar-ambities.

Recent gebruikt nest (code 10).

Een leeg nestje dat duidelijk nog niet zo lang geleden bewoond was is weer een code hoger. Vers gebruikt kan je zien aan verschillende dingen. Verse uitwerpselen in het nest, veerstof (wanneer vogels hun veren ontwikkelen komen die eerst uit in een schacht die nadien in schilfers afvalt) of sporen van bewoning onder het nest.

Pas uitgevlogen of donsjongen (code 11).

Dit is natuurlijk een groot bewijs dat er een broedsel was. Maar toch niet de hoogste code omdat jonge vogels soms toch redelijke afstanden kunnen afleggen na het uitvliegen. Dus  de juiste plek van het nest kan soms toch verder liggen dan waar jij de jongen hebt  gezien.

Bezet nest (code 12).

Je ziet een vogel van of naar een nest vliegen. Maar de inhoud kennen we niet. Toch is de kans héél groot dat het hier om een broedgeval gaat.

Transport van voedsel en ontlasting (code 13).

Een vogel die met voedsel in zijn snavel rondvliegt heeft zeker een nestje ergens in de buurt. Nadat ze voedsel brengen wordt de ontlasting die in een soort zakje zit door de oudervogels bij heel wat soorten weggedragen naar een plek iets verder van het nest. Kwestie van de boel proper te houden en vooral om je nestplaats niet te verraden. Dus als je een vogel ziet met zo een poepzakje dan zijn we ook zeker dat er ergens jongen in een nest zitten.

Bezet nest met eieren (code 14).

De op één na hoogste code. 100% zeker een broedgeval. Maar of het een geslaagd broedgeval gaat worden weten we nog niet.

Bezet nest met jongen (code 15).

De hoogste code. Want nu zijn we 200% zeker. Er is een paartje, er is een nest, er waren eieren en nu zijn er ook jongen.

Vakje.

Moet je deze codes van buiten leren. Neen, dat is niet echt nodig. Want op het moment dat je je waarneming wil ingeven op de websites waarnemingen.be of waarneming.nl dan krijg je een vakje “gedrag” waar je uit een lijstje de meest passende keuze aanduidt.

En let ook op dat als je een waarneming doet van een mogelijk of zeker broedgeval je dit zo voorzichtig mogelijk aanpakt. Want het verliefde koppeltje verstoren is toch het laatste wat we willen, nietwaar ?

Common_Blackbird

Voedsel in de bek ? Code 13 dacht ik.

Weekendtips voor vogelaars.

Steppekiek (foto Julian de Frel)

Het voorstellen van leuke gebieden ga ik vanaf nu iets anders aanpakken. Elke vrijdag geef ik een update van de waarnemingen van “donkerrode” soorten van de voorbije week. Met de daarbij horende locaties. Zo komen degenen die daar naartoe gaan automatisch in die leuke gebieden terecht. En pikken ze (als ze wat willen rondkijken) ook de “gewone” soorten even mee.

Aankomers.

Op de Belgische soortenkalender zien we dat een aantal soorten zijn aangekomen. Zo werd de 1ste boomvalk gezien. Maar ook tuinfluiter, grasmus, kleine karekiet en snor hebben hun broedgebieden terug ingenomen. Na de boerkes zijn ook de huiszwaluwen en de eerste gierzwaluwen al genoteerd. En in de akkers en duin- en heidegebieden huppelen er terug tapuiten rond en zitten er paapjes op hun uitkijkposten.

Opvallend is de sterke doortrek van steppekiekendief en zwarte wouw. De eerste soort werd in Nederland bijna dagelijks wel ergens opgemerkt. In België iets minder maar toch ook deze maand verschillende meldingen.

Schermafbeelding 2017-04-21 om 17.16.34

Waarnemingen van steppekiek deze maand in Nederland.

Schermafbeelding 2017-04-21 om 17.17.59

Idem voor België.

Eendjes.

De meest standvastige vogels van de voorbije week waren twee eenden (tot spijt van wie het benijdt). Een witkopeend liet zich mooi bekijken op het Groot Rietveld te Kallo ten noorden van Melsele (B). En in Nederland bleef de buffelkopeend van Barendrecht – Gaatkensplas (NL)  mooi op post. Bij Wavre Etang de Bierges (B) (vlak bij Walibi) was een roodhalsgans de ster van de week.

Witkopeend Ludo Van Dorst

Witkopeend samen met rosse stekelstaart (foto  Ludo  Van Dorst)

Tot een paar dagen terug werd er boven het Grand Large te Nimy (B) een roodstuitzwaluw gezien. Op een bepaald moment vloog er ook nog eens een rotszwaluw rond. De laatste dagen werd hij wel niet meer doorgegeven. Wel het bewijs dat groepen zwaluwen afkijken lonend kan zijn. En de mongoolse pieper van de Brabantsche Biesbosch (NL) bij de Middelste Kievitswaard werd ook nog een aantal dagen gezien.

Als je de gebieden aanklikt kom je op de websites van waarnemingen terecht. En daar kan je dan verder doorklikken op de waarnemingen van dat bepaalde gebied. En zo kan je waarneming per waarneming verder bekijken en uitpluizen. Hopelijk een wekelijkse update die je op weg brengt naar leuke soorten en gebieden. Want meer mensen aan het birdwatching krijgen is toch nog steeds de bedoeling van mijn hele blogverhaal.

Boerkes of toch niet.

Foto Eddy Vaes

Momenteel stromen de zwaluwen langzaam maar zeker binnen in ons landje. Ze keren terug van hun overwinteringsgebieden in het verre Afrika. En dat doen ze in groepjes (die heel grote groepen zijn jammer genoeg verleden tijd). Vaak zien ze de eerste exemplaren boven grote plassen of vijvers. En het is altijd de moeite om zo een groep wat beter te bekijken. Niet simpel, want zwaluwen hebben de gewoonte constant rond te vliegen aan een stevige snelheid. Een goede oefening om met je verrekijker vogels te leren volgen in de vlucht. En ook voor fotografen is dit een mooie uitdaging.

Vergelijken.

Hier bij ons bestaan de meeste groepen vooral uit boerenzwaluwen (boerkes). Op dit moment te herkennen aan de verlengde buitenste staartpennen, de volledig donkere rug zonder een witte stuit, witte vensters in de staartpennen (niet de buitenste) en de kastanjerode keel. De onderzijde kan variëren van wit tot oranjeachtig. Het beste kenmerk zijn de verlengde staartpennen. Er is slechts één andere zwaluwsoort die dit ook heeft, de roodstuitzwaluw. En die kan er ook wel eens tussen zitten. Maar dan heb je een mega-waarneming. Want die komen hier heel zelden voor.

roodstuitzwaluw6

Roodstuitzwaluw (foto Dirk Ottenburghs)

Grote verschil met de boerenzwaluw is de bleke stuit. Deze is licht roestrood. Op de onderzijde ontbreekt de rode keel (bij roodstuit is die wit) en valt de scherpe begrenzing tussen de witte buik en de zwarte onderstaartveren op. De onderzijde van de hand- en armpennen is bleek, terwijl die bij een boerenzwaluw donker zijn.

Huisje of oevertje.

Wie je wel vaker in zulke groepen gaat tegenkomen zijn huiszwaluwen (huisjes). Meest opvallende kenmerk is de hagelwitte stuit. Dit is bij ons de enige zwaluw die dit heeft. De rest van de bovenzijde is mooi staalblauw. De onderzijde is op de staartpennen na volledig wit. De vleugels zijn aan de onderzijde bleek.

Zwaluw Guy van WassHuiszwaluw (foto Guy van Was)

En dan heb je nog de oeverzwaluw (oevertje). Deze herken je meestal in een gemengde groep met boerkes en huisjes aan zijn bruingrijze kleur. De bovenzijde is egaal gekleurd. Maar de onderzijde is net als een huiszwaluw wit met donkerdere ondervleugels. Maar daar is het beste kenmerk de beige borstband die de witte buik en de witte keel scheid. Enige soort die je met een oevertje kan verwarren is de zeldzame rotszwaluw. Deze heeft geen borstband en de onderzijde is lichtbruin en niet wit zoals bij een oeverzwaluw. Opvallendste kenmerk bij een rotszwaluw zijn de witte vlekken op de bovenzijde  van de staartpennen die zichtbaar worden bij een gespreide staat.

Zwaluw Marc Tielemans

Oeverzwaluw (foto Marc  Tielemans)

Horen.

Ook een dankbaar kenmerk zijn de verschillende geluiden. Maar dat is natuurlijk even oefenen voor je die kan onderscheiden. Boerkes kwetteren voortdurend. Hun roep is een rinkelend en opgewekt wiet of witwit. Bij opwinding een scherper siflit. Huisjes hebben een meer krasserige en heldere roep prrit. Oeverzwaluwen roepen minder. In groep hoor je wel een droog en raspend gekras.

En nu op zoek naar een grote plas met veel zwaluwen om de theorie om te zetten in de praktijk. Veel succes met onze boerkes, huisjes en oevertjes.

Oorlogstaal

We gaan het deze keer eens hebben over de “jizz”. Neen, geen muziekgenre dat verbonden is met jazz. Maar een term die aangeeft dat je een vogel kan herkennen op een paar seconden en dit via een aantal kenmerken. De theorie is dat deze birders-term afkomstig is van een tijdens WO II gebruikte afkorting voor “General Impression of Size and Shape (of an aircraft)”. Maar andere bronnen beweren dan weer dat vogelaars deze term al veel eerder gebruikten.

Oogopslag.

Kortom. De jizz bij een vogel zorgt er voor dat je een soort in een oogopslag kan herkennen. Het is dan ook zo dat je ondertussen heel wat kenmerken op jouw harde schijf moet hebben staan voor je dit gaat gebruiken. Zo zal bij velen de jizz van onderstaande soort wel aanwezig zijn.

Spread Pigeon Animal Flight Flying Bird Wings

Hier zijn het de duifachtige vorm, de roze borst en vooral de witte vlek in de hals die de jizz maken. En die mij doen besluiten dat ik (weer maar eens) een houtduif heb gezien.

120 km/uur.

Maar het gaat niet enkel om kleur, vorm, opvallende kenmerken. Maar ook een kenmerkend gedrag kan je een jizz opleveren. Zo lukt het mij om tegen 120km/uur op de autosnelweg een kleine roofvogel die in de berm komt jagen telkens te herkennen. En dit meestal zonder veel kenmerken te zien. Maar enkel op basis van het gedrag. Biddend (met gespreide vleugels ter plaatse in de lucht blijven hangen) boven een grasstrook. Dat moet een torenvalk zijn.

Maar een kolibrie doet dat toch ook, hoor ik jullie luidop denken. Wel, in de info van die jizz zitten ook voorkomen in bepaalde biotopen en streken. Als ik een biddende vogel zie in Zuid-Amerika (of een ander lekker warm land) dan ga ik niet dadelijk instinctief denken aan torenvalk. Maar ga ik die bidder toch even nader bekijken.

Common_kestrel_in_flight

Foutjes.

Zelf ben ik geen fan van al dat ge-jizz. Het gevaar van vogels determineren op basis van hun jizz is dat je het beestje niet goed genoeg bekijkt. “Het zal wel een houtduif zijn”, kan soms verkeerde conclusies opleveren. Misschien was het wel een holenduif of een zomertortel. Elke vogel toch even wat beter bekijken is geen slechte gewoonte. Maar die boodschap hadden we al gegeven. Zelf heb ik mijzelf opgelegd om bij elke waarneming ook leeftijd en geslacht proberen te bepalen. Daarvoor moet ik de vogels die ik zie zeker wat beter bekijken. Het lukt mij niet altijd om die details erbij te zetten. Maar zo haal ik mijn jizz-percentage wel een stukje omlaag. En kan ik van elke waarneming alweer wat meer genieten en vaak bijleren.

Een E meer of minder.

Foto Paul Van Gestel

De kans dat je een zee-eend zo goed kan bekijken als op de foto hierboven is redelijk klein. Zee-eenden zitten, zoals de naam al doet vermoeden, meestal op zee. Ik heb ze op mijn harde schijf staan als groepen dobberende zwarte dotjes of voorbij vliegende lijnen tussen de golven.

Af en toe is er eentje (of is het eendje) zo goed om even naar het binnenland te komen. Dit is dan bijna altijd op grote en diepe plassen. Zoals de grindplassen langs de Maas. Dan kan je met een telescoop ze iets beter bekijken. Maar dan niet in zomerkleed zoals hierboven, want ze komen het vaakst op bezoek tijdens de wintermaanden.

Zee-eenden.

Bij de echte zee-eenden heb je twee vertegenwoordigers. De grote (op de foto) en de zwarte zee-eend. Het verschil zit hem in de details. Vooral in de winter. Je kan ze nog het makkelijkst uit elkaar houden als ze vliegen. Want bij de grote zee-eend vormen de armpennen een wit vlak. Er is ook nog een brilzee-eend. Maar die is nog maar enkele keren gezien.

IJseend.

ijseend Herman Blockx

Foto Herman Blockx

Een beauty, vooral in zomerkleed, is de ijseend. Ook tijdens de wintermaanden mag ze er wezen. Maar dan is ze een stuk minder spectaculair dan in vol broedkleed. De mannetjes hebben in de zomer een zeer lange staartpunt en een bont zwart-wit pakje. Zelfde verhaal als bij de gewone zee-eenden. Grootste kans tijdens de winter en aan de kust met half-bevroren vingers met de tele over de zee turend.

Brilduikers.

Brilduiker Herman Blockx

Foto Herman Blockx

Deze leukers kom je wel vaker tegen in het binnenland. Als overwinteraars dan. In het voorjaar blijven ze vaak nog even plakken. En dan kan je de grappige balts van de mannetjes zien. Ze gooien luid roepend hun kop achterwaarts op hun rug al peddelend achter de vrouwtjes. Er is nog een ijslandse brilduiker. Met een grotere teugelvlek die tot boven de snavel loopt. En een donkerdere zijkant en meer paarsachtige kop. Maar deze is nog zeldzamer bij ons dan de brilzee-eend.

 

Kuieren langs de Maas.

Op nog geen uurtje rijden van mijn huis ligt gebied Bichterweerd. Dit overstromingsgebied langs de Maas is zeker een bezoekje waard.

Hoe kom je er ?

Dit natuurgebied dat in beheer is bij Natuurpunt ligt net ten zuiden van Elen (In België voor mijn lezers uit Nederland). Als je Langstraat Elen in je GPS ingeeft kom je uit op een weg die naar de Maas loopt. Volg deze tot vlak voor de dijk en sla dan rechts een onverharde zandweg in. Volg deze tot aan een pompstation (of zoiets, mijn technische kennis is beperkt tot het feit dat je met een hamer moet kloppen en met een zaagje niet). Daar kan je je wagen parkeren. Toen ik uitstapte werd ik al dadelijk verwelkomd door een zingende geelgors.

bichterweert0001-2

Wandeling. 

Van daaruit kan je best het fietspad volgen dat tussen twee grote plassen doorloopt. Ik deed dit tot aan een soort slagboom waar je aan een grindbedrijf uitkomt. Daar kan je via een klaphekje naar links het gebied inlopen. Je volgt gewoon de dijk. Vanaf hier heb je heel wat goede uitkijkpunten. Deze dijk loopt tot aan de Maas. Dan volg je het wegje naar links en loop je tussen de rivier en de grindplas langs de Maas. Hier zie je hoe ze het water opnieuw ruimte hebben gegeven met mooie verbredingen aan de oevers en zandplaten. Let ook op sporen van de bevers. Die komen hier ook voor.

bichterweert0001-4

Tussen de weg en de plas is een mooi begroeid gebiedje. Hier heb je altijd kans om kleine zangvogels, lijsterachtigen en meer van dat. Zelf had ik hier mijn eerste grasmus voor dit jaar. Op het einde van de plas draait de weg achter de plas terug richting dijk. Je wandelt dan even door een stukje akkergebied. Blijkbaar op dit moment de plek om kneu te zien. Een prachtig mannetje kwam pronken met zijn rode borst.

Zo kom je vlot terug aan de parking uit. Een korte wandeling, maar met heel wat kansen op leuke soorten. Mijn lijstje was op een klein uurtje toch al goed gevuld.

Meer info :  https://www.natuurpunt.be/natuurgebied/maasweerden-bichterweerd

Schermafbeelding 2017-04-15 om 18.13.34

Wie woont er in uw tuin ?

Heel wat vogelkijkers gaan ooit wel eens inventariseren. Dit is het observeren en noteren van vogelwaarnemingen met als doel het aantal broedende koppels in een bepaald gebied te kennen. Dit doe je door op een gestandaardiseerde manier alle waarnemingen op een kaart te noteren. Wel enkel waarnemingen die aantonen dat de soort er broed.

Bijvoorbeeld zingende mannetjes, vogels met voedsel in hun snavel, baltsende koppels en natuurlijk ook nesten of uitgevlogen jongen. Deze discipline vraagt toch al heel wat kennis en ervaring. Zeker om gedrag in te schatten en ook geluiden. Zowel de zang als bedel- en alarmroepjes zijn hier belangrijk.

Avimap.

Vroeger noteerden wij alles op een dagkaart. Veel werk en vaak onhandig, zeker met druilerig weer. Zo kwam ik vaak thuis met een door de regen uitgelopen kaart waar bijna niets meer op te zien was. Op het einde van het broedseizoen sloot ik mij dan op in mijn bureau met al mijn kaarten van dat jaar. Om dan uren en uren alles over te schrijven op soortenkaarten en daar dan met een boek over monitoring erbij in te schatten hoeveel territoria elke soort nu juist had. Een monnikenwerk.

headerfoto_tablet_invoer_741_294

Gelukkig is dat verleden tijd. Avimap is een programma speciaal ontworpen voor dit doel. Je geeft je waarnemingen netjes in op je smartphone of tablet in het veld. En op het einde van het broedseizoen wordt alles in een fractie van een seconde geanalyseerd. En klaar is kees. Je moet wel even via Natuurpunt of SOVON je gebied dat je wil tellen laten aanmaken in het systeem. En je kan er aan beginnen.

avimap_app

Voorbeeld van kaartje Avimap.

De methode en werkwijze kan je terugvinden op de website SOVON. http://www.sovon.nl

Tuin.

Te moeilijk ? Het is inderdaad niet makkelijk voor beginners om dit te gaan doen. Maar elk begin is moeilijk. Misschien kan je wel eens een jaartje meelopen met een ervaren teller bij jou in de buurt.

Maar je kan ook starten zoals ik ooit deed. Ik telde een paar jaar mijn eigen tuin. Lekker overzichtelijk, niet te groot en met soorten die ik al snel leerde kennen. En misschien kom je wel voor verrassingen te staan. Zo had ik maar liefst zes koppels merel rond mijn huis zitten. En bleek er een braamsluiper zijn nestje te hebben gebouwd helemaal achteraan in mijn tuin. Jammer genoeg al een hele tijd geleden. Ondertussen is het een zeldzaam kereltje geworden die mijn tuin nu links laat liggen.

braamsluiper-2

 

De jacht is open.

Je kan geen blog over vogels kijken maken zonder te spreken over twitchen. Een onderdeel van birdwatching dat zijn voor- en tegenstanders heeft. Maar elke vogelkijker heeft wel een twitch-periode.

Volgens Wikipedia : “Twitchen betekent het gericht opzoeken van een bijzondere vogel, geïnformeerd door derden.”

Gezien.

Twitchers volgen alle mogelijke kanalen waar ze meldingen krijgen van zeldzame vogels die ergens opduiken. Er zit zelfs een systeem achter waarmee je een melding op je smartphone krijgt waar welke soort werd gezien. In mijn tijd was dat zelfs met een bieper die een cijfercode doorgaf die je dan nog eens met een klein groen boekje moest ontcijferen. Nog spannender dan nu.

Eenmaal de locatie gekend dan rijden ze naar daar om de soort te zien en toe te voegen aan hun lijstje. Tegenstanders vinden dat maar niks. Zij vinden dat je zelf op zoek moet gaan naar soorten en je die dan uitvoerig moet bekijken. Voorstanders, meestal zelf twitchers of ooit geweest, vinden dat iedereen die met vogels bezig is moet gekoesterd worden. Op welke manier die daar ook mee bezig is. Ze krijgen ook het verwijt dat ze nergens rekening mee houden. Zeldzame planten vertrappelen, op privé-eigendom rondlopen, de vogel zelf verstoren,… Maar ik denk dat dit om een kleine minderheid gaat. En van die individuen kom je in elke hobby wel tegen vrees ik. Ik denk dat iedereen zijn mening heeft over dit fenomeen. Maar dat mag natuurlijk.

Kilometers.

Zelf ben ik eigenlijk ook nog een beetje een twitcher. Want ik kan het niet laten om als er ergens een zeldzame soort wordt gemeld toch een poging te doen om deze te gaan bekijken. Het extreme is er een beetje uit. Een paar honderd kilometer rijden op een voormiddag om een giervalk te gaan bekijken in het noorden van Nederland zit er niet meer in. Of vier dagen achter elkaar naar Antwerpen rijden voor een kleinst waterhoen omdat we de juiste plek niet vonden zal mij ook niet meer dadelijk gebeuren. Of na het werk snel nog even naar Maastricht om daar te horen dat die roodstuitzwaluw net vertrokken is doe ik ook niet meer. Alhoewel…

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Dit is het beeld wat ik zag, zonder de roodstuit.

Taiga.

Het meest indrukwekkende van dit twitchers-wereld vind ik persoonlijk de massa mensen die naar zo een mega-soort komen kijken. Zo herinner ik mij een taigastrandloper, superzeldzaam, die in Nederland op een slik kwam uitrusten. Het beeld van honderden vogelkijkers die mooi op de dijk rond het meertje naar deze kleine steltloper zaten te kijken zal mij nog lang bijblijven. Dan pas ontdek je hoeveel mensen er met deze superleuke hobby bezig zijn. Twitchen, ik kan het iedereen aanraden. Maar dan wel met respect.

taiga-2-11

Taigastrandloper.

 

 

Snaveltjes toe.

Bij de iets oudere lezers van mijn blog zeker een bekende uitspraak uit de kinderserie “De Fabeltjeskrant” van meneer de uil. Waar we deze keer het gaan beperken tot de snavel. Een onderdeel dat elke vogel heeft en dus zeker nader studiewerk vraagt bij het aanschouwen van een onbekende vogel.

Vorm.

De vorm is belangrijk. Want die kan van soort tot soort veel verschillen. Van een kleine spitse snavel (bij insecteneters) tot een stompe kegelvormige (bij zaadeters). Maar het kan nog veel gevarieerder. Een haaksnavel bij roofvogels of een speciaal voor hun menukeuze ontworpen werktuig bij steltlopers. Valt het niet op dat steltlopers die vaak samen voedsel zoeken ook allemaal verschillende snavels hebben ? Dit is zo omdat ze dan elk hun eigen diepte of plekje kunnen afzoeken en dit naar het voedsel dat zij willen vinden. Zo kunnen ze samen rondlopen op één plekje en toch elk hun specifiek voedsel vinden. Knap gevonden noem ik dat. Blader maar eens door je vogelgids en je zal verbaasd zijn hoeveel verschillende snavels er zijn.

Wulp_(8721752364)

De wulp zoekt in een bocht.

Uniek.

Sommige soorten hebben een unieke snavel wat betreft vorm, lengte of zelfs kleur. Dan denk ik aan de lepelaar (met een snavel als een lepel), de keelzak van een pelikaan of de bontgekleurde snavel van een papegaaiduiker. Maar ook de lange rode snavel van de ooievaar mag er wezen. Vaak geeft de kleur trouwens indicaties over de leeftijd. Bij de ooievaar hebben 1ste jaars vogels een zwarte snavel en geen rode. Dus de kleur noteren is zeker van belang.

Atlantic_Puffins,_Scotland

De bonte snavel bij papegaaiduikers in broedkleed.

Tand.

De kenmerken van de snavel kunnen je ook al vertellen bij welke familie je bent terecht gekomen. Bij de roofvogels hebben de valken een tand op hun bovensnavel. Speciaal ontworpen om prooien te verscheuren. Ze noemen dit dan ook een valkentand. Als je die ziet weet je al op welke bladzijde je je vogelgids moet openslaan.

falco_peregrinus_01

De valkentand bij een slechtvalk.

En bij meeuwen spreken ze dan weer over de “gonyshoek”. Vooral bij grote meeuwen kan je die mooi zien. Dit is een hoek of bobbeltje in de ondersnavel. Dit kenmerk kan je soms helpen om bij grote meeuwen de soort te bepalen.

Blijkbaar is er toch heel wat te zien aan die snavel. Een gekregen vogel moet je dus als vogelkijker wel in de bek kijken.

gull-1564262_960_720

De gonyshoek op de ondersnavel bij meeuwen.

 

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research