Roofvogels in de vlucht.

Oktober is de maand bij uitstek om roofvogels te spotten. Heel wat soorten doorkruisen ons luchtruim op weg naar het zuiden. Want ook roofvogels trekken in de winter naar andere oorden. Zo duiken er in ons landje heel wat buizerds op van uit het koudere noorden. Ze herkennen als ze voorbij zweven is een hele uitdaging.

Grootte.

Het inschatten van de grootte van een vliegende vogel is niet makkelijk. Zeker niet als je geen vergelijking kan maken met andere vogels. Daarom dat er heel vaak mensen zijn die mij komen vertellen dat ze een arend hebben gezien. Na hun beschrijving van de vogel die ze waarnamen of in de gevallen dat er een foto werd gemaakt moet ik meestal vertellen dat ze een buizerd hebben gezien. Waarna ik meestal de reactie krijg “neen, die was veel groter dan een buizerd”. Terwijl het 100% zeker een buizerd was. Inschatten van grootte is niet simpel en zeker als je door een verrekijker of telescoop kijkt. Dus daar moet je dan ook mee opletten.

Een goed begin is om de roofvogel die je ziet proberen te plaatsen in de juiste familie. Dat kan door op bepaalde kenmerken te letten.

Valken.

In hun vliegbeeld vallen deze op door hun smallere vorm, meestal toegevouwen staart in vlucht en spitse en geknikte vleugels. Vertegenwoordiger zijn torenvalk, boomvalk, smelleken en slechtvalk.

Falco_peregrinus_-Morro_Rock,_Morro_Bay,_California,_USA_-flying-8

Slechtvalk

Kiekendieven.

Deze herken je meestal door hun gedrag. Ze hebben een typische manier van jagen. Laag boven de grond zoeken ze de beplanting af naar prooien. Dit met een “hobbelige” vlucht. Hoog in de lucht vallen ze op door hun smal lichaam (bruine iets breder), lange vleugels met vingers. Dit zijn de handpennen die los van elkaar kunnen onderscheiden worden.Vertegenwoordigers zijn bruine, blauwe, grauwe en als kers op de taart steppenkiekendief.

Blauwe_Kiekendief

Vrouwtje blauwe kiekendief.

Wouw.

Een zeer goed kenmerk is bij deze soorten de gevorkte staart in de vlucht. Bij rode heel duidelijk, maar bij zwarte iets minder opvallend. En daarmee heb je ook de twee vertegenwoordigers, de rode en de zwarte wouw.

1280px-Milvus_milvus_Jura

Rode wouw.

Snelle jagers.

Dan heb je de sperwers en de havikken. Soms moeilijk uit elkaar te houden. Het mannetje havik en het vrouwtje sperwer zijn dan ook nog eens ongeveer even groot. In de vlucht brede vleugels met stompe uiteindes. Het zijn heel snelle jagers die hun prooien tot tussen de begroeiing achtervolgen. Sperwer komt ook in je tuin jagen.

Accipiter_nisus_-in_flight-8-4c

Vrouwtje sperwer.

Buizerds.

De meest voorkomende soort in ons land. Zeker tijdens de trekperiode. Dus heel vaak gaat een roofvogel die je ziet vliegen of thermieken (omhoog cirkelen op warme lucht) een buizerd zijn. Hier zijn de brede vleugel, wat plompe vorm en brede staart een kenmerk (foto buizerd bovenaan post). Hoewel niet echt een vertegenwoordiger van die groep, want het is een andere familie, is de wespendief die erg op een buizerd lijkt in de vlucht. Verschil is de iets langere vleugels en de smalle spitse “duivenkop”.

Wespenbussard_Pernis_apivorus_by_A._Görtler_Edit

Wespendief

Grootste.

En dan heb je de groep van de arenden. Dit zijn roofvogels met grote spanwijdte (de afstand tussen de toppen van de opengesperde vleugels). Maar zoals al gezegd is dit vaak niet goed in te schatten. Maar als je ze ziet vliegen er vaak andere vogels in hun buurt zoals kraaien of buizerds om ze proberen te verjagen. Dan vallen ze dadelijk op door hun immense afmetingen. Zeearend noemen ze bijvoorbeeld de vliegende deur omdat hun tot 2m50 spanwijdte heeft. Arenden kan je herkennen aan hun forse bouw, brede staart en de vingers aan hun vleugels. De meest voorkomende soorten in ons landje zijn visarend en zeearend. Maar meest voorkomend is niet de juiste woordkeuze. Want deze familie blijft een zeldzame verschijning. En andere soorten zoals slangenarend, dwergarend en onlangs keizerarend in Nederland zetten een telpost gegarandeerd op stelten. Maar dat is dan weer een andere vogelfamilie.

Haliaeetus_albicilla_-Littleisland,_Norway_-juvenile-8a_(6)

Juveniele zeearend.

 

Paap of tapuit ?

Tapuit mannetje in zomerkleed

Momenteel zijn heel veel vogels op trek. En daar zitten nu regelmatig tapuiten en paapjes tussen. Hier zie ik er heel wat op de geoogste akkers. Het zijn beestjes die graag meewerken want ze hebben de gewoonte om op hogere plekjes te gaan zitten. Paaltjes, omhoogstekende planten in akkers of gewoon hoopjes aarde. Daardoor vallen ze goed op. Maar wie is nu wie ?

Tapuiten.

We hebben het hier voor alle duidelijkheid over de gewone tapuit. Want als je je vogelgids erbij haalt zal je merken dat er een hele trits tapuiten in staan. Dus als je een tapuit ziet zeker nog eens extra goed bekijken. Misschien is het wel een zeldzame soort. In winterkleed lijken al die soorten trouwens redelijk fel op elkaar.

Oenanthe_oenanthe_no

Vrouwtje tapuit

Een opvallend kenmerk van tapuit is de zwart en witte staartekening. Het is meestal door die tekening dat ik ze opmerk op akkers. Mannetjes hebben een brede zwarte oogstreep afgeboord met wit erboven en eronder. De borst bij de mannetjes is ook iets warmer van kleur dan bij de vrouwtjes. Deze herken je ook hun staarttekening. Maar die missen de zwarte oogstreep. In winterkleed verdwijnt dat zwarte masker. Maar toch kan je vaak toch nog sporen er van zien, vooral in de teugel die zwart blijft.

Paapje.

Vaak zie je in de buurt van tapuiten ook paapjes. Die zitten heel graag op hoge plekjes om de omgeving goed te bekijken. In alle kleden kan je ze herkennen aan de brede witte of beige wenkbrauwstreep. In broedkleed is het mannetje opvallend zwart-wit gekleurd met een fel oranje borst die naar de flanken loopt. Maar in de winter ruien ze naar een kleed dat gelijk is aan dat van de vrouwtjes. Enkel de witte vlek aan de basis van de handdekveren laat bij sommige exemplaren (vooral adulte vogels) zien dat het om mannetjes gaat. De bovenstaartveren en stuit zijn altijd bruin gevlekt wat ze ook onderscheid van de tapuit.

Saxicola_rubetra_1_(Martin_Mecnarowski)

Paapje, adulte man zomerkleed.

14470456263_4a6bf7997e_b

Paapje winterkleed.

Robotap.

En dan hebben we nog de roodborsttapuit, door heel wat vogelkijkers die niet graag schrijven afgekort naar robotap. In zomerkleed zijn de mannetjes onmiskenbaar. Maar in winterkleed wordt het al iets moeilijker. Hier geen witte of beige wenkbrauwstreep. zo kan je hem onderscheiden van de paapjes die die altijd hebben. En geen zwart-witte staarttekening. Dat is een kenmerk waarmee je hem van de tapuit kan onderscheiden. Maar dit gaat niet gebeuren want de vorm van een roodborsttapuit is heel anders dan die van een tapuit. Veel gedrongener en ronder in tegenstelling tot de meer langgerekte vorm van een tapuit.

En zie je toch een robotap met een witte stuit (geen staarttekening voor alle duidelijkheid) dan is het opletten geblazen. Want mogelijk kijk je dan naar de zeldzame aziatische roodborsttapuit die af en toe opduikt in ons landje.

cbcc51888647a70f469367a0d4b6b25a

Roodborsttapuit man.

sax-tor-rub-02b

Roodborsttapuit, links man rechts vrouwtje.

 

De kleintjes.

Deze keer gaan we voor de miniatuur-vogeltjes. Je herkent denkelijk al dadelijk de winterkoning. Een heel klein bruin vogeltje met een vage lichte wenkbrauwstreep en een kenmerkend kort staartje dat hij vaak rechtopstaand draagt. Het geluid is een voor dit kleine dutske opmerkelijk luid gezang met een voor mij kenmerkende ratel erin. Van uitzicht en zang onmiskenbaar. Maar toch is dit niet het kleinste vogeltje in ons land.

Goud.

Die titel gaat naar het goudhaantje. Een soort die zich graag ophoudt in naaldbomen. En dat meestal verborgen in de toppen. Ze horen is makkelijker dan ze zien. Hun hoge roep en zang is voor sommige mensen met gehoorproblemen buiten bereik. Krijg je ze in beeld dan valt vooral de kruinstreep op. In rust verborgen, maar eenmaal nerveus (en dat zijn ze vaak) dan valt ze heel goed op. Bij de mannetjes geel met oranje. Bij de vrouwtjes enkel geel. Ze hebben een duidelijke vleugelstreep en witte toppen op de vleugeldekveren. Een op de bovenzijde groen verenkleed en de onderzijde bleker beigegroen. Ze hebben een “vriendelijke uitdrukking” op hun gezicht.

goudhaan0001

Vuur.

Dan heb je ook vuurgoudhaan. Ook een weliswaar zeldzamere broedvogel en overwinteraar in ons landje. Heeft dezelfde kenmerken als het goudhaantje maar alles is wat feller van kleur. De rugkleur is helderder groen. De kruinstreep is veel feller van kleur. Bij de vrouwtjes geel en bij de mannetjes knallend oranje (dus vurig). Ze hebben een brede witte wenkbrouwstreep en snorstreepje. Afgeboord met een zwarte oogstreep.

DSC04670

Nog een koning.

Op zoek gaan naar deze rakkertjes levert soms wel eens leuke “bijvangsten” op. Nu de winter nadert gaan deze kleine zenuwpeesjes zich verzamelen in groepen om dan door struiken en hagen in groep te foerageren. Dit in gezelschap van soorten als staartmezen, pimpel- en koolmezen. Zulke groepen goed afkijken is een aanrader.

Misschien kom je zo wel een bladkoning tegen. Deze noordse soort duikt de laatste jaren steeds vaker op. Hij lijkt op het goudhaantje maar mist de opvallende kruinstreep. Ze hebben ook twee duidelijke vleugelstrepen en gele toppen op de vleugeldekveren. De algemene kleur is ook meer mosgroen.

En eenmaal je in deze categorie bent aangekomen. Dan gaat er een hele wereld van mogelijke dwaalgasten voor je open. Een wereld van nerveuze en moeilijk te volgen vogeltjes met minieme verschillen in hun verenkleed. Niet makkelijk, maar wel super leuk.

bladkoning1005-4

Sylvia’s in de aanbieding.

Op dit moment vliegen er elke nacht duizenden vogels over ons hoofd. Want heel wat soorten zijn hun heroïsche tocht naar het warme zuiden al begonnen. Als ringer kan ik dit fenomeen van heel kortbij ervaren. Maar ook als vogelkijker kan je een stukje van deze superleuke taart meepikken.

Bessen.

Want na elke etappe tanken deze trekvogels bij in een wegrestaurant. Niet door aan te schuiven aan een selfservice. Maar door zich vol te proppen met voedsel dat ze in bosjes, hagen en zelfs uw tuin vinden. Plekken met veel bessen en beschutting zijn dan ook de locaties waar je momenteel wel een kijkje kan gaan nemen. Het is wel hard werken. Alle struiken afscannen en elke beweging die je ziet grondig checken. Want onze reizigers weten dat achter elk blaadje of struikje gevaar kan schuilen. Dus zijn ze heel voorzichtig en sluipen ze als het ware door de struiken. Spannend.

Basis.

En je kan echt alles tegenkomen. En daarom is het belangrijk dat je de “gewone” soorten goed leert kennen. Eenmaal die op je harde schijf staan gebrand dan weet je als er iets speciaals voorbij hipt. En wees gerust. Dan schiet de adrenaline naar ongekende hoogtes.

Dus hier een overzichtje van de basissoorten (en wees gerust, die vind ik zelf ook de moeite om te kunnen bekijken).

Zwartkop.

De meest voorkomende soort is de zwartkop. De naam zegt het eigenlijk helemaal. Een grijs-bruine vogel met een zwarte kruin. De vrouwtjes houden het bij een roodbruin kapsel. Juveniele vogels hebben dan weer een doffer bruine kruin. En de pubers die mannetjes blijken te zijn krijgen in het najaar stilaan een zwarte kruin. Dus vogels met tweekleurige kruin zijn zeker 1ste jaars vogels. Hun zang is prachtig. Ze worden dan ook soms bastaardnachtegalen genoemd.

1280px-Sylvia_atricapilla_no

Vrouwtje zwartkop (mannetje bovenaan) – Sylvia atricapilla.

Tuinfluiter.

De tweede vertegenwoordiger is de tuinfluiter. De simpelste wat betreft uitzicht. Een forse vogel met een eentonig grijs verenkleed. Geen toeters of bellen. Vrouwtjes en mannetjes zijn identiek. De 1ste jaars vogels zijn iets bruiniger van kleur. Zijn liedje is ook vrij bescheiden. Een zacht melodieus gezang. Het lijkt op dat van zwartkop maar bescheidener en zonder die forse uithalen.

Flickr_-_Rainbirder_-_Garden_Warbler_(Sylvia_borin)

Tuinfluiter – Sylvia borin.

Grasmus.

De hevigste van de bende is de grasmus. Het mannetje laat zich tijdens het broedseizoen goed opvallen door op toppen van struiken te gaan zingen of opvallende baltsvluchten te doen, al zingend. Een goed kenmerk. Een bruikbaar kenmerk zijn hier de roodbruine gerande vleugeldekveren en armpennen. Dit valt echt op in het veld. Ook de witte keel is een weggever. Maar de braamsluiper die dadelijk aan de beurt komt heeft dit ook. Mannetjes hebben een grijsblauwe kruin en wangen en een opvallend roodachtig oog. Ze hebben ook een roze schijn op de borst en flanken. Vrouwtjes missen deze roze schijn en de kop is ook minder intensief gekleurd. Jonge vogels zijn meer grijsbruin. Maar de roodbruine randen in de vleugel zijn wel al aanwezig.

Common_Whitethroat

Grasmus – Sylvia communis.

Braamsluiper.

De minst algemene van ons viertal is de braamsluiper. Zoals de naam zegt een geniepig kereltje dat je niet zo makkelijk te zien krijgt. Vaak geeft hij zijn aanwezigheid enkel prijs door zijn gezang. Hij start met een stil prevelend liedje gevolgd door een luide en snelle ratel. Hij lijkt op de grasmus. In het Engels noemen ze hem dan ook de lesser whitethroat (kleinere grasmus). En dat is hij ook. Een miniversie van de grasmus met de opvallende witte keel en op de vleugels ook een bruine omranding. Maar veel minder intensief en opvallend dan bij de grasmus. Typisch is hier de zwarte oogstreep en donkere oorstreek. Nog extra geaccentueerd met een (soms niet zo opvallende) witte wenkbrauwstreep. De poten geven ook een hint. Bij braamsluiper zwart, bij grasmus vleeskleurig. Bij jonge vogels of tijdens winter is de oogstreep minder opvallend, maar wel steeds aanwezig.

Lesser_Whitethroat_(Sylvia_curruca)_(4)

Braamsluiper – Sylvia curruca.

 

Duif op het menu.

woodpigeon-274834_960_720

Houtduif.

De houtduif is een van de meest voorkomende vogels in onze regio. Een geweldig aanpassingsvermogen, gebrek aan natuurlijke vijanden en een enorme voorplantingsdrang zijn de factoren die hiervoor hebben gezorgd. De kans dat je een dag er geen hebt gezien is dan ook erg klein. Want ondertussen hebben ze zowat alle biotopen die ik ken veroverd.

Een adulte houtduif herkennen is niet zo moeilijk. Het aantal soorten duiven in ons landje is dan ook beperkt (eigenlijk maar twee). Meest opvallend kenmerk zijn de witte halsvlek en tijdens de vlucht de witte vleugelstreep op de bovenvleugel. Juveniele exemplaren missen echter die halsvelk. Maar je kan ze herkennen aan hun stevig formaat. In het voorjaar valt hun opvallende baltsvlucht op (balts is specifiek gedrag van mannetjes om vrouwtjes te imponeren). Ze stijgen al klapwiekend op om dan met stijve vleugels af te glijden.

Op onze telpost worden wij elk jaar (we liggen gelukkig oostelijk genoeg) getrakteerd op immense groepen houtduiven. In wolken met vaak honderden vogels trekken ze vanuit de noordse landen naar Frankrijk. Een aantal vinden ons landje ook goed genoeg en blijven dan ook hier overwinteren. Onze broedvogels trekken ook meestal wat zuidelijker, maar heel wat blijven dankzij de zachtere winters ook gewoon hier. Er zijn zelfs paartjes die zelfs dan nog een nestje durven grootbrengen.

Holeduif.

En dan heb je de kleinere vertegenwoordiger bij de duiven. Onze holeduif is merkelijk kleiner en fijner gebouwd dan de plompe houtduif. De witte halsvlek en vleugelstreep ontbreekt. Wel valt vooral tijdens het broedseizoen is de groenblauwe halsvlek. Soms vliegen ze mee in een groep houtduiven en je haalt ze er zo uit. enerzijds door hun formaat, maar ook door de snellere vleugelslag. Ze zijn ook een pak minder talrijk dan hun neefjes de houtduiven. En ze broeden, zoals hun naam al deed vermoeden, in holen. Holtes in bomen en vaak ook nestkasten.

8632244714_b558103f85_b

Reisduif.

En dan heb je de verwilderde reisduiven. In de stad ben je ze zeker al tegengekomen. Maar daar is het een poespas van kleuren, afmetingen en vormen. Ze kweken door elkaar dat het een lieve lust is. Maar toch vliegen er ook beesten rond die je zou kunnen verwarren met vooral de holeduif. Want oorspronkelijke stammen al deze reisduiven af van hun wilde voorvader, de rotsduif. In zuidelijk Europa zou die nog als wilde vorm voorkomen. Hoewel er specialisten zijn die beweren dat er eigenlijk geen zuivere wilde rotsduiven meer zouden bestaan. Bij ons gaat het dus zeker over verwilderde duiven. Je kan ze onderscheiden van de holeduif door het zwaardere formaat (hoewel dit kan variëren) en de volledige twee zwarte banden op de vleugels. En (meestal) het rode oog dat bij een holeduif donker is.

pigeon-2333340_960_720

Hoor wie klopt daar.

Spechten zijn fascinerende vogels met een hele eigen levenswijze. Ze zoeken hun voedsel vaak al klauterend tegen een boomstam. En ook hun nest hakken ze zelf uit in een boom. Holtes die nadien vaak worden overgenomen door andere soorten.

Groen.

Ze herkennen is voor één soort alvast niet zo moeilijk. De groene specht heeft zijn naam niet gestolen en is dan ook op zijn rug groen gekleurd. De borst, buik, keel en wangen zijn dan weer grijs-groenig. En de stuit is vooral in de vlucht opvallend fluogroen. De teugel en de oogstreek zijn dan weer zwart. Maar kenmerkend is toch het rode petje. Mannetjes en vrouwtjes kan je uit elkaar houden door de kleur van de baardstreep. Bij vrouwtjes volledig zwart. Bij mannetjes met dezelfde rode kleur er in als hun petje. Jonge vogels hebben een gebandeerde bovenzijde, kop en onderzijde.

Je kent deze soort denkelijk als bezoeker van je gazon. Want mieren zijn één van hun lievelingsgerechten. Met hun lange snavel en nog veel langere tong halen ze die netjes uit jouw grasperk. Hun geluid is vooral in het voorjaar ook opvallend. Een in de vlucht schril kuu-kuuk-kuuk of vanaf hun zitplek een luid en in toon dalend kluu-kluu-kluu-kluu-klu. Wat hem bij ons de bijnaam “Maarts veulen” opleverde.

Tekening.

De bonte spechten is een ander paar mouwen. We hebben er drie. De grote, de middelste en de kleine. Wat afmetingen betreft lijkt het simpel. De grootste is de grote, de kleinste is de kleinste en die andere zit er tussenin. De meest voorkomende bij ons althans is de grote bonte.

SAMSUNG CSC

De kleuren zijn zwart, wit en rood. Rood op de onderstaart en anaalstreek. en ook op het petje. Hier is dit het kenmerk voor het bepalen van het geslacht. Een rood vlekje op het achterhoofd is een mannetje. Geen rood op de kop is een vrouwtje. De jonge vogels hebben een volledig rood petje van vlak aan de snavelbasis tot op het achterhoofd. De rugtekening is ook een kenmerk. Twee over de lengte lopende witte vlekken en gebandeerde vleugeldekveren waardoor een zwarte driehoek ontstaat op de bovenrug. De baardstreep loopt door tot aan de halstekening.

Kleine.

De kleine is ook echt een kleine. Niet veel groter dan een boomklevertje. Elk jaar weer ben ik verbaasd over de afmetingen van dit minuscule spechtje dat over de takken kruipt. Ook hier is het rode petje weer aanwezig. Althans bij het mannetje dan toch. Het vrouwtje heeft een geeloranje petje op het voorhoofd. Bij deze soort geen rood op de anaalstreek. En de rugtekening is van boven tot beneden mooi zwart -wit gestreept. Roep is zachter dan de grote bonte en een hoog en snel kie-kie-kie-kie-kie-kie. Ook de roffel (het kloppen met de snavel op takken) is anders. Zachter (hij is dan ook kleiner) en constanter en iets langer dan de grote bonte. Vaak ook twee roffels vlak achter elkaar.

telpost622010b

Roze.

En dan hebben we er nog eentje tussenin. Tot een aantal jaar geleden een zeldzaamheid. Maar nu duidelijk aan een opmars bezig. Ook hier een rood petje, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes. Dat lijkt trouwens roder dan bij de twee vorige soorten omdat er geen zwart rond zit. De wangtekening zit trouwens ook volledig los van de halstekening waardoor hij een veel witter gezicht lijkt te hebben. Het rood op de anaalstreek is meer roze (een zeer goed kenmerk in het veld). En de flanken zijn subtiel gestreept met een roze waas. De rugtekening lijkt heel veel op die van een grote bonte met twee grotere witte vlekken en een bandering op de dekveren. Hoewel deze meer banden heeft dan de grote bonte. Het geluid is heel anders dan de vorige soorten. Een roofvogelachtig (ik verwar hem in het voorjaar vaak met kekkerende sperwers) en luid geroepen kwéé-kwéé-kwéé…kwéé…kwéé. Hij zit ook meestal op de buitenste takken van de bomen op zoek naar voedsel wat een grote zelden of nooit doet.

mid.bonte19c

Met of zonder kraagje.

Als je als naam gekraagde of zwarte roodstaart krijgt dan weet je dat je staartje alvast rood is. Regelmatig krijg ik dan ook de vraag “ik zag een zwart vogeltje met een rode staart, wat zou dat zijn ?”. Als ik dan antwoord “een zwarte roodstaart” krijg ik meestal een blik die duidelijk een vermoeden geeft van die is mij aan het bedonderen. En toch is dat niet het geval. Deze soort heeft zijn volledig uitzicht in zijn naam zitten.

Zwarte roodstaart.

Deze soort komt vaak voor in meer stedelijk gebied. Zo hoor je zijn kenmerkende zang in steden. Meestal zittend op een dak of alvast een hoger punt. De zang doet denken aan het geluid van een handvol steentjes die je in je hand tegen elkaar laat krassen. Als je dit eenmaal hebt gehoord ben ik er vrij zeker van dat je het makkelijk gaat onthouden.

Het mannetje van deze soort is bijnam volledig zwart met een rosrode staart (zoals ik al vertelde de naam zegt alles). In prachtkleed hebben ze een witte spiegel op hun vleugel gevormd door witte randen aan de vleugeldekveren. Tijdens het broedseizoen hebben ze ook een pikzwart masker en borst.

640px-Black_Redstart_Lodz(Poland)(js)01

Gekraagde.

Het neefje van de zwarte roodstaart, de gekraagde, komt meer buiten de steden voor. Een typische soort van bosgebieden. Van achter gezien lijkt hij heel veel op de zwarte roodstaart. Maar dan zonder die witte spiegel. Maar de voorzijde is totaal anders zoals je op de bovenste foto kan zien. Enkel een zwart masker met een prachtig oranjerode borst en flanken. Ook de witte band op het voorheeft is kenmerkend.

Vrouwtjes.

De dames zijn iets moeilijker uit elkaar te houden. Maar al bij al valt het nog goed mee. Beide vrouwtjes zijn minder spectaculair gekleurd. Dus mannetjes zonder franjes. Zo zie je bij de zwarte roodstaart een grijs-zwart beestje met een rode staart. En bij de gekraagde een dame met een grijs bruine rug en op de borst en flanken een spoor van de oranjerode kleur van het mannetje. Het zwart ontbreekt volledig en ook bij de gekraagde de witte voorhoofdband.

A007010ADA10065E2BAB26C647993965-zwarte-roodstaart

Vrouwtje zwarte roodstaart.

Gekraagde roodstaart F

Vrouwtje gekraagde roodstaart.

Zomaar een mus.

Deze keer gaan we ons even verdiepen in de mussen die ons landje rijk is. Want rijk is het juiste woord. Een mus is met zijn 50 tinten bruin (niet grijs zoals dat vieze boekje) meer dan de moeite waard om eens grondiger te gaan bekijken.

Huismus.

Laat ons beginnen met het mannetje van onze huismus (foto bovenaan). Wat dadelijk opvalt is de zwarte bef (de vlek onder de snavel). Deze is in het prachtkleed vaak groter en opvallender. Het middel voor de mannetjes om hun dames te imponeren. De vleugels en de rug zijn een schakering van heel wat kleuren bruin met zwarte veerranden en op de kleine dekveren wit dat een mooie vleugelstreep vormt. De wangkleur is hier grijs, maar vaak is deze ook witter. De zwarte kegelvormige snavel duidt op hun voedsel, het zijn zaadeters. Hoewel ze de jongen ook insecten en rupsen brengen in het nest.

Jammer genoeg gaat het niet goed met onze huismussen. Gebrek aan geschikte nestplaatsen maar vooral de intensieve landbouw en het verdwijnen van kippen in heel wat tuinen zorgt dat hun aantallen sterk terugvallen.

Het vrouwtje is veel eenvoudiger van verenkleed wat bij vogels wel vaker het geval is. Wie eitjes moet uitbroeden en jongen moet grootbrengen valt best niet te veel op.

SONY DSC

Hier ook bruin op de vleugels en rug, maar minder warm van kleur. Ook de onderzijde is meer beige dan grijs. En de zwarte bef ontbreekt volledig. Geen zwarte maar een geelbruine snavel. Let ook op de opvallende oogstreep. Deze is echter niet altijd zo uitgesproken.

Ringmus.

Een andere vertegenwoordiger van de mussenfamilie is de ringmus. Die ring wijst op de witte band rond de nek. Hier zijn mannetjes en vrouwtjes gelijk van verenkleed. Wat ook opvalt is de chocoladebruine kruin in contrast met de witte wangen met een zwarte vlek aan de oorstreek. Ook hier een zwarte bef. De rugtekening lijkt op die van de huismus, maar met iets meer beige kleur. De flanken zijn ook iets meer beige gekleurd.

Bij beide soorten ruien de jonge vogels in hun eerste jaar al hun volledige jeugdkleed. Hierdoor zijn al vrij snel jonge en adulte vogels niet meer uit elkaar te houden.

Tree_Sparrow_Japan_Flip

Geen mus.

En dan hebben we onze heggemus. Helemaal geen familie van onze twee vorige beestjes. Een heggemus lijkt wel wat op onze andere mussen met die met verschillende tinten bruin gekleurde vleugels en rug, grijze kop en flanken. Maar als je naar de snavel kijkt valt dadelijk op dat die veel langer en spitser is. Een insecteneter dus.

Geen zwarte bef hier. En geen chocoladebruine kruin. En de flanken zijn licht gestreept. Van vorm ook een totaal andere vogel. En een goed kenmerk is ook de oogkleur. Hier bruin tot bruinrood (oudere vogels hebben rodere ogen), terwijl die bij onze huis- en ringmus mooi zwart zijn.

Dunnock_crop2

Het is maar een merel.

Na een tijdje van inactiviteit ben ik er weer. De voorbije weken heb ik vaak gehoopt op een verlenging van de dagen met een aantal uren om alles gedaan te krijgen. Maar nu heb ik gelukkig weer wat tijd om te gaan bloggen. Dus, daar gaan we weer.

Gewone soorten.

Regelmatig zie ik op internet foto’s voorbij komen van soorten die volgens mij elke vogelkijker toch zou moeten kennen. En dit met de volgens mij onnodige vraag welke vogel dit nu is. Maar als iets meer ervaren vogelaar nemen wij dat misschien wat te licht op. Want het is niet zo simpel om als beginner in dat bos van soorten de juiste soort er uit te halen. Hoe meer je met vogels bezig bent hoe meer soorten je gaat herkennen (lees maar eens één van de eerste posts op mijn blog). Maar alle begin is moeilijk.

Eén van de regels om te starten met vogels kijken is om de “gewone” soorten te leren kennen (waarbij ik inderdaad toch even wil bevestigen dat gewone soorten een verkeerde keuze is, maar ik zou niet weten hoe ik het anders moet verwoorden). Eenmaal je die onder de knie of op je harde schijf hebt zal je dadelijk merken dat je een zeldzamere verschijning dadelijk gaat opmerken. Je reactie is op dat moment “hé, dat is toch geen gewone lijster”. Een moment waar je adrenaline stijgt met een behoorlijke piek.

Daarom ga ik de komende weken telkens een aantal “gewone” soorten (daar is het weer) beschrijven en tips geven om die te herkenen. Voor iets meer ervaren vogelaars misschien niet echt nuttig. Hoewel, ik wil de ervaren rotten die mij tuinsoorten zoals de pimpelmees niet in alle details uit hun hoofd kunnen beschrijven niet te eten geven. Dat zou een heel groot diner worden. Maar voor beginnende vogelkijkers denk ik nuttige info.

Merels.

Dus start ik met de meest algemene vogel en tuinsoort die ik ken. onze merel. Het mannetje is onmiskenbaar met zijn volledig zwarte verenkleed, oranjegele snavel en oogring  en donkere poten. In hun eerste zomerkleed kan je vaak de bruine slagpennen van het jeugdkleed nog zien en is de snavel soms donkerder of gevlekt. De enige soort waarmee je een mannetje merel zou kunnen verwarren is een volwassen spreeuw. Maar die hebben witte stippen op de borst en flanken en een veel kortere staart. Dus echt vergissen kan je je niet.

Toulouse_-_Sturnus_vulgaris_-_2012-02-26_-_1

Spreeuw in zomerkleed.

Mevrouw.

De vrouwtje merel is een ander paar mouwen. Met een meer variabel rood- of grijsachtig donkerbruin verenpak met meestal op de keel en borst een lichtere kleur en een stippenpatroon op de borst en flanken is ze minder opvallend dan de mannetjes. De snavel is donkerder, hoewel oudere vrouwtjes ook veel oranjegeel in hun snavel kunnen hebben. Jonge merels lijken op hun moeder. Maar aan hun staartveren kan je soms wel al zien of het om een dochter of een zoon gaat. Jonge mannetjes hebben al pikzwarte staartveren en vrouwtjes bruin-zwarte. Dit kan je zelfs al zien aan jongen die nog in het nest zitten.

Amsel_weiblich_g

Vrouwtje merel.

Turdus_merula_-juvenile_-garden-8

Pas uitgevlogen merel.

Familie.

Een ander familielid van de merel die je vaak kan tegenkomen is de zanglijster. De merel werd heel vroeger trouwens de zwarte lijster genoemd. Beiden lid van de familie turdus of lijsterachtigen. Hier zijn mannetje en vrouwtje gelijk van uitzicht. Wat dadelijk opvalt is de bruine bovenzijde, veel lichter dan het vrouwtje merel. En het typische borst- en flankpatroon. Mooi verdeelde donkere vlekken op een roomkleurige achtergrond. De poten zijn veel bleker dan bij de merel en de snavel is donker met een gele basis. In de vlucht vallen vaak de bleke oranjebeige onderdekveren op. Ook wat betreft de zang kan je de zanglijster en de merel goed uit elkaar houden. Terwijl onze merel een mooi melodietje fluit houdt de zanglijster het bij luide met heel wat variatie met herhalingen en dit in korte frasen. Zelf vind ik het meer schreeuwen dan zingen. Hopelijk krenk ik hiermee mijn huis- en tuinlijster niet in zijn eer.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De zanglijster.

Een derde vertegenwoordiger van de turdus-groep die je vaker tegenkomt (wel de minst algemene van de drie) is de grote lijster. Hij valt op door zijn grootte, daarom noemen we ze dan ook grote lijsters. Veel forser en zwaarder gebouwd dan de merel of de zanglijster. Heeft heel vaak een rechtopstaande houding. De algemene kleur lijkt heel veel op die van de zanglijster maar toch minder warm. Dit komt vooral omdat ze duidelijke lichtgrijze veerranden hebben in hun vleugels. Ook het stippenpatroon is anders. Kleinere meer ronde stippen op een vooral op de borst wittere achtergrond. Maar wat het meest opvalt is hun kenmerkende korte en droge ratelende roep. Ook hun zang is weer totaal anders dan de vorige twee. Veel trager en melancholischer. Het is trouwens één van de eerste soorten die beginnen met zingen elk jaar. Al vanaf januari kan je grote lijsters al horen.

Turdus_viscivorus_in_Baikonur-town_001

Grote lijster.

Er komen natuurlijk nog andere vertegenwoordigers van deze familie voor in ons landje. Dan denk ik aan de koperwieken en kramsvogels die meestal in de winter opduiken. Maar die ga je dan zeker leren kennen als je deze drie al vlot leert herkennen en bij die ontmoeting zegt “hé, dat is geen gewone lijster”.

Er zit sleet op.

Vogels hebben veren en veren verslijten. Dat noemen we in vogeltermen sleet. Vooral de delen die veel wrijving ondervinden als de vogels vliegen hebben het hard te verduren. De toppen van de hand- en armpennen, de toppen van de staartveren laten als eerste tekenen van sleet zien. Een stevig gesleten vogel zal op termijn zijn veren verwisselen, dat noemen we dan weer rui. Maar hier gaan we het hebben over de sleet.

Ringers.

Voor ringers is sleet een belangrijk kenmerk om vogels op leeftijd te brengen. Als je het ruipatroon van een soort kent kan je op basis van de sleet bepalen in welk stadium een vogel zit. Zo weten we dat bijvoorbeeld kleine karekieten pas ruien als ze in hun overwinteringsgebied zijn aangekomen. Een vogel die je vangt in september en die heel fel gesleten is, is zonder twijfel een vogel ouder dan 1 jaar. De jonge vogels hebben hun veren van toen ze uit het nest vlogen en kunnen dan ook nog niet zo heel veel sleet hebben.

DSC01535

Links 1ste jaars vogel (weinig sleet), rechts >1 jaar vogel (veel sleet)

Verborgen.

Maar sleet is er gedurende het ganse jaar. En voor sommige soorten komt die sleet mooi van pas. Want onder hun verenkleed zitten soms gekleurde veertjes die door het afslijten  van de toppen van die veren plots te voorschijn komen. Wij denken dat vogels in het broedseizoen kleur bij krijgen. Maar ze verliezen net veertoppen die de kleur die er al lang verborgen zat dan laten verschijnen. Geen energie nodig om extra kleur aan te maken, gewoon profiteren van natuurlijke slijtage.

Broedkleed.

Als je de huismus bekijkt boven deze tekst zie je een gevlekte bef (de zone net onder de snavel) bestaande uit zwarte veertjes met grijze toppen. Deze grijze toppen slijten tegen het broedseizoen af en dan kan meneer huismus dan uitpakken met een prachtig zwarte bef om mevrouw te imponeren.

SONY DSC

Meneer tijdens het broedseizoen.

En zo zijn er voorbeelden genoeg. De kneu houdt zijn prachtig rode borst mooi verborgen in het najaar en de winter. Want dan moet er niet gepocht worden tegenover de dames. Maar tegen de paartijd zijn die veertjes afgesleten en komt zijn mooie karmijnrode borst in vol ornaat te voorschijn. En nog een voorbeeld, de keep. In, de winter al een prachtige verschijning. Maar tijdens het broedseizoen steken de mannetjes nog een tandje bij (of een stukje minder in dit geval).

Fringilla_montifringilla_-Poland_-male-8

Meneer keep in de winter bij ons.

640px-Fringilla_montifringilla_ltdp

En gesleten meneer in zijn broedgebied.

 

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research