Gorzen.

Gorzen zijn een leuke groep vogels die je op dit moment zeker kan tegenkomen. Zo zijn geelgors en grauwe gors standvogels en trekken rietgorzen nu door en zijn er die hier overwinteren.

Grauwe gors.

Ik begin met de meest zeldzame van de drie, de grauwe gors. Deze soort doet het heel slecht en wordt stilaan een heel zeldzame soort zowel als broedvogel als overwinteraar. De Belgische populatie wordt momenteel geschat op minder dan 300 broedparen.

Je kan de grauwe gors herkennen aan zijn fors formaat. Zijn verenpak is heel sober, daarom noemen ze hem dan ook denkelijk de grauwe gors. In vlucht vlat hij vaak op door hangende pootjes. En zijn zang is heel kenmerkend, het lijkt op een rinkelende sleutelbos.

Geelgors.

Gulspurv

Dan heb je de geelgors. Deze soort doet het beter en is de laatste jaren zelfs wat toegenomen. Hier heb je een veel opvallender verenkleed. De mannetjes zijn op de buik, borst en kop knalgeel. Ook in de winter kan je dat geel goed zien. Voor de rest een mengeling van bruin en geel op de vleugels en een warmbruine stuit. Op dit moment kan je ze meestal in groepjes tegenkomen naar voedsel zoekend op akkers. De vrouwtjes zijn minder geel, maar in hun verenkleed kom je toch altijd gele tinten tegen.

Rietgors.

352px-Reed_Bunting_male_and_female

Een derde soort die je vaker tegenkomt is de rietgors. Zoals zijn naam al laat vermoeden een bewoner van rietvelden. Maar tijdens de winter kan je ze, ook hier vaak in groepjes, overal tegenkomen. De mannetjes zijn te herkennen aan hun zwart witte koptekening. Deze is in de winter wel veel minder uitgesproken. De zwarte bevedering zit dan vaak wat verborgen onder de nog niet gesleten nieuwe veren van de rui. Maar naargelang het broedseizoen nadert komt door sleet die zwarte kop en keeltekening te voorschijn. Om in het broedseizoen klaar te zijn om, terecht, mee te pronken. De vrouwtjes zijn minder spectaculair getekend. Maar je kan ze toch herkennen aan de typische rugtekening, de donkere keel en de opvallende bleke wenkbrauw- en baardstreep.

Nog een rijtje.

Er zijn nog een aantal leuke soorten die je hier kan tegenkomen. Niet als broedvogel, maar vaak als dwaalgast of doortrekker.

We denken dan aan witkopgors (eind 2016 prachtig exemplaar in Widooie), ortolaan (meerdere doortrekkers elk jaar), dwerggors (zeldzame dwaalgast), ijsgors (elk jaar enkele op doortrek) en sneeuwgors (vaak aan de kust overwinterende groepjes).

1024px-Snow_Buntings_(Plectrophenax_nivalis),_Kwade_Hoek,_Netherlands

We reigeren ze aan elkaar.

Een reiger langs een sloot of zelfs midden in de stad is al lang geen ongewoon beeld meer. Deze soorten hebben zich goed aangepast aan ons mensen. Meestal gaat het hier om blauwe reigers. Maar ondertussen is de grote zilverreiger ook al een ingeburgerde gast in ons land. Het is de kleine zilverreiger die de zeldzame gast is geworden. En dan zeker in het binnenland. Maar hoe houden we ze uit elkaar ?

Blauwe.

Blauwe_Reiger

De meest voorkomende reiger in ons land en zelfs in heel Europa. Een indrukwekkende verschijning. In de vlucht opvallend postuur met zware vleugelslag, donkere en sterk naar beneden gebogen vleugels. Ingetrokken hals en naar achter gestrekte poten. Kleur blauwgrijs met blekere borst en hals. Bij adulte vogels een opvallende donkere wenkbrauwstreep die doorloopt in een kuif. Juveniele vogels missen deze kuif en hebben een niet zo zwarte wenkbrauwstreep en een valere borst en hals.

Grote zili.

grote zilver 21-01-2009

Met deze koosnaam benoemen vogelkijkers de grote zilverreiger. Volledig wit verenkleed valt dadelijk op. In de vlucht ook te herkennen door zijn majestueuze postuur. Snavel in winterkleed geel (in zomerkleed zwart) en poten donker (in zomerkleed geel).

Kleine.

16989430903_2943969975

Als er een grote is dan is er ook vaak een kleine. Zo ook bij de zilverreigers. De kleine zilverreiger kan je van de grote onderscheiden door de afmetingen. Maar als hij alleen zit is de snavelkleur het beste kenmerk. Altijd zwart met in de winter een blauwgrijze teugel (deel tussen oog en snavelbasis). In zomerkleed is dit geel. Vaak nog de mooie sierveren te zien van het broedkleed op de rug. Poten zwart met gele “voeten”.

Roofvogels in de vlucht.

Oktober is de maand bij uitstek om roofvogels te spotten. Heel wat soorten doorkruisen ons luchtruim op weg naar het zuiden. Want ook roofvogels trekken in de winter naar andere oorden. Zo duiken er in ons landje heel wat buizerds op van uit het koudere noorden. Ze herkennen als ze voorbij zweven is een hele uitdaging.

Grootte.

Het inschatten van de grootte van een vliegende vogel is niet makkelijk. Zeker niet als je geen vergelijking kan maken met andere vogels. Daarom dat er heel vaak mensen zijn die mij komen vertellen dat ze een arend hebben gezien. Na hun beschrijving van de vogel die ze waarnamen of in de gevallen dat er een foto werd gemaakt moet ik meestal vertellen dat ze een buizerd hebben gezien. Waarna ik meestal de reactie krijg “neen, die was veel groter dan een buizerd”. Terwijl het 100% zeker een buizerd was. Inschatten van grootte is niet simpel en zeker als je door een verrekijker of telescoop kijkt. Dus daar moet je dan ook mee opletten.

Een goed begin is om de roofvogel die je ziet proberen te plaatsen in de juiste familie. Dat kan door op bepaalde kenmerken te letten.

Valken.

In hun vliegbeeld vallen deze op door hun smallere vorm, meestal toegevouwen staart in vlucht en spitse en geknikte vleugels. Vertegenwoordiger zijn torenvalk, boomvalk, smelleken en slechtvalk.

Falco_peregrinus_-Morro_Rock,_Morro_Bay,_California,_USA_-flying-8

Slechtvalk

Kiekendieven.

Deze herken je meestal door hun gedrag. Ze hebben een typische manier van jagen. Laag boven de grond zoeken ze de beplanting af naar prooien. Dit met een “hobbelige” vlucht. Hoog in de lucht vallen ze op door hun smal lichaam (bruine iets breder), lange vleugels met vingers. Dit zijn de handpennen die los van elkaar kunnen onderscheiden worden.Vertegenwoordigers zijn bruine, blauwe, grauwe en als kers op de taart steppenkiekendief.

Blauwe_Kiekendief

Vrouwtje blauwe kiekendief.

Wouw.

Een zeer goed kenmerk is bij deze soorten de gevorkte staart in de vlucht. Bij rode heel duidelijk, maar bij zwarte iets minder opvallend. En daarmee heb je ook de twee vertegenwoordigers, de rode en de zwarte wouw.

1280px-Milvus_milvus_Jura

Rode wouw.

Snelle jagers.

Dan heb je de sperwers en de havikken. Soms moeilijk uit elkaar te houden. Het mannetje havik en het vrouwtje sperwer zijn dan ook nog eens ongeveer even groot. In de vlucht brede vleugels met stompe uiteindes. Het zijn heel snelle jagers die hun prooien tot tussen de begroeiing achtervolgen. Sperwer komt ook in je tuin jagen.

Accipiter_nisus_-in_flight-8-4c

Vrouwtje sperwer.

Buizerds.

De meest voorkomende soort in ons land. Zeker tijdens de trekperiode. Dus heel vaak gaat een roofvogel die je ziet vliegen of thermieken (omhoog cirkelen op warme lucht) een buizerd zijn. Hier zijn de brede vleugel, wat plompe vorm en brede staart een kenmerk (foto buizerd bovenaan post). Hoewel niet echt een vertegenwoordiger van die groep, want het is een andere familie, is de wespendief die erg op een buizerd lijkt in de vlucht. Verschil is de iets langere vleugels en de smalle spitse “duivenkop”.

Wespenbussard_Pernis_apivorus_by_A._Görtler_Edit

Wespendief

Grootste.

En dan heb je de groep van de arenden. Dit zijn roofvogels met grote spanwijdte (de afstand tussen de toppen van de opengesperde vleugels). Maar zoals al gezegd is dit vaak niet goed in te schatten. Maar als je ze ziet vliegen er vaak andere vogels in hun buurt zoals kraaien of buizerds om ze proberen te verjagen. Dan vallen ze dadelijk op door hun immense afmetingen. Zeearend noemen ze bijvoorbeeld de vliegende deur omdat hun tot 2m50 spanwijdte heeft. Arenden kan je herkennen aan hun forse bouw, brede staart en de vingers aan hun vleugels. De meest voorkomende soorten in ons landje zijn visarend en zeearend. Maar meest voorkomend is niet de juiste woordkeuze. Want deze familie blijft een zeldzame verschijning. En andere soorten zoals slangenarend, dwergarend en onlangs keizerarend in Nederland zetten een telpost gegarandeerd op stelten. Maar dat is dan weer een andere vogelfamilie.

Haliaeetus_albicilla_-Littleisland,_Norway_-juvenile-8a_(6)

Juveniele zeearend.

 

Paap of tapuit ?

Tapuit mannetje in zomerkleed

Momenteel zijn heel veel vogels op trek. En daar zitten nu regelmatig tapuiten en paapjes tussen. Hier zie ik er heel wat op de geoogste akkers. Het zijn beestjes die graag meewerken want ze hebben de gewoonte om op hogere plekjes te gaan zitten. Paaltjes, omhoogstekende planten in akkers of gewoon hoopjes aarde. Daardoor vallen ze goed op. Maar wie is nu wie ?

Tapuiten.

We hebben het hier voor alle duidelijkheid over de gewone tapuit. Want als je je vogelgids erbij haalt zal je merken dat er een hele trits tapuiten in staan. Dus als je een tapuit ziet zeker nog eens extra goed bekijken. Misschien is het wel een zeldzame soort. In winterkleed lijken al die soorten trouwens redelijk fel op elkaar.

Oenanthe_oenanthe_no

Vrouwtje tapuit

Een opvallend kenmerk van tapuit is de zwart en witte staartekening. Het is meestal door die tekening dat ik ze opmerk op akkers. Mannetjes hebben een brede zwarte oogstreep afgeboord met wit erboven en eronder. De borst bij de mannetjes is ook iets warmer van kleur dan bij de vrouwtjes. Deze herken je ook hun staarttekening. Maar die missen de zwarte oogstreep. In winterkleed verdwijnt dat zwarte masker. Maar toch kan je vaak toch nog sporen er van zien, vooral in de teugel die zwart blijft.

Paapje.

Vaak zie je in de buurt van tapuiten ook paapjes. Die zitten heel graag op hoge plekjes om de omgeving goed te bekijken. In alle kleden kan je ze herkennen aan de brede witte of beige wenkbrauwstreep. In broedkleed is het mannetje opvallend zwart-wit gekleurd met een fel oranje borst die naar de flanken loopt. Maar in de winter ruien ze naar een kleed dat gelijk is aan dat van de vrouwtjes. Enkel de witte vlek aan de basis van de handdekveren laat bij sommige exemplaren (vooral adulte vogels) zien dat het om mannetjes gaat. De bovenstaartveren en stuit zijn altijd bruin gevlekt wat ze ook onderscheid van de tapuit.

Saxicola_rubetra_1_(Martin_Mecnarowski)

Paapje, adulte man zomerkleed.

14470456263_4a6bf7997e_b

Paapje winterkleed.

Robotap.

En dan hebben we nog de roodborsttapuit, door heel wat vogelkijkers die niet graag schrijven afgekort naar robotap. In zomerkleed zijn de mannetjes onmiskenbaar. Maar in winterkleed wordt het al iets moeilijker. Hier geen witte of beige wenkbrauwstreep. zo kan je hem onderscheiden van de paapjes die die altijd hebben. En geen zwart-witte staarttekening. Dat is een kenmerk waarmee je hem van de tapuit kan onderscheiden. Maar dit gaat niet gebeuren want de vorm van een roodborsttapuit is heel anders dan die van een tapuit. Veel gedrongener en ronder in tegenstelling tot de meer langgerekte vorm van een tapuit.

En zie je toch een robotap met een witte stuit (geen staarttekening voor alle duidelijkheid) dan is het opletten geblazen. Want mogelijk kijk je dan naar de zeldzame aziatische roodborsttapuit die af en toe opduikt in ons landje.

cbcc51888647a70f469367a0d4b6b25a

Roodborsttapuit man.

sax-tor-rub-02b

Roodborsttapuit, links man rechts vrouwtje.

 

De kleintjes.

Deze keer gaan we voor de miniatuur-vogeltjes. Je herkent denkelijk al dadelijk de winterkoning. Een heel klein bruin vogeltje met een vage lichte wenkbrauwstreep en een kenmerkend kort staartje dat hij vaak rechtopstaand draagt. Het geluid is een voor dit kleine dutske opmerkelijk luid gezang met een voor mij kenmerkende ratel erin. Van uitzicht en zang onmiskenbaar. Maar toch is dit niet het kleinste vogeltje in ons land.

Goud.

Die titel gaat naar het goudhaantje. Een soort die zich graag ophoudt in naaldbomen. En dat meestal verborgen in de toppen. Ze horen is makkelijker dan ze zien. Hun hoge roep en zang is voor sommige mensen met gehoorproblemen buiten bereik. Krijg je ze in beeld dan valt vooral de kruinstreep op. In rust verborgen, maar eenmaal nerveus (en dat zijn ze vaak) dan valt ze heel goed op. Bij de mannetjes geel met oranje. Bij de vrouwtjes enkel geel. Ze hebben een duidelijke vleugelstreep en witte toppen op de vleugeldekveren. Een op de bovenzijde groen verenkleed en de onderzijde bleker beigegroen. Ze hebben een “vriendelijke uitdrukking” op hun gezicht.

goudhaan0001

Vuur.

Dan heb je ook vuurgoudhaan. Ook een weliswaar zeldzamere broedvogel en overwinteraar in ons landje. Heeft dezelfde kenmerken als het goudhaantje maar alles is wat feller van kleur. De rugkleur is helderder groen. De kruinstreep is veel feller van kleur. Bij de vrouwtjes geel en bij de mannetjes knallend oranje (dus vurig). Ze hebben een brede witte wenkbrouwstreep en snorstreepje. Afgeboord met een zwarte oogstreep.

DSC04670

Nog een koning.

Op zoek gaan naar deze rakkertjes levert soms wel eens leuke “bijvangsten” op. Nu de winter nadert gaan deze kleine zenuwpeesjes zich verzamelen in groepen om dan door struiken en hagen in groep te foerageren. Dit in gezelschap van soorten als staartmezen, pimpel- en koolmezen. Zulke groepen goed afkijken is een aanrader.

Misschien kom je zo wel een bladkoning tegen. Deze noordse soort duikt de laatste jaren steeds vaker op. Hij lijkt op het goudhaantje maar mist de opvallende kruinstreep. Ze hebben ook twee duidelijke vleugelstrepen en gele toppen op de vleugeldekveren. De algemene kleur is ook meer mosgroen.

En eenmaal je in deze categorie bent aangekomen. Dan gaat er een hele wereld van mogelijke dwaalgasten voor je open. Een wereld van nerveuze en moeilijk te volgen vogeltjes met minieme verschillen in hun verenkleed. Niet makkelijk, maar wel super leuk.

bladkoning1005-4

Sylvia’s in de aanbieding.

Op dit moment vliegen er elke nacht duizenden vogels over ons hoofd. Want heel wat soorten zijn hun heroïsche tocht naar het warme zuiden al begonnen. Als ringer kan ik dit fenomeen van heel kortbij ervaren. Maar ook als vogelkijker kan je een stukje van deze superleuke taart meepikken.

Bessen.

Want na elke etappe tanken deze trekvogels bij in een wegrestaurant. Niet door aan te schuiven aan een selfservice. Maar door zich vol te proppen met voedsel dat ze in bosjes, hagen en zelfs uw tuin vinden. Plekken met veel bessen en beschutting zijn dan ook de locaties waar je momenteel wel een kijkje kan gaan nemen. Het is wel hard werken. Alle struiken afscannen en elke beweging die je ziet grondig checken. Want onze reizigers weten dat achter elk blaadje of struikje gevaar kan schuilen. Dus zijn ze heel voorzichtig en sluipen ze als het ware door de struiken. Spannend.

Basis.

En je kan echt alles tegenkomen. En daarom is het belangrijk dat je de “gewone” soorten goed leert kennen. Eenmaal die op je harde schijf staan gebrand dan weet je als er iets speciaals voorbij hipt. En wees gerust. Dan schiet de adrenaline naar ongekende hoogtes.

Dus hier een overzichtje van de basissoorten (en wees gerust, die vind ik zelf ook de moeite om te kunnen bekijken).

Zwartkop.

De meest voorkomende soort is de zwartkop. De naam zegt het eigenlijk helemaal. Een grijs-bruine vogel met een zwarte kruin. De vrouwtjes houden het bij een roodbruin kapsel. Juveniele vogels hebben dan weer een doffer bruine kruin. En de pubers die mannetjes blijken te zijn krijgen in het najaar stilaan een zwarte kruin. Dus vogels met tweekleurige kruin zijn zeker 1ste jaars vogels. Hun zang is prachtig. Ze worden dan ook soms bastaardnachtegalen genoemd.

1280px-Sylvia_atricapilla_no

Vrouwtje zwartkop (mannetje bovenaan) – Sylvia atricapilla.

Tuinfluiter.

De tweede vertegenwoordiger is de tuinfluiter. De simpelste wat betreft uitzicht. Een forse vogel met een eentonig grijs verenkleed. Geen toeters of bellen. Vrouwtjes en mannetjes zijn identiek. De 1ste jaars vogels zijn iets bruiniger van kleur. Zijn liedje is ook vrij bescheiden. Een zacht melodieus gezang. Het lijkt op dat van zwartkop maar bescheidener en zonder die forse uithalen.

Flickr_-_Rainbirder_-_Garden_Warbler_(Sylvia_borin)

Tuinfluiter – Sylvia borin.

Grasmus.

De hevigste van de bende is de grasmus. Het mannetje laat zich tijdens het broedseizoen goed opvallen door op toppen van struiken te gaan zingen of opvallende baltsvluchten te doen, al zingend. Een goed kenmerk. Een bruikbaar kenmerk zijn hier de roodbruine gerande vleugeldekveren en armpennen. Dit valt echt op in het veld. Ook de witte keel is een weggever. Maar de braamsluiper die dadelijk aan de beurt komt heeft dit ook. Mannetjes hebben een grijsblauwe kruin en wangen en een opvallend roodachtig oog. Ze hebben ook een roze schijn op de borst en flanken. Vrouwtjes missen deze roze schijn en de kop is ook minder intensief gekleurd. Jonge vogels zijn meer grijsbruin. Maar de roodbruine randen in de vleugel zijn wel al aanwezig.

Common_Whitethroat

Grasmus – Sylvia communis.

Braamsluiper.

De minst algemene van ons viertal is de braamsluiper. Zoals de naam zegt een geniepig kereltje dat je niet zo makkelijk te zien krijgt. Vaak geeft hij zijn aanwezigheid enkel prijs door zijn gezang. Hij start met een stil prevelend liedje gevolgd door een luide en snelle ratel. Hij lijkt op de grasmus. In het Engels noemen ze hem dan ook de lesser whitethroat (kleinere grasmus). En dat is hij ook. Een miniversie van de grasmus met de opvallende witte keel en op de vleugels ook een bruine omranding. Maar veel minder intensief en opvallend dan bij de grasmus. Typisch is hier de zwarte oogstreep en donkere oorstreek. Nog extra geaccentueerd met een (soms niet zo opvallende) witte wenkbrauwstreep. De poten geven ook een hint. Bij braamsluiper zwart, bij grasmus vleeskleurig. Bij jonge vogels of tijdens winter is de oogstreep minder opvallend, maar wel steeds aanwezig.

Lesser_Whitethroat_(Sylvia_curruca)_(4)

Braamsluiper – Sylvia curruca.

 

Duif op het menu.

woodpigeon-274834_960_720

Houtduif.

De houtduif is een van de meest voorkomende vogels in onze regio. Een geweldig aanpassingsvermogen, gebrek aan natuurlijke vijanden en een enorme voorplantingsdrang zijn de factoren die hiervoor hebben gezorgd. De kans dat je een dag er geen hebt gezien is dan ook erg klein. Want ondertussen hebben ze zowat alle biotopen die ik ken veroverd.

Een adulte houtduif herkennen is niet zo moeilijk. Het aantal soorten duiven in ons landje is dan ook beperkt (eigenlijk maar twee). Meest opvallend kenmerk zijn de witte halsvlek en tijdens de vlucht de witte vleugelstreep op de bovenvleugel. Juveniele exemplaren missen echter die halsvelk. Maar je kan ze herkennen aan hun stevig formaat. In het voorjaar valt hun opvallende baltsvlucht op (balts is specifiek gedrag van mannetjes om vrouwtjes te imponeren). Ze stijgen al klapwiekend op om dan met stijve vleugels af te glijden.

Op onze telpost worden wij elk jaar (we liggen gelukkig oostelijk genoeg) getrakteerd op immense groepen houtduiven. In wolken met vaak honderden vogels trekken ze vanuit de noordse landen naar Frankrijk. Een aantal vinden ons landje ook goed genoeg en blijven dan ook hier overwinteren. Onze broedvogels trekken ook meestal wat zuidelijker, maar heel wat blijven dankzij de zachtere winters ook gewoon hier. Er zijn zelfs paartjes die zelfs dan nog een nestje durven grootbrengen.

Holeduif.

En dan heb je de kleinere vertegenwoordiger bij de duiven. Onze holeduif is merkelijk kleiner en fijner gebouwd dan de plompe houtduif. De witte halsvlek en vleugelstreep ontbreekt. Wel valt vooral tijdens het broedseizoen is de groenblauwe halsvlek. Soms vliegen ze mee in een groep houtduiven en je haalt ze er zo uit. enerzijds door hun formaat, maar ook door de snellere vleugelslag. Ze zijn ook een pak minder talrijk dan hun neefjes de houtduiven. En ze broeden, zoals hun naam al deed vermoeden, in holen. Holtes in bomen en vaak ook nestkasten.

8632244714_b558103f85_b

Reisduif.

En dan heb je de verwilderde reisduiven. In de stad ben je ze zeker al tegengekomen. Maar daar is het een poespas van kleuren, afmetingen en vormen. Ze kweken door elkaar dat het een lieve lust is. Maar toch vliegen er ook beesten rond die je zou kunnen verwarren met vooral de holeduif. Want oorspronkelijke stammen al deze reisduiven af van hun wilde voorvader, de rotsduif. In zuidelijk Europa zou die nog als wilde vorm voorkomen. Hoewel er specialisten zijn die beweren dat er eigenlijk geen zuivere wilde rotsduiven meer zouden bestaan. Bij ons gaat het dus zeker over verwilderde duiven. Je kan ze onderscheiden van de holeduif door het zwaardere formaat (hoewel dit kan variëren) en de volledige twee zwarte banden op de vleugels. En (meestal) het rode oog dat bij een holeduif donker is.

pigeon-2333340_960_720

Hoor wie klopt daar.

Spechten zijn fascinerende vogels met een hele eigen levenswijze. Ze zoeken hun voedsel vaak al klauterend tegen een boomstam. En ook hun nest hakken ze zelf uit in een boom. Holtes die nadien vaak worden overgenomen door andere soorten.

Groen.

Ze herkennen is voor één soort alvast niet zo moeilijk. De groene specht heeft zijn naam niet gestolen en is dan ook op zijn rug groen gekleurd. De borst, buik, keel en wangen zijn dan weer grijs-groenig. En de stuit is vooral in de vlucht opvallend fluogroen. De teugel en de oogstreek zijn dan weer zwart. Maar kenmerkend is toch het rode petje. Mannetjes en vrouwtjes kan je uit elkaar houden door de kleur van de baardstreep. Bij vrouwtjes volledig zwart. Bij mannetjes met dezelfde rode kleur er in als hun petje. Jonge vogels hebben een gebandeerde bovenzijde, kop en onderzijde.

Je kent deze soort denkelijk als bezoeker van je gazon. Want mieren zijn één van hun lievelingsgerechten. Met hun lange snavel en nog veel langere tong halen ze die netjes uit jouw grasperk. Hun geluid is vooral in het voorjaar ook opvallend. Een in de vlucht schril kuu-kuuk-kuuk of vanaf hun zitplek een luid en in toon dalend kluu-kluu-kluu-kluu-klu. Wat hem bij ons de bijnaam “Maarts veulen” opleverde.

Tekening.

De bonte spechten is een ander paar mouwen. We hebben er drie. De grote, de middelste en de kleine. Wat afmetingen betreft lijkt het simpel. De grootste is de grote, de kleinste is de kleinste en die andere zit er tussenin. De meest voorkomende bij ons althans is de grote bonte.

SAMSUNG CSC

De kleuren zijn zwart, wit en rood. Rood op de onderstaart en anaalstreek. en ook op het petje. Hier is dit het kenmerk voor het bepalen van het geslacht. Een rood vlekje op het achterhoofd is een mannetje. Geen rood op de kop is een vrouwtje. De jonge vogels hebben een volledig rood petje van vlak aan de snavelbasis tot op het achterhoofd. De rugtekening is ook een kenmerk. Twee over de lengte lopende witte vlekken en gebandeerde vleugeldekveren waardoor een zwarte driehoek ontstaat op de bovenrug. De baardstreep loopt door tot aan de halstekening.

Kleine.

De kleine is ook echt een kleine. Niet veel groter dan een boomklevertje. Elk jaar weer ben ik verbaasd over de afmetingen van dit minuscule spechtje dat over de takken kruipt. Ook hier is het rode petje weer aanwezig. Althans bij het mannetje dan toch. Het vrouwtje heeft een geeloranje petje op het voorhoofd. Bij deze soort geen rood op de anaalstreek. En de rugtekening is van boven tot beneden mooi zwart -wit gestreept. Roep is zachter dan de grote bonte en een hoog en snel kie-kie-kie-kie-kie-kie. Ook de roffel (het kloppen met de snavel op takken) is anders. Zachter (hij is dan ook kleiner) en constanter en iets langer dan de grote bonte. Vaak ook twee roffels vlak achter elkaar.

telpost622010b

Roze.

En dan hebben we er nog eentje tussenin. Tot een aantal jaar geleden een zeldzaamheid. Maar nu duidelijk aan een opmars bezig. Ook hier een rood petje, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes. Dat lijkt trouwens roder dan bij de twee vorige soorten omdat er geen zwart rond zit. De wangtekening zit trouwens ook volledig los van de halstekening waardoor hij een veel witter gezicht lijkt te hebben. Het rood op de anaalstreek is meer roze (een zeer goed kenmerk in het veld). En de flanken zijn subtiel gestreept met een roze waas. De rugtekening lijkt heel veel op die van een grote bonte met twee grotere witte vlekken en een bandering op de dekveren. Hoewel deze meer banden heeft dan de grote bonte. Het geluid is heel anders dan de vorige soorten. Een roofvogelachtig (ik verwar hem in het voorjaar vaak met kekkerende sperwers) en luid geroepen kwéé-kwéé-kwéé…kwéé…kwéé. Hij zit ook meestal op de buitenste takken van de bomen op zoek naar voedsel wat een grote zelden of nooit doet.

mid.bonte19c

Met of zonder kraagje.

Als je als naam gekraagde of zwarte roodstaart krijgt dan weet je dat je staartje alvast rood is. Regelmatig krijg ik dan ook de vraag “ik zag een zwart vogeltje met een rode staart, wat zou dat zijn ?”. Als ik dan antwoord “een zwarte roodstaart” krijg ik meestal een blik die duidelijk een vermoeden geeft van die is mij aan het bedonderen. En toch is dat niet het geval. Deze soort heeft zijn volledig uitzicht in zijn naam zitten.

Zwarte roodstaart.

Deze soort komt vaak voor in meer stedelijk gebied. Zo hoor je zijn kenmerkende zang in steden. Meestal zittend op een dak of alvast een hoger punt. De zang doet denken aan het geluid van een handvol steentjes die je in je hand tegen elkaar laat krassen. Als je dit eenmaal hebt gehoord ben ik er vrij zeker van dat je het makkelijk gaat onthouden.

Het mannetje van deze soort is bijnam volledig zwart met een rosrode staart (zoals ik al vertelde de naam zegt alles). In prachtkleed hebben ze een witte spiegel op hun vleugel gevormd door witte randen aan de vleugeldekveren. Tijdens het broedseizoen hebben ze ook een pikzwart masker en borst.

640px-Black_Redstart_Lodz(Poland)(js)01

Gekraagde.

Het neefje van de zwarte roodstaart, de gekraagde, komt meer buiten de steden voor. Een typische soort van bosgebieden. Van achter gezien lijkt hij heel veel op de zwarte roodstaart. Maar dan zonder die witte spiegel. Maar de voorzijde is totaal anders zoals je op de bovenste foto kan zien. Enkel een zwart masker met een prachtig oranjerode borst en flanken. Ook de witte band op het voorheeft is kenmerkend.

Vrouwtjes.

De dames zijn iets moeilijker uit elkaar te houden. Maar al bij al valt het nog goed mee. Beide vrouwtjes zijn minder spectaculair gekleurd. Dus mannetjes zonder franjes. Zo zie je bij de zwarte roodstaart een grijs-zwart beestje met een rode staart. En bij de gekraagde een dame met een grijs bruine rug en op de borst en flanken een spoor van de oranjerode kleur van het mannetje. Het zwart ontbreekt volledig en ook bij de gekraagde de witte voorhoofdband.

A007010ADA10065E2BAB26C647993965-zwarte-roodstaart

Vrouwtje zwarte roodstaart.

Gekraagde roodstaart F

Vrouwtje gekraagde roodstaart.

Zomaar een mus.

Deze keer gaan we ons even verdiepen in de mussen die ons landje rijk is. Want rijk is het juiste woord. Een mus is met zijn 50 tinten bruin (niet grijs zoals dat vieze boekje) meer dan de moeite waard om eens grondiger te gaan bekijken.

Huismus.

Laat ons beginnen met het mannetje van onze huismus (foto bovenaan). Wat dadelijk opvalt is de zwarte bef (de vlek onder de snavel). Deze is in het prachtkleed vaak groter en opvallender. Het middel voor de mannetjes om hun dames te imponeren. De vleugels en de rug zijn een schakering van heel wat kleuren bruin met zwarte veerranden en op de kleine dekveren wit dat een mooie vleugelstreep vormt. De wangkleur is hier grijs, maar vaak is deze ook witter. De zwarte kegelvormige snavel duidt op hun voedsel, het zijn zaadeters. Hoewel ze de jongen ook insecten en rupsen brengen in het nest.

Jammer genoeg gaat het niet goed met onze huismussen. Gebrek aan geschikte nestplaatsen maar vooral de intensieve landbouw en het verdwijnen van kippen in heel wat tuinen zorgt dat hun aantallen sterk terugvallen.

Het vrouwtje is veel eenvoudiger van verenkleed wat bij vogels wel vaker het geval is. Wie eitjes moet uitbroeden en jongen moet grootbrengen valt best niet te veel op.

SONY DSC

Hier ook bruin op de vleugels en rug, maar minder warm van kleur. Ook de onderzijde is meer beige dan grijs. En de zwarte bef ontbreekt volledig. Geen zwarte maar een geelbruine snavel. Let ook op de opvallende oogstreep. Deze is echter niet altijd zo uitgesproken.

Ringmus.

Een andere vertegenwoordiger van de mussenfamilie is de ringmus. Die ring wijst op de witte band rond de nek. Hier zijn mannetjes en vrouwtjes gelijk van verenkleed. Wat ook opvalt is de chocoladebruine kruin in contrast met de witte wangen met een zwarte vlek aan de oorstreek. Ook hier een zwarte bef. De rugtekening lijkt op die van de huismus, maar met iets meer beige kleur. De flanken zijn ook iets meer beige gekleurd.

Bij beide soorten ruien de jonge vogels in hun eerste jaar al hun volledige jeugdkleed. Hierdoor zijn al vrij snel jonge en adulte vogels niet meer uit elkaar te houden.

Tree_Sparrow_Japan_Flip

Geen mus.

En dan hebben we onze heggemus. Helemaal geen familie van onze twee vorige beestjes. Een heggemus lijkt wel wat op onze andere mussen met die met verschillende tinten bruin gekleurde vleugels en rug, grijze kop en flanken. Maar als je naar de snavel kijkt valt dadelijk op dat die veel langer en spitser is. Een insecteneter dus.

Geen zwarte bef hier. En geen chocoladebruine kruin. En de flanken zijn licht gestreept. Van vorm ook een totaal andere vogel. En een goed kenmerk is ook de oogkleur. Hier bruin tot bruinrood (oudere vogels hebben rodere ogen), terwijl die bij onze huis- en ringmus mooi zwart zijn.

Dunnock_crop2

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research