Sylvia’s in de aanbieding.

Op dit moment vliegen er elke nacht duizenden vogels over ons hoofd. Want heel wat soorten zijn hun heroïsche tocht naar het warme zuiden al begonnen. Als ringer kan ik dit fenomeen van heel kortbij ervaren. Maar ook als vogelkijker kan je een stukje van deze superleuke taart meepikken.

Bessen.

Want na elke etappe tanken deze trekvogels bij in een wegrestaurant. Niet door aan te schuiven aan een selfservice. Maar door zich vol te proppen met voedsel dat ze in bosjes, hagen en zelfs uw tuin vinden. Plekken met veel bessen en beschutting zijn dan ook de locaties waar je momenteel wel een kijkje kan gaan nemen. Het is wel hard werken. Alle struiken afscannen en elke beweging die je ziet grondig checken. Want onze reizigers weten dat achter elk blaadje of struikje gevaar kan schuilen. Dus zijn ze heel voorzichtig en sluipen ze als het ware door de struiken. Spannend.

Basis.

En je kan echt alles tegenkomen. En daarom is het belangrijk dat je de “gewone” soorten goed leert kennen. Eenmaal die op je harde schijf staan gebrand dan weet je als er iets speciaals voorbij hipt. En wees gerust. Dan schiet de adrenaline naar ongekende hoogtes.

Dus hier een overzichtje van de basissoorten (en wees gerust, die vind ik zelf ook de moeite om te kunnen bekijken).

Zwartkop.

De meest voorkomende soort is de zwartkop. De naam zegt het eigenlijk helemaal. Een grijs-bruine vogel met een zwarte kruin. De vrouwtjes houden het bij een roodbruin kapsel. Juveniele vogels hebben dan weer een doffer bruine kruin. En de pubers die mannetjes blijken te zijn krijgen in het najaar stilaan een zwarte kruin. Dus vogels met tweekleurige kruin zijn zeker 1ste jaars vogels. Hun zang is prachtig. Ze worden dan ook soms bastaardnachtegalen genoemd.

1280px-Sylvia_atricapilla_no

Vrouwtje zwartkop (mannetje bovenaan) – Sylvia atricapilla.

Tuinfluiter.

De tweede vertegenwoordiger is de tuinfluiter. De simpelste wat betreft uitzicht. Een forse vogel met een eentonig grijs verenkleed. Geen toeters of bellen. Vrouwtjes en mannetjes zijn identiek. De 1ste jaars vogels zijn iets bruiniger van kleur. Zijn liedje is ook vrij bescheiden. Een zacht melodieus gezang. Het lijkt op dat van zwartkop maar bescheidener en zonder die forse uithalen.

Flickr_-_Rainbirder_-_Garden_Warbler_(Sylvia_borin)

Tuinfluiter – Sylvia borin.

Grasmus.

De hevigste van de bende is de grasmus. Het mannetje laat zich tijdens het broedseizoen goed opvallen door op toppen van struiken te gaan zingen of opvallende baltsvluchten te doen, al zingend. Een goed kenmerk. Een bruikbaar kenmerk zijn hier de roodbruine gerande vleugeldekveren en armpennen. Dit valt echt op in het veld. Ook de witte keel is een weggever. Maar de braamsluiper die dadelijk aan de beurt komt heeft dit ook. Mannetjes hebben een grijsblauwe kruin en wangen en een opvallend roodachtig oog. Ze hebben ook een roze schijn op de borst en flanken. Vrouwtjes missen deze roze schijn en de kop is ook minder intensief gekleurd. Jonge vogels zijn meer grijsbruin. Maar de roodbruine randen in de vleugel zijn wel al aanwezig.

Common_Whitethroat

Grasmus – Sylvia communis.

Braamsluiper.

De minst algemene van ons viertal is de braamsluiper. Zoals de naam zegt een geniepig kereltje dat je niet zo makkelijk te zien krijgt. Vaak geeft hij zijn aanwezigheid enkel prijs door zijn gezang. Hij start met een stil prevelend liedje gevolgd door een luide en snelle ratel. Hij lijkt op de grasmus. In het Engels noemen ze hem dan ook de lesser whitethroat (kleinere grasmus). En dat is hij ook. Een miniversie van de grasmus met de opvallende witte keel en op de vleugels ook een bruine omranding. Maar veel minder intensief en opvallend dan bij de grasmus. Typisch is hier de zwarte oogstreep en donkere oorstreek. Nog extra geaccentueerd met een (soms niet zo opvallende) witte wenkbrauwstreep. De poten geven ook een hint. Bij braamsluiper zwart, bij grasmus vleeskleurig. Bij jonge vogels of tijdens winter is de oogstreep minder opvallend, maar wel steeds aanwezig.

Lesser_Whitethroat_(Sylvia_curruca)_(4)

Braamsluiper – Sylvia curruca.

 

Duif op het menu.

woodpigeon-274834_960_720

Houtduif.

De houtduif is een van de meest voorkomende vogels in onze regio. Een geweldig aanpassingsvermogen, gebrek aan natuurlijke vijanden en een enorme voorplantingsdrang zijn de factoren die hiervoor hebben gezorgd. De kans dat je een dag er geen hebt gezien is dan ook erg klein. Want ondertussen hebben ze zowat alle biotopen die ik ken veroverd.

Een adulte houtduif herkennen is niet zo moeilijk. Het aantal soorten duiven in ons landje is dan ook beperkt (eigenlijk maar twee). Meest opvallend kenmerk zijn de witte halsvlek en tijdens de vlucht de witte vleugelstreep op de bovenvleugel. Juveniele exemplaren missen echter die halsvelk. Maar je kan ze herkennen aan hun stevig formaat. In het voorjaar valt hun opvallende baltsvlucht op (balts is specifiek gedrag van mannetjes om vrouwtjes te imponeren). Ze stijgen al klapwiekend op om dan met stijve vleugels af te glijden.

Op onze telpost worden wij elk jaar (we liggen gelukkig oostelijk genoeg) getrakteerd op immense groepen houtduiven. In wolken met vaak honderden vogels trekken ze vanuit de noordse landen naar Frankrijk. Een aantal vinden ons landje ook goed genoeg en blijven dan ook hier overwinteren. Onze broedvogels trekken ook meestal wat zuidelijker, maar heel wat blijven dankzij de zachtere winters ook gewoon hier. Er zijn zelfs paartjes die zelfs dan nog een nestje durven grootbrengen.

Holeduif.

En dan heb je de kleinere vertegenwoordiger bij de duiven. Onze holeduif is merkelijk kleiner en fijner gebouwd dan de plompe houtduif. De witte halsvlek en vleugelstreep ontbreekt. Wel valt vooral tijdens het broedseizoen is de groenblauwe halsvlek. Soms vliegen ze mee in een groep houtduiven en je haalt ze er zo uit. enerzijds door hun formaat, maar ook door de snellere vleugelslag. Ze zijn ook een pak minder talrijk dan hun neefjes de houtduiven. En ze broeden, zoals hun naam al deed vermoeden, in holen. Holtes in bomen en vaak ook nestkasten.

8632244714_b558103f85_b

Reisduif.

En dan heb je de verwilderde reisduiven. In de stad ben je ze zeker al tegengekomen. Maar daar is het een poespas van kleuren, afmetingen en vormen. Ze kweken door elkaar dat het een lieve lust is. Maar toch vliegen er ook beesten rond die je zou kunnen verwarren met vooral de holeduif. Want oorspronkelijke stammen al deze reisduiven af van hun wilde voorvader, de rotsduif. In zuidelijk Europa zou die nog als wilde vorm voorkomen. Hoewel er specialisten zijn die beweren dat er eigenlijk geen zuivere wilde rotsduiven meer zouden bestaan. Bij ons gaat het dus zeker over verwilderde duiven. Je kan ze onderscheiden van de holeduif door het zwaardere formaat (hoewel dit kan variëren) en de volledige twee zwarte banden op de vleugels. En (meestal) het rode oog dat bij een holeduif donker is.

pigeon-2333340_960_720

Hoor wie klopt daar.

Spechten zijn fascinerende vogels met een hele eigen levenswijze. Ze zoeken hun voedsel vaak al klauterend tegen een boomstam. En ook hun nest hakken ze zelf uit in een boom. Holtes die nadien vaak worden overgenomen door andere soorten.

Groen.

Ze herkennen is voor één soort alvast niet zo moeilijk. De groene specht heeft zijn naam niet gestolen en is dan ook op zijn rug groen gekleurd. De borst, buik, keel en wangen zijn dan weer grijs-groenig. En de stuit is vooral in de vlucht opvallend fluogroen. De teugel en de oogstreek zijn dan weer zwart. Maar kenmerkend is toch het rode petje. Mannetjes en vrouwtjes kan je uit elkaar houden door de kleur van de baardstreep. Bij vrouwtjes volledig zwart. Bij mannetjes met dezelfde rode kleur er in als hun petje. Jonge vogels hebben een gebandeerde bovenzijde, kop en onderzijde.

Je kent deze soort denkelijk als bezoeker van je gazon. Want mieren zijn één van hun lievelingsgerechten. Met hun lange snavel en nog veel langere tong halen ze die netjes uit jouw grasperk. Hun geluid is vooral in het voorjaar ook opvallend. Een in de vlucht schril kuu-kuuk-kuuk of vanaf hun zitplek een luid en in toon dalend kluu-kluu-kluu-kluu-klu. Wat hem bij ons de bijnaam “Maarts veulen” opleverde.

Tekening.

De bonte spechten is een ander paar mouwen. We hebben er drie. De grote, de middelste en de kleine. Wat afmetingen betreft lijkt het simpel. De grootste is de grote, de kleinste is de kleinste en die andere zit er tussenin. De meest voorkomende bij ons althans is de grote bonte.

SAMSUNG CSC

De kleuren zijn zwart, wit en rood. Rood op de onderstaart en anaalstreek. en ook op het petje. Hier is dit het kenmerk voor het bepalen van het geslacht. Een rood vlekje op het achterhoofd is een mannetje. Geen rood op de kop is een vrouwtje. De jonge vogels hebben een volledig rood petje van vlak aan de snavelbasis tot op het achterhoofd. De rugtekening is ook een kenmerk. Twee over de lengte lopende witte vlekken en gebandeerde vleugeldekveren waardoor een zwarte driehoek ontstaat op de bovenrug. De baardstreep loopt door tot aan de halstekening.

Kleine.

De kleine is ook echt een kleine. Niet veel groter dan een boomklevertje. Elk jaar weer ben ik verbaasd over de afmetingen van dit minuscule spechtje dat over de takken kruipt. Ook hier is het rode petje weer aanwezig. Althans bij het mannetje dan toch. Het vrouwtje heeft een geeloranje petje op het voorhoofd. Bij deze soort geen rood op de anaalstreek. En de rugtekening is van boven tot beneden mooi zwart -wit gestreept. Roep is zachter dan de grote bonte en een hoog en snel kie-kie-kie-kie-kie-kie. Ook de roffel (het kloppen met de snavel op takken) is anders. Zachter (hij is dan ook kleiner) en constanter en iets langer dan de grote bonte. Vaak ook twee roffels vlak achter elkaar.

telpost622010b

Roze.

En dan hebben we er nog eentje tussenin. Tot een aantal jaar geleden een zeldzaamheid. Maar nu duidelijk aan een opmars bezig. Ook hier een rood petje, zowel bij mannetjes als bij vrouwtjes. Dat lijkt trouwens roder dan bij de twee vorige soorten omdat er geen zwart rond zit. De wangtekening zit trouwens ook volledig los van de halstekening waardoor hij een veel witter gezicht lijkt te hebben. Het rood op de anaalstreek is meer roze (een zeer goed kenmerk in het veld). En de flanken zijn subtiel gestreept met een roze waas. De rugtekening lijkt heel veel op die van een grote bonte met twee grotere witte vlekken en een bandering op de dekveren. Hoewel deze meer banden heeft dan de grote bonte. Het geluid is heel anders dan de vorige soorten. Een roofvogelachtig (ik verwar hem in het voorjaar vaak met kekkerende sperwers) en luid geroepen kwéé-kwéé-kwéé…kwéé…kwéé. Hij zit ook meestal op de buitenste takken van de bomen op zoek naar voedsel wat een grote zelden of nooit doet.

mid.bonte19c

Met of zonder kraagje.

Als je als naam gekraagde of zwarte roodstaart krijgt dan weet je dat je staartje alvast rood is. Regelmatig krijg ik dan ook de vraag “ik zag een zwart vogeltje met een rode staart, wat zou dat zijn ?”. Als ik dan antwoord “een zwarte roodstaart” krijg ik meestal een blik die duidelijk een vermoeden geeft van die is mij aan het bedonderen. En toch is dat niet het geval. Deze soort heeft zijn volledig uitzicht in zijn naam zitten.

Zwarte roodstaart.

Deze soort komt vaak voor in meer stedelijk gebied. Zo hoor je zijn kenmerkende zang in steden. Meestal zittend op een dak of alvast een hoger punt. De zang doet denken aan het geluid van een handvol steentjes die je in je hand tegen elkaar laat krassen. Als je dit eenmaal hebt gehoord ben ik er vrij zeker van dat je het makkelijk gaat onthouden.

Het mannetje van deze soort is bijnam volledig zwart met een rosrode staart (zoals ik al vertelde de naam zegt alles). In prachtkleed hebben ze een witte spiegel op hun vleugel gevormd door witte randen aan de vleugeldekveren. Tijdens het broedseizoen hebben ze ook een pikzwart masker en borst.

640px-Black_Redstart_Lodz(Poland)(js)01

Gekraagde.

Het neefje van de zwarte roodstaart, de gekraagde, komt meer buiten de steden voor. Een typische soort van bosgebieden. Van achter gezien lijkt hij heel veel op de zwarte roodstaart. Maar dan zonder die witte spiegel. Maar de voorzijde is totaal anders zoals je op de bovenste foto kan zien. Enkel een zwart masker met een prachtig oranjerode borst en flanken. Ook de witte band op het voorheeft is kenmerkend.

Vrouwtjes.

De dames zijn iets moeilijker uit elkaar te houden. Maar al bij al valt het nog goed mee. Beide vrouwtjes zijn minder spectaculair gekleurd. Dus mannetjes zonder franjes. Zo zie je bij de zwarte roodstaart een grijs-zwart beestje met een rode staart. En bij de gekraagde een dame met een grijs bruine rug en op de borst en flanken een spoor van de oranjerode kleur van het mannetje. Het zwart ontbreekt volledig en ook bij de gekraagde de witte voorhoofdband.

A007010ADA10065E2BAB26C647993965-zwarte-roodstaart

Vrouwtje zwarte roodstaart.

Gekraagde roodstaart F

Vrouwtje gekraagde roodstaart.

Zomaar een mus.

Deze keer gaan we ons even verdiepen in de mussen die ons landje rijk is. Want rijk is het juiste woord. Een mus is met zijn 50 tinten bruin (niet grijs zoals dat vieze boekje) meer dan de moeite waard om eens grondiger te gaan bekijken.

Huismus.

Laat ons beginnen met het mannetje van onze huismus (foto bovenaan). Wat dadelijk opvalt is de zwarte bef (de vlek onder de snavel). Deze is in het prachtkleed vaak groter en opvallender. Het middel voor de mannetjes om hun dames te imponeren. De vleugels en de rug zijn een schakering van heel wat kleuren bruin met zwarte veerranden en op de kleine dekveren wit dat een mooie vleugelstreep vormt. De wangkleur is hier grijs, maar vaak is deze ook witter. De zwarte kegelvormige snavel duidt op hun voedsel, het zijn zaadeters. Hoewel ze de jongen ook insecten en rupsen brengen in het nest.

Jammer genoeg gaat het niet goed met onze huismussen. Gebrek aan geschikte nestplaatsen maar vooral de intensieve landbouw en het verdwijnen van kippen in heel wat tuinen zorgt dat hun aantallen sterk terugvallen.

Het vrouwtje is veel eenvoudiger van verenkleed wat bij vogels wel vaker het geval is. Wie eitjes moet uitbroeden en jongen moet grootbrengen valt best niet te veel op.

SONY DSC

Hier ook bruin op de vleugels en rug, maar minder warm van kleur. Ook de onderzijde is meer beige dan grijs. En de zwarte bef ontbreekt volledig. Geen zwarte maar een geelbruine snavel. Let ook op de opvallende oogstreep. Deze is echter niet altijd zo uitgesproken.

Ringmus.

Een andere vertegenwoordiger van de mussenfamilie is de ringmus. Die ring wijst op de witte band rond de nek. Hier zijn mannetjes en vrouwtjes gelijk van verenkleed. Wat ook opvalt is de chocoladebruine kruin in contrast met de witte wangen met een zwarte vlek aan de oorstreek. Ook hier een zwarte bef. De rugtekening lijkt op die van de huismus, maar met iets meer beige kleur. De flanken zijn ook iets meer beige gekleurd.

Bij beide soorten ruien de jonge vogels in hun eerste jaar al hun volledige jeugdkleed. Hierdoor zijn al vrij snel jonge en adulte vogels niet meer uit elkaar te houden.

Tree_Sparrow_Japan_Flip

Geen mus.

En dan hebben we onze heggemus. Helemaal geen familie van onze twee vorige beestjes. Een heggemus lijkt wel wat op onze andere mussen met die met verschillende tinten bruin gekleurde vleugels en rug, grijze kop en flanken. Maar als je naar de snavel kijkt valt dadelijk op dat die veel langer en spitser is. Een insecteneter dus.

Geen zwarte bef hier. En geen chocoladebruine kruin. En de flanken zijn licht gestreept. Van vorm ook een totaal andere vogel. En een goed kenmerk is ook de oogkleur. Hier bruin tot bruinrood (oudere vogels hebben rodere ogen), terwijl die bij onze huis- en ringmus mooi zwart zijn.

Dunnock_crop2

Het is maar een merel.

Na een tijdje van inactiviteit ben ik er weer. De voorbije weken heb ik vaak gehoopt op een verlenging van de dagen met een aantal uren om alles gedaan te krijgen. Maar nu heb ik gelukkig weer wat tijd om te gaan bloggen. Dus, daar gaan we weer.

Gewone soorten.

Regelmatig zie ik op internet foto’s voorbij komen van soorten die volgens mij elke vogelkijker toch zou moeten kennen. En dit met de volgens mij onnodige vraag welke vogel dit nu is. Maar als iets meer ervaren vogelaar nemen wij dat misschien wat te licht op. Want het is niet zo simpel om als beginner in dat bos van soorten de juiste soort er uit te halen. Hoe meer je met vogels bezig bent hoe meer soorten je gaat herkennen (lees maar eens één van de eerste posts op mijn blog). Maar alle begin is moeilijk.

Eén van de regels om te starten met vogels kijken is om de “gewone” soorten te leren kennen (waarbij ik inderdaad toch even wil bevestigen dat gewone soorten een verkeerde keuze is, maar ik zou niet weten hoe ik het anders moet verwoorden). Eenmaal je die onder de knie of op je harde schijf hebt zal je dadelijk merken dat je een zeldzamere verschijning dadelijk gaat opmerken. Je reactie is op dat moment “hé, dat is toch geen gewone lijster”. Een moment waar je adrenaline stijgt met een behoorlijke piek.

Daarom ga ik de komende weken telkens een aantal “gewone” soorten (daar is het weer) beschrijven en tips geven om die te herkenen. Voor iets meer ervaren vogelaars misschien niet echt nuttig. Hoewel, ik wil de ervaren rotten die mij tuinsoorten zoals de pimpelmees niet in alle details uit hun hoofd kunnen beschrijven niet te eten geven. Dat zou een heel groot diner worden. Maar voor beginnende vogelkijkers denk ik nuttige info.

Merels.

Dus start ik met de meest algemene vogel en tuinsoort die ik ken. onze merel. Het mannetje is onmiskenbaar met zijn volledig zwarte verenkleed, oranjegele snavel en oogring  en donkere poten. In hun eerste zomerkleed kan je vaak de bruine slagpennen van het jeugdkleed nog zien en is de snavel soms donkerder of gevlekt. De enige soort waarmee je een mannetje merel zou kunnen verwarren is een volwassen spreeuw. Maar die hebben witte stippen op de borst en flanken en een veel kortere staart. Dus echt vergissen kan je je niet.

Toulouse_-_Sturnus_vulgaris_-_2012-02-26_-_1

Spreeuw in zomerkleed.

Mevrouw.

De vrouwtje merel is een ander paar mouwen. Met een meer variabel rood- of grijsachtig donkerbruin verenpak met meestal op de keel en borst een lichtere kleur en een stippenpatroon op de borst en flanken is ze minder opvallend dan de mannetjes. De snavel is donkerder, hoewel oudere vrouwtjes ook veel oranjegeel in hun snavel kunnen hebben. Jonge merels lijken op hun moeder. Maar aan hun staartveren kan je soms wel al zien of het om een dochter of een zoon gaat. Jonge mannetjes hebben al pikzwarte staartveren en vrouwtjes bruin-zwarte. Dit kan je zelfs al zien aan jongen die nog in het nest zitten.

Amsel_weiblich_g

Vrouwtje merel.

Turdus_merula_-juvenile_-garden-8

Pas uitgevlogen merel.

Familie.

Een ander familielid van de merel die je vaak kan tegenkomen is de zanglijster. De merel werd heel vroeger trouwens de zwarte lijster genoemd. Beiden lid van de familie turdus of lijsterachtigen. Hier zijn mannetje en vrouwtje gelijk van uitzicht. Wat dadelijk opvalt is de bruine bovenzijde, veel lichter dan het vrouwtje merel. En het typische borst- en flankpatroon. Mooi verdeelde donkere vlekken op een roomkleurige achtergrond. De poten zijn veel bleker dan bij de merel en de snavel is donker met een gele basis. In de vlucht vallen vaak de bleke oranjebeige onderdekveren op. Ook wat betreft de zang kan je de zanglijster en de merel goed uit elkaar houden. Terwijl onze merel een mooi melodietje fluit houdt de zanglijster het bij luide met heel wat variatie met herhalingen en dit in korte frasen. Zelf vind ik het meer schreeuwen dan zingen. Hopelijk krenk ik hiermee mijn huis- en tuinlijster niet in zijn eer.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De zanglijster.

Een derde vertegenwoordiger van de turdus-groep die je vaker tegenkomt (wel de minst algemene van de drie) is de grote lijster. Hij valt op door zijn grootte, daarom noemen we ze dan ook grote lijsters. Veel forser en zwaarder gebouwd dan de merel of de zanglijster. Heeft heel vaak een rechtopstaande houding. De algemene kleur lijkt heel veel op die van de zanglijster maar toch minder warm. Dit komt vooral omdat ze duidelijke lichtgrijze veerranden hebben in hun vleugels. Ook het stippenpatroon is anders. Kleinere meer ronde stippen op een vooral op de borst wittere achtergrond. Maar wat het meest opvalt is hun kenmerkende korte en droge ratelende roep. Ook hun zang is weer totaal anders dan de vorige twee. Veel trager en melancholischer. Het is trouwens één van de eerste soorten die beginnen met zingen elk jaar. Al vanaf januari kan je grote lijsters al horen.

Turdus_viscivorus_in_Baikonur-town_001

Grote lijster.

Er komen natuurlijk nog andere vertegenwoordigers van deze familie voor in ons landje. Dan denk ik aan de koperwieken en kramsvogels die meestal in de winter opduiken. Maar die ga je dan zeker leren kennen als je deze drie al vlot leert herkennen en bij die ontmoeting zegt “hé, dat is geen gewone lijster”.

Er zit sleet op.

Vogels hebben veren en veren verslijten. Dat noemen we in vogeltermen sleet. Vooral de delen die veel wrijving ondervinden als de vogels vliegen hebben het hard te verduren. De toppen van de hand- en armpennen, de toppen van de staartveren laten als eerste tekenen van sleet zien. Een stevig gesleten vogel zal op termijn zijn veren verwisselen, dat noemen we dan weer rui. Maar hier gaan we het hebben over de sleet.

Ringers.

Voor ringers is sleet een belangrijk kenmerk om vogels op leeftijd te brengen. Als je het ruipatroon van een soort kent kan je op basis van de sleet bepalen in welk stadium een vogel zit. Zo weten we dat bijvoorbeeld kleine karekieten pas ruien als ze in hun overwinteringsgebied zijn aangekomen. Een vogel die je vangt in september en die heel fel gesleten is, is zonder twijfel een vogel ouder dan 1 jaar. De jonge vogels hebben hun veren van toen ze uit het nest vlogen en kunnen dan ook nog niet zo heel veel sleet hebben.

DSC01535

Links 1ste jaars vogel (weinig sleet), rechts >1 jaar vogel (veel sleet)

Verborgen.

Maar sleet is er gedurende het ganse jaar. En voor sommige soorten komt die sleet mooi van pas. Want onder hun verenkleed zitten soms gekleurde veertjes die door het afslijten  van de toppen van die veren plots te voorschijn komen. Wij denken dat vogels in het broedseizoen kleur bij krijgen. Maar ze verliezen net veertoppen die de kleur die er al lang verborgen zat dan laten verschijnen. Geen energie nodig om extra kleur aan te maken, gewoon profiteren van natuurlijke slijtage.

Broedkleed.

Als je de huismus bekijkt boven deze tekst zie je een gevlekte bef (de zone net onder de snavel) bestaande uit zwarte veertjes met grijze toppen. Deze grijze toppen slijten tegen het broedseizoen af en dan kan meneer huismus dan uitpakken met een prachtig zwarte bef om mevrouw te imponeren.

SONY DSC

Meneer tijdens het broedseizoen.

En zo zijn er voorbeelden genoeg. De kneu houdt zijn prachtig rode borst mooi verborgen in het najaar en de winter. Want dan moet er niet gepocht worden tegenover de dames. Maar tegen de paartijd zijn die veertjes afgesleten en komt zijn mooie karmijnrode borst in vol ornaat te voorschijn. En nog een voorbeeld, de keep. In, de winter al een prachtige verschijning. Maar tijdens het broedseizoen steken de mannetjes nog een tandje bij (of een stukje minder in dit geval).

Fringilla_montifringilla_-Poland_-male-8

Meneer keep in de winter bij ons.

640px-Fringilla_montifringilla_ltdp

En gesleten meneer in zijn broedgebied.

 

ABV

Neen, ik ben niet overleden. Nog springlevend, maar megadruk met mijn ringwerk. Elk jaar beslissen de steenuiltjes, torenvalken en buizerd om net op hetzelfde moment hun jongen op de wereld te zetten. Dus ringen, ringen en nog eens ringen. En hierdoor bleef mijn blog onbeschreven. Vanavond dan toch nog even tijd gevonden om iets te posten.

Algemeen.

Een superbelangrijk project is het tellen en bijhouden van onze “algemene” vogels. De trends van deze soorten geven een goed beeld van de toestand van onze vogelpopulaties. Deze dan ook op gestandaardiseerde wijze tellen is een goede daad die heel wat nuttige info kan leveren. En je leert je soorten op die manier dan ook nog eens goed kennen. Een win-win noemen ze zoiets.

zangvogels0001

Ook grote lijster hoort bij die ABV (Algemene BroedVogels)

Gebiedskartering.

De meest volledige methode is de volledige gebiedskartering.  Met deze methode gan je alle broedvogels in een gebied proberen te traceren en op kaart zetten. Dit doe je door op een gestandaardiseerde wijze alle waarnemingen te noteren tijdens een aantal bezoeken van jouw gebied. Want dit doe je in een vast gebied dat je zelf kan kiezen. Een gebied bij jou in de buurt is de beste keuze. Dan ben je snel op je locatie. Want de bezoeken moeten heel vroeg worden afgelegd. Vroeg opstaan, je soorten kennen en volhouden zijn de kernwoorden om dit tot een goed einde te brengen.

ABV.

Zowel in Belgie (via Natuurpunt) als in Nederland (via SOVON) zijn er gestandaardiseerde projecten op poten gezet om de Algemene BroedVogels te tellen. Meestal gaat het om vaste punten waar alle soorten die je ziet worden geteld. Dit is een veel minder arbeidsintensieve methode dan de gebiedskartering. En op basis van al deze gegevens kunnen er tegenwoordig heel goed trends worden vastgesteld. Zo draag je je steentje bij aan dit groots opgezette project.

Route tellen.

Een nieuwe methode is het vastleggen van een route. Op waarnemingen.be kan je elke route die je afloopt alle soorten opslaan die je ziet of hoort. Dit doen met een vaste route levert ook heel wat nuttige info op over je gebied. Zelf vind ik deze methode zeker bruikbaar omdat je minder tijd nodig hebt dan bij een volledige gebiedskartering. En volgens mij meer te weten komt dan bij het ABV project. Maar ook hier is de boodschap weer gestandaardiseerd werken (jaren dezelfde route lopen) en volhouden. Want lange reeksen over meerdere jaren zijn pas interessant.

rietgors0001-5

Rietgors op jouw route of in jouw gebied ?

Zoals je merkt keuzes genoeg om met gewone soorten belangrijke gegevens te verzamelen. Vaak zijn deze tellingen belangrijker dan zeldzame soorten. Want het is aan de algemene soorten dat je kan merken of we goed of minder goed bezig zijn. Dus zeker het overwegen waard om jouw steentje bij te dragen aan deze projecten. En het is dan ook nog eens hartstikke plezant.

Weekendtips.

Foto Erwin Houbrechts

De tip voor dit weekend is heel simpel. Naar buiten en omhoog kijken. Want op dit moment kan overal alles doorkomen. De laatste broedvogels zijn terug, grauwe klauwier en wespendieven duiken het land binnen. Maar ondertussen blijken heel veel soorten op doortocht. En elk weertype levert dan ook weer nieuwe mogelijkheden op.

Het bewijs werd in België geleverd door op nog geen vijf dagen de 6de en 7de kleine geelpootruiter voor ons landje te scoren. En eentje kon ik zelf meepikken. Het is trouwens snel zijn nu, want ze blijven nu niet lang zitten en trekken vaak binnen de korste keren verder. Zo ook bij een grijze strandloper in Nederland. Ook een topsoort.

13496032

Arendbuizerd (foto Carine Richerzhagen)

Andere toppers waren in België ralreiger en vooral arendbuizerd (ook in mijn eigen regio). Nederland deed mee met kleinst waterhoen, orpheusspotvogel, vale gier en dwergarend. Waarvan de meeste overtrekkend of kort pleisterend.

dwergarend Gerhard Christenhuis

Dwergarend (Foto  Gerhard Christenhuis)

Dus locaties meegeven heeft op dit moment weinig zin. De berichten volgen en vooral zelf het veld in. Want wie weet wat er nog allemaal opduikt.

Weer een jaartje bij.

Geen verjaardag of ander leuk feestje. Neen, we gaan het even hebben over de verschillende kalenderjaren bij vogels.

Nieuwjaar.

De eerste dag van het jaar is hierbij bepalend. Een vogel in zijn 1ste kalenderjaar zit in de periode tussen de dag dat hij uit zijn eitje kroop en 31 december van dat jaar. Vanaf de 1ste januari tot 31 december van het jaar daarop zit hij in zijn 2de kalenderjaar. En vanaf 1 januari van het volgende jaar in zijn 3de kalenderjaar en zo verder.

Herring_Gull_Digon3

Stormmeeuw in zijn 1ste kalenderjaar (als het nog geen nieuwjaar is geweest).

Rui.

Bij heel wat soorten is dat niet altijd makkelijk te zien. Hun eerste jaar valt nog mee omdat ze dan vaak een juveniel kleed of sporen daarvan dragen. En dit bij de meeste soorten ook voor een groot deel in hun 2de kalenderjaar. Vanaf dan krijgen heel veel soorten een adult verenkleed. Maar sommige soorten kan je wel redelijk goed op leeftijd brengen. Het draait allemaal rond hun rui. Jonge vogels ruien meestal niet alle veren, heel vaak blijven de hand- en armpennen, alle of een deel van de dekveren en de staartveren behouden gedurende hun 1ste jaar en dit tot  het volgende broedseizoen. Maar opgelet, er zijn heel wat verschillende rui-strategiën bij verschillende soorten. Dus dit is niet voor alle vogelsoorten hetzelfde. Bij vogels die er lang over doen om al hun veren te ruien zoals meeuwen of roofvogels (vaak de grotere soorten) kan je door te kijken welke veren horen bij het juveniele kleed en welke er de jaren nadien kwamen de leeftijd bepalen.

Zo kan je bij arenden soms van het 1ste tot zijn 6de jaar bepalen hoe oud hij nu juist is. Je kan er dan ook nog eens het seizoen van het moment bijvoegen en dan wordt de leeftijd nog specifieker. Een arend die in zijn 3de kalenderjaar (afgekort kj.) zit en die je in september op een telpost mocht bewonderen wordt zo een 3de  kj. najaar. Zie je diezelfde vogel in het voorjaar in maart terug over de telpost vliegen (soms heb je heel veel geluk) dan is dat ondertussen een 4de kj voorjaar.

Ringers proberen op die manier trouwens alle vogels die ze ringen op leeftijd te brengen. Ze noteren de leeftijd als 1ste kj, 2de kj en zo verder. Ze hebben dan natuurlijk het voordeel om de vogels iets grondiger te kunnen bekijken omdat ze ze in de hand hebben. Maar wees gerust, makkelijk is het niet. Maar veel oefenen en je krijgt dat ook wel onder de knie (of in dit geval de slagpennen).

golden-eagle-1490887474zE6

In welk jaar zit deze zeearend denk je ?

NaTUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research