De kaap van de 50 is gerond. Een koude ochtendwandeling bracht de verlossing. Een mooie verlossing, met een knallende waarneming van een van de meest populaire vogels: de ijsvogel. Hij – want het was een mannetje – doorbrak net het wateroppervlak van de beek, met een visje in zijn snavel, vlak voor mij op. Hij ging netjes zitten op een takje van een over de beek hangende eik om zijn vangst naar binnen te spelen. Daar bleef hij dan minutenlang zitten zodat ik mijn ronde-cijfer-jaarsoort uitgebreid kon bewonderen.
Ijsvogel, maar een ander exemplaar. dit is ene vrouwtje, te herkennen aan de oranje ondersnavel.
Laaghangend fruit
Een jaarlijst kan je opbouwen door allereerst de ‘makkelijke’ soorten van je local patch te zoeken. Bij mij gaat dit om net geen 80 soorten. Voor een valleigebied is dat zeker niet slecht, maar ook geen grote weelde. Terwijl je die gericht gaat zoeken is de kans dat je op ‘bonussoorten’ botst reëel. Zo tel ik in de Herkvallei 46 soorten die je het ganse jaar kan tegenkomen. Daar heb ik er al 41 van op mijn lijst staan. Havik, sperwer, kleine bonte specht, kerkuil en kievit ontbreken nog. Dus ga ik bij mijn volgende bezoek op zoek naar kleine bonte specht – want die zijn momenteel actief – en kievit. Omdat ik voor deze laatste in het stukje akkerland van mijn local patch ga ronddwalen, komt er mogelijk een andere soort die daar net voorbijkomt op mijn lijst. Altijd spannend.
De echte wintergasten zijn met 9, waarvan ik er al 5 kon vinden. De exoten met 3, hier nog eentje te gaan. De zomergasten zijn voor later, hoewel ik al eentje kon afvinken, een overwinterende tjiftjaf. Enkel van de doortrekkers, die met 6 zijn, moet ik ze nog allemaal ontdekken. Deze soorten komen zeker op mijn lijst als ik wat moeite doe. Al de rest zijn bonussoorten. Om de vooropgestelde doel van 96 soorten te halen, moet ik dus 17 ‘bonussen’ te pakken krijgen.
Twee keer is scheepsrecht
Tussendoor gaan ik met mijn maten op zoek naar leuke soorten elders. Na een vruchteloze zoektocht vorig weekend, gingen Gert en ik terug richting Mol. Met meer succes deze keer. De nieuw gemelde bonte kraai bleek redelijk makkelijk te vinden. Voor de zwartbuikwaterspreeuw – een noordelijke ondersoort – kregen we hulp van een vriendelijk collega-vogelaar op de fiets. Hij wees ons het beestje aan dat vlak onder ons, op de betonnen wand van de sluis zat te genieten van een net gevangen en duidelijk lekker waterdiertje. De dwergaalscholver deed hetzelfde als de week ervoor. Zich niet laten zien. Zondag ging ik dan op zoek naar een gemeld koppeltje raven in een van de weinige – wat kan doorgaan voor een – bos in mijn buurt. Deze raven deden hetzelfde als de ‘dwergali’, en bleven onzichtbaar. Maar met een koppeltje glanskoppen en een mooie waarneming van een middelste bonte specht en een lange lijst ‘gewone’ soorten was ik dik tevreden.
Geïnspireerd door een artikel in ‘Birdwatching’ – een van de meest gelezen maandbladen over vogels kijken in Engeland – daag ik ook jou uit. In het artikel roept men op om dit jaar 200 soorten vogels te zien. Een ambitieus, maar zeker niet onhaalbaar doel.
Je kan echter zelf bepalen wat jij wil doen. Dat is het leuke. Het is geen afgebakende en met regeltjes volgestopte wedstrijd. Je bent volledig vrij om in te vullen hoe jij vogels wil kijken. Een jaarlijst met een trip naar elke soort die ergens opduikt, een poging om in een gebied in jouw buurt zo veel mogelijk soorten te zien of een lijstje van de vogels die je vanuit je keukenraam in de tuin kan zien. Alles kan en mag. Gewoon leuk om te doen.
TIP: Ga voor een doelsoort
Ik probeer jou tussendoor de nodige tips te geven. Kwestie van jouw lijstje zo lang mogelijk te maken. Hoewel, dat is zeker geen doel op zich. Want door veel tijd door te brengen met een verrekijker in je handen ga je jouw kennis over vogels vanzelf een boost geven. Daarnaast kom je veel buiten en werk je ook nog even aan je conditie. Leuk, leerrijk en gezond. Wat wil je nog meer.
Door actief te zoeken naar een bepaalde soort, ga je heel wat andere vogels ontdekken en op je lijst kunnen zetten
Een goede tip is om je – tijdens een wandeling – te focussen op een bepaalde soort. Dit kan er eentje zijn die gemeld werd door een andere vogelkijker via bv. waarnemingen.be. Maar evengoed eentje die je zelf kan vinden op jouw local patch of een leuk gebied waar je dan speciaal naartoe rijdt. Door actief de omgeving af te speuren om die bepaalde vogel te vinden, ga je heel wat andere soorten ontdekken en op je lijst kunnen zetten.
missen is geen erg
Zelfs als je die doelsoort niet kan vinden ga je toch met een goed gevoel terug naar huis. Ik had vandaag zelf die ervaring. Toen Gert mij gisteren een berichtje stuurde of ik zin had om mee te gaan naar Mol om naar dwergaalscholver en waterspreeuw te gaan zoeken, was mijn keuze snel gemaakt. Op pad met vrienden of alleen naar vogeltjes kijken, dan kies ik altijd voor de eerste optie. Ook Pierre was van de partij.
Toen wij aankwamen kregen we van al aanwezige vogelkijkers dadelijk de ontnuchterende boodschap: ‘de dwergaalscholver is even geleden opgevlogen en de waterspreeuw is nog niet gevonden’. Dus was zelf zoeken de opdracht. Dit leverde een mooie lijst, met een frisse wandeling in een prachtig natuurgebied. Met als hoogtepunt een prachtig mannetje goudvink. De waterspreeuw en de dwergaalscholver gaven ons echter het nakijken. Jammer. Maar het was een leuke voormiddag. Het berichtje dat we kregen op onze terugweg dat ze beiden iets later toch gezien werden, zorgde enkel voor een hilarische conversatie in de auto. De zoektocht is altijd leuker dan de ‘vangst. Zelfs als die vangst niet is wat gepland was.
De takken waar de dwergaalscholver denkelijk heeft op gezeten
Donkere wandeling
Ondertussen werk ik verder aan mijn persoonlijke uitdaging voor dit jaar: zo veel mogelijk soorten zien in de Herkvallei.
Maak je doel concreet, dat is een extra motivatie om het veld in te trekken
Een analyse van het aantal soorten dat op mijn local patch door vogelkijkers jaarlijks werden ingegeven heeft mijn doel bepaald. De laatste 6 jaar waren er dat gemiddeld 95, met als uitschieter 105 soorten in 2021. Mijn doel is dan ook om eind dit jaar boven het gemiddelde te zitten. Dat wil zeggen minstens 96 soorten zien. De 100 halen zou top zijn. Ik vind het leuk om een concreet doel te stellen. Zo ben ik extra gemotiveerd om het veld in te trekken. Dat was dan ook de reden om na de veldrit waar een Nederlander ons Belgen de baard afdeed, uit mijn zetel te sukkelen en mijn wandelschoenen opnieuw aan te trekken. De aankomende schemering is het ideale moment om nacht-actieve soorten te vinden. Met succes: roepende bosuil en steenuil werd aan mijn lijstje toegevoegd. Zo staat de teller op 49.
Met twee voornemens die ik maakte op nieuwjaar lag de lat niet zo hoog. Geen suiker eten en meer tijd besteden aan een prachtige beekvallei vlakbij. Eentje heb ik welgeteld een halve dag volgehouden. De andere is daarentegen al stevig aangepakt. Aan de snoepkast kan je zien welke het is.
Houtsnip
Met het jaar nog maar pas begonnen zit ik al aan drie bezoeken aan de Herkvallei en een jaarlijst voor mijn local patch van 40 soorten. Om houtsnip te zien was er wat extra moeite nodig. Maar uiteindelijk vloog er eentje mooi voor mij op. Hij (of zij) was zelfs zo vriendelijk om even te twijfelen voor hij achter een hazelaar verdween. Het blijven prachtige beestjes. Nog een bonus op deze lijst was een goudvink. Wel niet kunnen bewonderen, maar wel duidelijk horen roepen. De zoektocht om hem ook te zien bleef onsuccesvol. Maar zonder twijfel ga ik die kans nog wel krijgen dit jaar.
Engelen
Mijn enige uitstap buiten de Herkvallei was naar de velden in Aalst (bij St-Truiden). Daar vond onze hoop voor de toekomst, Lucas Bollingh, net voor nieuwjaar een prachtige velduil. Die mag gerust ook op mijn jaarlijst komen. Maar een bezoek van een hoop vogelkijkers en fotografen waren voor dit duo – het waren er ondertussen twee – mogelijk van het goede te veel. De vogels bleken gevlogen. Maar geen erg. Deze velden zijn een van de (weinige) plaatsen waar met vogelakkers een klein paradijsje is geschapen. Kneutjes, rietgorzen, kramsvogels (die kwamen vooral voor de afgevallen appels), puttertjes, blauwe reigers en vooral… blauwe kiekendieven. Vogels genoeg om te bewonderen. Toch blijven die ‘kieken’ mijn favoriete akkervogels. Hun manier van jagen is onevenaarbaar. Net zwevende engelen die aan touwtjes lijken te hangen. Ze staan prachtig op mijn jaarlijst. Die staat op 46.
Het zelf ontdekken van een zeldzame soort blijft een geweldige ervaring. De adrenaline schiet door je lichaam op het moment dat je beseft dat je een ‘rode soort (*)’ in je kijkerbeeld hebt. Niet dat dit het doel is van vogelkijkers (toch de meeste niet). Gewoon genieten van elke vogel die je ziet is voor velen al een grote voldoening. Maar toch… Omdat we iedereen deze ervaring gunnen, hierbij een aantal tips hoe je zelf jouw zeldzame soort kan vinden.
(*) Op waarnemingen.be staan de zeldzaamheden in het rood. De heel zeldzame soorten dan nog eens in het vet.
Ga veel op pad
De kans dat je een zeldzame soort tegen komt is klein. Veel vogelkijkers maken dit nooit mee in hun ganse loopbaan. De enige manier om deze kans te vergroten is door veel naar vogels te kijken. Dus moet je ook vaak op pad gaan. De kans dat je een rode soort vanuit je luie zetel kan zien of vanuit je keukenraam op je voedertafel is te verwaarlozen. Maar niet onmogelijk. Dus aan jou de keuze: elke dag staan staren naar je voedertafel of genieten van prachtige natuurgebieden of leuke plekjes om vogels te zien, véél vogels. Mijn keuze is snel gemaakt.
Ken je ‘gewone’ soorten
‘Maar ik kan al die zeldzame soorten niet herkennen?’ Geen probleem. Zorg er voor dat je zo veel mogelijk ‘gewone’ soorten wel kan herkennen. Daar kan je dagelijks op oefenen. Door ze regelmatig te bekijken en goed te determineren zullen ze op jouw harde schijf in je hersenen terecht komen. Op termijn bouw je zo een schat aan informatie op waardoor je die soorten in een oogopslag zal herkennen. Als er dan een ‘speciale’ soort opduikt, die je niet herkent, gaat er vanzelf een alarmbelletje af. ‘Dat is iets anders waar ik nu naar kijk!’. Dat je die soort dan niet dadelijk op naam kan brengen is niet erg. Kenmerken noteren, foto’s maken indien mogelijk, nadien opzoeken in het veldgids en de buit is (mogelijk) binnen.
“Als je twijfelt is het meestal niet wat je hoopt dat het is”
Goed documenteren is de boodschap. Want jouw waarneming wordt niet zo maar voor waar aangenomen zonder de nodige bewijzen. Als die dwaalgast dan zo vriendelijk is dat hij even blijft ‘plakken’ is er geen vuiltje aan de lucht. Andere vogelkijkers zullen – mogelijk massaal – naar jouw ontdekking komen kijken en zo jouw determinatie bevestigen. Maar als blijkt dat jij de enige waarnemer bent, dan gaan de poppen aan het dansen. Tenzij je goede bewijsfoto’s hebt. Dus een bijkomende tip: neem je fototoestel mee. Nog een gouden raad: zorg dat je niet in de val trapt van ‘ik zie wat ik wil zien’. Wees kritisch voor jezelf en check alles goed voor je je waarneming op het internet smijt (ik spreek uit ervaring). Durf te twijfelen als er dingen niet kloppen. Mijn regel is: als je twijfelt is het meestal niet wat je hoopt dat het is.
Kleine vogeltjes met vleugelstrepen zijn altijd spannend – Goudhaantje
Gebruik je oren
Het overgrote deel van de vogels wordt eerst gehoord en dan pas gezien. Zeker als we in de categorie van KBV’tjes (kleine bruine vogeltjes) zitten. Hier geven we eigenlijk dezelfde raad als zojuist. Leer de geluiden van de soorten die je vaak tegenkomt alvast goed kennen. Hun zang, maar ook hun roepjes in de vlucht of bij alarm. Eenmaal die gekend zijn, dan zal je nieuwe of ongewone geluiden veel makkelijker oppikken. Daarna op zoek gaan naar de vogel uit wiens bek dat geluid komt en hopelijk kijk je even later naar een zeldzame dwaalgast. Wel kan ik je nu al vertellen dat je ook regelmatig zal ondervinden dat er een aantal goede imitators rondvliegen. Onze spreeuw is er zo eentje. Maar ook de spotvogel kan er iets van. Maar dat maakt de zoektocht alleen maar plezanter.
Imitator van dienst, onze spreeuw.
Bekijk elke vogel twee keer
Een groep mezen en goudhaantjes die door de struiken wippen. Daar kan ik lang bij blijven staan. De kans dat er iets ‘ongewoons’ tussen zit is dan ook bestaande. Honderden ganzen die lopen te grazen op een weiland. Mogelijk zit er een ‘speciale’ tussen. Een zwerm spreeuwen die rondvliegen en gelukkig even gaan zitten in een boom. Zit er een bleek exemplaar bij?
“Zeldzaamheden zoeken is hard werken, maar zo leuk!”
Groepen afspeuren, houtkanten en struwelen scannen, akkers afspeuren,… Allemaal manieren om veel vogels te ontdekken en de kans op een zeldzaamheid te vergroten. Elke vogel bekijken, liefst twee of drie keer, is de boodschap. Met gewoon wat rond te wandelen en af en toe je verrekijker te gebruiken ga je er niet komen vrees ik. Zeldzaamheden zoeken is hard werken, maar zo leuk!
Groep spreeuwen in het riet, zag jij de zeldzame roze spreeuw op de eerste foto? (Foto’s: Filip Goussaert)
Gericht zoeken
Je kan in het wilde weg gaan zoeken. Maar met de huidige infokanalen zijn er tal van mogelijkheden om je kansen stevig te vergroten. Waarnemingen.be bevat een schat aan informatie om te beslissen waar en naar welke soorten je op welk moment best gaat zoeken. Grafieken, kaartjes en andere tips liggen zo voor het grijpen. Gebruik ze dan ook.
Humes bladkoning, waar en wanneer zoeken? (Foto: Jogchum Vrielink)
Op waarnemingen.be kan je op deze grafiek duidelijk zien dat deze soort vooral in de maanden september tot januari in ons landje opduikt. Dus in de zomer naar deze soort gaan zoeken is een hopeloze missie.
Als we er dan de kaart met de waarnemingen van Humes bladkoning even bijhalen (waarnemingen tussen 2000 en 2023) dan zie je dat ze vooral aan de kust worden gezien. (rode bolletjes op de kaart). Maar wil dat zeggen dat ze in het binnenland niet voorkomen? Ik denk het niet. Aan de kust wordt er nu eenmaal veel meer gezocht naar zeldzame soorten. De kans dat je deze kleine rakkers ontdekt in een van de weinige bosjes langs de kustlijn is dan ook nog eens veel groter dan in een bosgebied in Limburg. Dat is zoeken naar een heel kleine speld in een mega-grote hooiberg. Maar er dan eentje ontdekken is wel een super-adrenaline-bom.
Ik ben er van overtuigd dat als je zoekt, je zelf zeldzaamheden gaat vinden. Ze kunnen echt overal opduiken. Ook bij jou in de buurt. We noemen ze toch niet voor niets ‘dwaalgasten’. Ik ga alvast mijn ‘stinkende’ best doen om mijn gelijk te bewijzen.
Laat ik eerst iedereen die dit leest een geweldig 2023 toewensen. Een goede gezondheid en veel plezier in die geweldige natuur. Met het accent op vogeltjes uiteraard.
Even gehoopt op nr 295
Zondigen tegen je eigen regels, wie overkomt het niet eens. Ik dus wel. Tijdens een mooie wandeling samen met Gert aan het Schulens Meer dacht ik een kleine rietgans te zien in mijn kijkerbeeld. Zonder veel nadenken en dubbel-checken en met het idee dat het toch wel een soort is die vaker wordt gezien (dus niet in het binnenland blijkt) kwam ze op mijn lijst terecht. Het bleek zelfs – tot mijn verbazing- een nieuwe soort voor mij. Niet dus! Na een felle reactie van een voorlopig nog anomieme volger van mijn blog moest ik toegeven dat ik er stevig naast zat. Denkelijk waren het juveniele kolganzen. Foutje! We blijven dus ‘hangen’ op 294.
Kleine rietgans (foto Jean Pieters)
Gebuisd
Het was trouwens een raar jaartje. Door een wisseling van job heb ik weinig – te weinig – tijd kunnen doorbrengen met het kijken naar vogeltjes. Mijn ringwerk draaide op een lager pitje, maar daar hadden we het eerder al over. Maar ook mijn geliefde natuurgebied in mijn achtertuin kreeg niet de aandacht dat het verdient. Een zielige lijst met net geen 60 soorten is het harde bewijs dat ik mijn ‘local patch’ stevig heb verwaarloosd. De keren dat ik er rondliep vergat ik dan ook nog eens de soorten die ik zag te noteren. Schande! De groep overtrekkende kraanvogels – die door mijn dochter werden ontdekt en waarvoor ik dan naar buiten werd geroepen – zijn een schrale troost.
Lijntje kraanvogels (Foto Stefan Nimmegeers)
Voornemens
Dus hoog tijd om mijn leven te beteren. Noem het goede voornemens of wilde plannen. Het maakt mij niet uit. Naast de klassieker van de kilo’s die er elk jaar weer af moeten zijn er een paar ‘birdwatch’ gerelateerd. (nvdr: dit ik-moet-afvallen-voornemen komt elk jaar blijkbaar terug. Misschien kan ik het beter laten vereeuwigen met een tattoo op een deel van mijn lichaam dat laat zien dat die kilo’s er ook te veel zijn. Welke plaats dat dan moet zijn laat ik aan jouw verbeelding over.)
Bosrietzanger op mijn local patch (eigen foto)
Zo wil ik de kaap van 300 soorten op mijn Belgische lijst volgens jaar zeker halen. Een stuk erover moet zelfs lukken. Dit door meer op pad te gaan – liefst met mijn vrienden die ook graag vogeltjes kijken – en door zelf leuke soorten te vinden. Hoewel ik een leuke ‘twitch’ zeker niet ga laten liggen. De ondertussen al redelijk ingeburgerde frietjes neem ik er graag bij. Wat mijn ik-moet-afvallen-voornemen wel in het gedrang gaat brengen. Tenslotte ga ik meer tijd doorbrengen in mijn achtertuin, de Herkvallei, en bij elk bezoek de route opslaan met alle waarnemingen. Een jaarlijst voor 2023 met 100 soorten moet toch lukken. Daar gaan we voor!
Kort gezegd: ik ga volgens jaar opnieuw meer vogels kijken en ook zien. Doe jij mee? Gewoon doen… ik wens jou alvast een ‘birdy’ 2023.
Berekoud, een chinees die Bérke heet en een nieuwe Belg. De samenvatting van een fris dagje vogels kijken met een aantal vrienden aan de Maaskant.
-9°C
Dat was de temperatuur die ik deze morgen aflas op het dashboard van mijn wagen. Berekoud dus. Toch gingen we met zes vogelkijkers op pad naar de schitterend Maas. Een vogelparadijs, maar de koude temperaturen waren duidelijk geen ideale omstandigheden. In Negenoord lagen de plassen er volledig dichtgevroren bij. Enkel wat voor zich uitstarende meeuwen waagden zich op deze witte vlakte en op een wak vlakbij de dijk zaten alle meerkoeten samen lekker te badderen. Maar voor de rest was het stil, heel stil. Dus wandelden we, met nijpende vingers van de kou, naar de Maas. Daar zagen we wel wat beweging. Zoals een grote groep overvliegende grauwe ganzen in de lucht en een groepje grote zaagbekken op het water. Enkele goudvinken die uit een struik voor ons opvlogen zorgden voor wat warmte en opwinding.
Eendjes kijken
Even later reden we richting Koningssteen. Dit samen in de wagen van Yvon, omdat ik mijn elektrische rijtuig even moest opladen om zeker met de rest van de bende terug thuis te geraken. Ook hier was de nacht blijkbaar iets te koud geweest. In Koningssteen bleken de plassen wel open te liggen. Wat een mooi aantal soorten opleverde. Waaronder een mooi mannetje nonnetje en een grote groep grote zaagbekken. Daar zag ik plots een kleiner exemplaar tussen zwemmen: middelste! Voor mij een topwaarneming, want die soort stond nog niet op mijn Belgische lijst. Geen ultra-zeldzaamheid, maar toch…
Vrouwtje middelste zaagbek (foto Flickr)
Topper
Deze vertegenwoordiger van de zaagbekken is duidelijk kleiner dan zijn neefje de grote zaagbek. De mannetjes uit elkaar houden is niet zo moeilijk. Ze zijn heel verschillend van elkaar. Maar de vrouwtjes is wat moeilijker. Zoals al gezegd, ze zijn wat kleiner. Als ze dan even zo vriendelijk willen zijn om vlak bij elkaar te gaan zwemmen – zoals nu het geval was – dan is dat een makkelijke manier om ze te determineren. Andere kenmerken zijn de smalle en daardoor langer lijkende snavel. Maar vooral de minder witte en niet zo scherp afgelijnde borst. Onze wandeling werd nog opgevrolijkt met de waarneming van twee mannetjes – 1ste winterkleed – topper en een vrouwtje topper, met de kenmerkende witte vlek rond de snavel. deze soort zie je ook niet elke dag. We sloten onze tocht af in een warme frituur – die meer dan welkom was – waar we werden bediend door een Chinees die blijkbaar Bérke heet. Maar dat is een heel ander verhaal.
Zo staat mijn Belgische lijst op 294 soorten. die 300 komt weer een beetje dichterbij. Een eerste goed voornemen voor 2023.
Vandaag kreeg ik via INBO (Instituut van Natuur- en Bosonderzoek) een korte samenvatting van het ABV-project (Algemene BroedVogels) in mijn mailbox. Altijd leuk om te lezen. Hoewel, leuk is hier duidelijk de verkeerde woordekeuze.
Hoofding van het artikel met alle auteurs op een rijtje.
5 minuten
Het project loopt al een hele tijd. Doel is om een zicht te krijgen op de trends bij onze broedvogels. Hiervoor worden er door een hoop vrijwilligers – wat zouden we zonder hen doen – elk jaar 3 tellingen uitgevoerd op vaste locaties. In elk van de kilometerhokken (1×1 km) telt men gedurende 5 minuten alle vogels die te zien zijn. Dit op 6 vastgelegde telpunten. Alle gegevens gaan naar het INBO die daar dan trends uit proberen te halen. De doelstelling om elk jaar 300 hokken te tellen wordt wel niet gehaald, maar toch geeft dit project een goede indicatie van wat er aan de hand is met onze broedvogels.
Rampzalig
De cijfers zijn niet echt hoopgevend. Dat is dan nog ligt uitgedrukt. Als je 5 grafieken voor je neus krijgt die allemaal een duik maken, dan weet je het wel. Het gaat echt niet goed met onze broedvogels. Er zijn natuurlijk soorten die blijkbaar toch toenemen. Althans volgens deze tellingen. Maar de overgrote meerderheid blijkt achteruit te boeren. Sommige zelfs letterlijk. Ik wil mij aan een persoonlijke analyse wagen. Totaal niet wetenschappelijk onderbouwd, puur op mijn buikgevoel. Maar dat mag ook wel eens.
De deprimerende grafieken
Up’s en heel veel down’s
Trekvogels leiden een hels leven. Elk jaar riskeren ze twee keer lijf en leden om van hun overwinteringsgebied naar hun broedgebied te migreren. Of omgekeerd. Naast steeds extremere weersomstandigheden en grotere woestijnen krijgen ze op heel wat plaatsen ook een lading hagel te verwerken. Geen wonder dat deze grafiek van de lange-afstandstrekkers een drama is.
Jacht is een van de bedreigingen voor onze trekvogels.
Zo zien we de prachtige wielewaal elk jaar afnemen. De reden moet je niet ver zoeken. Enerzijds neemt zijn leefgebied nog steeds af. Maar hier speelt de jacht volgens mij een heel grote rol. Gelukkig zijn er ook wat lichtpuntjes. Zo blijkt de bonte vliegenvanger aan een opmars bezig. Binnen dit project zien we toch een toename. Dit verhaal werd bevestigd door de verhalen van een aantal mensen die plots deze soort in hun tuin zagen opduiken om een nestkastje te kraken. Dit buiten de vroegere regio waar de soort het al behoorlijk deed.
Dat de bosvogels het ook niet goed doen is voor mij een verrassing. Want de algemene tendens was toch al jaren dat als een groep aan een opmars bezig was, het toch deze soorten waren. Niet dus. Uitzondering is de boomklever. Daar kijk ik niet van op. Want deze geel-blauwe minispecht heeft zijn leefgebied stevig uitgebreid. zo zie en hoor ik hem al jaren aan mijn achterdeur, op mijn local-patch. Totaal geen bosgebied, maar een vallei met vooral hoge populieren. Aanpassen en doorgaan, dat is zijn motto. Minder goed vergaat het blijkbaar de zwarte mees. Geen wonder dat ik al een paar jaar tevergeefs het geluid speel op mijn ringplaats om er een paar te ringen. Dit jaar welgeteld eentje kunnen verschalken. Logisch, ze nemen blijkbaar snel af. Het verdwijnen van hectares naaldbos door een ‘ambetant’ kevertje zal hier niet vreemd aan zijn.
Turkse terugval
Turkse tortel zit bij de verliezers
Bij de groep generalisten, ik noem het de slimmeriken, duikt er een cijfer op waardoor ik toch even de wenkbrauwen frons. Onze zo gekende turkse tortel blijkt tussen de verliezers te staan. ‘Afname’ is het verdict. Ze blijken dus toch niet zo ‘wereld-wijzigingen-bestendig’ te zijn als ik dacht. Jammer, want het zijn lieflijke wezens. Bij de winnaars een nieuwkomer waar veel vragen bij gesteld worden. Nieuwkomer klopt denkelijk niet helemaal, maar veel mensen die deze soort zien kijken toch nog eens goed of ze wel juist zijn: de halsbandparkiet. Ze doen het goed en ik ben er blij mee. Ik weet dat ik daarmee een gevoelige snaar kan raken. Maar ik kan het ook niet helpen dat ik een zwak heb voor soorten die ons een dikke middenvinger laten zien en gewoon doen waar ze goed in zijn. De halsbandparkiet is er zo eentje. Lang leve de ‘ringnecks’.
Waar het helemaal de verkeerde kant opgaat is in landbouwgebied. Ik moet een heel stuk dalen op de lijst voor ik een vertegenwoordiger van deze groep tegenkom. Zo goed als alle soorten duiken nog dieper in het al zo diepe dal van de nog meer leeglopende landbouwgebieden. Stilaan zijn we op weg naar een ecologische woestijn van steriele akkers. Hopelijk dat die trend ooit gekeerd wordt. Maar echt hoopvol ben ik alvast niet. Veldleeuwerik, patrijs, geelgors, grauwe gors, kievit en nog zo veel andere soorten zijn langzaam op weg naar een plaatsje in een vitrine van een of ander stoffig museum. Met een houten bordje ‘uitgestorven’ erbij.
Happy ending
Een wat gewaagde woordkeuze. Maar om jullie niet met een depressie onder een warm dekentje te doen belanden wil ik toch eindigen met een succesverhaal. De cetti’s zanger zet zijn kruistocht om heel Vlaanderen te veroveren met vlag en wimpel verder. Je hoort ze – zien is een ander paar mouwen – echt overal. Hun explosieve en niet te missen zang herken je uit duizenden. Het lijkt wel of ze met luide stem oproepen dat het hoog tijd is om het tij te keren. ‘Red mijn maten’ is volgens mij wat hij ons toezingt.
Ze duiken op – of onder – in deze tijd van het jaar. Daarmee doen ze hun naam eer aan: de duikers. Meestal op een of andere grote en liefst diepe plas. Vaak ver van de oever, zodat je best je telescoop mee hebt om ze goed te bekijken. Prachtige vogels, ook al zitten ze momenteel in een iets minder contrastrijk winterpakje. Maar hoe hou je ze uit elkaar?
Fuutjes bekijken
Hoewel ze er toch behoorlijk van verschillen is het toch opletten. Duikers lijken sterk op futen. Ze zijn alvast een stuk groter. Maar qua tekening zitten ze in mekaars buurt. Futen hebben altijd een duidelijk smallere hals.
Duikers liggen ook altijd laag in het water. Maar als ze zich poetsen of rusten liggen ze vaak iets hoger. Opvallend is hun ‘staartloze’, langgerekte lichaam en de dolkvormige snavel. De dikkere hals en hun groot formaat zijn ook duidelijke kenmerken. Ze doen hun naam eer aan door – als ze foerageren – vaak te duiken. Ze blijven lang onder water en kunnen dan een behoorlijke stuk verder pas opduiken. Maar dat maakt de zoektocht alleen maar boeiender.
Roodkeelduiker
De kleinste van de duikers die wij hier kunnen verwachten. In zijn winterkleed ontbreekt de rode keel die hem zijn naam geeft. De keel en de zijkant van de hals is opvallend wit. Een kenmerk dat van heel ver opvalt. Het wit zit ook boven en voor het oog. De snavel is spits en smal en wordt vaak omhoog gericht. De rug is fijn wit gespikkeld. Algemeen geeft deze duiker een lichtgekleurde indruk. Juveniele exemplaren zijn algemeen nog veel grijzer en dit zeker op de hals en keel. Hun oog is ook vaak donkerder, terwijl bij een adult exemplaar er een rode schijn in zit. Ook de tekening op de rug is minder contrastrijk dan bij de adulte exemplaren. De kopvorm bij roodkeelduikers is ook platter dan bij de andere duikersoorten. Meest voorkomende wintergast van de duikerfamilie voor ons landje.
Roodkeelduiker – adult
Parelduiker
Zeldzamere verschijning. Stuk groter dan de roodkeelduiker, maar toch nog iets kleiner dan de ijsduiker. De snavel is iets minder recht dan bij de roodkeelduiker, er zit een lichte buiging in. Houdt deze ook iets meer horizontaal. Voorhoofd veel steiler dan bij roodkeelduiker. Adult heeft ook een bultje op het voorhoofd. Heeft geen wit rond het oog (bij roodkeelduiker wel). Witte keel en hals maar met een duidelijke zwarte afscheiding, zeker bij de adulte exemplaren. Rugkleur veel donkerder en – zeker op afstand – een effen indruk van kleur. Toont op de flank achteraan een opvallende witte vlek. Juvenielen veel lichter van kleur. Donkere band op hals minder uitgesproken, maar als ze goed in beeld komen toch zeker zichtbaar. Opvallend geschubd op de rug. De opvallende witte vlek is hier nog groter.
Parelduiker – juveniel
Ijsduiker
Grote en forse duiker. Ook de snavel is een stevige, dolkvormige ‘toeter’. Ook hier een witte hals en keel, maar wel met een mooie zwarte band vlak boven de overgang van het lichaam naar de hals. Boven die zwarte band een witte inkeping. Rug is ook hier effen donker gekleurd. Net als de parelduiker heeft deze soort een steil voorhoofd met een opvallende bult en daardoor ook een platte kruin. Dit zowel bij de adulte als de juveniele vogels. Als de vogels iets hoger in het water liggen dan is op de flank een witte band zichtbaar. Juvenielen ook hier veel lichter van kleur met een regelmatig geschubte rugtekening. Maar de zwarte band met de witte inkeping erboven blijft ook hier een kenmerk voor ijsduiker.
Ijsduiker – juveniel
Geelsnavelduiker
Om ons kwartet te vervolledigen, ook nog even deze prachtige duiker erbij halen. Een zeer zeldzame verschijning (die op mijn lijst nog ontbreekt). Nog iets groter dan de ijsduiker, een imposante verschijning. Met een opvallend grote snavel met – in de winter – een geelwitte kleur (zoals de naam al deed vermoeden). Veel minder wit op hals en keel dan alle voorgaande soorten. Heeft ook die zwarte halsband en meestal ook meer uitgebreid dan bij de ijsduiker. De rugkleur is iets minder egaal, met een bandering die toch stukken duidelijker is dan bij ijsduiker (daar soms heel licht te zien). Nog een kenmerk voor deze soort zijn de vrij grote witte vlekken op de dekveren (enkel bij de adulte exemplaren). Met gesloten vleugels toont hij deze op de achterzijde van de rug. Ook hier weer die kenmerkende kopvorm, steil voorhoofd met een bult en een vlakke kruin. Juveniele exemplaren alweer iets lichter van kleur en sterk geschubt op de rug en de flanken. De snavel is ook grijzer, maar wel met een geelachtige punt.
Een raar jaartje. Minder tijd voor vogelactiviteiten. Zowel het ringen als het kijken naar vogels ligt een beetje in de lappenmand. Hierdoor blijf ik op 7 soorten van de magische grens van 300 zweven. Maar het is geen doel op zich, hoewel het een leuke kaap zou zijn.
Kraanvogelloos.
Foto: Stefan Nimmegeers
Ik slaag er vaker in om deze iconische soort te missen dan te zien elk jaar. Deze keer heb ik het aan mijn dochter te danken dat het geen kraanvogelloos jaar werd. Op 13/11 kwam ze mij enthousiast roepen dat er heel veel vogels over ons huis vlogen. Toen ik buiten kwam hoorde ik de karakteristieke roep al. Een lange sliert kraanvogels klapperden voorbij. Minstens 300. Niet heel hoog, als onherkenbare stipjes. Maar mooi laag. De rood-witte koptekening kon ik perfect zien. Wat een waarneming! Met dank aan Stien.
Duiker
Een dagje verlof werd besteed aan een rit naar het noorden van Limburg. De Warmbeekvallei, een van de vele mooie gebieden van het mij dierbare Limburgs Landschap, was het doel. Een gevarieerd gebied, maar toch vooral bossen. Het aantal soorten bleef beperkt. Maar de waarneming van de dag was een luid roepende raaf. Het zonnetje, dat die dag toch goed zijn best deed, zat duidelijk in zijn bolletje. Weer een mooie soort erbij op mijn jaarlijst.
En die lijst werd dit weekend aangedikt met een roodkeelduiker. Deze was gezien in natuurgebied Koningssteen in Kessenich. Een rit van goed een uur. Ik ging er naartoe omdat ik er had afgesproken met de plaatselijke vrijwilligers. Twee vliegen in een klap. Gelukkig voor mij was er nog een vogelfanaat bij de groep. Samen hadden we al een paar keer de grote plas afgezocht. Wel enkel met een verrekijker, omdat een telescoop meedragen geen optie was. Voorlopig zonder resultaat. Even ervoor had een aanwezige groep vogelkijkers ons al verteld dat er twee exemplaren zaten. Er was dus nog hoop. Bij een volgende zoekactie kon ik er eentje ontdekken. Mooi dichtbij en dus zelfs met een verrekijker goed herkenbaar. Nummer 161 op mijn jaarlijst was binnen voor dit jaar.
Foto: Gunther Flipkens
Hoewel ik deze soort blijkbaar een stuk dichterbij had kunnen zien. Op 20/11 werd een verzwakt exemplaar opgeraapt in Heers. Na een passage in het Natuurhulpcentrum in Oudsbergen werd het dier overgebracht naar het VOC Oostende. Hopelijk krijgen die deze mooie vogel weer fit om hem terug in de natuur vrij te laten.
De netten opgerold, de stokken in hun hoekje en de USB-stickjes in de laatjes. Het ringseizoen zit er voor mij weer op. Een korter en minder intensief najaar met slechts 18 dagen en in totaal 103 uren op post. Maar toch was het weer de moeite. We begonnen er aan op 5 augustus en eindigden vandaag, 11 november. Wapenstilstand is voor mij ook ringstilstand. Voor even toch.
Cijfertjes
Uiteindelijk gingen er dit najaar 1.458 vogels door mijn handen. Waarvan er 1.395 een ring rond hun pootje kregen. De top 3 bestond uit de klassiekers: zwartkop op nummer 1 (425), kleine karekiet op nummer 2 (228) en roodborst een mooie derde (92). Voor fitis, een soort die dit jaar prima doorkwam, kon ik een nieuw dagrecord vestigen met 38 exemplaren. In totaal kon ik 33 soorten vangen. Met als absolute topper mijn eerste ortolaan voor mijn ringplek.
Merels
Toch kreeg ik de breedste glimlach op mijn lippen dankzij een ‘gewone’ tuinsoort, de merels. Met 44 gevangen exemplaren zeker geen topjaar. Tot je de cijfers gaat omzetten naar een uurgemiddelde (zie grafiek). Dan zie je plots dat 2022 het beste jaar was tot nu toe. Dat gevoel had ik al, want in oktober en november hingen er bijna elke ronde wel een of meer merels in het net. In november waren dat ook nog eens duidelijk noordelijke vogels. Een stuk groter en zwaarder dan onze merels. Met vaak, vooral bij de mannetjes, een prachtige schubrekening op de borst. Blijkbaar hebben onze merels hun magere jaren achter zich gelaten en is de populatie terug van – een klein beetje – weg geweest.
Hieronder de grafiek over merels vanaf 2014 tot 2022.