Drama in zwart-wit

Een ganse week heeft het ouwe wijven geregend. Liters en liters. Dat er dan een weekend volgt met een prachtige en zonnige ochtend is als vogelkijker een opsteker. Zangposten in overvloed, want in de gietende regen je territorium verdedigen is echt niet aangenaam. Dus voor hen tijd om de schade in te halen. De doordringende geur en prachtige witte bloemenovervloed van de op dit moment volop bloeiende meidoorns neem ik er graag bij.

Genieten in geuren en kleuren

Dubbelgangers

Dus kon ik weer een aantal soorten bijschrijven op de jaarlijst van mijn local patch. Het ging om de verwachte zomergasten. Eerst een paartje gierzwaluwen die – zonder hun kenmerkende gegier – even boven mijn hoofd kwamen ronddraaien. Voor hetzelfde geld had ik ze gemist.
Even later hoorde ik vanuit een rietkraag een variabel gebrabbel. Dat moest even gecheckt worden. Al gauw had ik door dat ik naar een bosrietzanger zat te luisteren. Redelijk op tijd teruggekeerd van zijn Afrikaans avontuur. Hi was zo vriendelijk om ook nog even te poseren. Zonder zijn zangprestatie had ik er evengoed een kleine karekiet van gemaakt. Want ze lijken echt als twee druppels water op elkaar. Zeker als hij dan ook nog eens in het riet zat rond te springen. Gelukkig voor mij bleef hij voluit zijn kenmerkende zang ten berde brengen. Die is echt heel verschillend voor deze soorten.

Bosrietzanger mooi in beeld

Even later stond ik aan het kalkmoeras opnieuw naar een liedje te luisteren. Deze keer zonder twijfel een kleine karekiet. Iets ervoor had ik al een schuchtere poging gehoord in een hoekje met riet. Maar dat bleef een twijfelgeval. Deze keer was het echter heel duidelijk. De krassende tonen van een kleine karekiet. Heel even in beeld. Want poseren doen deze stiekemerds niet graag. Maar zelfs dat was niet nodig. Zijn toontje was overtuigend genoeg.
Drie nieuwe soorten voor mijn jaarlijst. Niet slecht. Enkel de spotvogel ontbreekt nog van de te verwachten zomergasten.

Tachtig is prachtig

Een omwegje langs Herten met de wagen leverde mij nog een nieuwe jaarsoort op. Zo kon ik mijn weekend afsluiten met een mooi rond getal. Vanuit mijn ooghoek zag ik een zwaluw met een wit kontje voorbijvliegen. Niet onverwacht, want op die plek broeden er al jaren huiszwaluwen. Minstens eentje was dus al teruggekomen. Denkelijk zijn er al wat meer aan het broeden, maar ik had geen tijd om te stoppen. De komende weken toch eens een kijkje gaan nemen.

Net ervoor was ik nog eens op pad geweest om nog wat vogels te gaan ringen. Dit jaar is het nog maar een mager beestje geweest met één raaf – wel een topsoort – en een nestje van maar twee huismussen thuis in een nestkast. Dat moet beter!
Daarom ging ik even een kijkje nemen bij ‘mijn’ koppeltje kieviten aan de manège. Al snel kreeg ik drie pulli in beeld. Al stevige pubers met al een beginnend kuifje. Dus hoog tijd om ze te ringen. Ik printte de locatie waar ik eentje zag in mijn hoofd en stapte de akker op. Even later stond ik met een van de jongen in mijn hand. Nummer twee en drie waren – zoals zij dat zo goed kunnen – onzichtbaar geworden. De ouders voerden voortdurend dreigvluchten uit. Dus ging ik snel hun zoon of dochter van een ring voorzien en na het meten van de vleugel en het wegen mocht hij of zij terug vrij. De rest liet ik met rust, want eenmaal de ganse familie gealarmeerd blijven de jongen heel lang onbeweeglijk liggen. Ze vinden is dan onbegonnen werk en ik wil ze zeker niet te veel storen. Op twee andere locaties kon ik er nog drie en eentje ringen. Een stijging van mijn ringprestatie met bijna 200%.

Een net geringd kievitsjong

Hopelijk

Door ze te ringen hebben we kans om te weten te komen of deze jonge kieviten het halen. Want voor deze soort is het een harde strijd om te overleven. Van het koppeltje aan de manège zijn er minstens drie pulli nog in leven. Maar ik zag dat dit perceel nog moet bemest en ingezaaid worden. Dus kans dat ze nog sneuvelen.
Op de plek waar ik er drie kon ringen liggen de akkers er al mooi bewerkt bij. Geen idee hoeveel er daar die dagen overleefd hebben. De derde locatie was een hotspot voor kieviten. Maar nu was het er – buiten een eenzaam vrouwtje met een jong – heel stil. Aan de overzijde van de weg zaten een aantal kieviten op een pas bewerkte akker. Daar waren aardappelen geplant en lag alles kraaknet op rechte rijen. Op een van die rijen zat een vrouwtje – open en bloot – op een nest. Het teken dat haar vorige broedsel – eieren of jongen – het niet gehaald hebben. Ondergeploegd.

Wreed? Dat klopt. Maar het is voor boeren onmogelijk om, zonder hulp van vogelkijkers of natuurliefhebbers, hun werk uit te voeren zonder dat er slachtoffers vallen. Je kan moeilijk als landbouwer je akkers onbewerkt laten tot de jonge kieviten kunnen vliegen.
Dat de meeste boeren daar het hart van in zijn, bewees een telefoontje dat ik onlangs kreeg van een boer die ik ken. Hij ging mest uitrijden en vertelde mij dat er dit jaar toch wel wat kieviten zaten. ‘Hoe kan ik dat doen zonder dat ik ze verstoor?’ was zijn niet te beantwoorden vraag. Alle nesten opsporen of jongen vinden zou dagen, zelfs weken tijd kosten. Dus gaf ik hem de raad om tijdens het uitrijden van het mest toch proberen er een aantal te vinden en te ontwijken. Hopelijk is dat gelukt. Want de boeren moeten zoals je weet altijd verder ploegen.

Zwart en zwart-geel

Een groep van 22. Daarvoor gaan we al eens op verplaatsing. Dus reden Gert en ik zaterdag in de vroege uurtjes richting Schulensbroek. Want daar was een bende dwaalgasten gemeld die ik wel even wou zien.

Overshoot

Zwarte ibissen, 22 stuks – de meldingen variëren tussen de 15 en 25 – is een mooie groep voor Vlaanderen. Dat we hiervoor niet zo ver moeten rijden is een extra motivatie.
Toen we het gebied inwandelden was het voor mij ook dadelijk duidelijk waarom deze groep hier kwam bijtanken. Wat een gebied! De voorbije inrichtingswerken hebben er voor gezorgd dat dit een vogelparadijs is geworden. Een mooi plas-draszone, afgewisseld met wat bosjes en veel slootjes om in te badderen samen met een mooie grote waterplas met op verschillende plaatsen eilandjes met riet dat zijn kopje al begint op te steken. Samen met het aangrenzende landschap met mooie weides en haagkanten vormt dit een van de topgebieden in onze regio.

Een van de mooi ondergelopen zones in Schulensbroek

Dat er in Zuid-Europa meer stof ligt dan er water is in de moerasgebieden, is een reden voor deze zuiderse soort om – denkelijk bewust – een overshoot te doen.
Dit is de vogelaars-term voor zuiderse soorten die op trek over hun broedgebieden vliegen om enkele honderden kilometers te ver noordelijk terecht te komen. Gelukkig voor mij was dit in het Schulensbroek.

Een van de zwarte ibissen

Terug

Wie geen overshoot heeft gedaan, zijn onze zwart-gele geesten van de beemd. De wielewalen zijn terug. Netjes op hun broedlocaties. Voorlopig kon ik drie zingende mannetjes tellen. Gehoord, maar voorlopig niet gezien. Dat laatste is niet zo simpel. Hoog in het bladerdek van de vers uitgelopen populieren is hun zwart en knalgele verenpak de ideale camouflage. Maar ik krijg ze nog wel eens in de kijker. Altijd een topmomentje.

Ondertussen gonst het van het nieuwe leven in mijn gebiedje. De soorten die een paar weken geleden nog volop zaten te zingen, hebben hun geluidsrepertoire afgezwakt tot alarmroepjes. Een teken dat ze met een nestje zitten. Het zijn de nieuwkomers die nu ‘van jetje’ geven.
Bij sommige soorten kan je de jongen al zien rondlopen of zwemmen. Wilde eenden met schattige donsjongen, de jaarlijkse crêche van de canadese ganzen (zij vormen met een aantal vrouwtjes en een heleboel jongen een vaste groep) en tot mijn grote opluchting… vier rondtrippelende kievitsjongen op het vers omgeploegde akkertje waar ik eerder een nest vond. Dit stadium hebben ze alvast overleefd. Ik volg ze met de nodige bezorgdheid verder op voor jullie.

Moeder de gans met kroost

Bewijsfoto’s

Deze week nam ik mijn fototoestel mee op mijn wandelingen. Ik weet dat het een risico is, want dan ga ik mij zonder twijfel focussen op de leuke foto en niet meer zo goed op het kijken naar vogels. Maar op dit moment zijn bewijsfoto’s soms handig. Je weet momenteel niet wat je allemaal kan tegenkomen.

Een dagje verlof was de ideale gelegenheid om op pad te gaan in mijn plaatselijk gebiedje. Geen extra soorten op mijn lijst deze keer, maar wel een mooie waarneming van bonte vliegenvangers. Inderdaad, in het meervoud. Het begon met een koppeltje en nadien zag ik nog een exemplaar alleen. Drie stuks! Het is dan ook al eind april en de topperiode van de trek is al aangebroken. Op dit moment kan echt alles overal opduiken. Dus gaan we vaak op pad.
Het fototoestel bewees alvast zijn nut. De bewijsfoto werd voor een keer – met meer geluk dan kunde – een leuke plaat.

Mannetje bonte vlieg in volle glorie

Kiezen is verliezen

Deze morgen was er een momentje van stevige keuzestress. Onze regionale vogelwerkgroep had een wandeling gepland in het Schulens Broek. Daar kan je al wat tegenkomen. Maar het weer was prima en zoals ik al zei, nu kan je echt alles tegenkomen. Dus koos ik toch maar voor een wandeling in de Herkvallei.
Hierdoor miste ik een purperreiger. Jammer, maar helaas.

De purperreiger die ik niet zag (foto Andre Gaens)

Maar zelf kon ik toch twee extra soorten bijschrijven op mijn jaarlijst van de Herkvallei. Het begon met een tuinfluiter. Een moeilijke knakker. Zonder twijfel zijn die al een tijdje terug. Maar er eentje zien is een ander paar mouwen. Je kan ze ook herkennen aan hun zang. Maar voor mij blijft dit een tricky soort om op geluid te determineren. ‘Snelle merelzang’ zeggen mijn collega vogelkijkers. ‘Niet zo moeilijk’. Maar ik heb de voorbije weken al vaak stilgestaan bij een struik waar volgens mij die snelle merelzang uit kwam. Telkens bleek het om een zwartkop te gaan. Maar vandaag was het raak. Heel even liet dit mannetje tuinfluiter zich zien. Kleurloos en stevig, dan ben ik zeker.
Tweede nieuwkomer op mijn lijst was een witgatje. Dit steltlopertje duikt elk jaar wel een paar keer op langs de beek of aan de oever van een poeltje. Deze keer was het aan de visvijver. Hij vloog luid roepend op, dit geluid kan ik dan wel weer thuisbrengen. Gezien heb ik het niet, maar er was geen twijfel mogelijk. We zitten aan 75 soorten.
Dat er opnieuw een koppel grote gele kwikstaarten broedt in het centrum was een mooie bonus om deze week af te sluiten. Ik kreeg vader en moeder kwik mooi in beeld, een ‘mogelijk’ broedgeval noemen we dat. Maak er maar een ‘zeker’ van. Wel even een momentje dat de fotograaf het overnam van de vogelkijker. Tja…

Koppel grote gele kwikstaart

Primeur

Na een weekje intensief vogels kijken in het buitenland is het meestal even afkicken. Gelukkig waren in de week dat ik weg was een aantal zomergasten aangekomen. Zo kon ik op mijn extra vrije dag toch wat nieuwe soorten toevoegen aan de jaarlijst van mijn local patch. Een mooie overgang.

Koekoek

Het begon met een roepende koekoek. Altijd een geweldig moment, die eerste roep van het jaar. Dan is het voor mij pas echt lente. Voorlopig bleef het met horen, maar dat vond ik niet erg. Op het einde van de wandeling had ik er minstens drie kunnen noteren.

Koekoek, dat is pas lente.


Even later hoorde ik een bekend deuntje. Maar ik kon er niet dadelijk de juiste soort aan koppelen. Een teken dat er weer een nieuwkomer was gearriveerd. Voor mij is het telkens weer even de harde schijf in mijn hoofd terug afstoffen. De leeftijd zeker? Na wat zoeken kwam ik te weten wie die lustige zanger was. Een mannetje grasmus. Check.
Hoewel er donkere wolken achter mij aan rolden besliste ik toch om tot aan speeltuin in Alken te wandelen. Op de vijvers daar kan altijd iets leuks zitten. Een goede keuze bleek iets later. Boven de Herk aan de parking langs de manege zag ik een aantal sikkelvormige vleugels verschijnen: boerenzwaluw. Ook mijn eersten voor dit jaar. Het bleken er minstens zes.
Ondertussen was het beginnen druppelen. Dus besloot ik even aan de vijver met de bootjes onder een afdakje te schuilen. Tijdens het wachten hoorde ik vanuit de treurwilg op het eilandje een vogel zacht roepen. Na wat zoeken kreeg ik de producent van dit geluid in beeld. Een bonte vliegenvanger. Een leuke bonussoort. We zitten aan 73.

Eerste ring

Maar het hoogtepunt van de week was zonder twijfel de eerste vogel die ik dit jaar kon ringen. Al een tijdje volgen we in mijn regio een nest van raven. Uniek, want nooit eerder broedde deze soort in de buurt. De locatie werd (en wordt nog steeds) geheim gehouden. Niet alleen zijn deze prachtige vogels verstoringsgevoelig, maar er zijn nog altijd individuen die elke zwarte vogel als een bedreiging zien en ze liever kwijt dan rijk zijn.
Na een paar voorzichtige bezoekjes was gebleken dat het nest bezet was. Dus gingen we deze voormiddag een poging wagen om de jongen te ringen. Etienne, mijn klimmer klom naar boven en liet voorzichtig de waardevolle inhoud van het nest naar beneden. Daar kwam een prachtig en bijna volgroeid ravenjong te voorschijn. Zoals we hadden gedacht dus een jong koppel dat met een jong hun handen meer dan vol hebben.
De eerste Haspengouwse raaf. Een primeur!

Litouwse avonturen (3)

Richting het verre noorden, dat was ons doel toen we in het busje stapten. Een vrij lange rit, maar meer dan genoeg te zien onderweg. Ooievaarsnesten tellen, bij 50 ben ik na een tiental kilometers gestopt, onbegonnen werk. Ze zitten echt overal, lopend op de akkers of zittend op hun enorme nesten pal in de kleine dorpskernen. Op diezelfde akkers, die ondertussen het boslandschap waar we tot dan in rondreden hadden vervangen, ook regelmatig kraanvogels. Statig schrijdend op zoek naar voedsel.
Een noodstop was nodig toen Gert een roofvogel had ontdekt die duidelijk geen buizerd was. Het bleek een zwarte wouw en volgens onze gids een vrij zeldzame broedvogel in Litouwen. Die stond mooi op ons reislijst.

Gewoon of noch niet?

Om de lange rit wat te onderbreken maakten we een stop bij een voormalig visvijvercomplex. De brede rietkragen en de omliggende ‘meadows’ (natte en natuurlijk graslanden) zouden bij ons dadelijk een beschermingsstatus krijgen van de hoogste categorie. Tussen de verschillende eendensoorten, een paartje roodhalsfuten. Voor het eerst in mijn leven hoorde ik hun baltsroep. Speciaal.
Een voorbijvliegende visarend maakte het plaatje compleet.
Nadat we aan onze slaapplek (die we minimaal zouden benutten) voor de komende nachten waren aangekomen gingen we dadelijk in de buurt op pad. Een historische plek met een bescheiden parkje errond leverde een middelste bonte specht op en een boomkruiper. Er was even verwarring in de groep toen de gids hem bestempelde als ‘common’. Het was wel degelijk de voor onze zeldzame taigaboomkruiper. De ondersoort die wij hier kennen als de ‘gewone’ komt hier simpelweg niet voor.

Hoogtemeters

Uitkijktorentje

Tegen de avond reden we naar een van de regionale parken die Litouwen rijk is. Een plaatselijk natuurgebiedje met wat voorzieningen, zoals wat zitbanken, plankenpaden en een kijkhutje of – toren. Die uitkijktoren bleek een wat uit de hand gelopen project dat met steun van Europa werd gebouwd om indruk te maken op de bezoekers. Opdracht geslaagd! Wat een unieke constructie. Vanaf het bovenste platform had je een prachtig zicht op het natuurgebiedje (naar Litouwse normen durf ik hier een verkleinwoord te gebruiken). Dat we in eerste instantie enkel een zwemmende wilde zwaan mochten aanschouwen was even niet mijn zorg. De toren trok – terecht – alle aandacht naar zich toe.

Geen plekje voor hoogtevrezende medemensen
Uitzicht vanaf de toren

Effe zoeken

Maar een van de doelen van deze lange trip was de oeraluil. In een bosgebied vlakbij ons hotel bevond zich de unieke plek waar vier broedparen van deze voor ons epische uilensoort elk jaar verbleven. Voor velen uit de groep een eerste kennismaking met deze soort. Volgens de gids kwamen ze jagen boven de slootjes die zich langs de boswegen bevonden. Wij zouden dus rondrijden in deze bossen en werden geacht om in de bosrand te speuren naar een bleke uil die meestal omlaag keek, zoekend naar zwemmende ‘water voles’ (vrij vertaald; waterwoelmuizen). Met goede moed vetrokken wij voor een 2 uur durende nachtrit over hobbelige boswegen. De koplampen van de busjes op volle sterkte en zo hoog mogelijk gericht. Dit samen met enkele lichtbundels vanuit de zijraampjes die op elke open plek over de bomen streelden. Een korte en zeldzame stop bracht alvast een andere uilensoort op de lijst: dwerguil. Een in de verte roepend exemplaar werd vakkundig door onze gids dichterbij gelokt. Dichterbij is een verkeerde uitdrukking. Een minuscuul uiltje kwam pal boven ons hoofd op een tak zitten. Druk rondkijkend en vaak terugroepend. Ondanks dat het al vrij donker was konden we het mooi bekijken. Hevige jongens die dwerguiltjes.
We zetten onze tocht verder. Overstekende das, spelende wasberen (niet zo welkom duidelijk). Maar voorlopig geen oeraluil. Buiten een korte roep uit de verte bij een stop bleef het uil-loos. De twee geplande uren waren al lang voorbij. Middernacht werd overschreden. De groep had er zich al bij neergelegd dat we zonder oeraluil ons bedje in zouden kruipen. Maar dat was zonder rekening te houden met onze gedreven gids. Een bruusk rem-maneuver en een gedempte euforische mededeling ‘Got one’, schudde iedereen wakker. In de lichtbundel van de zaklamp – open en bloot op een tak van een hoge boom – zat een oeraluil. Hoewel het denkelijk maar een paar tiental seconden waren kon ik hem mooi bekijken. Zalig beest!

Plaspauze-soort

Onze laatste vogelkijkdag in Litouwen was aangebroken. We gingen opnieuw op pad in de bossen waar we gisteren uren hadden gezocht naar onze mysterieuze oeraluil. Tijdens een ontbijt in een idyllische boshut werd de toon al gezet. Roepende kraanvogels op de weg, roffelende spechten en een mannetje keep. Een soort die wij in de winter ook thuis kunnen zien, maar zelden of nooit in het kleurenpallet dat ze hier tentoon spreiden.
We gingen op zoek naar witrug- en drieteenspecht. Geen makkelijke opdracht zo bleek. Maar de mogelijke troostprijzen waren ook van een hoge kwaliteit. Zwarte ooievaar mooi zittend op de bosweg, roepende en even later prachtige te bekijken grijskopspecht. ‘Common’, was de voor ons zwaar onderschatte uitspraak van de gids. Maar voorlopig geen zeldzamere spechten.
Ik was blij dat we na – weer een hobbelig – stukje bosweg de busjes aan de kant zetten. Mijn blaas gaf al even aan dat ze dringend moest geledigd worden. Dus zonderde ik mij snel af van de groep, die samen met de gids nog eens een opname van de roffel van drieteen het bos in stuurde. Tijdens mijn verlossende activiteit zag ik plots een specht landen op een dode spar vlak voor mijn neus. Mijn plasmomentje kon niet snel genoeg verlopen. Want ik zag geen enkele rode veer op dit exemplaar. Gelukkig bleef de specht langzaam naar boven hippen op de boomstam. Dit was een drieteen! Nadat ik mijn broek terug had dichtgeritst mocht ik met een gedempte stem mijn ontdekking – vergezeld met armengezwaai – melden aan de groep. Het beestje was zo vriendelijk van te blijven zitten, zelfs nog wat dichter te komen. Prachtig gezien. Op dat moment zweefde het idee om een plaspauzelijst te starten even door mijn hoofd. Ze zou alvast starten met een topsoort.

Epiloog: missing the moose

Even de conversatie tijdens een van onze eerste ochtendlijke zoektochten reconstrueren: ‘Stop, stop, een eland!’, ‘waar,waar?’, ‘achter die omgevallen den’, ‘It’s a kalf’, ‘het zijn er twee’, waar? waar!!?’, ‘ze lopen naar rechts’, ‘ze draait zich om’, ‘mooi, mooi!’, ‘waar? waar!!!?’, ‘net achter die omgevallen den’, ze komen terug’, ‘wow, nu mooi te zien’, ‘waar? waar!!!!!!?’, ‘ze wandelen weg’, ‘echt mooi gezien’,…

De waar’s uit dit gesprek kwamen vooral van mij. Zittend op de achterbank en aan de buitenkant. Geen eland gezien, in tegenstelling tot alle anderen. Maar geen nood, volgens onze gids, we gaan er zonder twijfel nog zien. Conclusie aan einde van de trip. De waanzinnige waarneming – volgens mijn medereizigers – van een moeder met een tweedejaars kalf bleek onze enige kans. Dus: I missed the moose.

Moose-shit

Het bleef de running joke tijdens de rest van onze trip. Mijn lichte ergernis werd nog wat aangewakkerd omdat we om de haverklap wel signalen tegen kwamen dat er elanden rondliepen. Stevige keutels van eland, pootafdrukken van eland, veegsporen van eland en mijn bij benadering beste waarneming, plonsende geluiden van een eland die volgens de gids binnen een paar tellen de weg ging oversteken. Niet dus. Voorlopig geen eland voor mij. Maar ik blijf hoopvol.

Wel 5 lifers: auerhoen, hazelhoen, dwerguil, oeraluil en drieteenspecht. En honderden prachtige en leuke herinneringen aan een mooie reis in Litouwen.

Litouwse avonturen (2)

Dag drie van onze reis en de wekker loopt opnieuw af om 5 uur. Doelsoort: auerhoen. Eentje waarvoor ik mij inschreef voor deze trip.
De hoop dat we er eentje zien wordt nog wat groter als blijkt dat we de specialist van deze soort ook mee aan boord nemen. Een grijs en wijs uitziende man. Hij past perfect in het plaatje in mijn hoofd. Het wordt weer een hobbelige en boeiende rit door de bossen. Elke beweging tussen de bomen doet de stoplichten van ons busje oplichten. Maar voorlopig blijft mijn nieuwe lifer uit beeld.
Na een tijdje mogen we uitstappen en gaat onze specialist gewapend met een dikke stok op zoek naar een blijkbaar boos mannetje auer. Wij verkennen ondertussen de omgeving. Gert ontdekt alvast een drol die door onze gidsen aan een wolf wordt toegewezen. Die zie je ook niet elke dag.

Wolvenkakske

Duwen

Even later staat onze specialist terug aan ons busje. Het mannetje dat hij hier wist zitten blijkt op burenbezoek te zijn. Tot mijn verwondering begint hij met de deuren van het busje te slaan. Gefrustreerd omdat hij de vogel niet kan vinden? Neen, dit blijkt zo een agressief beest te zijn dat hij zelfs op het geluid van slaande autodeuren reageert. Maar deze keer dus niet.
Geen nood, we gaan opnieuw op pad. Dat levert als snel een opvliegend hazelhoen op. Die staart herkende ik van de vorige keer. Even later staan we opnieuw stil. Maar deze keer blijft het hazelhoen wat langer zitten. Ik kan dit mannetje een tiental seconden goed bekijken terwijl het wegrent in het bos. Geen vanzelfsprekende ervaring.
Het ontbijt dat we in een hut, diep in het bos, voorgeschoteld krijgen smaakt des te beter. Wel rijdt onze gids zich nadien vast op de modderige weg die naar de hut liep. Gelukkig was er genoeg mankracht aan boord om ons terug rollend te krijgen. Zelf bekeek ik het gezwoeg van op een afstand. Iemand moet de foto’s maken, nietwaar.

Pechverhelping in actie

Kunstbeest

Opnieuw reden we rond in de bossen. Speurend naar bewegende bosgrond. Want zowel hazel- als auerhoen zijn specialisten in camouflage. Toch konden we verschillende vrouwtjes auerhoen ontdekken. Vaak zag ik ze opvliegend vanaf de plek waar mijn maten naar wezen. Maar eentje bleef wel echt goed zitten. Zij toonde haar opvallende oranje borst voor ze opvloog. Doelsoort dik binnengekopt. Het werd nog beter toen Gert een mannetje hazelhoen ontdekte langs de weg, zittend op een omgevallen berk. Hij bleef minutenlang zitten en alle details konden netjes bekeken worden. Uitzonderlijke kans volgens onze gids. Ik genoot met volle teugen.
Een korte wandeling naar onze volgende locatie voor weer een lekkere Litouwse maaltijd werd een paar keer onderbroken. Onze eerste ringmussen van deze reis (wat heb ik deze beestjes al lang niet meer gezien), een roffelende grijskopspecht (het bleef voor mij voorlopig met horen) en een grote roofvogel. Het bleek een schreeuwarend te zijn.
De avondlijke zoektocht naar dwerg- en ruigpootuilen bleek opnieuw tevergeefs. Onze gids keek een beetje beteuterd. Ik niet, door die vrouwtjes auerhoen kon mijn dag niet meer stuk.

Vlechtwerk

De volgende dag werden Gert en ik opnieuw vroeg gewekt door het ondertussen irritante geluid van mijn GSM. Ik begon mij af te vragen of er geen leukere hobby’s waren waar ik mijn vrije tijd mee kon vullen. Maar een paar uur later wist op opnieuw waarom ik vogels kijken top vind.
We stonden met het busje op een bosweg met voor ons op pakweg 50 meter een vrouwtje auerhoen. Zij leek onze aanwezigheid niet echt bedreigend te vinden, want ze zocht op haar gemak verder naar steentje op het pad. We bekeken ze minutenlang. Toen we doorreden wandelde ze gewoon voor ons op het pad verder. Op een kruispunt konden we de deur van het busje langzaam open doen en kregen we ze zonder een raam ertussen in beeld. Dan pas zag ik pas goed wat een prachtige kleuren deze vrouwtjes hebben. De warm-oranje borst, de fragiel getekende flanken en het verbluffende patroon op de vleugels en rug. Ondanks dit kleurenspektakel worden ze zittend op hun nest of gewoon lopend in het bos onzichtbaar. Als je de tijd hebt om ze goed te bekijken zie je wat voor een met prachtige kunstwerken dit zijn. Gewoon adembenemend.
Toen onze gids in een zijweg even later ook nog eens een mannetje kon spotten, was de ervaring compleet. Dat hij geen showtje gaf met gespreide staart zag ik zonder problemen door de vingers.

Bezoekerscentrum met een natuurgebied van 60.000 ha!

Namiddag gingen we naar een andere biotoop. Een groot meer met brede rietkragen. Eerste stop was aan een aantal met water ondergezette weilanden. De soortenlijst kreeg een stevige boost. Honderden kemphanen, waarvan het grootste deel in prachtkleed, grutto’s, bonte strandlopers waren er enkelen van. Als bonus vond ik een prachtig mannetje zomertaling. Ik ben superfan van deze eendjes.
Ster van dit bezoek was zonder twijfel een roodhalsfuut in broedkleed. Hier blijkbaar een algemene broedvogel.
Tijdens onze rit naar de volgende bestemming zag ik een klein vogeltje voorbij vliegen. Aan het donkere masker herkende ik dadelijk de buidelmees. Noodstop en iedereen uit de bus. Het bleek een mannetje te zijn dat vlak langs de weg een nest bouwde in een wilg. We kregen een uitgebreide demonstratie. Meermaals vloog de bouwheer aan met nestmateriaal dat hij vakkundig in zijn kunstige, hangende nestje vlocht.
Volgende stop was een uitgestrekt natuurgebied met een prachtig bezoekerscentrum en een ruime kijkhut. Goed voor nog een paartje buidelmezen, een roepend klein waterhoen en een baardmannetje (man) die tot op enkele meters van ons in het riet kwam rondscharrelen. Dat er in elke rietkraag die we tegenkwamen een roerdomp zat te ‘hoempen’ was een rode draad door onze mooie namiddag.

Litouwse avonturen (1)

Soms moet je er wat moeite voor doen, om die vogels te zien die je nog mist op je lifelist. Een weekje naar Litouwen reizen met een groep vrienden bijvoorbeeld. Een aanrader.

Ons vogelavontuur begon maar pas echt op een parking van een benzinestation in dit prachtige land. Een broodje met tot op heden onbekend beleg in de ene hand en mijn verrekijker in de andere. Bonte kraai, ekster, witte kwik. De reislijst was gestart. Mijn doel waren zes nieuwe soorten. De zogenaamde lifers: vogels die je nog nooit in je leven hebt gezien. Benieuwd of we ze gingen vinden. Onze zeer gedreven plaatselijke gids Marius had er alvast alle vertrouwen in.

Vette wei

Onze volgende stop was een ondergelopen weidegebied. Zo vind je ze hier in Vlaanderen niet meer. Uitgestrekt en met een stevige plas-dras. Dat moest leuke soorten opleveren en dat deed het ook. Het begon met een koppel wilde zwanen. In Litouwen een algemene broedvogel. Daarna onze eerste – het zouden zeker niet de laatsten zijn – kraanvogels. Ook een broedvogel in elk moerasje dat die naam waardig is. Verder hing de lucht vol met jodelende veldleeuweriken, zwierige kieviten en een paar bruine kieken. Wat een weelde.

Onze eerste stop


Daarna reden we naar ons eerste bosgebied. Met een van bomen voorziene oppervlakte van 50% van het land heb je hier keuze genoeg. Hoewel het duidelijk om productiebossen ging, was de ondergroei en de structuur toch heel natuurlijk en rijk. We keken aandachtig naar een koppeltje staartmezen, want die behoren hier tot de met een hagelwitte kop bekroonde ondersoort. Chuppa-chups volgens onze gids. Naast een overvloed aan goudveil en de eerste elandsporen (dat verhaal krijgt nog een staartje) sloten we onze dag af met een overzeilende jonge zeearend.

Grensgeval

De volgende dat liep onze wekker af om 5 uur (4 uur Belgische tijd). Toch stapten we met twee goede benen uit ons bedje. Want er stonden korhoenders op het programma. Locatie geheim en dat moesten we zo houden.
Een goed uur later stonden we op een groot uitkijkplatform te turen over een met een mistgordijn gedrapeerde heidevlakte. Op de achtergrond al het geluid van bolderende korhoenders in een uniek duet met roepende kraanvogels. Toen de mist wat optrok werden de figuranten van dit spektakel ook zichtbaar. Druk draaiend rond een vrouwtje of bij gebrek aan dames rond elkaar. Af en toe gekke sprongen makend. Baltsende korhoenders, minstens 15 stuks. Met als achtergrond een hekwerk dat onlangs op de grens met Belarus werd opgetrokken.
Natuur op zoek naar liefde voor een muur van haat, wat een contrast.

Korhoendersgebied bij uitstek

Raven

Plots viel het gebolder stil. Een grote groep zwarte vogels kwam aangevlogen uit het bos. Meer dan 50 stuks, allemaal raven. Een veelvoud van de totale Vlaamse populatie in één kijkersbeeld. Opnieuw een wow-momentje.
Maar onze gids was vooral onder de indruk van een andere soort: een vrouwtje roodborsttapuit. Dit bleek in Litouwen een topsoort te zijn. Zeer zeldzaam.
Zelf had ik meer aandacht voor de appelvinken die zich mooi lieten bekijken. Wat een toeters hebben die beesten toch op hun kop zitten.
Tijdens de terugrit werd er regelmatig gestopt. Voor een groep pestvogels bijvoorbeeld. Ze komen hier elk jaar overwinteren. Soms enkele, soms veel. Voor mij waren het er heel veel. Bij de verkiezing van de mooiste vogels die er zijn staan ze zonder twijfel in mijn top 10.
Een roepende dwerguil deed onze gids ook opspringen. Maar we kregen hem – ondanks het imitatietalent van Marius – niet te zien. Dat lukte wel met ons eerste hazelhoen van de reis. Zoals voorspeld een korte flits en een staart – met de juiste kenmerken – die snel in het bos verdween. Volgens de gids waren het er twee. Ik was al blij met een korte blik op een wegvluchtende staart. Ze goed laten zien was volgens onze gids zijn nachtmerrie.

Tuinsoorten

Na een stevige maaltijd gingen we op bezoek bij een vriend van Marius. Hij woonde in een typische Litouwse woning in een afgelegen dorpje of wat daar voor moest doorgaan. Met als achtertuin meer dan 10 ha topnatuur. Tot blijdschap van Gert begraasd door Schotse Hooglanders. Zijn toilet – eentje met een hartje in de deur en geplaatst in de achtertuin – werd regelmatig gebruikt als fotohut om de dansende kraanvogels te fotograferen.
Als bioloog was hij de referentie voor het onderzoek naar waterrietzangers. Zijn missie was om deze soort te redden door ze met de hand op te trekken en de jongen in geschikte gebieden los te laten. Een fulltime job tijdens het broedseizoen voor heel wat vrijwilligers. Maar blijkbaar met groot succes.
Na dit boeiende bezoek werd onze lijst aangevuld met goudvinken – forse en duidelijk in topvorm verkerende exemplaren – en nog een zeearend in vlucht.

Stulpje van de waterrietzangerman

Onze eerste volledige dag werd afgesloten met een avondje rondrijden in de bossen op zoek naar uilen. Eindstand van deze wedstrijd: groep versus uilen 0-1. Geen nachtroofvogel te horen of te zien.
Maar toch gingen we met een goed gevoel slapen dankzij een aantal forse troostprijzen: mekkerende watersnippen, varkens-imiterende waterrallen, plonsende elanden (niet gezien, het staartje komt nog) en een prachtige sterrenhemel met een – volgens de kenners – mooie oplichtende planeet Venus.

Elk weer is vogel-kijk-weer

Een ganse week regen. Daar worden de meeste mensen niet bij van. Behalve vogelkijkers, die malen er niet om. Want elk weer is goed om naar vogels te kijken. Bij zonnig weer fluiten de vol testosteron gegoten mannetjes de longen uit hun lijf. Bij regen houden de doortrekkers dan weer vaak een onvermijdelijke pauze. Door de regen vliegen is vaak geen optie.

Plassen met leuke bezoekers

Daarnaast wijzigt het landschap drastisch. Zeker bij plotse en hevige regenbuien. Deze keer door een langdurige periode van regen. Dan duiken er in wat lager gelegen weides mooie waterplassen op. Zoals we al weten zijn eten, schuilplekken en water drie aantrekkingspolen voor vogels. Daarom dat ik blij ben met al die regen van de voorbije dagen. Waar ik anders vrij snel doorwandel kon ik nu krakeend, wilde eend, grauwe ganzen – toch geen alledaagse verschijning hier – en een mooie groep graspiepers opschrijven. Deze laatste was een nieuwe soort voor dit jaar. Op zulke plekken kan je dus alles verwachten. Zonder twijfel is er bij jou in de buurt ook zo een tijdelijke vogelmagneet.

Hopeloos

Vlakbij had ik nog een nieuwe jaarsoort. Ik had ze al langer verwacht, maar nu waren ze present. Zittend op hun nest met vier eieren: kievit. Ik kon het nest snel vinden en weet nu al dat het een verloren broedsel is. Er een foto van maken kan dus hier totaal geen kwaad.

Eerste kievitsnest voor dit jaar

Kieviten zijn een uitstervende soort in onze regio. Waar het vroeger ging om een soort die in graslanden broedde, zitten ze nu voor het grootste deel op maisakkers. Foute switch blijkt. Hun keuze is echter een gevolg van een intensievere landbouw. Ooit zaten kieviten op soortenrijke graslanden vol leven. Nu zijn dit vaak donkergroene, eentonige woestijnen. Geen afwisseling, geen voedsel, geen kans op overleven. Alles wordt dan ook nog eens van het voorjaar tot het najaar om de haverklap gemaaid met grote machines. Wie het dan nog in zijn hoofd zou halen om er jongen in groot te brengen, blijft gegarandeerd kinderloos achter. Dus verkassen de kieviten en andere soorten die hier ooit broedden, naar andere oorden. Maar ook hier botsen ze op een massa problemen. De akkers die ze uitkozen om een nestje te bouwen worden steeds vroeger en vaker bewerkt. Daarbij komt dan ook nog eens het feit dat hun nest hier open en bloot ligt. Om dit nest te vinden moest ik gewoon even zoeken naar het broedende vrouwtje en kon ik er zo naartoe lopen. Ik heb totaal geen talent nodig om kievitsnesten te vinden. Als ik dat kan, dan kunnen heel wat soorten die wel een kievitsei lusten dat nog makkelijker. Dan blijken die akkers ook nog eens heel ‘proper’ te zijn. Onkruiden worden bestreden met alle middelen. Legaal, maar voor onze kieviten nefast. De jongen , als het nest niet weg is tegen dat ze uitkomen, vinden geen wormpje of kevertje op de kale bodems.

Ploegende boeren, ei-zoekende beestjes en gebrek aan voedsel. Kans op overleven: zero. Hoe lang kunnen we nog genieten van deze prachtige zwart-witte vliegkunstenaars? Ik vrees het ergste.

Vrouwtje kievit (tekening: Nicolas Van Overmeeren)

We zitten ondertussen aan 69 soorten op mijn jaarlijst: kievit (67), graspieper (68) en kneu (69). Welke soort wordt nummer 70?

Aangekomen

Le nouveau zwartkop est arrivé. Jawel, zingend in een houtkant tussen de overal tjiftjaffende tjiftjaffen. Duidelijk gehoord en even laten ook open te zien: mijn eerste zwartkop voor dit jaar.

Mannetje zwartkop (foto: Lucas Bollingh)

Herkomst onbekend

Waar die deze winter heeft uitgehangen is een open vraag. Waar ze vroeger bijna gegarandeerd uit het verre zuiden terugkeerden, is dat nu niet meer zo simpel. De natuur is altijd bezig met verandering. Dat is de enige zekerheid.

Zo zijn er de ‘klassieke’ zwartkoppen die – zoals ze dat altijd al gedaan hebben – naar het zuiden trekken. Maar er is een populatie, vooral oostelijke broeders, die de voedertafels van de vogelgekke Engelsen ontdekt hebben. Zij vliegen van oost naar west door Europa om de Noordzee over te steken. Daar overwinteren ze met de gratie van tuinvogelaars. Een veel kortere en dus minder riskante reis. Maar het grote voordeel is dat deze zwartkoppen eerder aankomen in hun broedgebied. Dus is ‘mijn’ zwartkop denkelijk eentje met een Engels accent? Was het maar zo simpel. Want ondertussen zijn er ook exemplaren die hun jaarlijkse reis gewoon volledig uitstellen en bij ons overwinteren. Misschien is het dus zo een lui – of moet ik zeggen slim – mannetje. Wie zal het zeggen?

Onopvallend

Zwartkoppen zijn trouwens de meest onderschatte broedvogels van ons landje. Bijna niemand kent ze, terwijl ze goed als zeker ook in jouw buurt of zelfs tuin elk jaar een paar nestjes grootbrengen. Hun gedrag is echter onopvallend. Wat betreft ze te zien krijgen dan toch. Ze leven verborgen in dicht struikgewas. Hun laten horen doen ze dan weer volop. Maar dan moet je hun deuntje dus herkennen. Voor veel mensen een ogenschijnlijk onmogelijke opdracht (wat dus niet zo is). Ze zingen luid en heel melodieus, wat hun de bijnaam van bastaardnachtegaal opleverde. Net geen hoofdprijs in de zangwedstrijd voor de vogels dus, eerder een wat tegen een scheldwoord aanleunende troostprijs. Maar wel dik verdiend. Welkom vriend!

Zalige bonus

Mijn tochten door de Herkvallei brachten deze week nog een extra soort voor mijn jaarlijst op. Omdat ik nog steeds geen kievit kon vinden – ze worden elk jaar zeldzamer – besloot ik om het kleine stukje akkerland op mijn local patch te gaan afspeuren. Met succes, maar wel niet de verwachte zwartwitte flapperaar.

Net aangekomen zag ik in mijn ooghoek een grote vogel met zwarte vleugelpunten. ‘Dat is wel een heel grote meeuw’ was mijn eerste idee. Maar een tweede blik zorgde voor een symbolisch vreugdesprongetje – of heb ik dat toch onbewust echt gemaakt? Boven de stilaan groener wordende akkers vloog een sierlijk jager: de blauwe kiekendief. Een adult mannetje! Wat een beauty. Voor hij besloot om zijn tocht naar noordelijke oorden verder te zetten liet hij mij nog even genieten van zijn magistrale vliegkunsten. Nummer 66 met een stevige strik. Zo heb ik ze graag.

Mannetje blauwe kiek (tekening Nicolas Van Overmeeren)

PS. Zo blij dat ik de geweldige aquarellen van Nicolas Van Overmeeren mag gebruiken. Ga zeker eens kijken op zijn website, echt de moeite.

Zelfde plaats, zelfde soort

De lente trekt een stevig spurtje met een topsnelheid van 14 tjiftjafkes per uur. Deze voormiddag heb ik ze bewust geteld: 33 zingende mannetjes op mijn enige wandeling van dit weekend. Ze zijn aangekomen, dat is het minste wat je kan zeggen.
Maar wees gerust, ze gaan niet allemaal blijven. Want anders zit het binnenkort stampvol met ‘tjiffen’. Neen, de meesten trekken nog wat meer noordwaarts om een ander plekje – vaak in hun geboortestreek – te bezetten om hun eentonige liedje te gaan afdreunen.

Tjiftjaf, een eenvoudige lentebrenger.

Krasser

Mijn wandeling was trouwens heel goed begonnen. Nog maar net de deur uit werd mijn aandacht getrokken door een geluid dat ik al een tijdje niet meer had gehoord. Het schurende gekras van een zingende zwarte roodstaart. Elk jaar zit hij trouw te zingen op het dak of in een boom van onze overburen. Zo dus ook dit jaar. Een te verwachten soort die ik weer kan bijschrijven op mijn jaarlijst.

Mannetje zwarte roodstaart

Zelfde boom

Woensdag had ik trouwens al een leuke soort toegevoegd aan die jaarlijst. Met weinig moeite, want Gert wees hem mij netjes aan. Toen hij mij kwam oppikken om samen naar een vergadering te gaan had hij een ooievaar ontdekt vlak bij mijn woning. Dit exemplaar zat net op dezelfde dode boom als een eerder exemplaar ongeveer een jaar ervoor. Blijkbaar een populair plekje om even te rusten tijdens hun lange vlucht naar hun broedgebied. Voor mij een bonussoort, waardoor de teller nu op 64 soorten staat. Dan moet de grote golf zomergasten nog aankomen. Hoopvol.

Foto van de ooievaar van vorig jaar

Babyboom

Denkelijk heeft het niets met elkaar te maken, maar toch. Een ooievaar betekent dat er nieuw leven op komst is. Hoewel deze geen doekje met een baby in zijn snavel had, ontdekte ik dit weekend toch het eerste nestje in mijn tuin. Dat het om een turkse tortel ging is niet verwonderlijk. Die zijn er elk jaar weer vroeg bij. Bij zachte winters durven ze zelfs gewoon doorgaan met broeden.
In mijn krentenboompje werd hun typische, wankele bouwsel op een al even wankele tak geconstrueerd. Nauwelijks de naam nest waardig. Voor mij elke keer weer onbegrijpelijk hoe ze op dat hoopje takjes hun jongen zonder ongelukken groot krijgen. Vaak zie je de twee witte eitjes dwars door de bodem van het nest liggen. Mijn zorgen worden echter teniet gedaan door een warm gevoel: het ultieme bewijs dat de lente nu er echt aan komt.

Altijd vroeg erbij, turkse tortel.
NaTUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research