De laatste loodjes zijn Alpijns

Als ik heel eerlijk moet zijn, wist ik gisteren al dat er nog een blogpost zou komen. Want tijdens het schrijven van de vorige zag ik al de melding dat er in Mechelen een speciaal vogeltje was gespot binnenkomen. De ontdekking van deze vogel kwam er trouwens op een vreemde manier. Door de echtgenote van een gekende vogelkijker tijdens een fotozoektocht in de binnenstad van Mechelen. Vlakbij de StRomboutstoren. ‘Hé, daar zit een vreemd vogeltje’ was vermoedelijk de aankondiging van deze zeldzame dwaalgast.

Het bleek een alpenheggenmus te zijn. De neef van onze heggenmus die ik elke tuin wel wat zit rond te scharrelen. Mijn oom – die in Mechelen woont – stuurde mij via WhatsApp ook nog eens een berichtje. Dan moet je gewoon gaan. Ook al vond mijn vrouwtje het geen goed idee. Maar gelukkig kreeg ik groen licht en een paar minuten later was 75% van ons vogelvriendenclubje klaar om de volgende morgen – vandaag dus – naar Mechelen te carpoolen.

Het bleek een van de makkelijkste twitch-momentjes van het jaar. Het beestje zat op zijn vertrouwd plekje, omringd door een twintigtal vogelkijkers. Dit op soms minder dan een meter afstand. Sommige fotolenzen waren langer dan de afstand tot aan het beestje. De rit er naartoe en de warme choco achteraf duurde stukken langer dan de waarneming zelf. Maar voor mij dus wel een extra Belg en zelfs een nieuwe lifer. Reden tot juichen? Niet echt.

Close-up zonder veel telelens, een uitzondering (gelukkig)

Want dit exemplaar zag er alles behalve gezond uit. Zonder twijfel een van de redenen waarom hij of zij zich zo makkelijk liet benaderen. Tijdens onze gesprekjes met mede-vogelaars werd al geopperd dat het beestje zou opgehaald worden door een Opvangcentrum om het er door te krijgen. Hopelijk haalt ze 2025.

Met dubbele gevoelens komt deze soort dan ook op mijn lijstjes. Dus beste alpenheggenmus, een gemeende sorry en bedankt voor je verschijning.

Het onfortuinlijke fotomodel.

Update: 30/12/2024 om 18u27

In de namiddag werd het beestje opgehaald door het VOC van Herenthout. Het was verzwakt, mager en zat vol met parasieten in zijn maag en darmen. Blijkbaar had het geen kans op overleven en het vertrok dan ook naar de eeuwige alpenheggenmussen-jachtvelden.
Blij dat ik deze vogel nog mocht bewonderen, al was het dan in de laatste uren van zijn bestaan op aarde, aan een basiliek in Mechelen. Symbolischer kan al niet. Rust in vrede lieve vriend.

Leuk einde, ambitieus begin

Nog vier blaadjes en het jaar is voorbij, dat zegt mijn scheurkalender op het toilet. Tijd om mijn uitdaging die ik begin 2024 in mijn blog uitsprak te beoordelen.

200 soorten in gebieden van Limburgs Landschap

Het begon veelbelovend, maar het doel werd niet gehaald. Dit omdat ik veel te weinig tijd vond om in de prachtige natuurgebieden van Limburgs Landschap te gaan wandelen en vogeltjes spotten. Ik strandde op 125 soorten. Een mager resultaat vond ik zelf. Wel bezocht ik 18 gebieden, sommige maar heel kort en andere een paar keer. De top drie met het meeste aantal vogelsoorten waren Hochter-Bampd (54), Koningssteen (63) en Negenoord (75). Geen toeval dat het alledrie gebieden zijn langs de Maas. Een top-vogelgebied.
De meest waargenomen soort was roodborst (16), gevolgd door een drietal soorten met 14 waarnemingen: houtduif, vink en wilde eend. Leukste soorten waren ijseend, lepelaar (geslaagd broedgeval!), witwangstern en witoogeend.

Mijn voornemen om een autolijst bij te houden bleek ook geen lang leven beschoren. Het kwam dan ook terecht in de lade met de veel beloftes zoals ‘minder eten’, ‘stoppen met roken’ of ‘meer sporten’ die heel wat mensen uitspreken vlak voor nieuwjaar. Het werd een zeer kort en totaal onvolledig projectje. Slecht idee blijkbaar.

Negenoord- Kerkeweerd in Dilsen-Stokkem

De magische kaap

Gelukkig was er nog mijn ambitie om mijn Belgische lijst over de kaap van de 300 soorten te tillen. Want die is wel gelukt. Met een jaarlijst van 186 soorten doe ik het zeker niet geweldig. Wouter, een van mijn vogelmaten, rondde vlot de 200 soorten. Als nieuwkomer in ons groepje werkt zijn gedrevenheid inspirerend.
Maar blijkbaar wierpen onze uitstapjes met ons kwartet vruchten af. Door bewuste keuzes te maken – ook wel twitchen genoemd – kon ik mijn lijst aanvullen met maar liefst 9 nieuwe Belgen. Eentje kwam er gisteren zelfs nog bij: de parelduiker in het verre Wallonië.
Andere nieuwkomers waren blauwe rotslijster, ross’ gans, kleine rietgans (een schaamsoort), aziatische roodborsttapuit, notenkraker, grote grijze snip, grote stern (nog een makkelijke soort die ik nu pas in België kon zien) en struikrietzanger.
Vooral de notenkraker was een topper. Wij hadden de eer om te mogen genieten van een wel erg meewerkend exemplaar dat tot op een tiental meter van ons nootjes kwam zoeken. Een kippenvel-momentje. Ondertussen staat de teller op 306 soorten. Op naar een volgende kaap.

Notenkraker Membach 6 april 2024

Nieuwe uitdagingen

Hoog tijd om voor 2025 opnieuw plannen te maken. Ik heb nood aan een ‘trigger’ om op gang te geraken. Zo zit ik blijkbaar in elkaar. Daarbij zegt mijn huisdokter – en mijn weegschaal – dat het een goed idee is om meer te bewegen. Vogels kijken en wandelen is dan een ideale combinatie.

Daarom ga ik proberen om ’s morgens regelmatig samen met de zon op te staan en voor dag en dauw ergens vogels te gaan spotten. Met als doel om volgend jaar minstens 200 soorten te zien in ons groene Limburg. Alweer leg ik de lat zo hoog dat ik er vlot onderdoor kan. Maar misschien verras ik jullie en mijzelf wel.

Daarnaast ga ik mij weer eens wagen aan een inventarisatie van een gebied. Bedoeling is om op een wetenschappelijke manier alle broedvogels in kaart te brengen. Daarnaast ga ik de maanden buiten het broedseizoen maandelijks minstens één keer alle vogels noteren op een vaste route.
Het natuurgebied waar ik dit ga doen zijn de Caetswijers in Diepenbeek. Een verborgen parel tussen woonwijken met een mooie vijverketting. Limburgs Landschap voert hier momenteel grote werken uit om zo een prachtig stukje natuur te creëren. En ik wil weten welke soorten dit project in de toekomst gaat aantrekken.

Zicht op de Caetswijers voor de werken

Om vrije tijd helemaal te vullen wil ik ook nog eens zo veel mogelijk tijd doorbrengen op mijn ringplek. Want ook daar is elke soort die ik er zie – of kan ringen – eentje voor de Limburgse lijst. Dubbel op. 2025 is trouwens een belangrijk jaar voor mijn stagair, Kristof. Ik wil hem in de best mogelijke omstandigheden naar zijn eerste examen begeleiden.

Tenslotte probeer ik ook de draad van mijn blog terug op te nemen. Ook hier was mijn inspanning wat ‘geslabbakt’. Wekelijks een tekstje moet toch lukken. Niet?

Balans in kadans

Het jaareinde komt er aan, ik merk het aan de druivelaar op het toilet. Die heeft vaak minder blaadjes dan de wc-rol. Dan weet je het wel.

Tijd om een balans op te maken. Denkelijk komen er nog wat torenvalkjes en mogelijk een paar buizerds bij. Maar daar gaan we niet op wachten.
De teller in Papageno (nvdr. het voorhistorische programma om ringgegevens op te slaan) staat op 2.257 vogels die in 2024 door mijn handen gingen. Niet top, maar ik ben er toch blij mee.

Topdwerg

Op de ringplek kon ik 2.036 vogels een ringetje aan hun poot knijpen en werden er 89 ringen afgelezen. In navolging van alle radiozenders die nu ellenlange hitlijsten op ons afvuren, hierbij de top 5 van de 38 soorten die ik zag voorbij komen op mijn bescheiden ringplek.

Op nummer 5 een ex-aequo van tuinfluiter en tjiftjaf met elk 85 exemplaren. Nummer 4 was voor de bosrietzangers met 189 stuks. Brons ging naar de roodborsjes (229), zilver was voor de kleine karekieten (404) en opnieuw met stip op nummer 1, zwartkop met 634 geringde of gecontroleerde vogels. Die sympathieke zangers met hun zwarte petje zijn de Bohemian Rapsody van het ringwerk. Niet van plaats nummer één weg te krijgen.

De adrenaline-boosters voor dit jaar waren draaihals (5), grauwe klauwier, bladkoning, siberische tjiftjaf en uiteraard de vangst van een dwerggors. De kick van dit najaar.

Het prachtige kopje van dit ‘schattige’ gorsje – dwerggors 1ste jaars

Jong grut

Teleurstellend waren de aantallen voor nachtegaal (slechts 1) en gekraagde roodstaart (6). Jammer. Hopelijk een tijdelijk dipje.

Daarnaast werden er ook wat vogels op het nest geringd. Pulli of voor de niet-vogelaars, het jonge grut. Daar kon ik de teller op een ronde 100 afsluiten. Steenuil was de topper met 44 geringde pulli. Gevolgd door nog 6 andere soorten. Koolmees (23), pimpelmees (9), spreeuw (9), kerkuil (7), torenvalk (6) en raaf (2). Vooral het nest van de raven was super. Een nieuwkomer en zo te zien blijver voor onze regio. Maar ook het nest kerkuilen in een bosuilenkast vond ik een leuke waarneming. Altijd geweldig om te zien hoe soorten zich aanpassen. Timmeren de pilaren van dienst de ramen dicht van alle kerken en worden de schuren bij onze landbouwers bijna vacuüm afgesloten bouwsels, dan kruipen onze kerkuilen toch even in een bosuilenkast.

Controles

Tenslotte wil ik nog even de terugmeldingen in de kijker zetten van door andere collega’s geringde vogels. Want daar draait het ringwerk toch ook rond. Ik kon, buiten de 91 eigen controles (vogels die ik zelf ringde en nu terug controleerde), nog 13 ringen ingeven van ‘vreemde’ origine.

Het ging om kleine karekieten (2 uit België, 1 Duitsland, 1 Frankrijk), bosrietzanger (2 België), zwartkop (1 België, 1 Duitsland), torenvalk (2 België), steenuil (1 België), rietzanger (1 België) en tenslotte nog een roodborst (1 Zweden). Opvallend was het ontbreken van vogels met een ring uit Nederland. Die zitten er anders altijd bij. Komaan, hup Holland, hup.

Klaar voor een nieuw jaar vogels ringen. Ik denk dat de druk van mijn (vermoedelijk) twee stagairs de cijfers in 2025 terug de hoogte in gaat jagen. Wat mij betreft een welkome stimulans.

Niet elke terugmelding maakt mij blij – torenvalk >1 man verkeersslachtoffer

Grote dwerg

Het ringseizoen kabbelt langzaam maar zeker naar zijn einde. Dan toch op mijn ringplek. De nachttrek is zo goed als stilgevallen en de aantallen blijven steken op 20 tot 30 vogels per ringsessie. Ook al blijven de netten tot zonsondergang open staan. Rustige tijden met de hoop op een leuke soort die wil landen.

Daarom was ik al heel blij met de vangst van een bladkoning vorig weekend. Nummer 12 voor mijn bescheiden ringlocatie. En dat voor een soort waar we tien jaar geleden van dachten dat je ze enkel aan de kust in een eenzame boom kon vinden. Niets is minder waar.

Koning Blad de 12de van Wellen

Een lang weekend, dus veel tijd om wat vogels te ringen. Gisteren strandden we op 33 exemplaren (Kristof was er weer bij om te helpen). Met toch 3 puttertjes – altijd leuk – en controle van een koolmees die al in 2019 een ring rond de poot kreeg van mij als 1ste jaars beestje. Ondertussen 6 jaar oud, voor een koolmees een respectabele leeftijd.

Vandaag alleen aan de slag. De teller stond op iets meer dan 20 vogels. Elke ronde hingen er twee, soms 3 vogels in de netten. Maar de ronde van 13u30 leverde een verrassing op. Hoewel ik het geluid speelde was de kans klein. Maar soms is een waterkans voldoende. Eén vogel in de netten met een prachtige kastanjekleurige oorvlek. Jawel, dwerggors!
Alle kenmerken werden gecheckt samen met mijn zoon Jente die op bezoek was. Ze klopten stuk voor stuk. Een nieuwe soort voor mijn ringplek.

Soort 76 – dwerggors
De markante koptekening

Toevallige nieuwe Belg (of toch niet)

Zaterdag gingen we met onze bende weer op pad. Wouter moest afhaken wegens werkverplichtingen. Maar Pierre en Gert waren van de partij. Bestemming: Schulensbroek. Doelsoort: purperreiger. Want die was voor Gert en mij een aanwinst op onze Belgische lijst.

Hoe het had kunnen lopen

Wij parkeerden onze wagen op de kleine parking aan de zuidkant van het natuurgebied. Wij liepen richting de locatie waar de purperreiger die zich er al lang ophield het meest gezien werd. We stelden ons verdekt op en wachten geduldig. Vol spanning wachten we af. Na een tijd kwam de purperreiger van achter het riet te voorschijn wadend door het water. Eerst nog verborgen door wat rietstengels, dan in vol ornaat. Wij keken ademloos toe. Ik greep langzaam naar mijn fototoestel en kon prachtige beelden maken van deze mooie reiger.

Hoe het echt liep

Wij parkeerden onze wagen op de kleine parking aan de zuidkant van het natuurgebied. Wij liepen richting de locatie waar de purperreiger die zich er al lang ophield het meest gezien werd. Na een paar honderd meter bleek de weg versperd door een dikke laag modder. Na een korte discussie gingen Gert en Pierre op zoek naar een mogelijk alternatief om zonder modderige schoenen verder te geraken. De poort van de weide langs de weg lag toch open. Terwijl Gert zocht naar een andere uitgang, riep hij plots: ‘hier is hij!’. Ik stond nog aan de weg en zag in een flits een vogel opvliegen uit de diepe poel die in de weide lag. Mijn eerste idee was roerdomp. Maar Gert riep dat het de purperreiger was. De vogel was ondertussen al uit het zicht verdwenen. Hopende dat hij met een boog rond ons zou vliegen draaide ik mij om. Even later verscheen in de verte een voorbijvliegende reiger. Check: purperreiger. Ik kon hem met mijn verrekijker mooi in vlucht bekijken, ook al was het redelijk ver weg. Toen hij opnieuw uit het zicht verdween, stond mijn telescoop werkloos naast mij en hing mijn fototoestel ongebruikt over mijn schouder. Geen bewijsfoto, maar wel een leuke waarneming.

Al in 2008 op de lijst

Toen ik thuis kwam bleek ook nog eens dat dit voor mij geen nieuwe Belg bleek te zijn. Blijkbaar had ik ongeveer 16 jaar geleden er al eentje kunnen bekijken in Wijvenheide te Zonhoven. Toen kreeg ik wel de kans om dat exemplaar op foto te zetten?

Purperreiger gezien in Zonhoven in 2008

Teleurstelling? Totaal niet. Die voormiddag zag ik buiten deze prachtige reigersoort minstens 2 visarenden actief jagen aan het Schulens meer. Het was voor mij de eerste keer dat ik dit spektakel zo goed kon aanschouwen. De biddende jager, de haperende duikvlucht, de plons en de triomfantelijke herrijzenis met elke keer een prooi in de klauwen. Waanzinnig!
Ook op ons daglijstje: ijsvogels – inderdaad meervoud -, bruine kiekendief, zwarte stern in jeugdkleed, heel veel grote zilverreigers, kibbelende kleine zilverreigers en nog veel meer.

Vogels kijken is altijd genieten, zelfs voor een birding-kluns als mijzelf.

Vaste gasten

Mijn vogelactiviteiten van de voorbij maand hebben zich vooral afgespeeld op mijn ringplek. Elk moment dat er tijd was kon je mij daar vinden. Voormiddag toch. De rest van de dag bracht ik dan meestal door in een semi-comateuze toestand. Dat vroeg opstaan raak ik toch niet gewoon.

We – want ik krijg regelmatig hulp van twee stagairs die mijn microbe ook willen omzetten in een ringvergunning, Kristof en Nicolas – zitten al aan een stuk over de 1.200 geringde vogels. Deze maand (augustus) deden we er 821 bij. Vooral de kleine karekieten (309) en de zwartkoppen (222) deden een behoorlijke duit in dat zakje. De karekietjes zijn stilaan aan het afnemen, de zwartkoppen gaan gestaag in stijgende lijn. De reeds gemelde grauwe klauwier, twee bonte vliegenvangers en ondertussen al 4 draaihalzen waren de adrelanine-opstootjes van dienst. De vroege vertrekkers zijn ondertussen al voorbij. Zo had ik vermoedelijk de laatste bosrietzangers voor dit najaar in mijn handen. Met 189 stuks een gemiddeld jaar. Een opvallend dieptepunt zijn de gekraagde roodstaarten. We kregen er slechts 4 in onze netten. Geen idee waar de rest zit of is voorbij gevlogen.

Draaihals nummer 4

Nu de rustige periode achter de rug is in het veld, zijn we ook opnieuw op pad gegaan met onze groep vogeltoeristen. Met ons olijke kwartet reden we richting de Luikse akkers. Rond deze periode is dit het podium voor een opvallende en elk jaar weerkerende soort: de morinelplevier. Deze arctische broedvogels passeren onze streken en slagen er elk jaar weer in om ongeveer op dezelfde plaats een tussenstop te doen. ‘Ongeveer’ is trouwens een onderschatting. Heel vaak kan je ze – mits de omstandigheden niet te veel gewijzigd zijn – op juist dezelfde akkers terugvinden. Ze vertellen ons alleen niet op welke dag ze op bezoek komen. Wij stapten uit onze wagen in het onbekende Viemme. Een jonge vogelkijker stond al door zijn telescoop te turen. Een net voor ons aangekomen vogelaar in een cabrio (waarom zou je met een groene 4×4 op pad gaan) kreeg al de boodschap dat een groep van 12 morinellen net was opgevlogen. Tja, dat horen we wel vaker.

Maar nog geen 5 minuten later kreeg de jongeman ze opnieuw in het vizier, waarvoor dank. We konden ze even op respectabele afstand bekijken. Leuk, maar niet top. Daarna vlogen ze op om vrij dichtbij voorbij te komen. Mooi!

Man morinel, foto uit de oude doos

Wij zagen ze zo voorbijvliegen


We besloten om een doorgestuurde melding door Nicolas van een juveniele roodpootvalk te gaan omzetten in een toffe waarneming. Onderweg schreven we tapuitjes, kievit, gele kwik op ons lijstje. De roodpoot bleek gevlogen, maar we konden toch slechtvalk, heel wat torenvalkjes, havik, bruine kiekendief en een overzeilende rode wouw scoren. Alles in de buurt van een kunstmatig ingericht stukje biodiverse akkers. Dit in een woestijn van intensieve landbouw. De jaarlijkse morinellen zijn een leuke pleister op een grote, etterende wonde.

De groep ooievaars die ik ’s avonds na een verplicht bezoek aan de school van mijn echtgenote mocht aanschouwen, zittend op de verlichtingspalen van een drukke autoweg waren voor augustus een boeiende afsluiter.

Vroege vogels

Dankzij een gemotiveerde stagair (merci Kristof) staat mijn wekker momenteel op 4u50. Een van de nadelen van vogels ringen. In augustus moet je verdomd vroeg uit je bed. Maar er zijn een pak voordelen. Die vroege uren zijn prachtig. De gloed van de opkomende zon als ik de netten openschuif. Een steenuiltje roepend van zijn plekje ergens in de buurt. De koelte in de morgenuren.

Leuke soorten

Met ondertussen 555 geringde vogels mag ik niet klagen voor mijn bescheiden ringplekje in mijn eigen tuin. De kleine karekieten (169) hebben ondertussen de bosrietzangers (152) ingehaald. De normale gang van zaken. Eerst trekken de adulte bosrietjes weg, gevolgd door de eerstejaars. Op dat moment komen er ook de eerstejaars kleine karekieten bij. Nu doorspekt met regelmatig een adulte kleine karekiet. Die volgorde wordt netjes gerespecteerd.

Daartussen af en toe een leuke verrassing. Zoals een eerstejaars grauwe klauwier. Het was al van 2015 geleden dat ik die soort kon ringen. Hun opmars had mij hoop gegeven en die kwam dan ook uit. Ook leuk zijn de draaihalzen die opduiken. Al twee dit jaar. Eentje samen met Kristof die daarmee een nieuwe soort kon scoren.

1ste jaars grauwe klauwier. Die kunnen stevig bijten.
1ste jaars draaihals, wat een pallet aan bruine tinten!

In vertraging

Ik had het gevoel dat de zwartkoppen wat achter bleven. Op dit moment verwacht je toch meerdere tientallen in je netten. Maar dat valt tegen. Een kleine analyse van de aantallen op trektellen.nl – de website om het hele trektel- en ringersgedoe mooi te volgen – geeft een redelijk goed beeld wat er zo al geringd wordt.

Aantallen zwartkoppen – overzicht laatste 3 jaren voor augustus

Daaruit blijkt dat we inderdaad onder de aantallen van 2022 zitten. Maar wel op hetzelfde schema als vorig jaar. De grote aantallen moeten nog komen zo te zien. Ongeduld? Of toch een verschuiving naar een latere vertrekperiode?

Weerzien

Ook leuk zijn de terugvangsten. Zo is mijn ‘vaste’ merelvrouwtje nog steeds alive and kicking. Sinds ik ze als jonge vogel op 1 oktober 2021 een ring rond haar poot kneep, is ze elk jaar trouw op post. Dit jaar kwam ze al twee keer goedendag zeggen door in mijn netten te vliegen. Ik zit duidelijk in haar territorium te vangen. Ondertussen is ze al 4 jaar oud. een mooie leeftijd voor een turdus merula.
Regelmatig vang ik ook door mijzelf geringde vogels terug. Meestal zijn er dat van hetzelfde seizoen. Soms echter is het eentje van eerdere jaren. Zo ving ik een zwartkop terug van juli 2023 en een tjifke van augustus 2023. Mogelijk broedvogels van in de buurt ofwel zit ik op hun vaste trekroute. Nog leuker was een zwartkop die ik in juli 2020 had geringd. Die heeft al een pak kilometers op zijn tellerke.

Er kwamen ook twee buitenlanders langs. Alletwee kleine karekieten. Eentje met een Duitse ring en eentje met een Franse ring. De details volgen nog via het KBIN (*). Altijd spannend.

(*) Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen

Jaarlijks dilemma

Het is elk jaar – heel even – hetzelfde liedje. Rond 15 juli stel ik mij de vraag: ga ik vogeltjes ringen of vogeltjes kijken. Want op dat moment is mijn ringplek weer netjes klaar gezet voor weer een najaar in actie te schieten.
Maar de twijfels duren nooit lang, want vogels ringen is een verslavende bezigheid. Elk dag dat de radar veel trek voorspelt en het weer ok lijkt ga ik vroeg mijn bedje in om een uur voor zonsopgang op te staan voor weer een spannende voormiddag. Dat moment is vaak – vooral de namiddag erna – een kwelling. Maar eenmaal je door die zure appel hebt gebeten is het gewoonweg fantastisch. Dat er momenteel – met Kristof – een kompaan mee helpt (hij is gestart aan zijn opleiding als ringer bij mij), is een extra motivatie. Als ik die al nodig had.

Op dit moment is bijna 50% van de vogels die we ringen een bosrietzanger. Dit komt omdat het een van de eerste soorten is die ons landje terug verlaat. Nog maar enkele maanden geleden stond ik met een glimlach op mijn gezicht te luisteren naar de eerste bosrietzanger van dat voorjaar in de Herkvallei. Volgens mijn gegevens op waarnemingen.be was dat op 8 mei. Diezelfde vogel heeft – hopelijk – ondertussen een nestje jongen grootgebracht om daarna al snel zijn koffers te pakken. Want het verre Afrika roept. Tijd voor zijn jaarlijkse verre reis. Sommige passeren dan even op mijn ringplek en krijgen een ring rond de poot. Herkenbaar voor de rest van hun leven.

Dat herkennen is trouwens bij bosrietzangers niet altijd zo makkelijk. Want ze hebben met de kleine karekiet een look-a-like. Ze lijken verdomd goed op elkaar, als een identieke tweeling. In het veld is het bijna onmogelijk om ze uit elkaar te houden. Behalve als ze hun zang ten gehore brengen. Die verschilt enorm. Dan kan je niet missen. Maar ze gewoon op het zicht uit elkaar houden is zelfs voor de beste vogelkijker een moeilijke kwestie.

Ik heb trouwens – sinds ik in mijn boekenverzameling een aantal oudere vogelgidsen heb staan – voor de vroegere generatie vogelkijkers een groot respect opgebouwd. Bekijk maar even de afbeelding van beide op elkaar gelijkende soorten, die halfweg de vorige eeuw, door vogelkijkers diende gebruikt te worden om deze soorten te determineren.

Afbeelding uit ‘Wat vliegt daar’ – uitgegeven circa 1950

Denkelijk met een verrekijker met een vergroting en lichtsterkte die momenteel volledig ontoelaatbaar zou zijn. Met in je wazige beeld een bruin vogeltje en in je andere hand een boekje met deze afbeeldingen. Ik wens je veel succes.
Toch ontdek ik al een paar kenmerken die ook bij vogels in de hand bruikbaar zijn. De meer warmerbruine tint bij de kleine karekiet en de ‘strooien’ pootjes bij de bosrietzanger. Als die beestjes dan netjes blijven zitten dan is er nog een kans. Maar het blijken dan ook nog eens actieve ‘rondspringers’ te zijn.

In de huidige vogelbijbel is het al wat realistischer voorgesteld. Maar dan nog is het een rotklus om ze in het veld, als ze hun snavel weigeren open te trekken, op soort te brengen.

Afbeelding uit ANWB Vogelgids van Europa

Gelukkig heb je als ringer de kans om elke vogel wat beter te bekijken en kan je dankzij de vleugelformule (dat zijn de kenmerken en afmetingen die je bij een vogel kan ontdekken in zijn vleugels) ze voor het grootste deel op naam brengen.

Het is een kwestie van kort en lang of lang en kort. Bij de kleine karekiet is de vleugel korter dan bij de bosrietzanger. Bij de inkeping aan de binnenkant van de top van de 2de handpen is het net omgekeerd. Bij de kleine karekiet langer dan bij de bosrietzanger. Vaak heel duidelijk, maar soms ook twijfelachtig. Daarom checken we alle kenmerken: de pootkleur, de vorm van de kop en de snavel, de algehele kleur zowel op de bovendelen als borst en buik.

Gelukkig is het op leeftijd brengen – 1ste jaars of ouder – simpeler. Het kernwoord is slijtage. De jonge vogels hebben hun verenkleed maximaal nog maar een paar maanden in gebruik. Het ziet er dan nog heel gaaf uit. Netjes in de plooi. Bij de adulte vogels werd dat verenkleed al sinds ze in Afrika hun tocht hebben ingezet naar hun broedgebied aan alle elementen blootgesteld. Hun veren hebben dus een tocht van meerdere duizenden kilometers achter de rug, alsook een energieverslindend broedsel hier. Dan zien je veren er niet meer zo geweldig uit. Stel je maar even voor dat jij je t-shirt het laatste half jaar dag en nacht hebt gedragen. Je zou het er ook aan zien… en ruiken. Dat is bij onze bosrietzangertjes gelukkig niet het geval.

Zingende bosrietzanger op mijn local patch, Herkvallei in Wellen

Kuifje in Hochter Bampd

Neen, Hergé is niet terug opgestaan om een hoofdstuk extra te schrijven voor zijn wereldberoemde stripheld. Het gaat over een zeer leuke waarneming in een van onze gebieden lans de Maas.

Maar voor ik daar aan begin even mijn excuses voor een periode van media-stilte op mijn blog. Regen (heel veel regen), drukke tijden en het feit dat we zijn aangekomen aan onze korste maanden qua schrijfwijze is blijkbaar een dodelijke combinatie voor schrijvers van blogs over vogels kijken. We zitten in een dipje op dat gebied, waar ik een poging voor doe om er uit te geraken. Here we go…

Mijn lijstje is na een bezoek aan Hochter Bampd in Lanaken weer een ietsie-pietsie gestegen. We zitten aan 118 soorten gezien in onze – daarmee bedoel ik die van Limburgs Landschap even ter herinnering – natuurgebieden dit jaar. Dat het een voornemen gaat worden gespreid over meerdere jaren is ondertussen al pijnlijk duidelijk geworden. Ik heb op dit moment 13 gebieden van de in totaal 42 bezocht met mijn verrekijker rond mijn nek. Je kan natuurlijk ook de conclusie trekken dat er wel heel wat natuurgebieden in beheer zijn van onze organisatie. Laten we die inkijk vasthouden.

Naast een geweldige morgen langs de Maas – die mij toch blijft aantrekken als ik bekijk waar ik al geweest ben – kreeg ik dus twee nieuwkomers op mijn LiLa-jaarlijst (onze collega’s van PR worden misselijk van deze afkorting, maar ik vind ze toch leuk).
Het begon met een prachtig mannetje grauwe klauwier. Deze soort is al jaren aan een geweldig parcour bezig in Limburg. Als ik er de broedvogelatlas van 1985 even bijhaal – een prachtig werk van vogelaars-icoon Jan Gabriëls dat aan het lettertype en layout te zien wel volledig persoonlijk door hem lijkt getypt op een antieke schrijfmachine – dan lees ik daar dat er toen enkel broedparen van grauwe klauwier te vinden waren in een paar bolwerkjes (het woord past hier totaal niet) vooral in Noord-Limburg. In ons natuurgebied Stamprooierbroek zaten er amper een tweetal. Nu floreert daar een mooie populatie. Een succesverhaal. Het mag ook eens. De Maaskant is op het kaart in die atlas maagdelijk wit. Nu is het andere koek. De voorbije jaren werden er broedparen vastgesteld in bijna elk natuurgebied langs deze machtige stroom. Hochter Bampd mag dus aan dat lijstje worden toegevoegd. Hoewel een waarneming van een mannetje alleen is niet echt een sluitend bewijs dat er een broedgeval is. Maar in deze periode toch een kanshebber.

Maar het werd nog leuker. Er was mij al ter ore gekomen dat er in de reigerkolonie van Hochter Bampd nieuwe huurders waren. Een koppel lepelaars had zich er gevestigd. Die wou ik ook wel even met mijn eigen ogen aanschouwen. Want broedende lepelaars ken ik enkel van mijn omzwervingen bij onze noorderburen. Na wat zoeken kon ik een kuifdragende hagelwitte vogel ontdekken. Wat een prachtige en tegelijk gekke beesten zijn dit toch. Op een dode tak aan de oever zat hij te schitteren. De prachtige kuif omhoog geblazen door de wind. Een knalwit verenkleed met een subtiele geelachtige vlek op de borst. Een sierlijke verschijning waar ze om god weet welke reden dan die gekke snavel opgezet hebben. De rare lepelvormige verbreding heeft dan ook nog eens een knalgele kleur, zodat je er zeker niet langs kan kijken. Even later vloog hij (of zij) naar de nestplaats. Daar zag ik nu de broedende partner mooi zitten. Ze wisselden netjes van plaats en na wat geschuifel werden de eieren – of kleine jongen – terug ouderlijk bedekt. Een broedende lepelaar in een van onze natuurgebieden. Daar wordt ik heel gelukkig van.

Ik kon ze zelfs – vanaf de andere oever uiteraard – zelfs mooi op beeld zetten. Dat deed ik vooral omdat een van hen kleurringen droeg. Dan wordt het plots nog boeiender. Lepelaars is een soort die via ringwerk vaak wordt opgevolgd. Een mailtje met de genoteerde kleurencombinatie vertrok dan ook dezelfde dag naar het mogelijke project dat er aan gekoppeld is. Een paar dagen later ontving ik een vriendelijke bedankmail voor deze melding met een uitgebreide ‘levenslijst’. Dat is een opsomming van alle doorgegeven meldingen van deze vogel. Echt boeiend om die te overlopen. Ik geef jou even een overzichtje:

‘Onze’ Hochter Bampdse lepelaar werd in mei 2020 geboren en geringd in de Verrebroekse Plassen. Een prachtig natuurlijk aanhangsel van het dokkengebied in de buurt van Beveren. Hij of zij, bij lepelaars in het veld niet te onderscheiden trouwens, bleef daar in het geboortejaar wat rondhangen. Zoals pubers wel vaker doen. Twee jaar later in 2022 kwamen de eerste meldingen binnen. Opnieuw vooral in de buurt van waar ze – even veronderstellen dat het om een dame gaat – geringd werd. Dus in de Verrebroekse Plassen of in de buurt van Doel. Er werd voor het eerst een langere tocht ondernomen naar het buitenland. Reusel in Nederland. Een ecologisch totaal verantwoorde reis van ongeveer 65 km. Zeker omdat ze dit op eigen vleugels deed. In 2023 opnieuw heel wat meldingen uit Beveren en Doel met deze keer een uitstapje naar Itteren. Al wat verder met ruim 114 km in vogelvlucht, letterlijk voor een lepelaar. Dit eerste bezoekje aan onze prachtige Maaskant is mogelijk blijven hangen. De aanzet voor de latere verhuis, wie weet? Er werden nog reisjes geboekt. Zoals eentje naar Buggenum. Iets meer naar het noorden in de buurt van Roermond, maar ook langs de Maas. Deze lepelaar heeft mogelijk net als ik een klik met deze rivier. Deze uitstap is voorlopig haar verste verplaatsing waar we bewijzen van hebben.
Dit jaar werd onze kleurringdrager broedend waargenomen in zijn geboortegebied de Verrebroekse Plassen in april. Zonder succes, want volgens de melding werd de vogel er op een of andere voor mij nog onbekende reden verstoord. Dan herinnerde deze lepelaar zich blijkbaar de uitstapjes naar de Maas en huurde ze daar een struik in ons natuurgebied. Meteen de verklaring waarom ze in Hochter Bampd nu pas op eieren zitten. Dit is een tweede broedpoging voor dit seizoen. Hopelijk deze keer met succes.

Laat ze dan ook aub in alle rust proberen jonge lepelaartjes groot te brengen. Hou voldoende afstand als je ze gaat bewonderen. Zo kan er in dit prachtige natuurgebied langs de Maas zich een gezonde kolonie van deze prachtige vogels met hun gekke bekken ontwikkelen. Dat wil jij toch ook?

Turkse terugval

We zitten aan 116. Het aantal soorten dat ik dit jaar kon bekijken in gebieden van Limburgs Landschap. Op koers noem ik dat, hoewel die meer dan 200 toch nog heel ver af ligt. Zeker als je weet dat ik de meeste ‘makkelijke’ soorten al binnen heb.

Wat mij wel opviel is dat ik mijn eerste turkse tortel pas kon afvinken de voorbije week. Dat deed mij toch even de werkbrauwen fronsen. Deze superalgemene soort bleef wel erg lang onder de radar.
Mijn eerste idee was het feit dat ik vooral lijstjes had gemaakt in natuurgebieden. Want turkse tortels zijn ondertussen honkvaste tuinbewoners. Van natuurgebieden moeten ze niks hebben. Te veel gedoe om daar je kostje bij elkaar te scharrelen. Geef hen maar een dagelijks gedekte voedertafel of een slordige kippenren. Fastfood is de boodschap.
Maar toch bleek het verhaal nog wat minder leuk te worden. Want mijn vaste turkse tortel, die elk jaar trouw in de struik naast mijn voordeur broedt, bleek ook foetsie. Al twee jaar spoorloos. Gaat het dan slecht met onze turkse tortel?

Wat opzoekwerk op het internet bevestigde mijn vermoeden. Na het eerste broedpaar in 1955 in Knokke – met de nodige aandacht van heel wat vogelkijkers uit die periode – schoot de populatie als een raket de lucht in. Wie nu vogels kijkt weet dat deze duifjes alom tegenwoordig zijn (of moet ik zeggen waren). In elke tuin zat wel ergens een paartje te ‘roekoeren’. Ze werden zo succesvol dat ze de schuld kregen van het verdwijnen van onze ‘inlandse’ zomertortel. Niets is minder waar. De zomertortel verwierf de status van ‘ernstig bedreigd’ op de rode lijst in Vlaanderen dankzij knallustige jagers overal op hun trekroute (in heel wat landen staan ze nog genoteerd als jachtwild) en het verdwijnen van de geschikte biotopen waar deze lieflijke tortels zich thuis voelen. Maar we wijzen nu eenmaal graag met ons verwijtende vingertje naar andere oorzaken dan onszelf.
Maar nu blijkt ook de turkse tortel aan een lichte terugval bezig. Op waarnemingen.be zie je sinds 2021 een daling van het aantal waarnemingen. Daarnaast kan je op de website van Sovon ook lezen dat de soort het minder goed doet de voorbije jaren. Ook algemene soorten krijgen klappen. Alleen vallen die minder hard op dan het verdwijnen van zeldzamere beestjes.
We blijven de boel verkloten. Ook al geven heel veel beleidsmakers dat nog altijd niet graag toe. Ze focussen zich liever op andere thema’s waar ze bij hun kiezers makkelijker mee scoren. Zoals migratie. Hoewel de ‘turkse’ tortel voor deze ‘blinden voor het natuurverval’ toch een onderwerp zou kunnen zijn in hun kiesprogramma.

NaTUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research