Vaste gasten

Mijn vogelactiviteiten van de voorbij maand hebben zich vooral afgespeeld op mijn ringplek. Elk moment dat er tijd was kon je mij daar vinden. Voormiddag toch. De rest van de dag bracht ik dan meestal door in een semi-comateuze toestand. Dat vroeg opstaan raak ik toch niet gewoon.

We – want ik krijg regelmatig hulp van twee stagairs die mijn microbe ook willen omzetten in een ringvergunning, Kristof en Nicolas – zitten al aan een stuk over de 1.200 geringde vogels. Deze maand (augustus) deden we er 821 bij. Vooral de kleine karekieten (309) en de zwartkoppen (222) deden een behoorlijke duit in dat zakje. De karekietjes zijn stilaan aan het afnemen, de zwartkoppen gaan gestaag in stijgende lijn. De reeds gemelde grauwe klauwier, twee bonte vliegenvangers en ondertussen al 4 draaihalzen waren de adrelanine-opstootjes van dienst. De vroege vertrekkers zijn ondertussen al voorbij. Zo had ik vermoedelijk de laatste bosrietzangers voor dit najaar in mijn handen. Met 189 stuks een gemiddeld jaar. Een opvallend dieptepunt zijn de gekraagde roodstaarten. We kregen er slechts 4 in onze netten. Geen idee waar de rest zit of is voorbij gevlogen.

Draaihals nummer 4

Nu de rustige periode achter de rug is in het veld, zijn we ook opnieuw op pad gegaan met onze groep vogeltoeristen. Met ons olijke kwartet reden we richting de Luikse akkers. Rond deze periode is dit het podium voor een opvallende en elk jaar weerkerende soort: de morinelplevier. Deze arctische broedvogels passeren onze streken en slagen er elk jaar weer in om ongeveer op dezelfde plaats een tussenstop te doen. ‘Ongeveer’ is trouwens een onderschatting. Heel vaak kan je ze – mits de omstandigheden niet te veel gewijzigd zijn – op juist dezelfde akkers terugvinden. Ze vertellen ons alleen niet op welke dag ze op bezoek komen. Wij stapten uit onze wagen in het onbekende Viemme. Een jonge vogelkijker stond al door zijn telescoop te turen. Een net voor ons aangekomen vogelaar in een cabrio (waarom zou je met een groene 4×4 op pad gaan) kreeg al de boodschap dat een groep van 12 morinellen net was opgevlogen. Tja, dat horen we wel vaker.

Maar nog geen 5 minuten later kreeg de jongeman ze opnieuw in het vizier, waarvoor dank. We konden ze even op respectabele afstand bekijken. Leuk, maar niet top. Daarna vlogen ze op om vrij dichtbij voorbij te komen. Mooi!

Man morinel, foto uit de oude doos

Wij zagen ze zo voorbijvliegen


We besloten om een doorgestuurde melding door Nicolas van een juveniele roodpootvalk te gaan omzetten in een toffe waarneming. Onderweg schreven we tapuitjes, kievit, gele kwik op ons lijstje. De roodpoot bleek gevlogen, maar we konden toch slechtvalk, heel wat torenvalkjes, havik, bruine kiekendief en een overzeilende rode wouw scoren. Alles in de buurt van een kunstmatig ingericht stukje biodiverse akkers. Dit in een woestijn van intensieve landbouw. De jaarlijkse morinellen zijn een leuke pleister op een grote, etterende wonde.

De groep ooievaars die ik ’s avonds na een verplicht bezoek aan de school van mijn echtgenote mocht aanschouwen, zittend op de verlichtingspalen van een drukke autoweg waren voor augustus een boeiende afsluiter.

Vroege vogels

Dankzij een gemotiveerde stagair (merci Kristof) staat mijn wekker momenteel op 4u50. Een van de nadelen van vogels ringen. In augustus moet je verdomd vroeg uit je bed. Maar er zijn een pak voordelen. Die vroege uren zijn prachtig. De gloed van de opkomende zon als ik de netten openschuif. Een steenuiltje roepend van zijn plekje ergens in de buurt. De koelte in de morgenuren.

Leuke soorten

Met ondertussen 555 geringde vogels mag ik niet klagen voor mijn bescheiden ringplekje in mijn eigen tuin. De kleine karekieten (169) hebben ondertussen de bosrietzangers (152) ingehaald. De normale gang van zaken. Eerst trekken de adulte bosrietjes weg, gevolgd door de eerstejaars. Op dat moment komen er ook de eerstejaars kleine karekieten bij. Nu doorspekt met regelmatig een adulte kleine karekiet. Die volgorde wordt netjes gerespecteerd.

Daartussen af en toe een leuke verrassing. Zoals een eerstejaars grauwe klauwier. Het was al van 2015 geleden dat ik die soort kon ringen. Hun opmars had mij hoop gegeven en die kwam dan ook uit. Ook leuk zijn de draaihalzen die opduiken. Al twee dit jaar. Eentje samen met Kristof die daarmee een nieuwe soort kon scoren.

1ste jaars grauwe klauwier. Die kunnen stevig bijten.
1ste jaars draaihals, wat een pallet aan bruine tinten!

In vertraging

Ik had het gevoel dat de zwartkoppen wat achter bleven. Op dit moment verwacht je toch meerdere tientallen in je netten. Maar dat valt tegen. Een kleine analyse van de aantallen op trektellen.nl – de website om het hele trektel- en ringersgedoe mooi te volgen – geeft een redelijk goed beeld wat er zo al geringd wordt.

Aantallen zwartkoppen – overzicht laatste 3 jaren voor augustus

Daaruit blijkt dat we inderdaad onder de aantallen van 2022 zitten. Maar wel op hetzelfde schema als vorig jaar. De grote aantallen moeten nog komen zo te zien. Ongeduld? Of toch een verschuiving naar een latere vertrekperiode?

Weerzien

Ook leuk zijn de terugvangsten. Zo is mijn ‘vaste’ merelvrouwtje nog steeds alive and kicking. Sinds ik ze als jonge vogel op 1 oktober 2021 een ring rond haar poot kneep, is ze elk jaar trouw op post. Dit jaar kwam ze al twee keer goedendag zeggen door in mijn netten te vliegen. Ik zit duidelijk in haar territorium te vangen. Ondertussen is ze al 4 jaar oud. een mooie leeftijd voor een turdus merula.
Regelmatig vang ik ook door mijzelf geringde vogels terug. Meestal zijn er dat van hetzelfde seizoen. Soms echter is het eentje van eerdere jaren. Zo ving ik een zwartkop terug van juli 2023 en een tjifke van augustus 2023. Mogelijk broedvogels van in de buurt ofwel zit ik op hun vaste trekroute. Nog leuker was een zwartkop die ik in juli 2020 had geringd. Die heeft al een pak kilometers op zijn tellerke.

Er kwamen ook twee buitenlanders langs. Alletwee kleine karekieten. Eentje met een Duitse ring en eentje met een Franse ring. De details volgen nog via het KBIN (*). Altijd spannend.

(*) Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen

Jaarlijks dilemma

Het is elk jaar – heel even – hetzelfde liedje. Rond 15 juli stel ik mij de vraag: ga ik vogeltjes ringen of vogeltjes kijken. Want op dat moment is mijn ringplek weer netjes klaar gezet voor weer een najaar in actie te schieten.
Maar de twijfels duren nooit lang, want vogels ringen is een verslavende bezigheid. Elk dag dat de radar veel trek voorspelt en het weer ok lijkt ga ik vroeg mijn bedje in om een uur voor zonsopgang op te staan voor weer een spannende voormiddag. Dat moment is vaak – vooral de namiddag erna – een kwelling. Maar eenmaal je door die zure appel hebt gebeten is het gewoonweg fantastisch. Dat er momenteel – met Kristof – een kompaan mee helpt (hij is gestart aan zijn opleiding als ringer bij mij), is een extra motivatie. Als ik die al nodig had.

Op dit moment is bijna 50% van de vogels die we ringen een bosrietzanger. Dit komt omdat het een van de eerste soorten is die ons landje terug verlaat. Nog maar enkele maanden geleden stond ik met een glimlach op mijn gezicht te luisteren naar de eerste bosrietzanger van dat voorjaar in de Herkvallei. Volgens mijn gegevens op waarnemingen.be was dat op 8 mei. Diezelfde vogel heeft – hopelijk – ondertussen een nestje jongen grootgebracht om daarna al snel zijn koffers te pakken. Want het verre Afrika roept. Tijd voor zijn jaarlijkse verre reis. Sommige passeren dan even op mijn ringplek en krijgen een ring rond de poot. Herkenbaar voor de rest van hun leven.

Dat herkennen is trouwens bij bosrietzangers niet altijd zo makkelijk. Want ze hebben met de kleine karekiet een look-a-like. Ze lijken verdomd goed op elkaar, als een identieke tweeling. In het veld is het bijna onmogelijk om ze uit elkaar te houden. Behalve als ze hun zang ten gehore brengen. Die verschilt enorm. Dan kan je niet missen. Maar ze gewoon op het zicht uit elkaar houden is zelfs voor de beste vogelkijker een moeilijke kwestie.

Ik heb trouwens – sinds ik in mijn boekenverzameling een aantal oudere vogelgidsen heb staan – voor de vroegere generatie vogelkijkers een groot respect opgebouwd. Bekijk maar even de afbeelding van beide op elkaar gelijkende soorten, die halfweg de vorige eeuw, door vogelkijkers diende gebruikt te worden om deze soorten te determineren.

Afbeelding uit ‘Wat vliegt daar’ – uitgegeven circa 1950

Denkelijk met een verrekijker met een vergroting en lichtsterkte die momenteel volledig ontoelaatbaar zou zijn. Met in je wazige beeld een bruin vogeltje en in je andere hand een boekje met deze afbeeldingen. Ik wens je veel succes.
Toch ontdek ik al een paar kenmerken die ook bij vogels in de hand bruikbaar zijn. De meer warmerbruine tint bij de kleine karekiet en de ‘strooien’ pootjes bij de bosrietzanger. Als die beestjes dan netjes blijven zitten dan is er nog een kans. Maar het blijken dan ook nog eens actieve ‘rondspringers’ te zijn.

In de huidige vogelbijbel is het al wat realistischer voorgesteld. Maar dan nog is het een rotklus om ze in het veld, als ze hun snavel weigeren open te trekken, op soort te brengen.

Afbeelding uit ANWB Vogelgids van Europa

Gelukkig heb je als ringer de kans om elke vogel wat beter te bekijken en kan je dankzij de vleugelformule (dat zijn de kenmerken en afmetingen die je bij een vogel kan ontdekken in zijn vleugels) ze voor het grootste deel op naam brengen.

Het is een kwestie van kort en lang of lang en kort. Bij de kleine karekiet is de vleugel korter dan bij de bosrietzanger. Bij de inkeping aan de binnenkant van de top van de 2de handpen is het net omgekeerd. Bij de kleine karekiet langer dan bij de bosrietzanger. Vaak heel duidelijk, maar soms ook twijfelachtig. Daarom checken we alle kenmerken: de pootkleur, de vorm van de kop en de snavel, de algehele kleur zowel op de bovendelen als borst en buik.

Gelukkig is het op leeftijd brengen – 1ste jaars of ouder – simpeler. Het kernwoord is slijtage. De jonge vogels hebben hun verenkleed maximaal nog maar een paar maanden in gebruik. Het ziet er dan nog heel gaaf uit. Netjes in de plooi. Bij de adulte vogels werd dat verenkleed al sinds ze in Afrika hun tocht hebben ingezet naar hun broedgebied aan alle elementen blootgesteld. Hun veren hebben dus een tocht van meerdere duizenden kilometers achter de rug, alsook een energieverslindend broedsel hier. Dan zien je veren er niet meer zo geweldig uit. Stel je maar even voor dat jij je t-shirt het laatste half jaar dag en nacht hebt gedragen. Je zou het er ook aan zien… en ruiken. Dat is bij onze bosrietzangertjes gelukkig niet het geval.

Zingende bosrietzanger op mijn local patch, Herkvallei in Wellen

Kuifje in Hochter Bampd

Neen, Hergé is niet terug opgestaan om een hoofdstuk extra te schrijven voor zijn wereldberoemde stripheld. Het gaat over een zeer leuke waarneming in een van onze gebieden lans de Maas.

Maar voor ik daar aan begin even mijn excuses voor een periode van media-stilte op mijn blog. Regen (heel veel regen), drukke tijden en het feit dat we zijn aangekomen aan onze korste maanden qua schrijfwijze is blijkbaar een dodelijke combinatie voor schrijvers van blogs over vogels kijken. We zitten in een dipje op dat gebied, waar ik een poging voor doe om er uit te geraken. Here we go…

Mijn lijstje is na een bezoek aan Hochter Bampd in Lanaken weer een ietsie-pietsie gestegen. We zitten aan 118 soorten gezien in onze – daarmee bedoel ik die van Limburgs Landschap even ter herinnering – natuurgebieden dit jaar. Dat het een voornemen gaat worden gespreid over meerdere jaren is ondertussen al pijnlijk duidelijk geworden. Ik heb op dit moment 13 gebieden van de in totaal 42 bezocht met mijn verrekijker rond mijn nek. Je kan natuurlijk ook de conclusie trekken dat er wel heel wat natuurgebieden in beheer zijn van onze organisatie. Laten we die inkijk vasthouden.

Naast een geweldige morgen langs de Maas – die mij toch blijft aantrekken als ik bekijk waar ik al geweest ben – kreeg ik dus twee nieuwkomers op mijn LiLa-jaarlijst (onze collega’s van PR worden misselijk van deze afkorting, maar ik vind ze toch leuk).
Het begon met een prachtig mannetje grauwe klauwier. Deze soort is al jaren aan een geweldig parcour bezig in Limburg. Als ik er de broedvogelatlas van 1985 even bijhaal – een prachtig werk van vogelaars-icoon Jan Gabriëls dat aan het lettertype en layout te zien wel volledig persoonlijk door hem lijkt getypt op een antieke schrijfmachine – dan lees ik daar dat er toen enkel broedparen van grauwe klauwier te vinden waren in een paar bolwerkjes (het woord past hier totaal niet) vooral in Noord-Limburg. In ons natuurgebied Stamprooierbroek zaten er amper een tweetal. Nu floreert daar een mooie populatie. Een succesverhaal. Het mag ook eens. De Maaskant is op het kaart in die atlas maagdelijk wit. Nu is het andere koek. De voorbije jaren werden er broedparen vastgesteld in bijna elk natuurgebied langs deze machtige stroom. Hochter Bampd mag dus aan dat lijstje worden toegevoegd. Hoewel een waarneming van een mannetje alleen is niet echt een sluitend bewijs dat er een broedgeval is. Maar in deze periode toch een kanshebber.

Maar het werd nog leuker. Er was mij al ter ore gekomen dat er in de reigerkolonie van Hochter Bampd nieuwe huurders waren. Een koppel lepelaars had zich er gevestigd. Die wou ik ook wel even met mijn eigen ogen aanschouwen. Want broedende lepelaars ken ik enkel van mijn omzwervingen bij onze noorderburen. Na wat zoeken kon ik een kuifdragende hagelwitte vogel ontdekken. Wat een prachtige en tegelijk gekke beesten zijn dit toch. Op een dode tak aan de oever zat hij te schitteren. De prachtige kuif omhoog geblazen door de wind. Een knalwit verenkleed met een subtiele geelachtige vlek op de borst. Een sierlijke verschijning waar ze om god weet welke reden dan die gekke snavel opgezet hebben. De rare lepelvormige verbreding heeft dan ook nog eens een knalgele kleur, zodat je er zeker niet langs kan kijken. Even later vloog hij (of zij) naar de nestplaats. Daar zag ik nu de broedende partner mooi zitten. Ze wisselden netjes van plaats en na wat geschuifel werden de eieren – of kleine jongen – terug ouderlijk bedekt. Een broedende lepelaar in een van onze natuurgebieden. Daar wordt ik heel gelukkig van.

Ik kon ze zelfs – vanaf de andere oever uiteraard – zelfs mooi op beeld zetten. Dat deed ik vooral omdat een van hen kleurringen droeg. Dan wordt het plots nog boeiender. Lepelaars is een soort die via ringwerk vaak wordt opgevolgd. Een mailtje met de genoteerde kleurencombinatie vertrok dan ook dezelfde dag naar het mogelijke project dat er aan gekoppeld is. Een paar dagen later ontving ik een vriendelijke bedankmail voor deze melding met een uitgebreide ‘levenslijst’. Dat is een opsomming van alle doorgegeven meldingen van deze vogel. Echt boeiend om die te overlopen. Ik geef jou even een overzichtje:

‘Onze’ Hochter Bampdse lepelaar werd in mei 2020 geboren en geringd in de Verrebroekse Plassen. Een prachtig natuurlijk aanhangsel van het dokkengebied in de buurt van Beveren. Hij of zij, bij lepelaars in het veld niet te onderscheiden trouwens, bleef daar in het geboortejaar wat rondhangen. Zoals pubers wel vaker doen. Twee jaar later in 2022 kwamen de eerste meldingen binnen. Opnieuw vooral in de buurt van waar ze – even veronderstellen dat het om een dame gaat – geringd werd. Dus in de Verrebroekse Plassen of in de buurt van Doel. Er werd voor het eerst een langere tocht ondernomen naar het buitenland. Reusel in Nederland. Een ecologisch totaal verantwoorde reis van ongeveer 65 km. Zeker omdat ze dit op eigen vleugels deed. In 2023 opnieuw heel wat meldingen uit Beveren en Doel met deze keer een uitstapje naar Itteren. Al wat verder met ruim 114 km in vogelvlucht, letterlijk voor een lepelaar. Dit eerste bezoekje aan onze prachtige Maaskant is mogelijk blijven hangen. De aanzet voor de latere verhuis, wie weet? Er werden nog reisjes geboekt. Zoals eentje naar Buggenum. Iets meer naar het noorden in de buurt van Roermond, maar ook langs de Maas. Deze lepelaar heeft mogelijk net als ik een klik met deze rivier. Deze uitstap is voorlopig haar verste verplaatsing waar we bewijzen van hebben.
Dit jaar werd onze kleurringdrager broedend waargenomen in zijn geboortegebied de Verrebroekse Plassen in april. Zonder succes, want volgens de melding werd de vogel er op een of andere voor mij nog onbekende reden verstoord. Dan herinnerde deze lepelaar zich blijkbaar de uitstapjes naar de Maas en huurde ze daar een struik in ons natuurgebied. Meteen de verklaring waarom ze in Hochter Bampd nu pas op eieren zitten. Dit is een tweede broedpoging voor dit seizoen. Hopelijk deze keer met succes.

Laat ze dan ook aub in alle rust proberen jonge lepelaartjes groot te brengen. Hou voldoende afstand als je ze gaat bewonderen. Zo kan er in dit prachtige natuurgebied langs de Maas zich een gezonde kolonie van deze prachtige vogels met hun gekke bekken ontwikkelen. Dat wil jij toch ook?

Turkse terugval

We zitten aan 116. Het aantal soorten dat ik dit jaar kon bekijken in gebieden van Limburgs Landschap. Op koers noem ik dat, hoewel die meer dan 200 toch nog heel ver af ligt. Zeker als je weet dat ik de meeste ‘makkelijke’ soorten al binnen heb.

Wat mij wel opviel is dat ik mijn eerste turkse tortel pas kon afvinken de voorbije week. Dat deed mij toch even de werkbrauwen fronsen. Deze superalgemene soort bleef wel erg lang onder de radar.
Mijn eerste idee was het feit dat ik vooral lijstjes had gemaakt in natuurgebieden. Want turkse tortels zijn ondertussen honkvaste tuinbewoners. Van natuurgebieden moeten ze niks hebben. Te veel gedoe om daar je kostje bij elkaar te scharrelen. Geef hen maar een dagelijks gedekte voedertafel of een slordige kippenren. Fastfood is de boodschap.
Maar toch bleek het verhaal nog wat minder leuk te worden. Want mijn vaste turkse tortel, die elk jaar trouw in de struik naast mijn voordeur broedt, bleek ook foetsie. Al twee jaar spoorloos. Gaat het dan slecht met onze turkse tortel?

Wat opzoekwerk op het internet bevestigde mijn vermoeden. Na het eerste broedpaar in 1955 in Knokke – met de nodige aandacht van heel wat vogelkijkers uit die periode – schoot de populatie als een raket de lucht in. Wie nu vogels kijkt weet dat deze duifjes alom tegenwoordig zijn (of moet ik zeggen waren). In elke tuin zat wel ergens een paartje te ‘roekoeren’. Ze werden zo succesvol dat ze de schuld kregen van het verdwijnen van onze ‘inlandse’ zomertortel. Niets is minder waar. De zomertortel verwierf de status van ‘ernstig bedreigd’ op de rode lijst in Vlaanderen dankzij knallustige jagers overal op hun trekroute (in heel wat landen staan ze nog genoteerd als jachtwild) en het verdwijnen van de geschikte biotopen waar deze lieflijke tortels zich thuis voelen. Maar we wijzen nu eenmaal graag met ons verwijtende vingertje naar andere oorzaken dan onszelf.
Maar nu blijkt ook de turkse tortel aan een lichte terugval bezig. Op waarnemingen.be zie je sinds 2021 een daling van het aantal waarnemingen. Daarnaast kan je op de website van Sovon ook lezen dat de soort het minder goed doet de voorbije jaren. Ook algemene soorten krijgen klappen. Alleen vallen die minder hard op dan het verdwijnen van zeldzamere beestjes.
We blijven de boel verkloten. Ook al geven heel veel beleidsmakers dat nog altijd niet graag toe. Ze focussen zich liever op andere thema’s waar ze bij hun kiezers makkelijker mee scoren. Zoals migratie. Hoewel de ‘turkse’ tortel voor deze ‘blinden voor het natuurverval’ toch een onderwerp zou kunnen zijn in hun kiesprogramma.

Sternengeluk

Mei is een geweldige maand. Niet enkel keren heel wat soorten terug naar ons landje of vliegen ze op hun tocht naar hun broedgebieden even langs. Maar we krijgen ook een mooi aantal verlofdagen om al die gevederde schoonheden te gaan bewonderen.

Dus reed ik op de dag van de arbeid samen met Wouter naar de Maaskant. Want langs die stromende autostrade van de vogeltrek is er altijd wel wat te beleven. Dat beleven bestond deze keer uit verschillende soorten sternen.
De eerste die we in de kijker konden vangen waren zwarte. Minstens tien stuks dartelden sierlijk over de grote plas. In stilte. Dit in tegenstelling tot de visdiefjes die volop van jetje gaven. De zwarte waren dan ook op doortocht, de visdieven waren gewoon thuis. Dat zag je aan hun gedrag: ‘doe maar of je thuis bent’ is meestal geen oproep om gedisciplineerd en welgemanierd rechtop op een stoel te gaan zitten. Neen, dan is het schoenen uit, stropdas los en na een overvloedige maaltijd voor de durvers zelfs de riem van je broek los.
Onze visdieven waren in die ‘mood’. Luid krijsend vlogen ze ongedwongen achter elkaar. We zagen zelfs een paartje synchroon door de lucht klieven. Het mannetje met een visje in de snavel. Hoe hij er dan verdomme nog in slaagt om luid te roepen, Joost mag het weten. Maar zo te horen was dat geen probleem.
Op een van de kale eilandjes in de plas mochten we getuige zijn van een romantisch momentjes uit het leven van de visdief. Een mannetje landde op de grond met een visje en bood dat aan zijn toekomstige – althans, dat was zijn wens – partner aan. Zij kwam snel aangetrippeld en nam het visje vlot over. Fier stak het mannetje zijn borst vooruit, de kop wat hoger omhoog en de vleugels strak langs zijn lichaam alsof hij haar wou omhelzen. De dame in kwestie had voor zijn macho vertoning nul komma nul aandacht en schrokte het aangeboden geschenk ongestoord naar binnen. Die was duidelijk thuis.

Ik vind de naam visdief trouwens een belediging van formaat. Deze sierlijke sterntjes zijn geen ordinaire misdadigers. Het is zeker niet zo dat ze met een getrokken pistool en een oude panty over hun kop een vishandel binnenstormen en de dames achter de winkelbank toeschreeuwen dat ze de kabeljauwfilets uit de frigo in een tas moeten proppen. Ze verdienen hun kostje met veel arbeid en moeite. Urenlang vliegen ze laag over het wateroppervlak. Regelmatig laten ze zich in het koude water ploffen en af en toe komen ze terug boven met een visje in de snavel. Als ik de macht had dan kregen ze van mij de titel ‘sierlijke visduikers’. Maar ik heb – gelukkig maar – die bevoegdheid totaal niet.

Als ik er goed over nadenk zijn sternen eigenlijk gepimpte meeuwen. Het patroon en de verdeling van de kleuren in hun verenpakjes komt duidelijk van dezelfde modeontwerper als die van de meeuwen. Ze hebben er gewoonweg wat sportieve accessoires opgezet. Spitsere punten aan de verlengde vleugels, de koptekening een stuk eleganter en met meer ‘schwung’ aangebracht en bij een gevorkte staart. Zoals een spoiler, brede banden en een opvallende streep over de motorkap bij getunede auto’s. Hetzelfde model, maar veel sportiever en opvallender. Ik kan er uren naar kijken.

Dat er dan nog even een witwangstern voorbij komt vliegen is mooi meegenomen. Even geen gewoon merk, maar een Porsche in sternenland. Strak getuned. Nice!

Witwangstern (foto uit de oude doos)

302 , of toch maar liever niet.

Het werd een lang weekend met een stevig dilemma tussendoor. Tijdens de voorbije week kreeg ik van Wouter, ons jongste groepslid, de melding dat hij een leuke soort had doorgekregen: dwerguil.

Sinds een aantal jaar is dit een zeer schaarse broedvogel in Wallonië en de locaties waar ze zitten worden dan ook stil gehouden. Maar in deze tijden van over-informatie is dat een hopeloze zaak. Dus blijkt dat geheim al lang er geen meer te zijn. Wouter ging er enthousiast naartoe want dit is echt een leuke soort. Zijn maat die meeging kon de vogel zelfs op foto zetten.

Dwerguil in beeld

Na het zien van die beelden werd ook ik even enthousiast en werden er plannen gesmeed om er zaterdag naartoe te rijden. Vroeg uit de veren en om 5u vertrekken. Maar de dagen nadien begon mijn geweten toch stevig op te spelen. De meldingen die Wouter bleef volgen – heel wat foto’s op Instagram – en vooral de foto van het bord dat de plaatselijke natuurbeschermers hadden opgehangen liet geen twijfel bestaan. Deze locatie werd druk bezocht door vogelkijkers. Die dan ook nog eens de regel om geen geluid te spelen regelmatig aan hun laars lapten. Alles voor die ene foto (die door honderden anderen ook gemaakt wordt) en dat extra streepje op jouw lijstje. Neen, daar wilde ik geen deel van uitmaken! Dus werd de trip gecanceld en ging ik in mijn eentje genieten van de vogeltjes in de Marmolbeek in Borgloon. Wat minder vroeg uit de veren en een zingend mannetje rietgors als mooiste streepje voor die dag.

De blijkbaar nodige regels die Wouter er aantrof

Vrijdag was het opnieuw tijd om het ravennest dat we vorige jaar al vonden te gaan controleren. Enkele eerdere bezoeken hadden al aangegeven dat ze nog aanwezig waren. De schijtsporen onder de nestboom gaven aan dat het weer hoog tijd was om ze te ringen. Even later bleek dat bevestigd te worden. Twee stevige pulli keken mij met hun blauwe ogen aan. Met hulp van de boswachter die speciaal zijn regio even liet wachten, kregen ze deze keer een kleurring aangemeten. Klus geklaard. Hopelijk hoor ik binnenkort meer van B26 en B27.

Hypocriet, dat is misschien het woord dat je in je hoofd hebt na het lezen van deze blog. Enerzijds kritisch op de bezoekers van een zeldzaam broedgeval van de dwerguil, anderzijds de dag er voor jonge raven in het nest ringen, toch ook geen alledaagse soort.

Grote verschil: de foto’s en bezoeken met het nodige verstorende afspelen van het geluid hebben totaal geen toegevoegde waarde. Ze zijn enkel een ‘trofee’ voor de fotografen of vogelaars die daar aanwezig zijn. Dagenlang en denkelijk met veel volk. Een groot aantal met het nodige respect en op de juiste afstand. Maar weer een minderheid – dat denk ik althans – die de regels aan hun laars lappen.
Ons bezoek aan het ravennest was met 3 man en na een paar uurtjes waren we weer weg. Minimale verstoring en vooral, met een doel. Deze soort monitoren om ze nadien nog beter te kunnen beschermen.

Laten we als birdaholics één belangrijke regel afspreken: de vogels komen altijd op de eerste plaats. Onze dwerguil zal deze zeker bevestigen.

’t Is een krak(er)

Doelsoort was taigaboomkruiper. Voor zowel Wouter, Pierre als ikzelf een nieuwe ‘Belg’. Dus reden we vanmorgen richting de Hoge Venen. Want op een bekende plek voor Wouter en mijzelf was al meermaals deze soort gezien.

De warme temperaturen en een mooi lentezonnetje hadden heel wat wandelaars en blijkbaar ook vogelkijkers uit hun bed gehaald. Nog maar pas vertrokken aan de parking kwamen we al een groepje vogelaars tegen. Hun commentaar was echter heel schaars. ‘Niets gezien’ was de sobere boodschap. Dus wandelden we maar verder en konden vuurgoudhaan, zwarte mees, glanskop en kuifmees aanvinken (vink dus ook). Allemaal volop zingend. Leuke wandeling. Ondertussen kwamen we meer vogelkijkers tegen. Hun doelsoort was duidelijk niet taigaboomkruiper. Ze waren allemaal op zoek naar notenkrakers. Tja, die wilden wij ook wel zien. Een zeer vriendelijke fotograaf gaf ons een tip: ‘de helling op en waar het terug omlaag gaat heb je kans om hem te zien’. Nuttige info. ‘Wij zagen er eentje op een kilometer. Net nadat die grote groep was vertrokken.’ Ok, nu wisten we waarom we daar zo een kouwelijke reactie kregen.

De doelsoort wijzigde dus van ‘taiga’ naar ‘kraker’. De aanwijzingen die we kregen waren blijkbaar toch niet zo simpel. Of wij hadden niet goed geluisterd (denkelijk zal het dat wel geweest zijn). Want na de afdaling bleef dat zicht waar je notenkrakers kon zien op een kilometer uit. Toen we bij een open plek kwamen met een aantal dode dennen vermoeden wij dat we onze bestemming bereikt hadden. Maar buiten zwartkop, zingende boompieper en een drietal overvliegende gaaien, bleef het stil. Met hetzelfde gevoel als die groep van net na ons vertrek vatten we de terugweg aan. Opmerkingen als ‘toch een mooi lijstje’ en ‘die stevige wandeling hebben we dan toch gehad’, werden boven gehaal dom onze teleurstelling wat te relativeren.

Af en toe bleven we toch even staan. Wie weet vonden we onze taigaboomkruiper toch nog. Aan een brandgang zag ik plots tegen het bos een vogel opvliegen. Dadelijk riep Wouter: ‘witte staartband!’. Jawel, we keken alle drie naar een notenkraker. Onze telescopen lagen in de auto – want in het bos is dat meestal enkel een lastig gewicht – dus moesten we het met onze verrekijkers doen. Maar het beestje werkte goed mee. Hij ging even mooi in een spar zitten en Wouter kon zelfs een bewijsfoto maken. Euforie alom. Twee wandelaars – die van Kortessem bleken te zijn – spraken ons aan. Ze moesten even hebben gedacht dat ze een trio gekken hadden laten ontsnappen. We waren door het dolle heen. Maar het werd nog beter. Want onze notenkraker begon druk voedsel te zoeken in de door everzwijnen omgewoelde brandgang. Hij hipte langzaam onze richting uit. Ons enthousiasme kon niet op. Steeds dichter en dichter. Tot hij op minder dan 10 meter van ons was genaderd. Zich totaal niets aantrekkend van die drie rare kwieten, die ademloos bleven kijken met ondertussen een hartslag waar menig atleet zelfs duizelig van wordt. Zelfs zonder verrekijker kon ik deze notenkraker in al zijn schoonheid bewonderen. Wat een topervaring! Een nieuwe ‘Belg’, voor mij zelfs een nieuwe ‘lifer’.

De eerste roepende koekoek voor dit jaar, die ik hoorde toen ik na de middag thuis even buiten in mijn tuin liep, was een leuke aanvulling. Hij kwam zonder twijfel mij even feliciteren met die geweldige ontmoeting met ‘mijn’ notenkraker.

Nr. 301, eentje om nooit te vergeten

De lokroep van de steltjes

Heeft het te maken met de enorme diversiteit van deze groep? De uitdaging om al die verschillende kleden te matchen met de juiste soort? De kans om een dwaalgast te ontdekken? Wie zal het zeggen. Maar steltjes trekken mij gewoon aan en ik ben niet de enige.

Wie steltjes wil zien op dit moment moet naar gebieden met grote moddervlaktes, ondergelopen weides of velden of grote waterplassen met modderige oevers. Ik wil mijn voetafdruk en brandstofrekening zo klein mogelijk houden en dus kom ik vanzelf uit in Schulen. Het daar gelegen overstromingsgebied kreeg de voorbije jaren een stevige natuurrenovatie. Met succes. Op nog geen half uurtje rijden van mijn ‘hometown’ ligt momenteel het beste vogelgebied in het binnenland. Een quote die ik cadeau kreeg van een jonge volgelkijker die ook verliefd werd op deze natuurparel op Limburgse bodem. Dat ik op deze droomplek maar een handvol vogelkijkers tegenkwam is voor mij een raadsel.

Een zicht op de buitendijkse ondergelopen graslanden

Het Schulensbroek zit momenteel propvol met gevederde juweeltjes. Bijna allemaal vinden ze water, in welke vorm dan ook, top. Zomertaling – ik vond er minstens vier – als een van de bonussen. Bij elke scan over het gebied krijg ik steltjes in beeld. Geen enorme aantallen zoals op de slikken aan de kust. Maar toch een mooie variatie. Het leuke is dat ik verschillende keren mijn (digitale) vogelgids er moet bijhalen om ze op naam te brengen. Zwarte ruiter (jawel, die rode snavelbasis doet het), bonte strandloper (ook even moeten opzoeken), kleine plevier, kemphaan, kluut en als toetje, de koningin van de weidevogels, de grutto.

Het blijven knappe beestjes, die grutto’s

Tussendoor genoeg andere leuke soorten. Met als mooi intermezzo mijn eerste boerenzwaluwen voor dit jaar. En ik mag het gerust zeggen. Het is lente! Want het waren er tien en niet één. Anders had het voorjaar nog even moeten wachten.

Vandaag opnieuw op pad. Mijn jaarlijst in gebieden van Limburgs Landschap mocht nog wat soorten bijkrijgen. De melding dat er in Negenoord aan de Maas een koppel ooievaars was aangekomen en een van onze – vorig jaar nog maar geplaatste – nestpalen hadden uitgekozen dreef mij die richting uit. Het verliefde paartje stelde niet teleur. Constant samen, zowel op het nest als in het veld, luid klepperend en als klap op de vuurpijl, parend! Daar komen baby’s van. Maar dat is nu eenmaal waar ooievaars mee bezig zijn.

Dankzij dit bezoek staat mijn jaarlijst op een ronde 90 soorten gezien in gebieden van Limburgs Landschap. Bijna halfweg.

Het verliefde koppeltje op hun (hopelijke) toekomstige nestje
Zingende blauwborst op een fotogenieke kaardenbol
Roodborsttapuitjes, altijd een cadeau

Slijtage-effect

Een rondje Schulens Meer is nooit een teleurstelling. De weides rond het meer staan voor een mooi deel onder water en leveren dan ook een prachtig lijstje met soorten op. Zomertaling, rode wouw, slechtvalk, pijlstaart, smient, bontbekplevier, bonte strandlopertjes (nieuwe soort voor Wouter), kemphanen en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Maar de ster van de voormiddag bleef voor mij toch een zingend mannetje rietgors. Ik zag hem al bij het begin van onze ontdekkingstocht, volop zingend. De blauwborst en de tjif-tjafkes die we hoorden deden ook hun best. Maar daar was de toon duidelijk nog niet vol gezet. Bij deze rietgors was het al volle gas. Zijn eentonig deuntje joeg hij over het water van een vol meer. De boodschap werd door de golfjes meegenomen op weg naar een partner voor weer een energiek broedseizoen. Opnieuw en opnieuw. Hoopvol en vol goede moed.

Maar de reden waarom ik deze kerel zo graag hoor en zie heeft met zijn jaarlijkse metamorfose te maken. Rietgorzen zijn een van de vele soorten die hun prachtkleed krijgen omdat hun veren afslijten. Hun prachtig zwarte kruin en bef komt er stilaan door. Het geluid is in dit geval sneller dan het oog. Normaal is het omgekeerd. Als je goed kijkt zie je nog wat sporen van een minder opvallend winterkopje. Ook de kleurtjes op de rug mogen nog wat aandikken. Een jonge man die voor het eerst zich op het spannende liefdespad gaat begeven. Ik wens hem alvast alle succes.

Zelf ben ik ook een slachtoffer van dat slijtage-effect. Enkel komt er bij mij geen prachtkleed te voorschijn, maar een grijze versie met een doorkijk. Mijn deuntje is dan ook nog eens eentje met heel wat valse noten. Rietgorzen, ik ben er toch een beetje jaloers op.

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research