De barmhartige barmsijs

Met nog één week op de kalender en een weersvoorspelling die elke hond duidelijk de beslissing laat nemen om er niet door gejaagd te worden, vrees ik een beetje dat mijn eindresultaat van mijn challenge voor dit jaar vast ligt. Mogelijk kan ik tijdens een schaarse opklaring nog een een korte wandeling maken in de beemden, maar de kans dat ik nog een nieuwe jaarsoort ga zien is even groot dat ik de lotto win (als ik mee zou doen met dit spel).

Oude tante

Gisteren voorspelden ze een redelijk droge dag. Maar toch besloot ik om mijn ringplaats volledig op te ruimen. Toen ik er aankwam vlogen er heel wat vogels weg. Mijn beperkte voederprestatie bestaande uit een keer vogelzaad en zonnepitten uitstrooien, wat voedersilootjes vullen met nootjes en twee lange slingers met vetbollen ophangen, hadden blijkbaar toch iets resultaat. Dus schoof ik zonder veel verwachtingen mijn netten voor de laatste keer dit jaar nog eens open. Nog geen vijf minuten later hingen er al een tiental mezen in te bengelen. Toch een goede beslissing?
Bij mijn tweede controle was het duidelijk dat er meer gasten aanschoven aan mijn bescheiden voederplek dan ik had gedacht. De netten hingen mooi vol. Als je wil weten hoeveel vogels er op zo een voederplek rondvliegen, ik weet het nu. Bij mij minstens 97. Dat is het aantal beestjes dat ik kon vangen. Vooral mezen, met pimpelmees als koploper met 47 exemplaren. Hiervan waren er 19 geringd.

Een ‘oude’ koolmees

Bij wintervangsten is dat wel vaker het geval. Maar liefst 1/3 de had een ring rond de poot. Altijd leuk om oude bekenden terug te zien, want het waren allemaal vogels die ik ooit zelf geringd had. Een mogelijk bewijs dat heel wat gasten jaarlijks terugkomen (altijd voorzichtig zijn met zulke uitspraken).

Een van die geringde exemplaren was de koolmees op de foto. Door mij geringd als 1ste jaars vrouwtje in 2017. Ondertussen dus 7 jaar oud. Na wat opzoekwerk blijkt dat 10 jaar een gemiddelde leeftijd is voor koolmezen. Informatie die ik toch in twijfel durf trekken. Want de controles die ik deed zijn meestal veel jonger. Eentje met een ring van voor 2000 trekt dadelijk mijn aandacht, een uitzondering denk ik dan. Maar mijn databestand is dan ook maar heel beperkt. Totaal geen referentie. Toch vond ik dit vrouwtje een vermelding waard. Zij heeft denkelijk elk jaar twee nestjes koolmeesjes groot gebracht, vermoedelijk met verschillende partners. Dit is geen indicatie dat het een sloerie is, maar gewoon de redenering dat koolmezen vaak maar een paar jaar leven en haar eerste grote liefdes vermoedelijk al gesneuveld waren. Even rekenen: zes jaar actief als broedend vrouwtje (het eerste jaar mag ze van haar puberjaren genieten) met twee nestjes per jaar van gemiddeld tussen de 6 en 10 jongen – mezen weten van aanpakken – geeft toch tussen de 72 en 120 nakomelingen. Goed gedaan ouwe tante!

Eindstation 104

Aangezien de netten toch open stonden en ik de laatste weken wat mailtjes las van barmsijzeninvasies of toch stevige aantallen, gooide ik ook een van de geluidsboxen in de strijd. De zang van barmsijs weerklonk op mijn ringplek. Bij de laatste controle van de dag – de wind begon stevig aan te trekken en het miezerde een beetje – was mijn tot op dat moment wat hopeloos lijkende doel bereikt. Tussen een hoop mezen en vinken hing er een barmsijsje in het net.

Nummer 104: kleine barmsijs

Met zijn mooie rode petje een waardige afsluiter van mijn jaarlijst op mijn local patch. De vogelgids heeft het trouwens over de barmsijs als één soort. Het is een beetje verwarrend. Want in de tekst staat dat in Nederland kleine en grote barmsijs als aparte soorten worden gezien. Vlaanderen zal dit wel volgen zeker. Maar wil dat zeggen dat elders dit onderscheid niet gemaakt wordt? Het feit dat ik wel vaker twijfelgevallen in mijn handen heb gehad die dan als barmsijs spec. de database ingaan, is alvast een veeg teken. Een kwestie van genoeg soorten om te kunnen scoren vrees ik een beetje.
Hoe het ook zij, momenteel vliegen er barmsijzen rond in onze contreien en eentje was zo barmhartig om in mijn net te belanden.

Tip: als je langs een els of berk loopt, kijk altijd even of er geen actieve beestjes in de takken rond zitten te springen. Vaak sijzen, maar mogelijk zit er eentje met een rood petje tussen. Doe ze de groeten van mij.

Het vertrek-effect

Volgens mij is dit geen bestaande term binnen het wereldje van de vogelkijkers. Misschien is het wel helemaal een nieuw begrip. Maar toch zal menigeen die wel eens op zoek gaat naar een leuke soort dit woord en vooral het gevoel van dit fenomeen dadelijk herkennen.

Het gaat over het gegeven wanneer je bij thuiskomst na een vruchteloze zoektocht naar een soort – die door een aantal waarnemers al een paar dagen werd gemeld op waarnemingen.be -, moet vaststellen dat iemand anders de vogel in kwestie een paar minuten nadat je bent vetrokken heeft gezien en dit triomfantelijk – vaak met een prachtige foto van dat beest – via alle mogelijke kanalen laat weten. Kut, noemen ze dat met een niet zo propere vloek. Zelf was ik al meermaals de persoon die dit een beetje gefrustreerd mocht ervaren.
Deze keer stond ik aan de andere kant van het verhaal.

Maaskant

Het verhaal begint met een uitstap van de Vogelwerkgroep Fruitstreek naar een paar gebieden aan de Maaskant. Ik was gevraagd om een beetje gids te spelen. Een totaal overtollige taak, want deze bende is een zelfregulerend gegeven. Sturing is even overbodig als een vork in een kom bouillonsoep.
Eerste bestemming was Hochter Bampd in Lanaken. Een topgebied met kans op heel wat leuke soorten. Zeker in deze periode wanneer veel watervogels hier komen overwinteren. De dagen voordien waren witoogeenden en een vrouwtje topper gemeld. Dat waren dan ook de doelsoorten voor onze missie. De eersten bleken hun kat gestuurd te hebben – wat bij vogels niet in dank wordt aanvaard -, maar de topper was wel present. Een exemplaar met een joekel van een vlek aan de snavelbasis, een van de belangrijke kenmerken van deze soort. De reden waarom het toch wel wat moeite kostte om iedereen van de groep het vrouwtje topper te laten zien, was het feit dat de dame in kwestie het lang vertikte om dat kenmerk mooi te laten zien. Bijna alle aanwezige, rustig dobberende eenden vonden net als wij dat de zon er eerst moest doorkomen voor ze uit hun slaaphouding – met de kop in de veren – zouden komen. Een paar keer ging het kopje wel omhoog en kon je de bleke vlek een fractie waarnemen. Uiteindelijk zei iedereen van de groep dat ze die topper hadden gezien.
Of dat ook de waarheid was of omdat ze kou kregen van zo lang stil te staan, weten enkel zijzelf.

Vrouwtje topper (foto: Wikimedia)

Duiker

Na een gezellige en lekkere tas soep in het ooit mooiste dorp van Vlaanderen – Oud-Rekem voor wie nu met een vragende blik naar zijn scherm zit te kijken – ging het richting Bichterweerd. Doelsoort van deze verplaatsing: ijsduiker. Geen simpele opdracht, want de plas is daar heel groot en dat beest heeft een aantal vervelende eigenschappen. Het dobbert graag zo ver mogelijk van de oever waar ik sta en het duikt heel graag en lang zodat het onmogelijk is om te voorspellen waar hij weer zal boven komen. Op zo een momenten verlang ik naar soorten als bijvoorbeeld de meerkoet die gewoon even onder water verdwijnt en binnen de 10 seconden op net dezelfde plek als een plastieken badeend terug naar boven plopt. Niets van dit voor onze ijsduiker dus.
Met meerdere telescopen keken wij meermaals de ganse plan af. Vanaf verschillende uitkijkpunten. Dit leverde een mooi lijstje op met nonnetjes, grote zaagbekken, brilduikers en meer van dat fraais. Elke zoektocht blijft een feest, het leuke aan vogels kijken. Maar voorlopig geen ijsduiker. De moed en de zon zakte ondertussen, de ene in onze schoenen, de andere langzaam richting horizon. Tot we bij een blik op onze GSM zagen dat net voor we op het scherm keken iemand hem terug had gemeld. Nog geen twee minuten ervoor en op pakweg 500 meter van waar we ons bevonden. Toen we ons omkeerden zagen we de vermoedelijke melder staan, turend door zijn telescoop. Dit werd een binnenkopper, dachten we op dat moment nog.

IJsduiker Bichterweerd 17 dec 2023 (Foto: Peter Gabriëls)


Nadat we de rest van de groep hadden verwittigd ging het – met een duidelijk snellere tred – richting de gelukkige. Daar aangekomen was de boodschap: ‘ik had hem net nog in beeld, maar hij is onder gedoken’. Dan weet je het al, dat wordt alweer een zware zoektocht. Opnieuw met alle telescopen in aanslag werd de plas van links naar rechts en van achter naar voor gescand, zonder resultaat. Dan schoot het vertrek-effect in werking. Een aantal vogelkijkers uit onze groep gaven er de brui aan. Denkelijk al veel te laat om het afgesproken uur van thuiskomst dat met hun partners was overeengekomen nog te halen lieten zij weten dat ze gingen vertrekken. De medepassagiers van die wagen moesten volgen of ze nu wilden of niet.
Dan weet ik dat het moment nabij is. Want heel vaak zat ik in die wagen op weg naar huis. Deze keer bleef ik zoeken. Nog geen vijf minuten later werd mijn stelling dat er zo iets bestaat als het vertrek-effect bekrachtigd. ‘Ik zie hem’ riep Yvon. Luttele seconden na deze bevrijdende kreet kreeg ik een mooie ijsduiker in mijn kijkerbeeld. De vogel was zelfs zo vriendelijk om iets minder ver van de oever waar ik stond voorbij te komen dobberen en dit zonder ook maar een keer te duiken. Prachtig in beeld. De vrienden die waren vertrokken kregen hun kut-gevoel wat sneller aangeleverd, omdat iemand van de groep het niet kon laten om ze even te bellen met de mededeling dat hij er toch nog zat. Bij deze leuke bende hoort dat er nu eenmaal bij. Ze hadden het zelf een beetje gezocht door bij hun vertrek al lachend te vertellen dat wij dat beest nu wel snel zouden vinden. Een beetje leedvermaak mag en een koude douche hoort er soms bij, zeker als je staat te kijken naar een ijsduiker.

Vriesvreugde

Ik vind het een leuke periode. Alles wit gerijmd en ’s morgens met een dikke stok de drinkbak van mijn schapen ijsvrij kloppen. Het signaal om mijn wandelschoenen aan te trekken en naar buiten te gaan. Niet omdat er plots veel meer vogels zijn aangekomen – hoewel vriestrek bestaat, maar dan pas als het lang heel koud blijft – of omdat zeldzame soorten de beemden achter mijn huis opzoeken. Volgens mij vind ik dit zo een prettige tijd omdat je veel meer volgens kan zien.

Sijzen kan ik nu ook zien en niet enkel horen

Niet dat ik door de koude nu betere ogen heb, maar veel bomen zijn gewoon kaal. Stevige nachtvorst is voor heel wat blaadjes het signaal om zich te laten vallen. Enkel de eiken pruttelen nog wat tegen, maar populieren, elzen en wilgen staan er bladerloos bij. Elke vogel die daar in rond hipt heeft de kans dat ik hem in mijn verrekijkerbeeld kan vangen. Waar ik voordien tegen beter weten in naar een groene wand zat te staren, waar net een voorbijflitsend beestje in verdween, slaag ik er nu wel in om die vogel te vinden. Zonder hulp. Dat gevoel noem ik vriesvreugde.

Soep

Mijn huidige tochten passeren standaard langs de waterplas van enige betekenis in mijn local patch; de vijver van Maupertuus. Die zit op dit moment vol met kwakkende eenden. De krakeendjes hebben de wilde eenden vervoegd. De kans dat er een soort tussen komt dobberen die mijn jaarlijst kan halen is mogelijk. Vandaag was dat niet het geval. Even steeg de adrenaline een paar procentjes toen ik een wat vreemde eend in de kijker kreeg. Maar het bleek een soepeend. Dit is een exemplaar dat kenmerken vertoont die wijzen op een vroeger familielid in zijn stamboom met ‘tamme’ roots. Voor de echte volgelkijkers zelfs geen blik waard. Zelf vind ik het wel fascinerend om het verhaal van dit toch opvallende eendje in mijn hoofd vorm te laten krijgen. Ligt denkelijk aan mijn minder logische denkpatroon, maar toch wil ik er ooit iets meer mee doen. Ze verdienen beter dan een cordon sanitaire tegen soepeenden.
Mijn aandacht ging de ganse wandeling naar elke els die ik tegenkwam. Hopende op een groep sijsjes – die zijn op zich al enorm attractief – met misschien een barmsijsje er bij. Een soort die ik nog mis op mijn lijst.
Even wat opwinding als een roofvogel voorbij zweeft. Sperwer of toch havik – die moet ik ook nog vinden – in beeld? Het moment om hem te bekijken is te kort. Ik kan de nodige kenmerken niet zien om ze uit elkaar te houden. Alle vrouwtjes sperwer en mannetjes havik hebben onderling afgesproken om heel goed op elkaar te lijken en ook ongeveer even groot te zijn. Een overeenkomst die mij overkomt als een sabotage tegen determinerende medemensen. Ik ben er deze voormiddag dus een slachtoffer van. Ik laat deze waarneming dan ook ongeregistreerd de geschiedenis ingaan.

Woordenboek

Nog een voordeel van deze periode is dat de dagen veel korter zijn. Dit lijkt een onlogische bewering, maar voor mij is het toch de waarheid. Sneller donker, langere avonden en meer tijd om gezellig onder een dekentje met een brandende pelletkachel en een boek in de zetel te kruipen. Die deken en dat boek neem ik mee, die kachel laat ik staan. Te veel moeite om die er echt bij te sleuren.
Mijn hoop boeken die ik nog wil lezen is veel groter dan de tijd die ik er aan kan besteden. Dus heb ik vaak keuzestress en laat ik mij leiden door onverwachte tips. Zo hoorde ik tijdens de rit naar mijn werk onlangs op mijn autoradio een interview met Toine Anderbach. Een vogelkijker die een woordenboek had geschreven waar de taal van deze vreemde bende uit de doeken werd gedaan. Dat ik diezelfde auteur op de Landelijke Dag van Sovon op de boekenstands tegenkwam deed mij dit boek kopen.

Een goede keuze, want ik las het in bijna één ruk uit. Boeiend geschreven met de nodige knipogen. Korte teksten over termen die ik vaak al kende, maar nu meer info over kreeg. Vaak ook herkenbaar. Heb jij al ooit gehoord van monotome continuzang, de cargobroek, een volgwolk of het halfsnepje. Dankzij dit boek zal het antwoord bevestigend klinken. Enkel vriesvreugde staat er nog niet in. Misschien dat ik de auteur dit even moet laten weten. Mijn advies; gewoonweg een aanrader om te lezen. Hij staat alvast in mijn boekenkast, tussen een heleboel andere exemplaren die staan te wachten tot ik ze op een lange en gezellige winteravond er uit pak om ze eindelijk eens te lezen. Geduld is een goede deugd zeggen ze elk jaar weer tegen elkaar.

Gouden dag

Na een paar jaar overgeslagen te hebben trok ik vandaag – samen met een paar mede-vogelkijkers – richting Noorderburen. Welbepaald naar de Landelijke Dag van SOVON. Een voor alle Nederlandse vogelaars belangrijke feestdag van het jaar. Deze keer letterlijk, want ze vierden hun 50-jarige bestaan.

Kunstenaar

De dag begon wat in mineur toen bleek dat de zalen in de nieuwe locatie niet voorzien waren op het overdonderende succes van dit evenement. Wij stonden beteuterd voor gesloten deuren. ‘Propvol’ was de duidelijke boodschap – zo zijn ze die Hollanders – van de medewerkers die in een stakingspiketten-houding voor de zaal post hadden gevat. Dus wandelden we terug richting het grotere auditorium. Achteraf een goede keuze, want de spreker die daar zijn verhaal mocht vertellen was vogelkijker en illustrator/kunstenaar van hoog niveau; Killian Mullarney. Hij is de artiest die heel wat tekening in de ANWB-vogelgids heeft geschapen. Ware kunstwerkjes! Hij bracht zijn verhaal met dezelfde passie die uit zijn kunstwerken spat. Het was boeiend om te zien en horen hoe hij van een kindertekening van een zanglijster – trouwens al een kunstwerkje als 4-jarige kleuter – uitgroeide tot een van de beste vogelschilders van zijn generatie. Met dank aan de stakinspiketten.

Grijze mannen

Volgende doel; een lezing over patrijzen. Obstakel; diezelfde stakinspiketten. Volle zaal en dus opnieuw terug de trap af naar de grote zaal. Deze keer over een verhaal van Ruud Foppen en Albert de Jong over de veranderingen in onze vogelwereld de voorbij 50 jaar. Maar ook de evolutie van het vogels kijken. opnieuw boeiend onderwerp en goede sprekers met de nodige kwinkslagen. Heel leuk was hun intro met een beeld van een landschap met daarin de soorten van 50 jaar geleden gevolgd door eenzelfde landschap met de huidige invullen. Confronterend en soms ook verrassend. Blijkbaar zijn er momenteel veel meer soorten dan 50 jaar geleden. Dat er heel wat daarvan in een moeilijk parket zitten is natuurlijk minder.
Vogelkijkers bleken dan weer geëvolueerd van jagers tot momenteel hippe kerels die met veel te veel apparatuur rondlopen in de natuur. Maar toen ik rondkeek nar het publiek dat ik rond mij zag had ik toch een wat ander beeld. Een zee van oudere, grijze mannen – waar ik trouwens ondertussen ook toe behoor – met de bijpassende brilletjes en hoorapparaten. Die hippe bende zat denkelijk in de zalen waar wij niet binnen mochten.

Uitgestorven

Tijdens de middagpauze was het hoog tijd om de standjes af te schuimen. Dit leverde – ik kan het niet laten – weer een paar nieuwe boeken op. ‘Het mooie vogelwoordenboek’ nam ik met plezier mee naar huis. De schrijver was de voorbije week te gast op Radio 1 om zijn werk voor te stellen. Inspirerend! Ik kan niet wachten om het te gaan lezen. De handtekening en het praatje met de schrijver kreeg ik er gratis bij.
Ook een eye-catcher was een in hout uitgesneden nieuwe soort op de levenslijst van alle vogelkijkers die aanwezig waren. Een levensgrote dodo. Die hadden we al even niet meer gezien. De foto die ik er van nam (zie hieronder) deed bij mij trouwens een bedenking oppoppen; gaat de soort die achter dat beest staat hetzelfde lot ondergaan als de dodo? Even tussendoor.

Duo met dodo en oude, grijze man

Sahel

Op aanraden van Jente kozen we na de middagpauze opnieuw voor de grote zaal. We gaven de stakingspiketten even rust. Christiaan Both nam ons mee in een onderzoek rond bonte vliegenvangers en een opwarmende aarde. Nachtelijke ritten met vrouwelijke exemplaren of eitjes naar Noordse landen bleken het bewijs dat vroeger broeden betere resultaten gaf.
Nadien gingen we zelf naar warmere oorden; de Sahel. Daar bleken een aantal oude grijze mannen het voor mij onbegrijpelijke idee opgevat te hebben om over de ganse breedte van Afrika vogeltjes te gaan tellen in bijna elke boom die ze tegenkwamen. Hun aantallen waren overdonderend. Ik weet nu wel waar al die fitissen terecht komen die ik heb geringd. Maar het woord waarschijnlijk, vermoedelijk en volgens onze schatting kwam zo vaak voor in hun lezing dat ik grote twijfels heb over hun motief. Volgens mij hadden ze totaal geen doel om iets te bewijzen, maar wilden ze gewoon een leuke reis met zielsverwanten maken door Afrika. Missie geslaagd wat dat betreft.

Flitspraatjes

Deze term was voor mij nieuw. Terugmeldingen daarentegen kende ik persoonlijk zeer goed. Dus deden we een tactische zet door veel te vroeg naar een van de voor ons tot dan verboden zalen te stappen. Met succes. Daar kregen we een reeks hartverwarmende verhalen van ringers of onderzoekers over terugmeldingen van gekleurringde of gezenderde vogel. Gebracht met een enthousiasme dat je dadelijk met een telescoop naar een locatie met kans op zulke exemplaren zou doen lopen. Een grote stern die eventjes op 31 dagen naar Zuid-Afrika vloog. Vlotjes meer dan 13.000 km op zijn teller zettend. Een topprestatie. Een verhaal over scholekster die een ode bleek aan iedereen die met hart en ziel meehielp aan dit onderzoek, gebracht met een vleugje humor. Het bewijs dat vogels kijken onderzoeken en tellen veel meer is dan cijfertjes noteren.

Zielig slot

We eindigden in de grote zaal. Daar werd de lezing die we in de voormiddag hadden gemist door de gesloten deuren van een propvolle zaal, herhaald. Een veelbelovende titel; van dwergmeeuw tot zeearend. Het verhaal van 50 jaar broedvogels tellen in het Lauwersmeer. De spreker bleek opnieuw een oude grijze man, maar deze eentje met duidelijke frustraties. Dit heerschap zat duidelijk dicht tegen een depressie aan. Hij kwam in zijn lezing op een punt uit waar hij Reintje de vos van alle zonden van de wereld beschuldigde. De telloorgang van heel wat soorten waren de fout van deze rosse moordenaar. Een beeldvullende foto op de grote schermen en grafieken waar met rode lijntjes de aankomst van Reintje werd aangeduid benadrukten dit nog even. Het feit van een veranderend landschap, een soms niet zo goed gekozen beheer en een gewijzigde wereld bleken details. Dat de natuur – met in dit geval de vos als vertegenwoordiger – gewoonweg de opportuniteit greep die wij als mensen daar hadden geschapen kwam niet echt ter sprake. Even dacht ik dat dit wel die kant op ging, toen de grote kudde Schotse Hooglanders ook een stevige sneer uit de pan kreeg. Een foutje dat wij wel vaker maken. Dingen die wij zien gebeuren in de natuur als oorzaak naar voor schuiven, terwijl de mensheid heel vaak degene is die de omstandigheden creëert waar de natuur gewoonweg haar ding mee doet. Een afsluiter met een valse noot. Gelukkig was ons etentje bij een Koreaan in Bennekom van een betere kwaliteit.

Conclusie

Ondanks de wat krappe zalen – blijkbaar een eenmalige en verplichte wijziging van locatie – en de gefrustreerde slotspreker, weer een geslaagde editie van de hoogmis van vogelend Nederland. Op naar de 51ste verjaardag van SOVON. Ik zet het alvast in mijn agenda.

Kranige Nr. 103

Ik heb er dit weekend nog een soort kunnen bij doen. Mijn jaarlijst staat op 103 dankzij een groep kraanvogels – aangekondigd door een bevriende vogelkijker via een berichtje op WhatsApp – die thuis voorbij trok. Het zien en vooral horen van deze soort, die ik trouwens niet elk jaar kan bijschrijven op mijn lijstje, is voor mij altijd een speciale ervaring.

Kraanvogels op doortrek (Foto Maarten Drybooms)

Mijn ontmoeting met kraanvogels begon dit jaar vlakbij mijn werk. Ik kwam buiten en werd dadelijk onthaald op het heerlijke kraanvogel-geluid. Een andere omschrijving durf ik er niet aan te geven omdat het zo uniek is. ‘Toeteren’ zou ik kunnen gebruiken, maar vind ik te ordinair voor deze elegante wezens. Elk jaar maken kraanvogels een verhuis naar het warme zuiden. Deze verplaatsing wordt nauwgezet opgevolgd door en aan iedereen die dat wil medegedeeld via alle mogelijke kanalen. Die fanclub van de kraanvogels groeit zienderogen. Wat trouwens te verwachten was. Want kraanvogels zien en horen, is er van gaan houden.

Zelf zag ik heel wat foto’s en tegenwoordig ook filmpjes opduiken gemaakt met een smartphone. De ene keer een wazig streepje dat voorbijschoof tegen een blauwe achtergrond met witte wolkjes, geluidloos. Dan weer een prachtige sliert duidelijk klapwiekende exemplaren met als soundtrack het gekende kraanvogel-geluid. Kippenvel!

Buiten een paar vluchten van aalscholvers en ganzen werden ze allemaal benoemd met de juiste soort. Ze zijn dan ook zo opvallend en herkenbaar. Want van een doortrek met de stille trom moeten kraanvogels niet weten. Waarom maken ze trouwens zo veel kabaal?

De kenners beweren dat ze dit doen om tijdens hun vlucht contact te houden. Als je als eenzame kraan de rol daarboven moet lossen en heel stuk weggeblazen wordt van die strakke lijn, dan begrijp ik dat. Ik zou ook beginnen roepen: ‘hé, wacht op mij!’. Maar netjes in het gelid met je voorganger vlak voor je neus. Ik zie geen reden om dan beginnen van je oren te maken. Als de koploper info geeft, dat zou ik ook nog kunnen begrijpen. Zo een beetje hetzelfde als een piloot of stewardes die tijdens je vlucht naar Spanje – zelfde bestemming trouwens als onze kraanvogels – laat weten hoe hoog we vliegen, of het een hobbelige vlucht wordt met wat turbulentie en hoe lang je nog in die veel te krappe stoel moet blijven zitten. Maar het zijn heel veel deelnemers aan de sliert die hun laten horen. Mijn theorie is dat kraanvogels gewoon graag babbelen tijdens hun trip. Wat ik goed kan begrijpen. Uren onderweg, dan doet een praatje met je buurman- of vrouw wel deugd en vooral laat het de tijd wat draaien. Gezellig keuvelen, over koetjes en kalfjes – rendieren en hertjes in hun geval – en de laatste roddels over de buren waar je de voorbije zomer langs broedde. Dat lijkt mij een veel logischere verklaring. Daarnaast hebben kraanvogels – voorlopig – nog geen smartphone om tijdens die lange reis wezenloos en stilzwijgend de ganse tijd naar te staren. Gelukkig maar. Het zou trouwens ook niet bevorderlijk werken voor hun lange sliert. Even niet opletten en je vliegt zo tegen je voorganger aan. Daarnaast zou hun kraanvogelgeluid dan verstommen. En dat zou ik heel, heel erg jammer vinden. Bij lange slierten hoort volgens mij nu eenmaal een gezellige ‘kraanvogelend’ gebabbel.

Vreemde merels

Het najaar zit er op wat betreft het ringwerk op mijn ringplek. Buiten de netten die ik nog nodig ga hebben als ik weer ga voederen (wat nog niet zeker is), heb ik alles opgeruimd. Half november is mijn eindpunt, dus daar houden we ons aan.

Met 36 geringde vogels was gisteren een matige afsluiter. Toch zat er weer een leuke waarneming tussen. Een merel – is dat speciaal hoor ik jou hardop denken – kreeg extra aandacht. Op dit moment passeren hier noordse exemplaren. Dat is althans wat ik er over denk. Totaal geen wetenschappelijke basis om dit te staven. Maar ik ben er vrij zeker van dat ik toch gelijk heb.
Het gaat om forsere vogels met meestal een opvallende schubtekening op de borst. Een vrouwtje dat ik kan ringen liet die tekening duidelijk zien.
Zonder twijfel een dame met noordelijke roots.

De schubtekening op de borst van deze dame

Onder voorbehoud dat ik met de beperkte netopstelling toch nog eens ene poging doe om een barmsijs te verschalken (Carine R. had er de voorbije dagen eentje geringd), kan ik mijn najaar afronden.
Ik haalde net niet de 3.000 vogels – 2.912 om precies te zijn. Dit gespreid over 42 soorten. Met als nieuwe soorten orpheusspotvogel en sperwergrasmus.
Een mooi seizoen zou ik durven te zeggen.

Triootje lijsters

De herfst is plots opgedoken. Tot een paar weken geleden dachten we nog dat de zomer nooit zou eindigen. Gerard cox heeft er zelfs een liedje over geschreven, blijkbaar een visionair.
Maar nu is het meer herfst dan ooit. Regen, buien en al een eerste stevige herfststorm. Mijn netten bleven dicht en het ringwerk viel stil. Zelf kwam ik ook niet meer vaak buiten. Ik ben geen fan van regen, licht uitgedrukt, want ik haat het. Dus niet de ideale omstandigheden om mijn jaarlijst verder uit te breiden.

De enige manier om nog soorten toe te voegen is juist het tegenovergestelde van wat ik nu doe. Toch gaan ringen, want barmsijs is nog een kanshebber om dit jaar bijgeschreven te worden en die trekken momenteel mogelijk voorbij. Toch naar buiten, want regenbuien zorgen soms voor verassende soorten die even halt houden – ook zij haten blijkbaar veel regen – en een stevige storm kan zeldzaamheden naar hier blazen. Van die dwaalgasten ga ik het moeten hebben. Buiten havik – die ook niet elke dag hier rondvliegt – en kerkuil – er broed een paartje vlak bij de Broekbeemd – heb ik alle doenbare soorten ondertussen afgevinkt.
Watersnip is ook nog een optie. Hoe natter het gebied, hoe beter voor deze steltjes. Ze vliegen soms vlak voor je voeten op uit volgelopen tractorsporen. Maar je moet er wel voor naar buiten.
Met nog iets minder dan twee maanden voor de boeg moet er toch nog wat kunnen bijkomen.

Wilde-eend-groen

De enkele keren dat ik mijzelf toch uit mijn luie zetel kreeg gesleurd waren – ondanks het feit dat ik geen nieuwe soorten zag – telkens meer dan de moeite. Vogels kijken is altijd fascinerend. Wat je ook ziet. Genieten van elke vogel die je pad kruist blijft de boodschap. Een groepje staartmezen minuten lang bekijken terwijl ze een voor een van de ene struik naar de andere vliegen. Ze spreken dat duidelijk af. Zelden zie je er meerdere samen gelijk doorvliegen. Paniekerige roepjes die aanzwellen, om vlak daarna een sperwer voorbij te zien flitsen. Een groep mannelijke wilde eenden nu in prachtkleed vol testosteron, rond een vrouwtje peddelend, in de volle zon. De groene tint op hun kop is een uitdaging voor elke kunstenaar. Eigenlijk zou wilde-eend-groen een kleur moeten zijn tussen de verfpotten van elke producent. Niet te evenaren!

De ultieme wintergast, koperwiek (Foto: Alex Bogaerts)

Vandaag had ik zelfs vanachter mijn keukenraam zo een heerlijk momentje. Op mijn voor de winter kortgemaaide bloemenweide is het nu voor heel wat vogels feest. Ze komen in de bereikbare bodem lekkers zoeken. Zo is een vrouwtje groene specht – te herkennen aan het ontbreken van rood in haar snorstreep – (jazeker, de vrouwtjes bij deze specht hebben een snor) al een paar dagen vaste klant.
Maar vandaag zat het gazon vol met lijsterachtigen. Maar liefst drie soorten. Een paar gitzwarte merels, een drietal zanglijsters – tegenwoordig ook al niet meer alledaags – en voor het eerst in mijn tuin op de grond, koperwieken. De oogstreep gaf mij alvast dadelijk het signaal dat ik naar iets anders dan een zanglijster aan het kijken was. Primeurtje, een kleintje. Maar zeker zo leuk als een soort bij vinden voor mijn jaarlijst.

Ongemanierde bende

Koperwieken zijn wat mij betreft het signaal dat de winter er aan komt. Wat de boerenzwaluw voor de lente is, zijn zij voor het koudere seizoen. En zoals één zwaluw de lente niet maakt, komen koperwieken ook nooit alleen. Ze arriveren altijd in groepen. Plots zijn ze er. Vaak samen met hun grotere neefjes, de kramsvogels.
Hun naam is ook heel goed gekozen. Ze zijn echt koper in hun wieken. Eigenlijk er onder, hun oksels en flanken kleuren warm rood, eerder rosachtig. Maar wel verbijsterend mooi. Zeker als je ze van dichtbij in de vlucht kan bekijken. Maar dan moet je wat geluk hebben. Want hier hebben ze de gewoonte om te verzamelen in een zo dicht mogelijke struik, liefst een meidoorn. Om pas als je er heel dicht bij komt onder luid protest er uit te vliegen. Waar je er een paar in zag duiken, vliegen er dan plots tientallen op. Door elkaar zodat ik niet kan beslissen welke ik nu goed ga bekijken. Voor ik het besef zitten ze al in een andere struik of hoog in een populier verder te ‘tsjakken’ over die rare vent die hun maaltijd kwam verstoren. Wat een ongemanierde vent! Op dat moment denk ik over hen een beetje hetzelfde.

Nieuwe editie, nieuwe aankoop

Net iets meer dan een jaar geleden schreef ik een blogpost over de aankoop van deze Vogelgids. De beste op de markt. Maar wie heeft opgelet ziet dat er nu plots een ander vogeltje op de cover staat. Dit komt doordat ik opnieuw een exemplaar kocht. Want er is een nieuwe versie uitgebracht, de 11de herziende druk in het Nederlands.

Gekke uitgaven

Waarom zou iemand in godsnaam dit boek elke keer als er een licht gewijzigde versie uitkomt weer kopen? Diezelfde vraag kreeg ik van mijn echtgenote. Dit toen ik aan de keukentafel mijn vorige versie zat te vergelijken met deze nieuwere uitgave. Want bijna elke bladzijde leek identiek.
Het antwoord is even duidelijk als banaal. Waarom koopt de jeugd (of mogelijk ook volwassen mensen) steeds de nieuwste smartphone? Omdat die volgens hen weer iets meer kan of wat beter is. Hier dus net hetzelfde.
Om mijn echtgenote gerust te stellen geef ik hier een overzicht van wat er beter en vollediger is aan de laatste versie van deze geweldige vogelgids.
Om mijn geweten wat te sussen is deze tekst uittikken zeker waardevol. De uitgever steekt een hart onder mijn riem door te stellen dat er 32 extra pagina’s ter mijner beschikking zijn. Minstens 50 tekeningen werden opnieuw of voor het eerst geschilderd. In mijn vorige exemplaar zou het gaan over ruim 770 soorten. Nu staat er op de achterflap dat het er meer dan 900 zijn geworden. Een beetje overdrijven mag denk ik dan.

Gestart met een dipje

Ik moet tot bladzijde 45 geduld hebben voor ik een eerste wijziging ontdek. Eentje die in mijn ogen dan ook nog eens een stapje terug is. Weliswaar zie ik dat er bij de witkopeend een baltsend mannetje opduikt. Maar de rosse stekelstaart is spoorloos. Na wat zoeken blijkt ze verhuisd te zijn naar de sectie ‘ontsnapte vogels’. Voor deze soort een harde confrontatie met de werkelijkheid.

Rosse stekelstaart, vanaf nu een ontsnappingskoning (Foto: Wikimedia)

Maar vanaf nu gaat het alleen maar bergopwaarts. Zowel bij het auerhoen als het korhoen krijgen de vrouwtjes de aandacht die ze verdienen. Prachtige tekeningen van deze ‘ladies’. Ook het zo mysterieuze hazelhoen wordt wat beter in de verf gezet.
De fazant verschijnt zelfs op twee plaatsen: een keer bij de hoenders en een keer bij de ontsnapte exemplaren. In het veld is dit ook vaak zo een twijfelgeval.
Meerdere soorten krijgen meer ruimte. Kwartelkoning bijvoorbeeld, waar je nu ook een juveniel kan herkennen. Bij elke duiker staat het vliegbeeld en nu netjes bij. De vergelijking tussen een drijvende duiker, fuut en aalscholver is verdwenen. Volgens de auteur moet je die verschillen ondertussen dus wel kennen.

Rovers in de verf

Visarend krijgt vanaf nu een volledige pagina ter beschikking, wat trouwens volledig terecht is. Heel wat roofvogels krijgen extra tekeningen. De gieren worden meer opgedeeld. Maar ook de wouwen zien er prachtig uit. Op dezelfde pagina duikt ook de grijze wouw op. Netjes waar hij thuishoort.
Maar een topper is de weergave van heel wat vliegbeelden van kiekendieven. Wat een kunstwerkjes. Trouwens een nuttige aanvulling. Want die sierlijke akker-engelen determineren blijft een hele opgave. Alle hulp is dan ook meer dan welkom. Zelfs de donkere fase van grauwe kiek krijg een eigen plekje.
Waar ik ook blij mee ben is dat de buizerd een stukje naar voor schuift. Bank vooruit en een kus van de juffrouw (of mag dat niet meer?).
Bij de valken lijkt alles hetzelfde als in de vorige uitgave. Tot ik bij de slechtvalk aankom. Daar duikt een blekere versie op. ‘Sakerachtig’ schreef de auteur er bij. Lijkt mij een prachtig exemplaar dat ik voorlopig nog nooit tegenkwam. Maar de kans dat dit aan mij ligt is natuurlijk heel groot.

Bij de steltlopers lijkt er niet zo veel veranderd. Enkel de volgorde van de pagina’s is anders. Zo duiken de meer zeldzame exemplaren op vlak achter ‘onze’ versies. Handig? Volgens mij wel. Maar de kans dat minder ervaren vogelaars sneller bij een zeldzaamheid uitkomen is wel iets groter denk ik.

Bij de sternen heeft de auteur zich goed laten gaan. Daar duikt ook de eerste nieuweling op: Amerikaanse koningsstern. Waar men vorige keer bij de kleinste van deze sierlijke vliegers begon, de dwergstern, starten ze nu bij het andere uiterste: de reuzenstern. Even alles omgegooid blijkbaar.
Bij heel veel sternen staan nieuwe tekeningen. Maar ook nieuwe soorten die ontbraken in de vorige editie.

Ook bij de uilen krijgen verschillende soorten meer en nieuwe tekeningen. Dit is zo voor lapland-, oeral-, sneeuw-, sperwer-, ruigpoot- en dwerguil. Alleen al door naar deze mooie kunstwerkjes te kijken krijg ik zin om vanavond de donkere nacht in te duiken op zoek naar deze nachtrovers.

Meer en mooier

Wie dacht dat er maar één soort gierzwaluw rondvliegt zal verbaasd opkijken. Net geen 10 soorten worden afgebeeld. Bijeneters blijken ook in meerdere vormen en kleuren te verschijnen.
De zwarte specht mag even van houding veranderen en de afbeeldingen bij de witrug- en de drieteenspecht schudden ze wat door elkaar. De ondersoort ‘sharpei’ – niet de hond, maar de groene specht – krijgt ook een tekening van hemzelf.
Nieuwe afbeeldingen ook voor boerenzwaluw, roodstuitzwaluw – met de ondersoort ‘japonica’ ook in beeld -, huiszwaluw, roodborst, nachtegaal en noordse nachtegaal. Bij de rosse waaierstaart idem, enkel de tekening met de typische houding met de opgerichte staart is verdwenen.

Stekelstaartgierzwaluw kan je nu ook herkennen met deze vogelgids (Foto: Flickr)

Gekraagde en zwarte roodstaart worden veel beter in beeld gebracht. Net als de zwarte waaierstaart – stond vorige keer bij de dwaalgasten – en de Perzische roodborst. Een geweldige bijdrage is deze over de blauwborst, de kleuren spatten als het ware uit het boek!
De blonde tapuit is vanaf nu één soort. Oostelijke en westelijke werden samengevoegd. Voor de lijstjesmakers eentje minder dus. Maar dat was al langer het geval dacht ik.

Ode aan de grauwe gors

Ooit gehoord van de palmapimpelmees. Toch een geweldige naam die blijft hangen. Wel, ze staat nu in deze vogelgids. De zwarte mees moest dan ook een paar pagina’s naar achter hierdoor. Bij deze sympathieke meesjes is de ondersoort ‘britannicus’ spoorloos.
Blij ben ik ook met de extra aandacht die de matkop en de glanskop krijgen. Deze bijna identieke tweeling kan je nu dus weer wat beter uit elkaar houden.
Nieuw is ook de Kaspische mees. Bij de staartmezen duikt een bijkomende ondersoort op: ‘siculus’. Baardmannetjes en buidelmezen krijgen wat ze verdienen: prachtige, nieuwe illustraties. Ook de rotskruiper spat van zijn blad, bam op je netvlies.

Bij de barmsijzen krijg je een mooi overzichtelijk beeld van alle ondersoorten. Goudvink en appelvink herken je nu ook in hun juveniel kleed. Langstaartroodmus krijgt een promotie van één regeltje bij de extreme dwaalgasten naar een eigen plekje met afbeeldingen.
Een leuke verrassing is dat de soort in ons logo van de vogelwerkgroep Fruitstreek een update krijgt. Een mooie update trouwens. Alleen de vlucht met hangende pootjes is gesneuveld. Dat vind ik persoonlijk wel jammer.

Leve de ontsnapten

Bij de lijst van de dwaalgasten stijgen we naar 66 soorten – het waren er 59 in de vorige uitgave – en elke soort krijgt minstens één afbeelding. Netjes.

Ooit gehoord van de Kaapverdische pijlstormvogel, Atlantische geelneusalbatros, Zuidpooljager of de Kamtsjatkameeuw? Als ze nu voorbij vliegen en je deze vogelgids bij hebt, kan je ze denkelijk feilloos herkennen (keep on dreaming).

Kamtsjatkameeuw, niet langer een onbekende (Foto: Wikimedia)

Om af te sluiten nog een blik op de lijst van mogelijk ontsnapte vogels, de zogenaamde escapes. Voor de doorwinterde vogelkijkers soorten om straal te negeren. Want ze hebben op hun lijstjes totaal geen toegevoegde waarde.
Zelf ben ik echter een grote fan van deze ‘survivors’. Niet enkel konden ze ontsnappen uit een denkelijk te klein kooitje. Daarnaast slaagden ze er vaak in om in onze regio te overleven.
Volgens deze vogelgids zijn ze met 37. Zes meer dan de vorige keer. Maar wij weten dat hun lijstje oneindig is. Rosse stekelstaart, helmparelhoen en een trits kleurrijke en exotisch uitziende fazanten werden naar hier verbannen. Maar de leukste nieuwkomer vind ik toch de Japanse nachtegaal.

Dat mijn bewering – dat deze lijst totaal niet volledig is – klopt, bewijst het ontbreken van het kleurrijke saterhoen en de statige kroonkraanvogels die ik met mijn eigen ogen ooit zag op mijn local patch. Een ontmoeting die ik niet snel zal vergeten. Eigenlijk hoorden ze dus ook thuis in deze vogelgids. Of misschien verdienen al deze leuke soorten een volledig eigen vogelgids?

Over geblazen

Extreem weer aan de overzijde van de oceaan levert soms zeldzame dwaalgasten op in Europa. De laatste maanden was dat zeker het geval. Ergens een of andere orkaan had daarvoor gezorgd.

Vooral de meer westelijk gelegen landen of eilandjes krijgen dan hun deel. Maar ook ons land kan dan leuke soorten opleveren, meestal aan de kust. Zo was er de waanzinnige waarneming van een bonte zanger in Heist. Zelf ben ik niet gaan kijken (de twitch-mania ligt al een tijdje achter mij). Maar als er in mijn buurt een nieuwe lifer opduikt (soort die je nog nooit in je leven hebt gezien), dan durf ik wel eens in de auto te springen.

Streepje voor

Dit weekend was dat het geval. In Hollogne-sur-Geer, een leuk natuurgebiedje vlak over de taalgrens, werd een Amerikaanse wintertaling ontdekt. De dag na de vondst reed ik samen met Kristof er naartoe. De aanwezigheid van deze dwaalgast had toch wel wat volk op de been gebracht. Hoewel, de vogelkijksters (jawel, de vrouwelijke versie, die zijn er steeds meer) in de kijkhut bekeken ons met grote ogen toen wij vroegen of ze ‘die Amerikaan’ hadden gezien.
Net ervoor hadden we hem kort kunnen bekijken in een groep van ‘gewone’ wintertalingen voor hij opvloog en die dag niet meer werd gespot.
Deze Noord-Amerikaanse versie van onze eigen wintertaling heeft een paar opvallende verschillen met zijn Europese neef.
De meest duidelijke is de verticale witte streep op de zijborst. Die mist onze wintertaling. Die heeft dan weer een horizontale streep op zijn flank (hoewel je die vaak niet echt kan zien). Het is een beetje zoals het Amerikaanse kiessyteem. Je hebt de keuze uit twee dingen. In dit geval horizontaal of verticaal.
Verder heeft onze wintertaling een geelbruine omlijning rond de groene vlek op de kop. Ook hier weer is dat niet altijd duidelijk te zien. De borstkleur van de Amerikaanse versie is ook dieper van kleur. Kortweg, die verticale witte streep is de trigger om een Amerikaanse wintertaling te herkennen.

De Amerikaanse wintertaling van Hollogne (foto Paul Pugh)
‘Gewone’ wintertaling met hier heel duidelijk die witte lijn en omlijning op kopvlek (Foto Wikimedia)

Twee keer gescoord

Dankzij dit leuke eendje stijg ik met 1 soort op mijn Belgische lijst (296). Weer iets korter bij die begerenswaardige 300.
Maar ook mijn jaarlijst van mijn local patch steeg met 1 soort. Deze morgen bleken mijn netten bevroren. Dus geen ringwerk voormiddag met een dagje verlof op het programma. Ik besloot dan om nog eens vogels te gaan kijken in de Broekbeemd. Gert had mij gezegd dat de waterral zich opnieuw regelmatig liet horen. Ook voor mij bleek deze jaarlijkse wintergast zijn stem te verheffen. Nummer 102 op mijn lijst voor dit jaar.

Century met twee keer zwart

Een aantal onder jullie weten dat er in de titel verwezen wordt naar het, dankzij een Limburgse wereldkampioen, populaire snooker. De kenners onder hen zien ook dat er een grote fout zit in diezelfde titel. In snooker is er maar één zwarte bal. Die is wel 7 punten waard. Maar bij mij zijn die zwarte vogels, waar ik naar verwijs, elk één punt waard.

Zwart nummer 100

Het was een eerste zwarte vogel die mij bij de 100 bracht. Een overvliegende raaf tijdens het ringen. Op dit moment zeker geen enorm zeldzame soort om te zien. Ze zijn aan een meer dan stevige opmars bezig. Broedgevallen in Limburg stijgen als de kostprijs van je winkelkarretje in de supermarkt. Heel snel dus.
Dat ik er dit jaar eentje op het nest kon ringen bij mij in de buurt is het bewijs dat mijn stelling klopt. (lees het verhaal over die raaf hier).

De overvliegende raaf boven mijn tuin merkte ik op dankzij een groep kauwen die stevig van hun neus (of is het snavel) maakten. Meestal een teken dat er een roofvogel voorbij komt. Deze keer was het een raaf. Deze imposante vogel zelf kreeg ik niet te zien. Maar hij verraadde zijn aanwezigheid door meermaals de lage en knorrende roep te laten horen.

Exemplaar dat diezelfde dag over de telpost vloog

Zwart nummer 101

Ondertussen zitten we net boven de 100. Dit dankzij een zwarte mees die zo vriendelijk was om in mijn netten te vliegen.
Ondanks dat we al in oktober zijn beland, loop ik elke morgen nog met een t-shirt aan tussen mijn netten. Aangenaam, maar totaal niet normaal. De soortenlijst is dan ook redelijk beperkt. Logisch volgens mij. Wie haalt het in zijn hoofd om een lange en gevaarlijke tocht aan te vatten, als het zo een weertje is en er ook nog eens eten in overvloed rondvliegt. Ik zou ook in mijn (strand)zeteltje blijven zitten.

Eerste zwarte mees voor dit jaar
NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research