Als de politiek het nodig vindt om in september de balans op te maken, kan ik niet achter blijven. Wat bracht dat vroeg opstaan om te gaan ringen nu eigenlijk op?
Cijfertjes
Mijn netten hebben deze maand (sept 2023) 71u30 open gestaan. Dit leverde 1.282 vogels op met een gemiddelde van net geen 18 vogels per uur. Toch een vermelding in de top drie waard.
De top vijf per soort werd zoals altijd geleid door de zwartkoppen (743), gevolgd door roodborst (108), kleine karekiet (85), fitis (73) en tjiftjaf (68). Vette kersen waren draaihals, bladkoning, cetti’s zanger en noordse fitis. Leuk waren ook een late bosrietzanger en een snor. De eerste vuurgoudhaantjes vlogen ook al in de netten.
Het oranje ‘kroontje’ van de vuurgoudhaan blijft mij verbazen
Acredula
Met nu al 100 geringde fitissen op de teller lijkt het gebruik van het geluid dat Eddy mij doorstuurde te werken. Het gros is wel al voorbij, maar toch is het een mooi aantal voor mijn ringplek. De kans om dan een ‘noordse’ te vangen is dan ook groter. Op 16/9 lukte mij dat. Een opvallend lichtere fitis met een veel grijsbruinere tint. De onderzijde bijna volledig wit. Een noordelijke gast op bezoek.
Ondersoort acredulaZo goed als volledig witte onderzijde
Ik zit op één soort van de magische 100 soorten op mijn local patch. Dit dankzij een motiverende cursus over vogels kijken. Wat het ene met het andere te maken heeft lees je hier.
Bruine kiek
Nadat ik met een aantal cursisten op pad ging aan het Schulens Meer, kreeg ik door hun enthousiasme zelf opnieuw zin om nog eens een wandeling te maken op mijn local patch. Het ringwerk neemt veel tijd in beslag en dus was het al even geleden dat ik daar ging zoeken naar vogels. Ik koos er voor om naar een aangrenzend klein akkergebiedje te gaan. Daar bleken de velden pas geoogst en dus bijzonder geschikt voor soorten als tapuit of piepers. Die hoopte ik dan ook te zien. Niet dus. Geen tapuit te zien. Maar wel verschillende buizerds die van de gelegenheid gebruik maakten om een snelle hap te scoren. Na maaiwerken liggen er altijd wel wat dode knaagdieren voor het oprapen. Een stuk makkelijker dan er eentje levend te vangen. Plots merkte ik een overvliegende roofvogel op die helemaal anders was dan die buizerds die ik al even zat te bekijken. Veel bredere vleugels, een omlaag gerichte snavel en kop. Dit was een bruine kiekendief! Met mijn verrekijker zag ik de gele kruin die mijn vermoeden bevestigde. Een nieuwe jaarsoort voor hier.
Bruine kiekendief (ander beest dan waarover ik schreef)
Op de terugweg ging ik, zoals vaker, nog even langs bij de vijver van Maupertuus. Water is altijd een aantrekkingspool voor vogels en blijkbaar dus ook voor mij. Daar vond ik nummer 99 voor dit jaar. Tussen de wilde eenden zag ik een kleiner beestje dobberen: dodaars. De kleinste fuut in ons landje. Een heel gewone soort, maar niet voor mijn gebied. Dat het er twee waren belooft voor volgend broedseizoen. Een beetje dromen mag.
Oranje kiek
Het enthousiasme van de groep cursisten had mij dus twee extra soorten opgeleverd. Maar hun kennismaking met de hobby vogels kijken zullen ze ook niet snel vergeten. Nadat we vrijdagavond hun hadden verteld hoe je vogels kan determineren, gingen we zondagmorgen op pad om dit ook in de praktijk toe te passen. In laatste instantie kozen we voor het Schulens Meer. Een terechte en gouden switch bleek later.
Een aantal cursisten in actie (foto Andre Gaens)
Niet enkel startte de dag met een prachtige zonsopgang over een met mist overdekte meer, maar er werd een indrukwekkend soortenlijstje bij elkaar gevogeld. Wat gedacht van krombekstrandloper, ijsvogel (meermaals mooi in zit op een paaltje), visarend (voor sommigen zelfs in actie, duikend in het water naar een dikke vis) en velduil (recht op ons af vliegend opgejaagd door een bende schreeuwerige meeuwen). Soorten waar ik vaak lang heb over gedaan om ze te zien te krijgen. Zij kregen ze op hun eerste uitstap aangeboden. Maar de ster van de dag was zonder twijfel een juveniele kiekendief die vlak voor onze neus kwam voorbij glijden.
Grauwe of steppekiek (Foto Leen Proesmans)
Mystery-bird
Dadelijk gingen er bij een aantal van de leden van onze Vogelwerkgroep (die waren erbij om de cursisten te begeleiden tijdens hun determinatieopdracht) alarmbellen af. De kreet ‘blauwe kiek!’ werd al snel naar de achtergrond verbannen. Want de oranje onderzijde van deze roofvogel en de opvallende bleke halsring waren kenmerken voor grauwe en mogelijk zelfs steppekiek. Omdat het beestje zo vriendelijk was geweest om vlakbij de groep langs te zeilen, werden er heel wat goede foto’s gemaakt. Die werden dan ook druk bekeken. Het woord ‘steppe’ viel al vrij snel. Maar was het er ook effectief eentje? Het verhaal stopte dan ook niet na de uitstap. Eerst werden heel wat foto’s verzameld om zo veel mogelijk kenmerken te kunnen checken. Maar binnen onze werkgroep raakten we er nog niet volledig uit. De score voor grauwe en steppe stond op een ex aequo. Dus schakelden we de kiekendief-specialisten in (jawel, die bestaan). Daar kwam het antwoord ook niet dadelijk en ook daar waren er tegengestelde determinaties. Maar op het einde kwam er dan toch een verdict: steppekiek!
Het was op basis van deze foto van Andre Gaens dat de balans in de juiste richting sloeg. Waar ik er van uit ging dat die lichte halsring en de donkere ‘boa’ een belangrijk kenmerk was, bleek dat niet altijd zo te zijn. Er vliegen blijkbaar ook grauwe kiekendieven rond waar dit er zo kan uitzien. Ook de kleur van de onderdelen is niet altijd een uitsluitsel. De reden waarom zie je perfect in mijn blog. De kleur van de onderzijde van de vogel is bij de eerste foto veel intensiever dan bij die op de onderste foto. Dit gaat om hetzelfde exemplaar. Lichtinval, intensiteit van het zonlicht en vooral de interpretatie van die kleur is zeer variabel. Nadien conclusies trekken op basis van een foto is heel gevaarlijk. Het kenmerk waardoor de specialisten met zekerheid er een steppekiek van maakten is de ondervleugel. Op de foto van Andre is die deels te zien. Maar net genoeg om een oordeel te vellen. Zo zie je op de foto een duidelijk witte wig aan de basis van de slagpennen. De ‘boomerang’ noemen de specialisten het. Genoeg bewijs om deze zeldzame steppekiekendief te noteren op een geweldig lijstje van onze uitstap met de cursisten. Dat is pas een binnenkomer!
Eind september, dan wordt het elke dag uitkijken wat er allemaal voorbij komt. Naar de netten lopen is dan extra spannend, want alles is op dit moment mogelijk. Vandaag werd dat nog maar eens bewezen.
Klein juweeltje
Terwijl de ‘tjiffen’ stilaan op gang komen hoopte ik op een leuke bijvangst. De bladkoning is er zo eentje. Waar men vroeger dacht dat deze soort enkel aan de kust voorbij kwam, bleek dat totaal verkeerd. Vanaf het moment dat er ook ringers in het binnenland het geluid gingen afspelen, werden er regelmatig ook daar gevangen. Zo ook bij mij. Deze morgen haalde ik nr. 11 voor mijn ringplek uit de netten. Met zijn opvallende gele wenkbrauwstreep en subtiele, dubbele vleugeltekening is het een beauty. In de hand zie je pas wat een liliputter dit vogeltje is. Met pakweg 10cm is hij net iets groter dan een goudhaantje. Ik was alvast heel blij om hem nog eens te ontmoeten.
Bladkoning nummer 11
Knaller
Maar daar hield het niet mee op. Twee netten verder was er een tweede verrassing. Een Cetti’s zanger. Nog maar de 3de voor mij op mijn ringplek. Wat een beetje verwonderlijk is, want deze soort is alom tegenwoordig. Wel vaker in gebieden met riet, maar de kans dat er eentje hier voorbijkomt moet toch groter zijn dan ik nu kan vaststellen. Het is een soort die wel niet echt trekgedrag vertoont in ons landje. Ze overwinteren hier. Dus hoor je ze gans het jaar door. En horen doe je ze. Hun zang lijkt op een explosie van tonen. Heel kort en heel luid. Maar hem zien is een heel ander verhaal. Ze sluipen als het ware door het riet. Dat ik er vandaag eentje in de hand had ik dan ook een voorrecht.
Cetti’s zanger, zonder geluid.
Ondertussen zit ik aan 97 soorten voor mijn local patch. Met dank aan een prima jaar op mijn ringplek. Eén soort boven mijn jaardoel en op 3 soorten van de magische grens van 100 soorten. En dat met nog ruim 3 maanden te gaan.
Twee dagen geringd dit weekend en het maandtotaal voor september staat al op 356. Twee ‘vette’ dagen met heel veel vogels. Met 29 gekraagde roodstaarten en 28 fitissen deden deze soorten een stevige duit in het zakje. Mijn derde draaihals voor dit najaar en het eerste vuurgoudhaantje waren leuke krenten.
Gekraagde roodstaart, prachtige beestjes
Ruistrategie
Het op leeftijd brengen van vogels tijdens het ringen is heel vaak een kwestie van te kijken naar hun verenkleed. Zoals je weet vervangt een vogel elk jaar zijn veren minstens één keer. Dit doen ze op verschillende manieren. Zo ontstaan er verschillende wijzes waarop vogels ruien.
Een groep soorten kiest voor de wijze waarop de 1ste jaars (jongen die dit jaar geboren zijn) gedeeltelijk ruien. Ze behouden hun slagpennen en vaak ook de staartveren. Ruien hun lichaamsveren en een aantal of alle dekveren op hun vleugel. Hierdoor ontstaat er contrast in die dekveren. Sommige zijn de oorspronkelijke veertjes die ze nog hebben vanop het moment dat ze het nest hebben verlaten. Andere zijn nieuwe veertjes. De adulte vogels ruien volledig en al hun veren zijn nu vers. Geen contrast te zien in de vleugels. Vroeg in het seizoen – nu dus soms ook – krijg je vogels in je handen die actief aan het ruien zijn. Voorbeelden zijn zwartkoppen, tjiftjaf, fitis.
Fitis
Een andere veel voorkomende ruistrategie is dat zowel de 1ste jaars vogels als de adulte vogels nu een gedeeltelijke rui doen en in hun winterkwartier volledig ruien. Kleine karekiet, bosrietzanger en heel wat soorten uit deze familie doen dit. Hier is het dus niet zoeken naar contrast, maar naar sleet. De 1ste jaars vogels vliegen hoop en al 5 maanden rond met hun verenkleed. Het ziet er dus nog vrij vers uit. De adulte vogels hebben hun terugreis van het zuiden gedaan met de veren die ze nu hebben. Dan zijn ze druk in de weer geweest om een aantal nesten groot te brengen. Dat verslijten je veren wel even. Dus kan je goed zien dat die veren hebben afgezien. Sleet dus.
Analfabeet
Al deze info staat in de bijbel voor ringers: ‘Identification Guide to European Passerines’ van Lars Svensson (bij een bijbel hoort een God). Voor elke soort wordt de ruistrategie uitvoerig beschreven. Voor de meest voorkomende soorten kent een ringer dit verhaal op zijn duimpje. Tot er plots een exemplaar opduikt dat mij even doet twijfelen. Zo kreeg ik een sprinkhaanzanger in mijn handen die duidelijk die bijbel niet had gelezen. ‘De Svenson’ – zoals ze in het wereldje van de ringers zeggen – schrijft duidelijk dat zowel de 1ste jaars als de adulte vogels nu gedeeltelijk ruien en in hun overwinteringsgebied een volledige rui uitvoeren. Deze vogel had echter een deel van zijn slagpennen geruid en een paar waren nog aan het groeien. Door de stevige sleet, vooral in de staart, ging het duidelijk om een adulte vogel. De rui was in beide vleugels identiek. Een bewijs dat het hier om ‘echte’ rui ging en niet het vervangen van per ongeluk verloren veren. Een voetnoot in mijn boek vertelt dat sommige vogels afkomstig van Azië nu een volledige of uitgestelde rui uitvoeren. Dus mogelijk was dit zo een exemplaar. Maar dat zou dan een stevige omweg zijn. Het zal een mysterie blijven, gelukkig.
Sprinkhaanzanger, sterk gesleten staartverenRui van slagpennen in vleugel
Het werd een wisselvallig weekend op mijn ringplek. Vrijdag viel letterlijk en figuurlijk in het water. De regen viel met bakken uit de lucht en mijn dag verlof werd dus ingevuld met andere activiteiten dan het ringwerk. Mijn vrouwtje was er blij mee.
Slappe was
Zaterdag gingen de netten wel open. Gert kwam langs om een handje te helpen. Maar het bleek een rustige voormiddag te worden. In totaal 35 vogels sukkelden in de netten. Leuk was wel een vrouwtje merel dat we terug vingen. Het was door mij geringd als 1ste jaar vogel in 2018. Al 6 jaar oud ondertussen en een overlever van het voor deze soort gevaarlijke virus.
Bingo
Vandaag begon mijn dag met een stevige onweersbui. Even twijfelde ik of ik er wel aan ging beginnen. Want de weerman had een wisselvallig dagje voorspeld. Toch maar naar buiten en tijdens het openzetten van de netten kreeg ik opnieuw een regenbui te verwerken. Maar mijn buienradar op mijn gsm vertelde mij dat het daarna droog zou blijven. Kristof ging langskomen, dus stonden iets later alle netten open.
Gelukkig, want tijdens de eerste ronde sloeg mijn hart een paar slagen over toen ik een stevige grasmus in het net zag. Omdat hij vlak langs een zwartkop hing, viel dadelijk zijn formaat op. Ik wist ogenblikkelijk wat er die nacht was aangekomen: sperwergrasmus! Na bijna 10 jaar in augustus het geluid – soms een paar dagen, maar dit jaar elke nacht – gespeeld te hebben, was het nu bingo. Een nieuwe soort voor mijn ringplek die kon tellen.
Mijn eerste sperwergrasmus
Oosterling
Deze prachtige grasmusachtige broedt in Oost-Europa. De mannetjes zijn als adulte vogels prachtig gebandeerd. Daar komt dan ook de verwijzing naar sperwer van. Als volwassen vogel valt hun knalgele oog ook hard op. Ik kon er ooit eentje bewonderen in Bulgarije.
Sperwergrasmussen trekken in hun eentje naar Afrika. Dit via de oostelijke route. Maar jonge vogels wijken af van deze route en komen wel eens vaker in West-Europa terecht. Aan de kust worden elk jaar een of meerdere vogels ontdekt. In het binnenland gaat het meestal over ringvangsten. Eentje was zo vriendelijk om dit weekend bij mij langs te komen. Hij (of zij) was alvast van harte welkom.
Mijn tweede week verlof stond bijna volledig in het teken van het ringwerk. Vanaf maandag liep mijn wekker om 5 uur af. Snel uit de veren om de netten open te zetten een uur voor zonsopgang. Enkel op donderdag bleef ik wat langer in mijn nest liggen wegens andere verplichtingen. Maar voor de rest was het vroeg uit de veren om elke voormiddag vogels te ringen.
Karekietjestijd
Gelukkig had ik regelmatig hulp van Nicolas, Kristof of Gert. Want bijna elke dag waren er meer dan 100 vogels te ringen. Op die zes dagen werden er 673 geringd of gecontroleerd. Vooral de karekieten bleken goed op dreef. Op dinsdag kon ik mijn dagrecord voor deze soort zelfs nog wat aanscherpen. De te kloppen score staat nu op 75 op één dag. Er waren ook leuke terugmeldingen met kleine karekieten die ergens in Frankrijk, Nederland of Zweden al van een ring werden voorzien door een collega van ginder.
Kleine karekiet
Plus 90
Hoewel ik ze volgens de ongeschreven wetten van het lijstjes maken niet mag meetellen – gevangen vogels tellen niet meer, weet je nog – kwamen er een paar leuke soorten bij op de jaarlijst van mijn local patch. Sprinkhaanzanger, gekraagde roodstaart, boompieper, draaihals en nachtegaal. Vooral met deze laatste scoor ik momenteel goed. Met reeds 7 geringde exemplaren evenaar ik mijn beste jaar 2014. En het ringseizoen is nog niet voorbij. Ook bonte vliegenvangers komen redelijk vlot door. Met 4 geringde exemplaren is dit mijn beste jaar tot nu toe op mijn ringplek. Met wespendief erbij – vandaag trokken er nog twee over mijn tuin – staat mijn jaarlijst op 94 soorten (dat regeltje vergeet ik even). Mijn doel komt in zicht.
Nachtegaal
Parketvogel
De soort die elke keer weer met de aandacht gaat lopen is zonder twijfel de draaihals. Vorige vrijdag kon ik er twee ringen. Als je hem in je handen hebt doet hij zijn naam alle eer aan. Als afweermiddel draait hij rondjes met zijn nek. Het lijkt wel een slechte imitatie van een slang die uit een mand omhoog komt. Maar het meeste indruk maakt mij met zijn schitterende verenkleed. Het is een legpuzzel van alle tinten bruin en grijs. Dit op zowel zijn vleugels als staart. Een ingewikkelde mozaiek-tekening die een parketlegger tot de waanzin zou drijven. Alles in functie van een perfecte camouflage. Die dan ook werkt, want een draaihals in het veld ontdekken is niet vanzelfsprekend. Hij wordt meestal op een gazon of grindwegje gezien op zoek naar zijn lievelingseten, mieren. Want hem ontdekken in een boom of struik lijkt mij onbegonnen werk. Gelukkig kan ik hem uit mijn net halen en dan van dichtbij even bewonderen. Als een gevederd kunstwerk.
Een weekje familievakantie stond op het programma. De weergoden beslisten dat we de eerste dagen van ons verblijf in Kopenhagen vooral binnen doorbrachten. Veel wind en regen was ons lot. Erg? Zeker niet, de musea en te bezoeken historische en andere locaties waren meer dan de moeite. Maar aan vogels kijken kwam ik dus niet echt toe. Dat was ook niet het doel.
Bruinvissen
Het was nochtans hoopvol begonnen. We maakten onze reis met de auto en daar zat een overtocht van bijna een uurtje met de ferry bij. Op deze tocht (zowel heen als terug) kon ik bruinvis spotten. Toch geen alledaagse waarneming. Onderweg had ik al kunnen genieten van ooievaars en een paar rondcirkelende zeearenden. Maar dan sloeg het weer om. Vanaf dan beperkte mijn waarnemingen zich tot de alom-tegenwoordige bonte kraaien en de vogels die op schilderijen of graffiti opdoken. Maar elke echte vogelkijker blijft zoeken naar gevleugelde beestjes. Ook al staan ze op een muur of de zijkant van een boot.
Vrije interpretatie van een goudhaantje (denk ik)
Groen
Wat op mij het meeste indruk maakte was hoe groen een stad kan zijn. Op bijna geen enkele plek in Kopenhagen heb je het gevoel dat je in een drukke grootstad aan het wandelen bent. Je wandelt als het ware van het ene groene plekje naar het andere. Stadsparken zijn gewoonweg grotere groene zones. Elk hoekje is voorzien van de nodige beplanting. Zelfs kale muren worden omgetoverd tot verticale groene zones. Die gekke Scandinaven lopen ver voor op ons. Zo bezochten we op het einde van de week een paar begraafplaatsen (ik heb er een zwak voor) en ik dacht even dat ik in een natuurgebied was terecht gekomen. Wat een manier om met zulke open ruimtes om te gaan!
Groene plekken in de stad, overal.
Lijstje
Een dag konden we dan toch een voormiddag echt naar vogels gaan kijken. Het weer was redelijk, dus reden we 20km naar het zuiden om aan de kust te belanden, vlak onder Kopenhagen. Met de (weer van groendaken voorziene) building op de achtergrond genoten we van een prachtig binnendijks gebied. Tal van steltlopers, waaronder kluut, bonte en een mooi groepje Temminck’s standlopertjes kregen we in beeld. Goud- en zilverplevieren nog in hun prachtige zomerkleed waren zeker de moeite. De aangekondigde roodhalsfuut liet zich prachtig bekijken met een bijna volgroeid jong erbij. Zo kon ik mijn bescheiden Kopenhaagse vogellijstje toch wat aanvullen.
Ondertussen stonden er al een paar mooie soorten op mijn vakantielijstje: braamsluiper die verdwaasd zat te wezen nadat de storm hem in de de treurwilg had geblazen waar Jente hem ontdekte, een aalscholverkolonie op een mini-eilandje in een stadspark, een bonte kraai die parmantig voor mij wandelt op een fietspad, een visdief die langs een brug sierlijk voorbij komt vliegen (of was het toch een noordse stern?) en een grote groep grauwe ganzen (veel g’s) die op een mooi gemaaid grasveld komen grazen vlakbij een bende spelende kinderen. Vogels kijken en een stad bezoeken, het kan perfect samen.
Kalvebod Faelled, natuurgebied vlakbij de hoofdstadMoeder een zoon die vogels kijken, een momentje om te koesteren
Topidee
Tijdens een van onze wandelingen door een stukje groen Kopenhagen stootte ik op een concept waar ik instant grote fan van werd. Ik maakte er mijn gezinsleden attent op dat dit op mijn lijstje mocht om te realiseren als ik het tijdelijke voor het eeuwige zal omwisselen. Hoewel ik dit moment toch nog even wil uitstellen, gaat dit concept mijn laatste rustplaats sieren: een mooie grafsteen inclusief vogelbadje.
Maten die komen helpen op mijn ringplaats, niet enkel voor ze klaar te maken voor dit najaar, maar ook tijdens het ringwerk, werkt duidelijk motiverend. Kristof en Nicolas kwamen alvast regelmatig langs. Nadat ik vorig jaar juli liet voor wat het was en mijn netten dicht bleven, gaan we er opnieuw vol voor. Het weer was wel niet aan onze kant, maar we konden toch ruim 34uur volmaken.
Bosrietzanger
De soort van juli is zoals elk jaar de bosrietzanger. Deze afrika-gangers zijn dan al stevig onderweg. Eerst de adulte vogels en ondertussen de jongen van dit jaar. Maar zijn er dit jaar meer bosrietzangers onderweg dan anders? Ik had alvast de indruk dat op mijn local patch er meer zingende mannetjes zaten dan anders. Hoe bekijk je zoiets? Een goede methode is om een berekening te maken van het aantal exemplaren dat ik kon ringen per uur van elk jaar. Zo een grafiek is vrij simpel te maken.
En mijn vermoeden werd bevestigd. Qua gemiddeld aantal ‘bosrietjes’ per uur het beste jaar tot nu toe. We zien trouwens een stijgende lijn. Deze soort doet het blijkbaar niet zo slecht. Dat is alvast mijn (voorzichtige) conclusie. Ik ben er alvast blij mee. Want het is een van mijn favorietjes.
Bosrietzanger
Twee erbij
Als ik naar het totaal aantal vogels kijk, ook gemiddeld per uur, zie ik ook dat het voor juli 2023 een mooi resultaat was. Een stevige uitschieter. Maar hier spelen zo veel factoren dat ik daar geen besluiten uit trek.
Met 330 gevangen vogels verspreid over 19 soorten zijn we goed begonnen. In absolute cijfers en ook soortenspreiding zijn er betere maanden, maar het is een goed gemiddelde.
Top was natuurlijk de orpheusspotvogel, een nieuwkomer voor mijn ringplaats. Maar met de eerste fitis voor dit jaar en een snor ging mijn bloed toch ook even wat sneller stromen. Op naar een mooi ringseizoen? Ik hoop het alvast. Dankzij mijn maten staat de teller ondertussen op 88 soorten gezien op mijn local patch, gevangen soorten meegeteld.
Juli is een – wat vogels kijken betreft – wat saaie maand. De wintervogels zijn al lang vertrokken naar noordelijke streken. Op het einde van het jaar krijg ik de kans om ze mogelijk toch nog aan mijn lijstje toe te voegen. Geen doortrekkers op dit moment, buiten hier en daar een exemplaar dat geen vrouwtje kon vinden of wiens broedsel is mislukt en daarom maar koos om al wat rond te gaan hangen. Alle broedvogels zijn al aan hun tweede of derde nestje voor dit jaar toe en houden zich dan ook gedeisd. In het veld is het harken om een soort bij te scoren.
15 juli
Gelukkig heb ik een ringvergunning. Want vanaf 15 juli staan mijn mistnetten opgesteld om weer een seizoen vogels te ringen. Op de officiële lijst van waarnemingen.be mag ik die soorten niet meetellen. Terecht, want niet iedereen heeft de kans om vogels te ringen en dus soorten te zien – heel dichtbij – die je in het veld niet zo makkelijk kan ontdekken. Voor mij leverde dit al rietzangers op. Zonder twijfel zitten die ook in de beemden, maar vind ze maar! Hier vlogen er vandaag twee in mijn netten. Weer een soort erbij. Want op mijn eigen local-patch-lijstje tel ik ze wel mee.
Rietzanger, in de hand.
Nieuwe handsoort
Maar de klap op de vuurpijl was zonder twijfel een prachtige orpheusspotvogel die deze morgen werd gevangen. Ik had deze soort al wel eens gezien en ook bij andere ringers al kunnen bewonderen. Dit voorjaar twijfelde ik zelfs of er geen zat te zingen in de Grote Beemd. Maar ik kon mijn waarneming niet hard maken.
Maar nu staat hij dus op mijn jaarlijst voor de Herkvallei. Alles klopte: de minder intense gele kleur, de korte vleugelprojectie, de langere eerste handpen, de donkere teugel. Perfect. Voor mij een nieuwe soort voor mijn ringplek en ook voor mijn lijst van vogels die ik in de hand heb gehad. Al was het maar even.
Orpheusspotvogel
Klimaatsoort
Deze soort is trouwens stilaan onze streken aan het veroveren. Waar het vroeger een meer zuidelijke soort was, met een mooie populatie bij onze Waalse vrienden over de taalgrens. Blijkt hij nu ook steeds vaker in Vlaanderen voor te komen. Schuift hij mee met een warmtegrens ten gevolge van de klimaatverandering? Of doet hij het gewoonweg steeds beter? Onze ‘gewone’ spotvogel is ook al lang geen heel algemene soort meer. Schuift die mee? Of gaan ze elkaar ruimte gunnen? De kans bestaat dat er ook gemengde broedparen komen. Tijd voor een totaal nieuwe soort? Wie weet? Daarom zijn vogels en de natuur in zijn geheel zo leuk. Altijd in beweging.
Misschien is er in de Grote Beemd al een broedgeval geweest? Vorig jaar een zingende exemplaar, dit voorjaar een mogelijke waarneming en nu vroeg op het seizoen een vangst van een adulte vogel. Toch blijven uitkijken naar deze leuke soort.
Waarnemingen van Orpheusspotvogel in 2000Waarnemingen van Orpheusspotvogel in 2022
Snikhete dagen en bijna zomer. Er zijn betere tijden om naar vogels te kijken. Ik liep daarom niet zo vaak rond met mijn verrekijker. Hoewel met de waarnemingen die binnen kwamen het bewijs werd geleverd dat er altijd kansen zijn op leuke soorten. De opties om een vale gier of roodpootvalk tegen te komen waren blijkbaar gestegen. Maar ik was niet bij die gelukkigen.
Liegebeest
De lijst bleef dus stabiel op 84. Jawel, een soort meer dan wat ik tot nu toe schreef. Ik moet dan ook iets bekennen: er werd er eentje geheim gehouden. Op 20 mei kreeg ik een telefoontje van mijn maatje Gert met de mysterieuze mededeling: ‘ze zijn aangekomen’. Bleek dat hij een mannetje grauwe klauwier had ontdekt. Even later stond ook ik naar deze mooie vogel te kijken. Een soort waar we al langer op hoopten, stond vanaf nu dus op onze soortenlijst van de Herkvallei. Aangezien dit mannetje in een geschikte broedbiotoop zat werd de waarneming ‘onder embargo’ geplaatst. Zodat een eventuele broedpoging alle kansen zou krijgen. Een bonussoort met een dikke strik rond.
Mannetje grauwe klauwier op zijn uitkijkpost
Dame op bezoek
De volgende dagen bleef het mannetje uit beeld. Maar het zijn stiekemerds, die grauwe klauwieren. De hoop op een mogelijk broedgeval werd dan ook nog niet opgeborgen. Zeker niet toen ik op 27 mei een vrouwtje grauwe klauwier ontdekte. Weliswaar op een totaal andere locatie in de Herkvallei, maar toch. Mijn aandacht werd, tijdens een van mijn wandelingen, getrokken door druk alarmerende koolmezen en grasmussen. Toen ik mijn kijker op het tumult richtte kreeg ik de dame in kwestie mooi in beeld. Deze keer kon ik Gert op de hoogte brengen. We hadden nu een waarneming van een mannetje en een van een vrouwtje, maar wel ver uit elkaar. Misschien dat ze elkaar toch vonden?
Vrouwtje grauwe klauwier
Hoopvol
Ondertussen zijn we dus half juni. Van onze grauwe klauwieren geen spoor meer. Zowel Gert als ikzelf passeren toch regelmatig op de plaatsen waar we het mannetje en het vrouwtje zagen. Als er een broedgeval zou geweest zijn hadden we hen toch nog eens moeten opgemerkt hebben. Volgens ons is dit voor dit jaar dus niet het geval. Maar niet getreurd, integendeel! Deze soort heeft ons natuurgebied ontdekt en de kans dat er ooit een koppeltje grauwe klauwieren er een nest jongen gaat grootbrengen is weer een flink stuk gestegen. Wij blijven alvast uitkijken.