Mei is een geweldige maand. Niet enkel keren heel wat soorten terug naar ons landje of vliegen ze op hun tocht naar hun broedgebieden even langs. Maar we krijgen ook een mooi aantal verlofdagen om al die gevederde schoonheden te gaan bewonderen.
Dus reed ik op de dag van de arbeid samen met Wouter naar de Maaskant. Want langs die stromende autostrade van de vogeltrek is er altijd wel wat te beleven. Dat beleven bestond deze keer uit verschillende soorten sternen. De eerste die we in de kijker konden vangen waren zwarte. Minstens tien stuks dartelden sierlijk over de grote plas. In stilte. Dit in tegenstelling tot de visdiefjes die volop van jetje gaven. De zwarte waren dan ook op doortocht, de visdieven waren gewoon thuis. Dat zag je aan hun gedrag: ‘doe maar of je thuis bent’ is meestal geen oproep om gedisciplineerd en welgemanierd rechtop op een stoel te gaan zitten. Neen, dan is het schoenen uit, stropdas los en na een overvloedige maaltijd voor de durvers zelfs de riem van je broek los. Onze visdieven waren in die ‘mood’. Luid krijsend vlogen ze ongedwongen achter elkaar. We zagen zelfs een paartje synchroon door de lucht klieven. Het mannetje met een visje in de snavel. Hoe hij er dan verdomme nog in slaagt om luid te roepen, Joost mag het weten. Maar zo te horen was dat geen probleem. Op een van de kale eilandjes in de plas mochten we getuige zijn van een romantisch momentjes uit het leven van de visdief. Een mannetje landde op de grond met een visje en bood dat aan zijn toekomstige – althans, dat was zijn wens – partner aan. Zij kwam snel aangetrippeld en nam het visje vlot over. Fier stak het mannetje zijn borst vooruit, de kop wat hoger omhoog en de vleugels strak langs zijn lichaam alsof hij haar wou omhelzen. De dame in kwestie had voor zijn macho vertoning nul komma nul aandacht en schrokte het aangeboden geschenk ongestoord naar binnen. Die was duidelijk thuis.
Ik vind de naam visdief trouwens een belediging van formaat. Deze sierlijke sterntjes zijn geen ordinaire misdadigers. Het is zeker niet zo dat ze met een getrokken pistool en een oude panty over hun kop een vishandel binnenstormen en de dames achter de winkelbank toeschreeuwen dat ze de kabeljauwfilets uit de frigo in een tas moeten proppen. Ze verdienen hun kostje met veel arbeid en moeite. Urenlang vliegen ze laag over het wateroppervlak. Regelmatig laten ze zich in het koude water ploffen en af en toe komen ze terug boven met een visje in de snavel. Als ik de macht had dan kregen ze van mij de titel ‘sierlijke visduikers’. Maar ik heb – gelukkig maar – die bevoegdheid totaal niet.
Als ik er goed over nadenk zijn sternen eigenlijk gepimpte meeuwen. Het patroon en de verdeling van de kleuren in hun verenpakjes komt duidelijk van dezelfde modeontwerper als die van de meeuwen. Ze hebben er gewoonweg wat sportieve accessoires opgezet. Spitsere punten aan de verlengde vleugels, de koptekening een stuk eleganter en met meer ‘schwung’ aangebracht en bij een gevorkte staart. Zoals een spoiler, brede banden en een opvallende streep over de motorkap bij getunede auto’s. Hetzelfde model, maar veel sportiever en opvallender. Ik kan er uren naar kijken.
Dat er dan nog even een witwangstern voorbij komt vliegen is mooi meegenomen. Even geen gewoon merk, maar een Porsche in sternenland. Strak getuned. Nice!
Het werd een lang weekend met een stevig dilemma tussendoor. Tijdens de voorbije week kreeg ik van Wouter, ons jongste groepslid, de melding dat hij een leuke soort had doorgekregen: dwerguil.
Sinds een aantal jaar is dit een zeer schaarse broedvogel in Wallonië en de locaties waar ze zitten worden dan ook stil gehouden. Maar in deze tijden van over-informatie is dat een hopeloze zaak. Dus blijkt dat geheim al lang er geen meer te zijn. Wouter ging er enthousiast naartoe want dit is echt een leuke soort. Zijn maat die meeging kon de vogel zelfs op foto zetten.
Dwerguil in beeld
Na het zien van die beelden werd ook ik even enthousiast en werden er plannen gesmeed om er zaterdag naartoe te rijden. Vroeg uit de veren en om 5u vertrekken. Maar de dagen nadien begon mijn geweten toch stevig op te spelen. De meldingen die Wouter bleef volgen – heel wat foto’s op Instagram – en vooral de foto van het bord dat de plaatselijke natuurbeschermers hadden opgehangen liet geen twijfel bestaan. Deze locatie werd druk bezocht door vogelkijkers. Die dan ook nog eens de regel om geen geluid te spelen regelmatig aan hun laars lapten. Alles voor die ene foto (die door honderden anderen ook gemaakt wordt) en dat extra streepje op jouw lijstje. Neen, daar wilde ik geen deel van uitmaken! Dus werd de trip gecanceld en ging ik in mijn eentje genieten van de vogeltjes in de Marmolbeek in Borgloon. Wat minder vroeg uit de veren en een zingend mannetje rietgors als mooiste streepje voor die dag.
De blijkbaar nodige regels die Wouter er aantrof
Vrijdag was het opnieuw tijd om het ravennest dat we vorige jaar al vonden te gaan controleren. Enkele eerdere bezoeken hadden al aangegeven dat ze nog aanwezig waren. De schijtsporen onder de nestboom gaven aan dat het weer hoog tijd was om ze te ringen. Even later bleek dat bevestigd te worden. Twee stevige pulli keken mij met hun blauwe ogen aan. Met hulp van de boswachter die speciaal zijn regio even liet wachten, kregen ze deze keer een kleurring aangemeten. Klus geklaard. Hopelijk hoor ik binnenkort meer van B26 en B27.
Hypocriet, dat is misschien het woord dat je in je hoofd hebt na het lezen van deze blog. Enerzijds kritisch op de bezoekers van een zeldzaam broedgeval van de dwerguil, anderzijds de dag er voor jonge raven in het nest ringen, toch ook geen alledaagse soort.
Grote verschil: de foto’s en bezoeken met het nodige verstorende afspelen van het geluid hebben totaal geen toegevoegde waarde. Ze zijn enkel een ‘trofee’ voor de fotografen of vogelaars die daar aanwezig zijn. Dagenlang en denkelijk met veel volk. Een groot aantal met het nodige respect en op de juiste afstand. Maar weer een minderheid – dat denk ik althans – die de regels aan hun laars lappen. Ons bezoek aan het ravennest was met 3 man en na een paar uurtjes waren we weer weg. Minimale verstoring en vooral, met een doel. Deze soort monitoren om ze nadien nog beter te kunnen beschermen.
Laten we als birdaholics één belangrijke regel afspreken: de vogels komen altijd op de eerste plaats. Onze dwerguil zal deze zeker bevestigen.
Doelsoort was taigaboomkruiper. Voor zowel Wouter, Pierre als ikzelf een nieuwe ‘Belg’. Dus reden we vanmorgen richting de Hoge Venen. Want op een bekende plek voor Wouter en mijzelf was al meermaals deze soort gezien.
De warme temperaturen en een mooi lentezonnetje hadden heel wat wandelaars en blijkbaar ook vogelkijkers uit hun bed gehaald. Nog maar pas vertrokken aan de parking kwamen we al een groepje vogelaars tegen. Hun commentaar was echter heel schaars. ‘Niets gezien’ was de sobere boodschap. Dus wandelden we maar verder en konden vuurgoudhaan, zwarte mees, glanskop en kuifmees aanvinken (vink dus ook). Allemaal volop zingend. Leuke wandeling. Ondertussen kwamen we meer vogelkijkers tegen. Hun doelsoort was duidelijk niet taigaboomkruiper. Ze waren allemaal op zoek naar notenkrakers. Tja, die wilden wij ook wel zien. Een zeer vriendelijke fotograaf gaf ons een tip: ‘de helling op en waar het terug omlaag gaat heb je kans om hem te zien’. Nuttige info. ‘Wij zagen er eentje op een kilometer. Net nadat die grote groep was vertrokken.’ Ok, nu wisten we waarom we daar zo een kouwelijke reactie kregen.
De doelsoort wijzigde dus van ‘taiga’ naar ‘kraker’. De aanwijzingen die we kregen waren blijkbaar toch niet zo simpel. Of wij hadden niet goed geluisterd (denkelijk zal het dat wel geweest zijn). Want na de afdaling bleef dat zicht waar je notenkrakers kon zien op een kilometer uit. Toen we bij een open plek kwamen met een aantal dode dennen vermoeden wij dat we onze bestemming bereikt hadden. Maar buiten zwartkop, zingende boompieper en een drietal overvliegende gaaien, bleef het stil. Met hetzelfde gevoel als die groep van net na ons vertrek vatten we de terugweg aan. Opmerkingen als ‘toch een mooi lijstje’ en ‘die stevige wandeling hebben we dan toch gehad’, werden boven gehaal dom onze teleurstelling wat te relativeren.
Af en toe bleven we toch even staan. Wie weet vonden we onze taigaboomkruiper toch nog. Aan een brandgang zag ik plots tegen het bos een vogel opvliegen. Dadelijk riep Wouter: ‘witte staartband!’. Jawel, we keken alle drie naar een notenkraker. Onze telescopen lagen in de auto – want in het bos is dat meestal enkel een lastig gewicht – dus moesten we het met onze verrekijkers doen. Maar het beestje werkte goed mee. Hij ging even mooi in een spar zitten en Wouter kon zelfs een bewijsfoto maken. Euforie alom. Twee wandelaars – die van Kortessem bleken te zijn – spraken ons aan. Ze moesten even hebben gedacht dat ze een trio gekken hadden laten ontsnappen. We waren door het dolle heen. Maar het werd nog beter. Want onze notenkraker begon druk voedsel te zoeken in de door everzwijnen omgewoelde brandgang. Hij hipte langzaam onze richting uit. Ons enthousiasme kon niet op. Steeds dichter en dichter. Tot hij op minder dan 10 meter van ons was genaderd. Zich totaal niets aantrekkend van die drie rare kwieten, die ademloos bleven kijken met ondertussen een hartslag waar menig atleet zelfs duizelig van wordt. Zelfs zonder verrekijker kon ik deze notenkraker in al zijn schoonheid bewonderen. Wat een topervaring! Een nieuwe ‘Belg’, voor mij zelfs een nieuwe ‘lifer’.
De eerste roepende koekoek voor dit jaar, die ik hoorde toen ik na de middag thuis even buiten in mijn tuin liep, was een leuke aanvulling. Hij kwam zonder twijfel mij even feliciteren met die geweldige ontmoeting met ‘mijn’ notenkraker.
Heeft het te maken met de enorme diversiteit van deze groep? De uitdaging om al die verschillende kleden te matchen met de juiste soort? De kans om een dwaalgast te ontdekken? Wie zal het zeggen. Maar steltjes trekken mij gewoon aan en ik ben niet de enige.
Wie steltjes wil zien op dit moment moet naar gebieden met grote moddervlaktes, ondergelopen weides of velden of grote waterplassen met modderige oevers. Ik wil mijn voetafdruk en brandstofrekening zo klein mogelijk houden en dus kom ik vanzelf uit in Schulen. Het daar gelegen overstromingsgebied kreeg de voorbije jaren een stevige natuurrenovatie. Met succes. Op nog geen half uurtje rijden van mijn ‘hometown’ ligt momenteel het beste vogelgebied in het binnenland. Een quote die ik cadeau kreeg van een jonge volgelkijker die ook verliefd werd op deze natuurparel op Limburgse bodem. Dat ik op deze droomplek maar een handvol vogelkijkers tegenkwam is voor mij een raadsel.
Een zicht op de buitendijkse ondergelopen graslanden
Het Schulensbroek zit momenteel propvol met gevederde juweeltjes. Bijna allemaal vinden ze water, in welke vorm dan ook, top. Zomertaling – ik vond er minstens vier – als een van de bonussen. Bij elke scan over het gebied krijg ik steltjes in beeld. Geen enorme aantallen zoals op de slikken aan de kust. Maar toch een mooie variatie. Het leuke is dat ik verschillende keren mijn (digitale) vogelgids er moet bijhalen om ze op naam te brengen. Zwarte ruiter (jawel, die rode snavelbasis doet het), bonte strandloper (ook even moeten opzoeken), kleine plevier, kemphaan, kluut en als toetje, de koningin van de weidevogels, de grutto.
Het blijven knappe beestjes, die grutto’s
Tussendoor genoeg andere leuke soorten. Met als mooi intermezzo mijn eerste boerenzwaluwen voor dit jaar. En ik mag het gerust zeggen. Het is lente! Want het waren er tien en niet één. Anders had het voorjaar nog even moeten wachten.
Vandaag opnieuw op pad. Mijn jaarlijst in gebieden van Limburgs Landschap mocht nog wat soorten bijkrijgen. De melding dat er in Negenoord aan de Maas een koppel ooievaars was aangekomen en een van onze – vorig jaar nog maar geplaatste – nestpalen hadden uitgekozen dreef mij die richting uit. Het verliefde paartje stelde niet teleur. Constant samen, zowel op het nest als in het veld, luid klepperend en als klap op de vuurpijl, parend! Daar komen baby’s van. Maar dat is nu eenmaal waar ooievaars mee bezig zijn.
Dankzij dit bezoek staat mijn jaarlijst op een ronde 90 soorten gezien in gebieden van Limburgs Landschap. Bijna halfweg.
Het verliefde koppeltje op hun (hopelijke) toekomstige nestjeZingende blauwborst op een fotogenieke kaardenbolRoodborsttapuitjes, altijd een cadeau
Een rondje Schulens Meer is nooit een teleurstelling. De weides rond het meer staan voor een mooi deel onder water en leveren dan ook een prachtig lijstje met soorten op. Zomertaling, rode wouw, slechtvalk, pijlstaart, smient, bontbekplevier, bonte strandlopertjes (nieuwe soort voor Wouter), kemphanen en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Maar de ster van de voormiddag bleef voor mij toch een zingend mannetje rietgors. Ik zag hem al bij het begin van onze ontdekkingstocht, volop zingend. De blauwborst en de tjif-tjafkes die we hoorden deden ook hun best. Maar daar was de toon duidelijk nog niet vol gezet. Bij deze rietgors was het al volle gas. Zijn eentonig deuntje joeg hij over het water van een vol meer. De boodschap werd door de golfjes meegenomen op weg naar een partner voor weer een energiek broedseizoen. Opnieuw en opnieuw. Hoopvol en vol goede moed.
Maar de reden waarom ik deze kerel zo graag hoor en zie heeft met zijn jaarlijkse metamorfose te maken. Rietgorzen zijn een van de vele soorten die hun prachtkleed krijgen omdat hun veren afslijten. Hun prachtig zwarte kruin en bef komt er stilaan door. Het geluid is in dit geval sneller dan het oog. Normaal is het omgekeerd. Als je goed kijkt zie je nog wat sporen van een minder opvallend winterkopje. Ook de kleurtjes op de rug mogen nog wat aandikken. Een jonge man die voor het eerst zich op het spannende liefdespad gaat begeven. Ik wens hem alvast alle succes.
Zelf ben ik ook een slachtoffer van dat slijtage-effect. Enkel komt er bij mij geen prachtkleed te voorschijn, maar een grijze versie met een doorkijk. Mijn deuntje is dan ook nog eens eentje met heel wat valse noten. Rietgorzen, ik ben er toch een beetje jaloers op.
Als er één vogel is waarvoor ik graag meer dan een uur in de auto zit, dan is het de pestvogel. Het was alweer meer dan zeven jaar geleden dat ik deze vliegende kunstwerkjes had mogen aanschouwen. Ze passeren dan ook niet elke winter in ons landje en mijn inspanningen om speciale soorten te gaan bezoeken was wat gedaald. De fout lag dus aan beide kanten van het spectrum. Dit jaar is de kans weer wat gestegen. Dit dankzij de motivatie van onze actieve viervuldigheid. Met meer kilometers en langere jaarlijstjes als gevolg.
Dus stond ik om half tien op een industrieterrein vlakbij Charleroi naar een met rode besjes begroeide rand van een parking te kijken. Want op die desolate plek zat al enkele weken een pestvogel mooi te wezen. Het feit dat er nog meer mensen gewapend met het nodige fotomateriaal dezelfde richting uitkeken gaf mij wat moed. Luttele minuten later landde mijn doelsoort voor die voormiddag op de locatie waar hij verwacht werd. Alsof het allemaal netjes in een voorliggend scenario was afgesproken. Enkel het hokje waar je een inkomkaartje kon kopen moest ik er even bijdenken. Een applaus van klikkende fototoestellen sloot de voorstelling af. Terecht!
Pestvogels zijn nu eenmaal prachtige verschijningen. Hun verenkleed lijkt opgebouwd uit zijden draadjes. Dat kuifje maakt hen extra sympathiek. Een effect dat ik voel bij elke vogel die voorzien is van zo een accessoire. Alles wordt netjes afgewerkt met gele, witte en rode details en een mooi zwart masker. Het kenmerk van de bandiet in de film, die eigenlijk een held is. Vooral de tekening op de vleugels vind ik een meesterwerk. De gele randjes en die subtiele rode vlagjes zijn echt een uitvinding waar hopelijk een patent op genomen werd. Uniek in zijn soort. De naam pestvogel vind ik dan ook totaal ongepast. Onze overzeese buren zitten er met hun ‘waxwing’ boenk op. ‘Wassen vleugel’ vrij vertaald. Dat klinkt toch echt veel beter voor deze schoonheid.
Voor de kenners. Het ontbreken van de witte randjes op de handpennen maakt er een tweedejaars van (dus vorig jaar ergens uit het ei gekropen). De brede gele uiteindes op de staartpennen en de grotere zwarte bef zijn dan weer kenmerken voor een mannetje.
De berichtjes stroomden een na een binnen. Op onze WhatsApp van de vogelwerkgroep werd het woord ‘kraanvogel’ massaal ingetikt. Want ze waren daar. Met duizenden. Van overal uit onze regio werden ze gemeld: overvliegende groepen kraanvogels.
Zelf bleef ik heel lang kraanvogel-loos rondlopen. Maar gelukkig was er een groep van 96 stuks – netjes kunnen tellen – die zich aan mij toonde, na een bezoekje aan een mooi stukje bos bij mij in de buurt waar ik een koppel raven opvolg. Een ‘knorrende’ raaf en ‘toeterende’ kraanvogels. Een mooie combinatie.
En een rode kelkzwam, het moet niet altijd pluimen hebben om te bekijken
Voormiddag ging ik op pad samen met Pierre. Bestemming was een verborgen pareltje: Tiewinkel in Lummen. Dit kleine natuurgebied van Limburgs Landschap ligt vlakbij de autostrade. Dus het geluid van voorbijzoevende auto’s moet je ven wegfilteren. Maar dan blijkt het een mooi stukje natuur. We werden al dadelijk welkom geheten door roepende en roffelende kleine bonte spechten. Ik blijf mij er over verbazen hoe minuscuul ze wel zijn. Aan de vijvers is er altijd wel iets te beleven. Maar de soort die ons – alweer – deed opkijken van wat ze toch kunnen realiseren is de bever. Vlakbij de autostrade heeft een familie een mooie oppervlakte netjes onder water gezet. Met een fenomenaal plekje als gevolg.
Nadien reden we de brug over en kwamen we terecht in een van de meest besproken stukken Limburgse natuur van de voorbije jaren: de Groene Delle. Ondertussen was het zanggeweld van onze vogels al wat geluwd. Tot we een zacht tikkend geluid hoorden: een appelvink. Die hadden we hier niet echt verwacht. Toen hij zijn zachte liedje ook nog eens ten gehore bracht was het voor mij een topmomentje. Net er voor hadden we al een ijsvogeltje kunnen bewonderen. Zelfs met ‘gewone’ soorten op ons lijstje een mooie voormiddag.
Zicht op het beruchte ‘koet’ in de Groene Delle
Deze voormiddag vond ik even tijd om met mijn camera en uitschuifstok de bosuilenkasten te gaan inspecteren. Vorig jaar was dat niet gelukt, dus hoog tijd om er dit jaar werk van te maken. Want deze soort zit momenteel op eieren, het is een van onze vroegste broedvogels. Het resultaat was echter dramatisch. Geen enkele nestkast bleek bezet. Nochtans een soort die ik elke avond hoor roepen bij mij in de buurt. Misschien dat ze onze nestkasten toch niet luxueus genoeg vinden. Liever een holle boom dan een houten kist is hun motto.
Vorig weekend stonden we nog bijna met onze voeten in de Noordzee, nu gingen we de andere kant op. Richting het hoge oosten: de Hoge Venen. Van de ene kant van ons land naar de andere. We wonen dan ook in een (bijna) mini-staatje waar je deze tocht zelfs op één dag kan volbrengen.
Samen met Wouter en – voor de gelegenheid – Vincent reden we de sneeuw tegenmoet. Dat wisten we op dat moment nog niet, want onze buienradar had tot tegen de middag droog weer voorspeld. Niet dus. Op het hoogste punt van België lag een laagje sneeuw. Mooi, maar niet ideaal om vogels te kijken. Zeker niet als er voortdurend nog sneeuw naar beneden valt, vergezeld met een snijdige, koude wind en af en toe een gordijn van mist. Toch konden we twee vrouwtjes blauwe kiekendief bewonderen tijdens een speelse vlucht en kregen we een mooie groep edelherten in beeld. Dit in een schitterend decor van een besneeuwde veenvlakte. Een boswandeling in de buurt leverde een mezenlijstje op: kool-, pimpel-, zwarte-, kuifmees en als toetje een matkop. Die zie je – jammer genoeg – niet zo vaak meer.
Na een slappe tas chocomelk reden we terug naar Limburg. Onderweg werd beslist om in Luik een tussenstop in te lassen. In een mini-stukje-natuur (dat hebben we wel meer in ons zielige mini-staatje) werd de voorbije maanden buidelmees gezien. Hoewel het al even geleden was dat ze gemeld werd waagden we een poging. Bij aankomst bleek er een ploeg arbeiders aan het werk. De hoop om iets te vinden was dan ook heel laag. Maar dat bleek onterecht. Want even later zagen we vlokjes lisdoddepluis door de lucht vliegen. Het teken dat er buidelmezen in de buurt zijn. Pimpelmezen durven dat ook wel eens doen. Maar deze keer was het wel degelijk onze gemaskerde vriend die dit veroorzaakte. Iets later hadden we de buidelmees vol in beeld. Vlakbij en heel actief. Voor Vincent bleek het een nieuwe lifer. Voor mij was het een blij weerzien van een oude vriend. Mijn vorige ontmoeting bleek al geleden van 2009 in Hollogne-sur-Geer. Veel te lang om deze prachtige pluizer te begroeten.
Jawel, de 300ste soort voor mijn Belgische lijst is een feit. Nogmaals, geen prestatie waar vogelkijkend Vlaanderen ook maar een seconde van zal wakker liggen. Maar voor mij toch een mijlpaaltje. Van het formaat van een heel bescheiden houten versie ergens langs een verlaten veldwegje.
Gisteren ‘scoorde’ ik zo maar eventjes drie nieuwe Belgen. Hoewel het helemaal anders had kunnen lopen. Onze trip naar de kust werd even in het gedrang gebracht omdat Gert – onze vaste chauffeur – liet weten dat hij geveld was door een stevig griepvirus. Maar de rest van de bende besloot dan toch om door te zetten. Wouter werd driver van dienst en samen met hem en Pierre reed ik om 7u ’s morgens richting ons prachtige, verknoeide kustlijn.
Een goede twee uur later stonden we met zijn allen naar een grote groep ganzen te kijken in het overbekende – niet voor mij dus – Vlissegem. Want tussen al die kolganzen en brandgansjes liepen twee spierwitte exemplaren. Waar bijna elke vogelkijker volledig geen aandacht aan zou besteden in normale omstandigheden. Maar hier ging het om een paar Ross’ ganzen waarvan eentje dan ook nog eens een ring rond zijn poot had zitten. Een kenmerk dat in alle andere situaties zou betekenen dat ze straal werden genegeerd bij het bekijken van zo een mooie groep gakkende grazers. Niet deze keer. De ring was het ultieme bewijs dat dit paartje vanuit het verre Canada naar Europa was gereisd. Dit wel met een russenstop in Noorwegen en Denemarken. Een unicum! Ik wil ons (mogelijk) koppeltje toch even bedanken dat ze meer dan 5 maanden op mij hebben zitten wachten. Want zo lang heeft het geduurd voor ik tot bij hen ben geraakt. Voor de lezers die wel wat weten van ganzen, maar net als ik totaal geen specialisten zijn – dat bewijs komt er dadelijk nog aan – dit zijn geen sneeuwganzen. Foutje, eigenlijk wel. Maar niet alle sneeuwganzen zijn Ross’ ganzen. Omgekeerd wel. Het gaat hier om een kleinere versie van een sneeuwgans met nog wat andere kenmerken waardoor je ze uit elkaar kan houden. Maar die ga ik jullie besparen. Daarvoor heb je ondertussen een goede vogelgids in je boekenkast staan of – zoals het hoort – binnen handbereik liggen.
Twee Canadese vakantiegasten aan hun ontbijt
Tijd voor een volgende nieuwe Belgische soort. Eentje waar ik liever niet te veel ruchtbaarheid aan geef. De kleine rietgans. Deze sympathieke waterbeesten komen iets meer voor. Om eerlijk te zijn, maar liefst 32.000 keer meer. Dat is het aantal dat vorig jaar op de Wes- Vlaamse akkers op bezoek kwam. Weliswaar een dalende trend (dus voordien was het voor mij nog beschamender). Maar voor iedereen is het ondertussen wel duidelijk dat zo een talrijke wintergast missen op je lijst eigenlijk een (wan-) prestatie is. Een stevige schaamsoort om het in vogelkijktermen uit te drukken. Dus snel aan voorbij gaan zou ik zeggen. Maar het wordt nog pijnlijker. Na ons bezoekje aan de Canadezen reden we richting Stalhille. Op een van de vele smalle – volgens Wouter te smal – veldwegjes hielden we halt met een groepje van een viertal ganzen. Ze werden in ObsMapp als kleine rietjes ingegeven. Missie geslaagd denk je dan. Toch niet. Want nadien bleken het eerste winter kolganzen te zijn. Mijn kennis van deze groep is echt niet op niveau. Gelukkig konden we iets verder een 500-tal exemplaren van mijn stevige schaamsoort goed bekijken. Die gingen wel juist de app in.
Aangezien we dicht bij onze Noordzee waren aanbeland, vonden we dat we die grote plas ook moesten gezien hebben. We deden wel een tussenstop aan een iets bescheidenere versie: de spuikom in Oostende. Daar sloten we aan met een trio van jonge Waalse vogelkijkers. Die waren ook op zoek naar de daar ronddobberende ijsduiker. ‘Nog niet gevonden’ was hun antwoord op onze welbekende vraag ‘al gezien?’. Een korte scan bewees dat ze met hun verrekijkers en oude telescoop blijkbaar niet het juiste materiaal hadden om deze wintergast aan de overkant te kunnen zien. Na een kris-kras-rit door de Oostendse achterbuurt stonden we even laten aan die overkant. Al snel vonden we onze ijsduiker terug. Hij had echter beslist om zijn naam alle eer aan te doen, door om de haverklap kopje onder te gaan. Na ons zo toch wel een hele tijd bezig te houden met een spelletje ‘waar-duikt-hij -nu-weer-op’, liet hij zich in mooi licht en redelijk dichtbij volop bewonderen. Wat een beest!
De niet ondergedoken ijsduiker
Tijd om te genieten van een typische kust-maaltijd. Een maatje met ajuin voor de chauffeur en twee porties kibbeling met tartaar voor ons aan een van de viskraampjes vlakbij de vismarkt van Oostende. Wegens gebrek aan parkeerplaatsen en onze gierigheid om te betalen voor een ondergronds plekje voor onze auto, bleef Wouter rondjes rijden in de buurt tot wij onze bakjes met vis – noodzakelijk beschermend vasthouden tegen de dreiging van overvliegende, brutale zilvermeeuwen – ergens konden gaan oppeuzelen. Gelukkig moesten wij hiervoor niet telkens kopje onder gaan.
Na deze bescheiden, maar toch heerlijke, maaltijd reden we op aangeven van waarnemingen.be en onze routeplanner naar een volgende nieuwe Belg voor mij. Dit zou die al lang begeerde nummer 300 worden! Al snel bleek dat de lieftallige stem uit mijn GSM ons zonder verpinken naar exact dezelfde locatie leidde waar wij deze morgen waren gestart. Blijkbaar zat onze doelsoort daar ergens op een paaltje te wachten tot dat knullige drietal zou terugkeren. Nu dus. Net uit de auto had Wouter hem al in beeld: Aziatische roodborsttapuit. Een oosterse – blijkbaar veel blekere versie – van onze ‘paaltjeszitter’. Het ontbreken van tekening op de stuit is ook een goed kenmerk. Dit wist ik nu wel – omdat ik het de dagen ervoor even had opgezocht in die al eerder vermelde vogelgids – dus determinatie bevestigd. De bescheiden kaap werd op dat moment netjes gerond! Door een vogel die op een houten paaltje zat, symbolisch denk ik dan.
De oosterse schone waar hij hoort: op een paaltje.
Toch was ons avontuur in het verre West-Vlaanderen nog niet voorbij. Nog even langsgaan in de Blankaart, bij Betty en Paul. Niet om bij goede vrienden even op de koffie te gaan. Dit is het koppel zeearenden dat vorig jaar met lentekriebels in hun buik besloten om op deze locatie een gezinnetje te stichten. Broeden deden ze vorig jaar nog niet. Neen, ze doen het in de juiste volgorde. Verliefd worden, plekje kiezen, huisje – in hun geval zeg maar stevig nest – bouwen en dan pas komen er eitjes en kleine zeearendjes. Een joekel van een nest bewijst dat ze er klaar voor zijn. Vanaf een brugje op – gelukkig – respectabele afstand kan hun hele escapades volgen. Bij ons bleef dat beperkt tot een zittend exemplaar in een boom in de buurt van het nest die het vertikte om te bewegen, denkelijk Paul. Even later aangevuld met een korte vliegshow met landing op het nest van – denkelijk – Betty. Het zijn indrukwekkende verschijningen met hun spanwijdte zo groot als een deur. Zo dachten alle reigers en ganzen die in de buurt waren er ook over. Hun reden om ze te bewonderen was er wel eentje uit lijfsbehoud. Ze staan dan ook op het menu van dit kersverse koppel.
Dit nest is een primeur voor ons land en dus ook zeker voor de Blankaart. Nog nooit eerder – althans er zijn geen bewijzen van – broedden er zeearenden in ons landje. Wel hebben we er al lang op gehoopt, maar nu is het eindelijk (hopelijk, want die eitjes zijn er denkelijk nog niet) zo ver. Opnieuw kiest er een iconische soort om in onze natuur voor nageslacht te zorgen. Eerlijk gezegd ben ik gelukkiger bij het zien van dit jonge koppeltje, dan bij die twee Canadezen die – wie weet via welke storm – bij ons kwamen aanwaaien.
Mijn eerste solo-bezoekje aan een van de prachtige natuurgebieden van Limburgs Landschap in kader van mijn challenge voor 2024. Het werd Koningssteen-Kollegreend in Kinrooi.
Een van de toppers als het neerkomt op vogels kijken. Bij aankomst werd dit al dadelijk bevestigd met een concert van kwierelierende veldleeuweriken vlakbij de parking. Dit is een bolwerk voor deze soort. Maar dat ze nu al zo actief hun zangvluchten gingen tentoon spreiden was toch een aangename verrassing.
Blijkbaar zijn er wel meer vogelkijkers die dit gebied hoog op hun lijstje hebben staan op dit moment. Dat bewees een mooie groep Nederlandse natuurliefhebbers die met verrekijkers en telescopen vanaf de dijk op de grote plas stonden te turen. Ik volgde hen op een kleine afstand. Maar al gauw bleek de dijk aan de Maas onderbroken door deze machtige stroom die door de overvloedige regen een verbinding had gemaakt met de grindplas. Dus moest ik hen passeren. Een van hen waarschuwde mij – terecht – dat er aan het einde van het pad dat verdween in het water een haas zat. ‘Zodat je hem niet het water injaagt’ was zijn boodschap. Dus zette ik wat verder rustig mijn telescoop neer. Van die haas geen spoor, maar wel zwom er iets verder een koppel middelste zaagbekken. Samen met zijn grotere neef. Zo kon je mooi het verschil zien in formaat. Maar ook de kenmerken van deze soort in vergelijking met de vaker voorkomende grote zaagbek. De mooie en veel uitgebreidere witte tekening op de flank en de schouder, de gekleurde borst, de omhoog gewipte, smalle snavel. Maar vooral de kenmerkende punkerskuif. Geen topzeldzaamheid, maar toch een leuke aanvulling aan mijn Limburgs-Landschap-gebieden-jaarlijst.
Met ondertussen een ronde 70 soorten aangevinkt, zit ik op goed 1/3de van mijn doel voor dit jaar. Een leuke uitdaging. De bonus is echter dat ik mij een beetje verplicht om op pad te gaan in onze natuurgebieden. Zalige opdracht!
GPS-tip voor een bezoek aan dit natuurgebied: Aan de Maas – Kinrooi (Kessenich)
Mannetje middelste samen met een grote zaagbekHet einde van België (of is het het begin) dankzij de MaasHopelijk verhuren ze ook waterfietsenEen van de vele veldleeuwerikenKolgans, wat een beauty’s