Wasvleugels

Als er één vogel is waarvoor ik graag meer dan een uur in de auto zit, dan is het de pestvogel. Het was alweer meer dan zeven jaar geleden dat ik deze vliegende kunstwerkjes had mogen aanschouwen. Ze passeren dan ook niet elke winter in ons landje en mijn inspanningen om speciale soorten te gaan bezoeken was wat gedaald. De fout lag dus aan beide kanten van het spectrum. Dit jaar is de kans weer wat gestegen. Dit dankzij de motivatie van onze actieve viervuldigheid. Met meer kilometers en langere jaarlijstjes als gevolg.

Dus stond ik om half tien op een industrieterrein vlakbij Charleroi naar een met rode besjes begroeide rand van een parking te kijken. Want op die desolate plek zat al enkele weken een pestvogel mooi te wezen. Het feit dat er nog meer mensen gewapend met het nodige fotomateriaal dezelfde richting uitkeken gaf mij wat moed. Luttele minuten later landde mijn doelsoort voor die voormiddag op de locatie waar hij verwacht werd. Alsof het allemaal netjes in een voorliggend scenario was afgesproken. Enkel het hokje waar je een inkomkaartje kon kopen moest ik er even bijdenken. Een applaus van klikkende fototoestellen sloot de voorstelling af. Terecht!

Pestvogels zijn nu eenmaal prachtige verschijningen. Hun verenkleed lijkt opgebouwd uit zijden draadjes. Dat kuifje maakt hen extra sympathiek. Een effect dat ik voel bij elke vogel die voorzien is van zo een accessoire. Alles wordt netjes afgewerkt met gele, witte en rode details en een mooi zwart masker. Het kenmerk van de bandiet in de film, die eigenlijk een held is.
Vooral de tekening op de vleugels vind ik een meesterwerk. De gele randjes en die subtiele rode vlagjes zijn echt een uitvinding waar hopelijk een patent op genomen werd. Uniek in zijn soort.
De naam pestvogel vind ik dan ook totaal ongepast. Onze overzeese buren zitten er met hun ‘waxwing’ boenk op. ‘Wassen vleugel’ vrij vertaald. Dat klinkt toch echt veel beter voor deze schoonheid.

Voor de kenners. Het ontbreken van de witte randjes op de handpennen maakt er een tweedejaars van (dus vorig jaar ergens uit het ei gekropen). De brede gele uiteindes op de staartpennen en de grotere zwarte bef zijn dan weer kenmerken voor een mannetje.

Pestvogel (of liever waxwing) Jumet – 10/03/2024

De kraan ging vol open

De berichtjes stroomden een na een binnen. Op onze WhatsApp van de vogelwerkgroep werd het woord ‘kraanvogel’ massaal ingetikt. Want ze waren daar. Met duizenden. Van overal uit onze regio werden ze gemeld: overvliegende groepen kraanvogels.

Zelf bleef ik heel lang kraanvogel-loos rondlopen. Maar gelukkig was er een groep van 96 stuks – netjes kunnen tellen – die zich aan mij toonde, na een bezoekje aan een mooi stukje bos bij mij in de buurt waar ik een koppel raven opvolg. Een ‘knorrende’ raaf en ‘toeterende’ kraanvogels. Een mooie combinatie.

En een rode kelkzwam, het moet niet altijd pluimen hebben om te bekijken

Voormiddag ging ik op pad samen met Pierre. Bestemming was een verborgen pareltje: Tiewinkel in Lummen. Dit kleine natuurgebied van Limburgs Landschap ligt vlakbij de autostrade. Dus het geluid van voorbijzoevende auto’s moet je ven wegfilteren. Maar dan blijkt het een mooi stukje natuur. We werden al dadelijk welkom geheten door roepende en roffelende kleine bonte spechten. Ik blijf mij er over verbazen hoe minuscuul ze wel zijn. Aan de vijvers is er altijd wel iets te beleven. Maar de soort die ons – alweer – deed opkijken van wat ze toch kunnen realiseren is de bever. Vlakbij de autostrade heeft een familie een mooie oppervlakte netjes onder water gezet. Met een fenomenaal plekje als gevolg.

Nadien reden we de brug over en kwamen we terecht in een van de meest besproken stukken Limburgse natuur van de voorbije jaren: de Groene Delle. Ondertussen was het zanggeweld van onze vogels al wat geluwd. Tot we een zacht tikkend geluid hoorden: een appelvink. Die hadden we hier niet echt verwacht. Toen hij zijn zachte liedje ook nog eens ten gehore bracht was het voor mij een topmomentje. Net er voor hadden we al een ijsvogeltje kunnen bewonderen. Zelfs met ‘gewone’ soorten op ons lijstje een mooie voormiddag.

Zicht op het beruchte ‘koet’ in de Groene Delle

Deze voormiddag vond ik even tijd om met mijn camera en uitschuifstok de bosuilenkasten te gaan inspecteren. Vorig jaar was dat niet gelukt, dus hoog tijd om er dit jaar werk van te maken. Want deze soort zit momenteel op eieren, het is een van onze vroegste broedvogels. Het resultaat was echter dramatisch. Geen enkele nestkast bleek bezet. Nochtans een soort die ik elke avond hoor roepen bij mij in de buurt. Misschien dat ze onze nestkasten toch niet luxueus genoeg vinden. Liever een holle boom dan een houten kist is hun motto.

Van laag naar hoog

Vorig weekend stonden we nog bijna met onze voeten in de Noordzee, nu gingen we de andere kant op. Richting het hoge oosten: de Hoge Venen. Van de ene kant van ons land naar de andere. We wonen dan ook in een (bijna) mini-staatje waar je deze tocht zelfs op één dag kan volbrengen.

Samen met Wouter en – voor de gelegenheid – Vincent reden we de sneeuw tegenmoet. Dat wisten we op dat moment nog niet, want onze buienradar had tot tegen de middag droog weer voorspeld. Niet dus. Op het hoogste punt van België lag een laagje sneeuw. Mooi, maar niet ideaal om vogels te kijken. Zeker niet als er voortdurend nog sneeuw naar beneden valt, vergezeld met een snijdige, koude wind en af en toe een gordijn van mist.
Toch konden we twee vrouwtjes blauwe kiekendief bewonderen tijdens een speelse vlucht en kregen we een mooie groep edelherten in beeld. Dit in een schitterend decor van een besneeuwde veenvlakte. Een boswandeling in de buurt leverde een mezenlijstje op: kool-, pimpel-, zwarte-, kuifmees en als toetje een matkop. Die zie je – jammer genoeg – niet zo vaak meer.

Na een slappe tas chocomelk reden we terug naar Limburg. Onderweg werd beslist om in Luik een tussenstop in te lassen. In een mini-stukje-natuur (dat hebben we wel meer in ons zielige mini-staatje) werd de voorbije maanden buidelmees gezien. Hoewel het al even geleden was dat ze gemeld werd waagden we een poging. Bij aankomst bleek er een ploeg arbeiders aan het werk. De hoop om iets te vinden was dan ook heel laag. Maar dat bleek onterecht.
Want even later zagen we vlokjes lisdoddepluis door de lucht vliegen. Het teken dat er buidelmezen in de buurt zijn. Pimpelmezen durven dat ook wel eens doen. Maar deze keer was het wel degelijk onze gemaskerde vriend die dit veroorzaakte. Iets later hadden we de buidelmees vol in beeld. Vlakbij en heel actief. Voor Vincent bleek het een nieuwe lifer. Voor mij was het een blij weerzien van een oude vriend. Mijn vorige ontmoeting bleek al geleden van 2009 in Hollogne-sur-Geer. Veel te lang om deze prachtige pluizer te begroeten.

Buidelmees Luik 25/02/2024

Gerond!

Jawel, de 300ste soort voor mijn Belgische lijst is een feit. Nogmaals, geen prestatie waar vogelkijkend Vlaanderen ook maar een seconde van zal wakker liggen. Maar voor mij toch een mijlpaaltje. Van het formaat van een heel bescheiden houten versie ergens langs een verlaten veldwegje.

Gisteren ‘scoorde’ ik zo maar eventjes drie nieuwe Belgen. Hoewel het helemaal anders had kunnen lopen. Onze trip naar de kust werd even in het gedrang gebracht omdat Gert – onze vaste chauffeur – liet weten dat hij geveld was door een stevig griepvirus. Maar de rest van de bende besloot dan toch om door te zetten. Wouter werd driver van dienst en samen met hem en Pierre reed ik om 7u ’s morgens richting ons prachtige, verknoeide kustlijn.

Een goede twee uur later stonden we met zijn allen naar een grote groep ganzen te kijken in het overbekende – niet voor mij dus – Vlissegem. Want tussen al die kolganzen en brandgansjes liepen twee spierwitte exemplaren. Waar bijna elke vogelkijker volledig geen aandacht aan zou besteden in normale omstandigheden. Maar hier ging het om een paar Ross’ ganzen waarvan eentje dan ook nog eens een ring rond zijn poot had zitten. Een kenmerk dat in alle andere situaties zou betekenen dat ze straal werden genegeerd bij het bekijken van zo een mooie groep gakkende grazers. Niet deze keer. De ring was het ultieme bewijs dat dit paartje vanuit het verre Canada naar Europa was gereisd. Dit wel met een russenstop in Noorwegen en Denemarken. Een unicum!
Ik wil ons (mogelijk) koppeltje toch even bedanken dat ze meer dan 5 maanden op mij hebben zitten wachten. Want zo lang heeft het geduurd voor ik tot bij hen ben geraakt.
Voor de lezers die wel wat weten van ganzen, maar net als ik totaal geen specialisten zijn – dat bewijs komt er dadelijk nog aan – dit zijn geen sneeuwganzen. Foutje, eigenlijk wel. Maar niet alle sneeuwganzen zijn Ross’ ganzen. Omgekeerd wel. Het gaat hier om een kleinere versie van een sneeuwgans met nog wat andere kenmerken waardoor je ze uit elkaar kan houden. Maar die ga ik jullie besparen. Daarvoor heb je ondertussen een goede vogelgids in je boekenkast staan of – zoals het hoort – binnen handbereik liggen.

Twee Canadese vakantiegasten aan hun ontbijt

Tijd voor een volgende nieuwe Belgische soort. Eentje waar ik liever niet te veel ruchtbaarheid aan geef. De kleine rietgans. Deze sympathieke waterbeesten komen iets meer voor. Om eerlijk te zijn, maar liefst 32.000 keer meer. Dat is het aantal dat vorig jaar op de Wes- Vlaamse akkers op bezoek kwam. Weliswaar een dalende trend (dus voordien was het voor mij nog beschamender). Maar voor iedereen is het ondertussen wel duidelijk dat zo een talrijke wintergast missen op je lijst eigenlijk een (wan-) prestatie is. Een stevige schaamsoort om het in vogelkijktermen uit te drukken. Dus snel aan voorbij gaan zou ik zeggen. Maar het wordt nog pijnlijker.
Na ons bezoekje aan de Canadezen reden we richting Stalhille. Op een van de vele smalle – volgens Wouter te smal – veldwegjes hielden we halt met een groepje van een viertal ganzen. Ze werden in ObsMapp als kleine rietjes ingegeven. Missie geslaagd denk je dan. Toch niet. Want nadien bleken het eerste winter kolganzen te zijn. Mijn kennis van deze groep is echt niet op niveau.
Gelukkig konden we iets verder een 500-tal exemplaren van mijn stevige schaamsoort goed bekijken. Die gingen wel juist de app in.

Aangezien we dicht bij onze Noordzee waren aanbeland, vonden we dat we die grote plas ook moesten gezien hebben. We deden wel een tussenstop aan een iets bescheidenere versie: de spuikom in Oostende. Daar sloten we aan met een trio van jonge Waalse vogelkijkers. Die waren ook op zoek naar de daar ronddobberende ijsduiker. ‘Nog niet gevonden’ was hun antwoord op onze welbekende vraag ‘al gezien?’. Een korte scan bewees dat ze met hun verrekijkers en oude telescoop blijkbaar niet het juiste materiaal hadden om deze wintergast aan de overkant te kunnen zien. Na een kris-kras-rit door de Oostendse achterbuurt stonden we even laten aan die overkant. Al snel vonden we onze ijsduiker terug. Hij had echter beslist om zijn naam alle eer aan te doen, door om de haverklap kopje onder te gaan. Na ons zo toch wel een hele tijd bezig te houden met een spelletje ‘waar-duikt-hij -nu-weer-op’, liet hij zich in mooi licht en redelijk dichtbij volop bewonderen. Wat een beest!

De niet ondergedoken ijsduiker

Tijd om te genieten van een typische kust-maaltijd. Een maatje met ajuin voor de chauffeur en twee porties kibbeling met tartaar voor ons aan een van de viskraampjes vlakbij de vismarkt van Oostende. Wegens gebrek aan parkeerplaatsen en onze gierigheid om te betalen voor een ondergronds plekje voor onze auto, bleef Wouter rondjes rijden in de buurt tot wij onze bakjes met vis – noodzakelijk beschermend vasthouden tegen de dreiging van overvliegende, brutale zilvermeeuwen – ergens konden gaan oppeuzelen. Gelukkig moesten wij hiervoor niet telkens kopje onder gaan.

Na deze bescheiden, maar toch heerlijke, maaltijd reden we op aangeven van waarnemingen.be en onze routeplanner naar een volgende nieuwe Belg voor mij. Dit zou die al lang begeerde nummer 300 worden!
Al snel bleek dat de lieftallige stem uit mijn GSM ons zonder verpinken naar exact dezelfde locatie leidde waar wij deze morgen waren gestart. Blijkbaar zat onze doelsoort daar ergens op een paaltje te wachten tot dat knullige drietal zou terugkeren. Nu dus. Net uit de auto had Wouter hem al in beeld: Aziatische roodborsttapuit. Een oosterse – blijkbaar veel blekere versie – van onze ‘paaltjeszitter’. Het ontbreken van tekening op de stuit is ook een goed kenmerk. Dit wist ik nu wel – omdat ik het de dagen ervoor even had opgezocht in die al eerder vermelde vogelgids – dus determinatie bevestigd. De bescheiden kaap werd op dat moment netjes gerond! Door een vogel die op een houten paaltje zat, symbolisch denk ik dan.

De oosterse schone waar hij hoort: op een paaltje.

Toch was ons avontuur in het verre West-Vlaanderen nog niet voorbij. Nog even langsgaan in de Blankaart, bij Betty en Paul. Niet om bij goede vrienden even op de koffie te gaan. Dit is het koppel zeearenden dat vorig jaar met lentekriebels in hun buik besloten om op deze locatie een gezinnetje te stichten. Broeden deden ze vorig jaar nog niet. Neen, ze doen het in de juiste volgorde. Verliefd worden, plekje kiezen, huisje – in hun geval zeg maar stevig nest – bouwen en dan pas komen er eitjes en kleine zeearendjes. Een joekel van een nest bewijst dat ze er klaar voor zijn. Vanaf een brugje op – gelukkig – respectabele afstand kan hun hele escapades volgen. Bij ons bleef dat beperkt tot een zittend exemplaar in een boom in de buurt van het nest die het vertikte om te bewegen, denkelijk Paul. Even later aangevuld met een korte vliegshow met landing op het nest van – denkelijk – Betty. Het zijn indrukwekkende verschijningen met hun spanwijdte zo groot als een deur. Zo dachten alle reigers en ganzen die in de buurt waren er ook over. Hun reden om ze te bewonderen was er wel eentje uit lijfsbehoud. Ze staan dan ook op het menu van dit kersverse koppel.

Dit nest is een primeur voor ons land en dus ook zeker voor de Blankaart. Nog nooit eerder – althans er zijn geen bewijzen van – broedden er zeearenden in ons landje. Wel hebben we er al lang op gehoopt, maar nu is het eindelijk (hopelijk, want die eitjes zijn er denkelijk nog niet) zo ver. Opnieuw kiest er een iconische soort om in onze natuur voor nageslacht te zorgen.
Eerlijk gezegd ben ik gelukkiger bij het zien van dit jonge koppeltje, dan bij die twee Canadezen die – wie weet via welke storm – bij ons kwamen aanwaaien.

Betty (vermoedelijk) op haar knusse nestje

De Koning(ssteen) te rijk

Mijn eerste solo-bezoekje aan een van de prachtige natuurgebieden van Limburgs Landschap in kader van mijn challenge voor 2024. Het werd Koningssteen-Kollegreend in Kinrooi.

Een van de toppers als het neerkomt op vogels kijken. Bij aankomst werd dit al dadelijk bevestigd met een concert van kwierelierende veldleeuweriken vlakbij de parking. Dit is een bolwerk voor deze soort. Maar dat ze nu al zo actief hun zangvluchten gingen tentoon spreiden was toch een aangename verrassing.

Blijkbaar zijn er wel meer vogelkijkers die dit gebied hoog op hun lijstje hebben staan op dit moment. Dat bewees een mooie groep Nederlandse natuurliefhebbers die met verrekijkers en telescopen vanaf de dijk op de grote plas stonden te turen. Ik volgde hen op een kleine afstand. Maar al gauw bleek de dijk aan de Maas onderbroken door deze machtige stroom die door de overvloedige regen een verbinding had gemaakt met de grindplas. Dus moest ik hen passeren. Een van hen waarschuwde mij – terecht – dat er aan het einde van het pad dat verdween in het water een haas zat. ‘Zodat je hem niet het water injaagt’ was zijn boodschap. Dus zette ik wat verder rustig mijn telescoop neer. Van die haas geen spoor, maar wel zwom er iets verder een koppel middelste zaagbekken. Samen met zijn grotere neef. Zo kon je mooi het verschil zien in formaat. Maar ook de kenmerken van deze soort in vergelijking met de vaker voorkomende grote zaagbek. De mooie en veel uitgebreidere witte tekening op de flank en de schouder, de gekleurde borst, de omhoog gewipte, smalle snavel. Maar vooral de kenmerkende punkerskuif. Geen topzeldzaamheid, maar toch een leuke aanvulling aan mijn Limburgs-Landschap-gebieden-jaarlijst.

Met ondertussen een ronde 70 soorten aangevinkt, zit ik op goed 1/3de van mijn doel voor dit jaar. Een leuke uitdaging. De bonus is echter dat ik mij een beetje verplicht om op pad te gaan in onze natuurgebieden. Zalige opdracht!

GPS-tip voor een bezoek aan dit natuurgebied: Aan de Maas – Kinrooi (Kessenich)

Mannetje middelste samen met een grote zaagbek
Het einde van België (of is het het begin) dankzij de Maas
Hopelijk verhuren ze ook waterfietsen
Een van de vele veldleeuweriken
Kolgans, wat een beauty’s

Viermaal is scheepsrecht

De volhouder wint. Met die gedachte vetrokken Gert en ik deze morgen richting Mol. Doel: de dwergaalscholver die nu al ruim een jaar aanwezig is op de zandputten. Wij deden vorig jaar al drie pogingen om hem te zien. Voorlopig zonder resultaat.

Onze zoektocht begon niet echt hoopvol. De plas waar hij het meest wordt gezien bleek opnieuw dwergaalscholverloos te zijn. Dus naar kanshebber twee. Ook daar geen spoor van deze kleine deugniet. Wat gingen we doen? Blijven rondrijden en plas na plas afspeuren of toch terug naar de Stortplas waar hij vaker wordt gezien? Wij besloten om ons geluk daar nog eens uit te proberen. Het aantal zoekende vogelkijkers was heel gering en de meldingen dat iemand hem had gevonden via waarnemingen.be waren afwezig. Spannend.

Een eerste blik over de plas leverde enkel wat meerkoetjes, dodaars, futen en kuifeendjes op. Ook leuk, maar toch bleven we op onze honger zitten. Tot Gert – wie anders – hem plots zag zitten. Op een tak die in het water hing zat een kleine, bruine aalscholver parmantig rond te kijken. Voor Gert een nieuwe soort, voor mij een mooie waarneming van een vogel die toch niet zo heel vaak ons landje uitkiest om even langs te komen.

Het mannetje topper dat we even later konden bekijken was een mooie bonus voor een leuke voormiddag.

Dwergaalscholver 2de jaars winterkleed- Molse zandputten
Topper adult mannetje in eclips – Molse zandputten

Duikers met een brilletje

Na drie bezoeken aan natuurgebieden van Limburgs Landschap staat mijn jaarlijst op 64 soorten. Zonder echt veel moeite te doen. Maar zoals jullie ondertussen weten. De laatste loodjes wegen het zwaarst. En die zijn nog lang niet aan de orde.

Ik begon dit weekend met een mooie wandeling in Negenoord – als vogelkijkgebied of gewoon eens te gaan wandelen een dikke aanrader – onder een lekker zonnetje (eindelijk) en in goed gezelschap. De plaatselijke vrijwilligers stonden klaar om mij te ontvangen en gingen mee op pad. Superleuk.
Onderweg was er zeker aandacht voor de vogeltjes. Ster van die voormiddag waren zonder twijfel een groepje brilduikers. Niet ver aan de andere kant van de Maas zoals zo vaak of snel voorbijdrijvend in de wilde stroming. Deze keer zaten ze dichtbij de oever van een van de grindplassen. Zodat we ze lekker konden bekijken.

Mannetje brilduiker

Dan merk je pas hoe geweldig deze compacte duikeendjes zijn. De subtiele golvende tekening op hun flank, de unieke groene kleur van hun op het eerste zicht te grote kop, de opvallend witte vlek achter hun snavel en dat alles subliem afgewerkt met een knalgeel oog. De heren brilduiker zijn ondertussen volgepropt met adrenaline. Hoewel ze nog een heel eind moeten vliegen om hun broedgebied te bereiken in het hoge noorden, baltsen ze er stevig op los. Op de brilduikerwijze. De mannetjes zwemmen in schokjes naar hun uitverkoren dame en gooien dan hun kop heel ver achterwaarts op hun rug. Grappig zicht.

Zondagvoormiddag mocht ik opnieuw op pad. Dit keer als gids bij een vroegvogelwandeling van Natuurpunt Borgloon. Een uitnodiging waar ik graag op inging. Hoewel de activiteit startte op een ontiegelijk vroeg uur – we moesten er al om 7u30 zijn, ruim een uur voor het zonnetje opkwam – zag ik toch een groep van een 15-tal enthousiaste en leergierige deelnemers. Ik werd er aangekondigd als dé vogelkenner bij uitstek. Ze noemden mij zelfs een ornitholoog. Een uitspraak die straks ruim overroepen zal blijken. Voor we op pad gingen kwam er al een uil in een boom vlakbij even kijken wie die rare kwieten wel waren die zo vroeg zijn territorium kwamen betreden. ‘Steenuil’ was mijn determinatie. ‘Ik dacht dat die kleiner was’ kwam er commentaar van een van de deelnemers. Maar ik was overtuigd van mijn determinatie. Even later vloog onze nachtelijke jager naar een schouw in de buurt. Ook toen hij daar zat bleef ik met mijn eerste idee dat het om een steenuil ging. Tijdens de wandeling kregen we heel wat vogels in beeld en kon ik mijn verhalen kwijt aan een aandachtig publiek. Na een koffietje van de organisatie ging ik dan ook tevreden naar huis.

Op facebook verschenen in de namiddag leuke beelden van ons avontuur. Waaronder ook een mooie foto van de uil op de schouw van bij de start van onze wandeling. Op die foto stond een… bosuil. De bekende ornitholoog had er stevig langs geklopt. Het vroege uur en de duistere omstandigheden is een excuus dat ik zou kunnen inroepen. Te snel er een soort op geplakt is echter de reden. Ik zondigde tegen mijn eigen wijze lessen die al lang verkondig. Goed kijken en niet te snel conclusies trekken. Pluim voor de deelnemer die mij wilde wijzen op het toch wel grote formaat. Hij zal stilletjes gedacht hebben: ‘vogelkenner, het zal wel’. Hij had gelijk. Wat baten kaars en bril als je enkel steenuilen denkt te zien. Tja, missen is menselijk. Zelfs een ‘ornitholoog’.

Bosuil, nu ben ik zeker.

Woke birding

Bestemming van onze trip was deze keer Hoegaarden. De stad met een lekker biertje op hun palmares. Aan de rand van het centrum was een dwerggors ontdekt. In de buurt van een voederplaats vloog hij samen met een groep rietgorzen en geelgorzen rond. De foto’s op waarnemingen.be beloofden het beste. Dat het een twitch met mooie faciliteiten ging worden bewees het feit dat we onze auto op een parking neerpoten op goed 20 meter van de aangeduide plek.

Een klein groepje aanwezige vogelkijkers en fotografen gaf aan waar we moesten kijken. Bij onze aankomst vloog de groep gorzen op, wat ons een paar boze blikken opleverde van mannen met grote toeters. Maar geen nood, alles bleef in de buurt dankzij een ondergesneeuwd landschap.

De dwerggors ontwarren uit dit kluwen ‘gegors’ bleek geen simpele opdracht. Terwijl de toetermannen zich focusten op de voederplaats, gingen wij voor de haag die blijkbaar het toevluchtsoord was voor de ‘flock’. Met succes. Even later hadden we de toch wel wat anders uitziende gors in het vizier. Het gaat hem om details. Een iets fijnere snavel, een meer opvallende kruinstreep, wat warmere kleur op de wangen en voorste deel van de wenkbrauwstreep, vaak een bleek vlekje op de oorstreek, beigewitte vleugelstreep, een witte oogring. Dit beestje liet een aantal van de opgesomde kenmerken zien, maar toch was het geen senicure om dat te zien in een groep rietgorzen. Dikke duim voor de ontdekker.
Eerste en dus belangrijk kenmerk in mijn vogelgids is ‘klein’. Maar dit is volgens mij in dit geval relatief. Een rietgors heeft een grootte van 13,5 tot 15,5cm. Een dwerggors zit daar net onder met afmetingen tussen 12 en 13,5cm. Een kleine rietgors is dus net zo groot als een grote dwerggors. Begin er maar eens aan.

Dwerggors

Over het woord ‘dwerg’ in dit verhaal even een klein zijsprongetje. In deze woke-tijden zou ik met deze post op mijn blog wel eens in de penarie kunnen raken. Volgens de woke-mensen mag je dat woord niet meer gebruiken. Het zou ‘gors met een klein gestalte’ moeten zijn. In het namenregister van mijn vogelgids staan 10 vogels ‘met een klein gestalte’. Dwergmeeuw, dwergstern en dwerguil zijn er een paar van. Herschrijven die boel? Ik vind alvast van niet.

Voor 3 van onze groep zal het een zorg zijn. Bij hen wordt deze waarneming op hun Belgische lijst genoteerd als dwerggors. Woke of niet. Weer een soort die onze ganse bende kan ‘aftikken’. Want over dat prachtige geluidje van dit mooie wintergastje hebben we het zelfs nog niet gehad.

IJzige eendjes

Soms klopt het plaatje helemaal. Aan de oever van een brede stroom – De Maas in ons verhaal – met een gevoelstemperatuur die mij deed smachten naar de knusse en warme binnenkant van de auto achter mij en in mijn kijkerbeeld een arctisch eendje: een eerste winter vrouwtje ijseend.

Bewijsfoto van de ijseend

Die temperaturen zijn met een korreltje zout – er liggen er momenteel meer dan genoeg op onze wegen – te nemen. Een inwoner van de streken waar dit mooie beestje elk jaar broedt, gaat bij deze temperaturen in een korte broek en t-shirt al fluitend zijn krant uit de brievenbus ophalen. Maar voor mij is dit koud, berekoud. De ijseend vond dat duidelijk niet. Ze dobberde druk poetsend rond en ging meermaals klapwiekend rechtop zitten.

Het is voor mij pas de tweede keer dat ik ze in ons landje kon zien en voor mijn maten zelfs de eerste keer. Zeker in het binnenland een zeldzaamheid. Als er ijseenden opduiken dan is dat vaak op zee. Aan Brouwersdam bijvoorbeeld. Daar klopt dat plaatje dan ook, barkoud.

Net ervoor hadden we kunnen genieten – ook al met koude vingers en tenen – van twee mooie mannetjes witoogeend. Die zijn sinds 2012 een vaste wintergast in Hochter Bampd. Ik vermoed zelfs dat het om dezelfde vogels gaat, maar bewijs heb ik daar niet voor. Als mogelijke bewijslast voor mijn vermoeden kan ik vertellen dat het sinds het begin gaat om waarnemingen van mannetjes, met af en toe een paar uitzonderingen.
Wel heb ik een opmerking op de naamgeving van deze soort. Je ziet inderdaad dat deze mooie eendjes een bleek oog hebben. Maar als er iets wit is aan deze beestjes dan is het toch hun gat. Maar witgateend is mogelijk toch een minder flaterende benaming. ik wou het gewoon even kwijt.

Mannetjes witoogeend

Even terug naar onze ijseend. Wat mij wel opvalt is dat deze – in tegenstelling tot de meeste andere eenden – op dit moment totaal niet in hun mooiste verenpakje steken. Wat jammer is, want in hun broedkleed zijn de mannetjes elegante zwemmer met prachtige sierveren op hun rug en een enorm lange staart. Zo heb ik ze nog niet mogen bewonderen. Dit was ook het geval met het exemplaar dat wij vandaag zagen. Terwijl de daar ook rondzwemmende brilduikers en grote zaagbekken hun trouwkostuum wel al uit de kast hebben gehaald. De koddige brilduikertjes gaven de ganse tijd het beste van zichzelf en gooiden constant hun kop in hun nek. De manier om vrouwtjes te versieren.
Uiteraard was ons ijeendje in haar eentje – deze kon ik niet laten liggen – en ging het om een puber die nog nooit een wijfje kon versieren.
Een snelle blik op wat info over al deze soorten op het wijde web leerde mij dat ijseenden pas tot broeden komen vanaf juli. Terwijl de andere soorten al in april of mei op eieren zitten te broeden. Dus heeft ons arctische eendje nog wel wat tijd op zijn mooiste pakje aan te trekken. Jammer, want mogelijk had een ijseend in prachtkleed het mij iets warmer doen krijgen. Iets wat voormiddag echt welkom was geweest.

Een beetje genant

Je bent een puberende blauwe rotslijster, geboren in het zuiden van Europa – of ergens in die buurt – en je hebt een rebels karakter. Al jouw soortgenoten zijn echte huismussen (niet letterlijk, het zijn natuurlijk allemaal rotslijsters). Maar jij wil die sleur doorbreken, pakt je koffers en vertrekt naar verre oorden. Weg van het rotsgebergte waar je zou moeten blijven. Weg van alles wat voor jou te gewoon is, de wijde wereld in. Je vliegt dagen, weken over bossen, vlaktes, steden en grote meren. Steeds verder en verder. Op zoek naar het ultieme avontuur. Was er toch een zweem van heimwee? Want je bestemming blijkt een stukje rots te zijn dat erg lijkt op jouw geboortestreek. Met als grote verschil dat er vlakbij een drukke kerstmarkt aan de gang is. Niet echt de droombestemming die je je had voorgesteld. Hopelijk ziet niemand jou hier zitten. Maar dat loopt een beetje anders. Want je bent pas de tweede blauwe rotslijster die dit kleine landje bezoekt. Je voorganger had minder geluk en sukkelde meer dan 147 jaar geleden tegen een lijmstok. Je wordt uiteindelijk ontdekt door een vogelkijker die eigenlijk van plan was om die kerstmarkt te bezoeken. Het nieuws verspreidt zich dan ook als een lopend vuurtje. Honderden vogelkijkers willen jou zien op dat petieterige stukje rots vlakbij die kerstmarkt. Een beetje genant.

Je hebt je wekker supervroeg gezet. Want er is een blauwe rotslijster gemeld in Durbuy. Ver rijden, maar dat heb je er voor over. Je materiaal en kleren liggen al van gisterenavond klaar. Een camera met een enorme telelens er op, met een camouflage hoes erover. Zoals het hoort. Je kleren passen daar wonderwel bij. Alles in stoere camouflageprint. Een extra laagje thermisch ondergoed zal nodig zijn, want ze voorspellen niet echt goed weer. Hopelijk komt het zonnetje piepen, want dan kan je goede foto’s nemen van die zeldzame dwaalgast. Sinds 1877 – toen zagen ze de eerste ooit voor België – is deze soort niet meer opgedoken in ons landje. Elke serieuze vogelkijker moet die dan ook gezien hebben. De kans van je leven. Na een lange rit kom je aan in Durbuy. Je parkeert je wagen op het einde van een lang plein. Je ziet al wat andere vogelkijkers voorbij lopen. Terwijl je naar de rots loopt waar de blauwe rotslijster gisteren werd gezien, merk je dat je voorbij een grote kerstmarkt passeert. Daar loopt al wat volk rond, toeristen en denkelijk ook plaatselijke bewoners. Zij in hun zondagse pak, jij in een volledige camouflage-outfit. Gewoon doen alsof er niets aan de hand is en aansluiten bij de grote groep vogelkijkers bij de rots, denk je dan. Een beetje genant.

Blauwe rotslijster – Durbuy – 6 januari 2024
soort nr. 297 op mijn Belgische lijst

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research