Moet er nog hout(duif) zijn

Daar sta je dan. Iets na zonsopgang op een vrijdagmorgen op de parking van de Mc Donalds aan een drukke weg in Sint-Truiden. Opdracht: een van de telpunten afwerken van de ABV-hokken die ik mag tellen dit jaar . Twee ervan liggen in de stad en een industrieterrein in het stedelijke centrum van de Fruitstreek . Daar is het een heel ander verhaal dan in de natuurgebieden waar ik anders vogels ga kijken. Voor mijn ogen schiet de dagelijkse ratrace in gang. Met het nodige gedruis. Niemand let op die rare kwiet die met zijn verrekijker naar boven staat te turen. Niemand die bezig is met de vogels die in die heksenketel hun ding doen. Een vreemd gevoel.

Dikke stadsduiven.

Op mijn eerste punt tel ik maar een paar soorten. Hier een vogel horen zingen is een hele klus. Wie kan al dat lawaai even overstemmen? In de laatste seconden van de vijf minuten die ik moet tellen trekken twee luid roepende kleine mantelmeeuwen mijn aandacht. Ze achtervolgen een roofvogel. Het is een slechtvalk die met een prooi in de klauwen richting centrum vliegt. Hij trekt zich bitter weinig aan van die luid schreeuwende kabaalmakers. Wie zegt er dat er in de stad geen leuke waarnemingen mogelijk zijn?
Wat mij opvalt zijn de hoge aantallen houtduiven die ik er tel. Uiteindelijk staan er na alle getelde punten – dat waren er 12 – maar liefst 67 op mijn lijstje. Stadsduif doet het met minder dan 10 veel matiger. Waar houtduiven vroeger bosvogels waren, zijn ze geëvolueerd naar echte stadsbewoners. Veel veiliger en eten en plekjes om te broeden in overvloed. Wat wil je nog meer. Ik weet nog dat mijn vader ooit vertelde dat elke houtduif, of ‘dikke duif’ zoals ze in ons dorp genoemd werden, door heel wat bewoners in het oog werd gehouden. Eenmaal er een nest werd ontdekt en de jongen veren begonnen te krijgen verdwenen die vaak uit het nest, of wat er voor moest doorgaan, richting de kookpot. Hierdoor was de houtduif een zeldzaamheid in die tijd. Ze werd ook bosduif genoemd. Een indicatie dat ze vooral daar te vinden waren. Nu dus niet meer of toch veel minder. Houtduiven in de kookpot is nu de zeldzaamheid. Volgens mij verdringen ze in de stad langzaam maar zeker de stadsduif van de eerste plek als broedvogel.

Pioniers

Woensdag stond een bezoek aan de Caetsweyers op mijn programma. De eerste echte telling van mijn AVImap-project daar. De werken aan de vijvers zijn ondertussen afgerond en met het broedseizoen in aantocht druppelen de eerste nieuwe bewoners al binnen. Hinnikende dodaars en vleugelflappende kieviten waren hoopvolle waarnemingen. Een snelle, ritmische roep trok mijn aandacht. Vlak boven mijn hoofd kwam een prachtig mannetje kleine bonte specht zitten. Telkens ben ik weer verwonderd hoe minuscuul petieterig deze roffelaars wel zijn. Niet alle vijvers staan trouwens al vol water. Alles speelde zich af aan de twee meest oostelijke vijvers. Want daar is er al wat begroeiing en staat water. De rest van het gebied is een kale bouwwerf. Toch mocht ik ook daar een verwachte gast verwelkomen. Een kleine plevier landde op de zandvlakte die een mooi eiland moet worden. Deze pionier is grote fan van dit soort biotoop. Maar dit zal snel veranderen. Eenmaal de natuur hier terug haar plaats zal innemen verwacht ik hier nog leuke dingen. De aanzet van wat volgens mij een van de topgebieden gaat worden in deze regio.

Caetsweyers maart 2026

Schol! Eksters

Woensdag en zaterdag ging ik ook weer op pad met mijn vriend de ekster. Het is het ideale moment om deze te ringen. Mijn lijstje groeit elke keer stevig aan. Toch heb ik het gevoel dat het aantal broedparen afneemt. Waar ik vroeger zonder veel moeite tientallen nesten kon ontdekken, is het nu vaak toch even zoeken. Ook hier moet je in meer bebouwd gebied aan de slag. Hun motivatie is net dezelfde als bij de houtduiven. Veiliger, meer eten en bomen om een nest in te bouwen genoeg. Op zaterdag reed ik rond in hetzelfde gebied waar ik de dag er voor mijn ABV-telling had uitgevoerd. Maar wat een verschil. Van al die drukte van de dag ervoor was er niets meer te merken. Overal hoorde ik merels zingen en de zwarte roodstaart, die vermoedelijk de dag ervoor daar ook zong, kon ik nu wel prima horen. De kleine mantelmeeuwen waren weer present. Het waren twee koppels en ik ben vrij zeker dat ik weet op welk dak ze hun nest gaan bouwen. Dan ontdekte ik nog een andere ‘ekster’. Luid roepend vloog die over mijn hoofd. Een scholekster! Buiten hun zwart-witte verenpakje hebben ze weinig gemeen met de eksters die ik probeerde te vangen. Het was een paartje. Altijd leuk om die in de Fruitstreek te mogen opschrijven.

Scholekster (illustratie Thorburn)

Bezet

Zondag opnieuw vroeg uit de veren. Afspraak aan de kapel van Helshoven waar Nathan en Jens, twee enthousiaste en jeugdige vogelkijkers, mij stonden op te wachten. Alleen al dat feit maakte dit tot het leukste moment van de hele week. Nathan had het plan opgenomen om natuurgebied Helshoven te gaan inventariseren. Hij had mij gevraagd om eens mee te lopen. Mijn raad was hier overbodig, want hij deed dit voortreffelijk. Eigenlijk zelfs beter dan mij. Want hij had zich voorgenomen om bijna alle soorten op te volgen. Zelf moest ik tot mijn schande toegeven dat ik heel wat soorten liet voor wat ze waren. Denk aan tjiftjaf, winterkoning of roodborst. Na ons bezoek speelde ik met het idee om die toch mee te nemen. We zullen zien. Een leuk gebiedje trouwens. Met heel wat riet en water. Dus kans op leuke soorten. Hopelijk mag ik nog wel eens een keertje mee op pad.
Omdat we rond 10u al rond waren passeerde ik nog even door de Broekbeemd. De twee nesten van blauwe reiger die mij vorig jaar waren aangewezen door een buurtbewoner waren bezet. De – vermoedelijk reeds – broedende vrouwtjes drukten zich, maar ik kon hun kop nog net zien. Mijn eigen mini-kolonie was nu officieel een feit.
Dat ik ’s middags ook nog een paar orchideetjes ontdekte die hun eerste blaadjes open spreidden in mijn bloemenweide thuis zorgden voor een waardige afsluiter van een drukke, maar boeiende week. Laat de lente nu maar losbarsten!

Pica-party

Een weekje met veel regen en dus wat minder vogeltjes kijken. Maar het weekend maakte vele goed. Dat stond bijna volledig in het teken van onze gevederde vrienden.

Dromenvanger

Het begon op vrijdagavond met onze jaarlijkse bijeenkomst van de Vogelwerkgroep Fruitstreek. Deze keer hadden we Kris Hermans uitgenodigd om een lezing te komen geven over zijn trip naar het hoge noorden. Hij maakte zijn reputatie meer dan waar. Een rasverteller en topfotograaf. Een combinatie die ons ruim twee uur stevig kon boeien. Laplanduilen, taigagaaien, haakbekken en meer van dat moois passeerde op het scherm. Zijn enthousiasme werkte aanstekelijk. Maar mijn droom om er ook met zo een kleine camper op uit te trekken werd na een (wel heel kort) gesprek met mijn echtgenote de volgende dag geplaatst waar het thuishoort. In een dromenvanger.

Kris in actie, toen mijn droom nog bestond

Lokker

Op woensdag kreeg ik mijn lokker te pakken om eksters te gaan ringen. Dus reed ik zaterdag en zondagnamiddag rond met mijn nieuwe vriend. Eigenlijk een vriendin, want het is een vrouwtje. Zij brengt zonder moeite het hoofd van elk koppeltje eksters dat ik kan vinden op hol. Het begon wat hobbelig. Bij de eerste poging bleef het deurtje van de val hangen. Dus vloog de ekster die ik dacht gevangen te hebben netjes de kooi uit. Bij de volgende poging was het opnieuw raak. Maar bij het dragen van de kooi naar de auto schoof er weer een deurtje open. Onhandig van mij en weg ekster. Gelukkig ging het vanaf dan wel beter. Eksters zijn heel slimme beestjes, maar bij het verdedigen van hun nestplek in het voorjaar nemen de hormonen het over van hun verstand. Het lijken wel mensen. Ondertussen staat mijn ekster-teller op twaalf.

Steentjes

Zondagmorgen reed ik om kwart voor zeven naar de Broekbeemd. Tijd voor mijn volgende telling van de broedvogelinventarisatie van dit gebied. Het was weer geweldig. Toen ik uitstapt hoorde ik al het typische geluid van tegen elkaar schurende steentjes. Mijn eerste zwarte roodstaart voor dit jaar. Die mocht ik wel niet meetellen, want hij zong buiten het door mij afgebakende gebied. Wie wel een plekje kreeg op mijn kaartje waren de boomkruipers die volop zongen, vermoedelijk twee koppels blauwe reigers. Ze vlogen rond in de buurt van de nesten van vorig jaar. Ze waren wel met zijn vijven. Dat is er dus eentje te veel of wie weet, te weinig. Een romantisch koppeltje holenduiven en een zeer drukken nijlgans op de top van een afgebroken populier waren ook kanshebbers om in de database te raken. Het was een mooie maar vermoeiende wandeling. Door drassige stukken waar ik bij elke stap moest afwachten hoe diep ik wegzakte in de plassen. Oversteken van beekjes met een klein hartje en soms twijfel of ik de overkant haal zonder natte voeten. Maar het brengt je wel op heel leuke plekjes.

Prachtig stukje Broekbeemd

Vluchtelingen

Voor ik naar huis reed passeerde ik nog even de roekenkolonie die in mijn buurt zit. De vraag van Pierre en Gert op de vogelavond of de koppels van Alken daar niet zaten maakte mij nieuwsgierig. Vorig jaar telde ik daar een 15-tal nesten. Nu waren het er minstens 60 en er werd nog druk gebouwd. De kans dat dit vluchtelingen zijn van Alken is dan ook heel groot. Even duiden…
Aan de speeltuin zat tot vorig jaar een grote kolonie roeken. Maar door werken werd er door de gemeente beslist om de populieren daar te kappen. De mensen van Natuurpunt hebben nog wat weerwerk geboden. Maar tevergeefs. Nu, populieren staan nooit eeuwig. Dus ooit ging dit toch gebeuren. Maar geen nood. Onze roeken trekken hun plan. Elk koppeltje ging op zoek naar een nieuw plekje en de kous is af. Ik denk dat de kolonie aan de manege in Alken, waar er ook al jaren broeden, zal ook wel uitgebreid worden.
Daarom moet ik lachen met de geweldige actie die de krant haalde over een roekenkolonie in Pelt. De buurt was daar in opstand gekomen omdat deze vogels tijdens het broedseizoen te veel lawaai maakten en hun auto’s en terrassen vol kakskes dropten. Totaal overroepen. Toch kregen ze gehoor bij de plaatselijke politiekers. Tja, logisch, roeken mogen niet stemmen. Maar de beslissing van ANB om de buurtbewoners toestemming te geven om de kolonie te verstoren sloeg iedere vogel- en natuurliefhebber met verbazing. De buren haalden met hun actie niet alleen de krant, maar zelfs het journaal op tv. Zij gingen deze ambetante beesten met een laserpen te lijf. Eerst werden oude nesten weggehaald. Totaal zinloos, want roeken bouwen vaak volledig nieuwe nesten. Maar die laserpennen zouden wel werken beweerden de ‘verdelgers van dienst’. Dat kan, maar het probleem werd gewoon verplaatst. Ook deze roeken zitten nu denkelijk gewoon elders te broeden. Onze angst is nu wel dat iedereen die denkt dat een vogel overlast bezorgt ook met zo een laserding aan de slag gaat. Een gevaarlijke beslissing. Tenzij onze roeken het oplossen door allemaal een zonnebril op te zetten. Zou dat niet cool zijn…


Hij is terug

Mijn vrije woensdag werd opgeslorpt door werken in mijn tuin. Waar voordien een uit zijn voegen gebarsten bosje vol bramen stond ligt nu een voorlopig kale bodem. Klaar om de komende jaren omgevormd te worden naar een weelderige bloemenweide met vooral lokale soorten. Een projectje waar ik vermoedelijk wel wat tijd ga insteken. Bloemen zijn ook leuk. Ik hou jullie zeker op de hoogte met het nodige beeldmateriaal.

Project ‘flowerpower’ dd 24 januari 2026
Project ‘flowerpower’ dd. 4 maart 2026

Terug naar de vogeltjes nu. Want op vrijdag mocht ik voor mijn werk een dagje doorbrengen in het noorden van onze provincie. De inventarisatie van infobordjes in een aantal gebieden daar gaven mij de kans om de ganse dag buiten rond te lopen. Mijn verrekijker ging uiteraard mee op pad. Het aangename aan het nuttige koppelen noemen ze dat. Leukste waarneming van de dag waren vier jodelende wulpen. Een geluid waar volgens mij elke vogelkijker gelukkig van wordt. Zeker in Limburg.

Lentesignaal

Zaterdag vertrok ik net na zonsopgang voor een prachtige wandeling in en rond Gors-Op-Leeuw. De mooi uitgestippelde tocht bracht mij van het ene kerkdorpje naar het andere via holle wegen, adembenemende uitzichten en toch wel wat kwelende vogeltjes. Eentje moest ik toch even checken op mijn app. Ik ben een kluns wat betreft vogelgeluiden. Elk jaar opnieuw moet ik elke soort weer leren kennen. Maar mijn eerste vermoeden werd bevestigd. De eerste zingende zwartkop voor dit voorjaar was een feit. Dan is de lente toch echt heel dichtbij. Minder leuk was dat ik op een tocht van toch meer dan 12 kilometer door een voor geelgors toch wel heel geschikt landschap slechts drie zangposten kon optekenen. Deze soort doet het echt heel slecht.

Dit maakte chatgpt van mijn ontmoeting met die zwartkop

Hup Holland hup

Nu gaan mijn waarnemingen van geelgors sowieso geen punten scoren op de rangschikking van de broedende paartjes. Want deze zingende gele rakkers kweelden te vroeg. Hoe ik dat weet? Wel, dat lees ik op de website van Sovon. De belangrijkste infobron voor iedereen die bezig is met vogels inventariseren.
Onze noorderburen hebben heel wat zwaktes. Denk maar aan hun culinaire talenten. De combinatie van een witte spons die zij omschrijven als een broodje met daartussen een kroket gevuld met een niet te herkennen inhoud aangevuld met het noodzakelijke plastieken pakje mosterd is voor mij al moeilijk te slikken, letterlijk. Als je daar dan nog eens een glas karnemelk bij geserveerd krijgt dan slaan mijn smaakpapillen helemaal tilt. Maar als het om vogeltjes tellen gaat, dan doen ze ons vlot de baard af.

Op hun geweldige website – https://www.sovon.nl/ – kan je voor elke soort een goudmijn aan info ontdekken. Zo staat er bij de geelgors dat je pas vanaf 20 maart een zingend mannetje als een indicator van een mogelijk broedgeval kan noteren. Dus nog even wachten.
Op de lijst van bijzondere broedvogels voor Limburg kwamen er deze week trouwens twee soorten bij die nu wel binnen die datumgrenzen zitten. Boomleeuwerik en cetti’s zanger. De eerste is voor mijn regio niet echt een kanshebber. Maar de cetti’s is dat ondertussen wel. Ooit zat er geen enkele in ons landje of toch heel weinig. Maar ondertussen hoor je hun knallende zang in zo wat elk hoekje waar er wat riet of water te vinden is.
De extra info die Sovon bij deze soort zet op hun website lees je best even na. Want vaak staan daar belangrijke aandachtspunten bij. Zo lees ik bij cetti’s zanger het volgende:

Aanwijzingen: Territoriumindicerende waarnemingen (zingende mannetjes [broedcode 2]); attent zijn op aanwijzingen voor broeden: aanwezigheid paar [brc 3] (tweede vogel aanwezig, echter lastig vast te stellen door verborgen levenswijze), alarm [brc 7], nestbouw [brc 9] en voedseltransport [brc 14]. Soort zingt ook ’s nachts. Territorium kan zich uitstrekken over tientallen hectares, maar bij hoge dichtheden ook erg klein zijn. Broedzorg door vrouwtje.

Wat leren we hieruit? Dat een zingende cetti’s de meest voorkomende waarnemingen zijn. Klopt, want ze zijn heel moeilijk te zien. Maar dat je daarom nog niet zeker bent van een broedende paartje. Een tweede vogel, alarm, nestbouw of voedseltransport kunnen uitsluitsel geven. Maar begin er maar aan. Ik ben al blij als ik een glimp opvang van eentje. Dan blijkt ook nog eens dat hun territoria heel groot kan zijn. Dus elke zingende cetti’s noteren als een broedgeval is mogelijk een vergissing. Ze verplaatsen zich veel sneller door de begroeiing dan ik kan wandelen. Dus opletten en vermoedelijk zijn er in het gebied dat ik ga inventariseren toch wel wat minder cetti’s zangers aanwezig dan we vermoeden. Ze spelen kiekeboe met ons door in een gebied op heel wat verschillende plaatsen te gaan zingen. De gluiperds…

De kop is er af

Deze week ging het van bakken regen en kil naar een ware lentedag. Woensdag was het hek van de dam. Superwarm voor de tijd van het jaar. Het ideale moment om mijn eerste telling in de Broekbeemd te plannen. Want daar ga ik dit jaar een broedvogelinventarisatie doen. Een lang en ingewikkeld woord voor broedvogels tellen. Bedoeling is om een tiental keer in het broedseizoen het gebied volledig te doorkruisen en elke vogel die gedrag vertoont dat kan duiden op een broedgeval op te tekenen. Gelukkig is dat met een handige app op mijn smartphone en niet meer – zoals ik het ook ooit deed – op blad papier met een kaartje en een potlood. Wat dan ook nog eens vochtig wordt zodat je met een doorlopen vodje thuiskomt. Neen, de technologie nam grote stappen en ik volg. Althans dat proberen we.

Te vroeg?

Nu al broedvogels noteren? Inderdaad. Heel wat soorten zijn al druk bezig met de vrouwtjes te behagen. Neem nu de bosuil. Die is al op versierpad sinds begin januari. Hiervoor moet je wel ’s avonds op pad. Dat staat nog op mijn programma. Alle spechten zijn ook al druk aan het roffelen. Zo kon ik drie mogelijke broedparen van grote bonte specht op mijn schermpje intikken. Ook leuk waren de overal zingende boomkruipers. Hun korte maar vrolijke deuntje weerklonk op zeven plaatsen. De wilde eenden waren ook al opgedeeld in koppeltjes. Minstens zes zag ik rondzwemmen op de Herk of op de vele plassen die in het gebied stonden. Maar de ontdekking waren twee nesten van blauwe reigers. Vermoedelijk dan toch. Een bewoner had er mij een paar maanden geleden al op gewezen. Zo te zien werd er al op bijgebouwd en in de buurt zaten twee blauwe reigers. Genoeg tekenen om ze in te geven. Hopelijk kiezen ze dit jaar opnieuw voor dit gebied.


In nesten

Het voordeel van momenteel op pad te gaan is dat je oude nesten goed kan zien. De bomen zijn nog kaal en vooral grotere nesten vallen dan wel op. Zo kon ik de locatie van het nest van een koppel buizerds dat er elk jaar komt broeden perfect lokaliseren. Dat de bewoners er luid roepend rondvlogen was wel een stevige hulp. De code die ik ingaf was ‘waarschijnlijke nestplaats‘.

Bij het inventariseren van broedvogels heb je een mooie keuze uit een aantal codes die verbonden zijn aan nesten. Zo is er ‘bezet nest‘. Dit gebruik je als je een nest ontdekt waar een oudervogel op zit of net vanaf vliegt. Ontdek je een nest met eieren, dan wordt dat ‘bezet nest met eieren‘. Zitten er jongen in, dan wordt het – of wat had je gedacht ‘bezet nest met jongen‘. Niet dat je actief nesten moet gaan zoeken. Maar tijdens zo een intensieve scanning van een gebied kom je ze wel eens tegen. Zeker grotere soorten of kolonievogels kan je op die manier zeker ontdekken. Maar de regel blijft, de vogels gaan voor op de zoektocht. Verstoring moet je ten alle tijden voorkomen.

Daarom is het beter om je te focussen op zingende mannetjes, zogenaamde zangposten. Altijd een indicatie dat er romantiek in de lucht hangt. Oudervogels die met hun snavel vol voedsel naar het nest vliegen zijn ook nuttige waarnemingen. Of die wegvliegen van het nest met een kakje van hun jongen. Veel vogels hebben de gewoonte om tijdens de eerste dagen na het uitkomen van de jongen diens ontlasting – die dan in een vliesje zit – weg te dragen van het nest en elders te droppen. Kwestie van hun nestplaats niet te verraden. Die gaan met de code ‘transport voedsel of ontlasting‘ de boeken in. Dan is er nog de code voor waarnemingen van jongen die net uitgevlogen zijn of voor nestvlieders – dat zijn soorten waarvan de jongen iets nadat ze uit het ei kropen al rondlopen of zwemmen – die je ontdekt. Die noteert men als ‘pas uitgevlogen/ donsjongen‘. Maar daar is het nog even op wachten. Als die jongen ribbedebie zijn dan blijven de oudervogels achter met het lege nestsyndroom. Passeer jij dan net en ontdek je het verlaten nest dan mag je dat ook noteren met de code ‘recent gebruikt nest‘. Hoe herken je dan een gebruikt nest? Wel, vaak liggen er op de bodem de schilfers van de net uitgekomen veertjes. Die zitten bij een jonge vogel – of een oudere vogel die aan het ruien is – in het begin in een witte schacht. De resten van die schacht zie je mooi liggen, zelfs een tijd nadat de jongen zijn uitgevlogen. Nog een bewijs dat zo een nest werd gebruikt zijn de sporen van uitwerpselen. Dus goed opletten. Want soms kom je ook oudere nesten tegen. Die noteer je uiteraard niet.

Stille kranen

Kraanvogels (John Gould)

De dag van mijn eerste inventarisatie kreeg nog een mooie bonus met een groep van negen overtrekkende kraanvogels. Wel opvallend, ik hoorde ze niet aankomen. Wat voor deze ‘toeterende’ reuzen een beetje a-typisch is. Normaal gezien hoor je hun ‘grus-grus’-roep al van ver. Was het omdat ze maar met negen waren en contact houden niet echt noodzakelijk was? Wie zal het zeggen? Hoewel ik de kiekenvel-bezorgende roep moest missen, was het toch de waarneming van de week. Zo kreeg ik ook nog een klein stukje mee van een dag dat de kraanvogels besloten om naar hun broedgebieden te vertrekken. Jammer genoeg mocht ik ze niet ingeven op mijn app. Maar wie weet, ooit…

Een verdiende nummer twee van waarneming van de week werd op zaterdag genoteerd. Ik had samen met mijn lieftallige echtgenote een weekendje Antwerpen geboekt. Vooral om wat cultuur op te snuiven (aangevuld met wat shoppen tot mijn grote vreugde, dit is zoals de mensen die mij kennen uiteraard sarcastisch bedoeld). Maar midden op de Meir bleef ik even staan. Hoorde ik dit goed? Jawel, een concert van een grote groep puttertjes. Na even zoeken zag ik ze met zijn allen smikkelen van de zaadbollen van een voor mij nog steeds onbekende boom daar op een drukke winkelstraat in hartje Antwerpen. Natuur in steden. Het blijft mij fascineren. Binnenkort mag ik trouwens starten met het tellen van een paar hokken in stedelijk gebied, namelijk St-Truiden. Ik kijk er al naar uit. Weliswaar geen grootstad zoals Antwerpen. Hoewel de Truienaars vermoedelijk anders zullen beweren. Tja, een ras apart. Verlag in een van mijn volgende posts.

Hoogdag

Deze week was het aantal uurtjes vogeltjes kijken vrij beperkt. De weergoden vonden dat de grondwatertafel wel wat mocht aangevuld worden en mijn werkgever vond dat ik een drukke agenda mocht afwerken.

Inspiratie

Maar op zaterdag stond het vogels kijken even niet op nummer één. Want die dag werd de jaarlijkse LIKONA Contactdag georganiseerd. De plek waar elke Limburgse vrijwilliger die met natuur bezig is naartoe komt. Waarom? Wel, ten eerste wegens een reeks interessante lezingen, daarnaast een heleboel leuke infostanden en vooral omdat je daar heel wat mensen ontmoet die je anders niet vaak tegenkomt. Leuke babbels en vooral heel veel inspiratie.

Naast Limburgs Landschap waar ik werk en ook vrijwilliger ben, stond er ook een stand van onze LIKONA Vogelwerkgroep. Hier werd het project rond Algemene Broedvogels in de kijker gezet. Heel wat bezoekers kwamen een kijkje nemen en meerdere gaven zich op als nieuwe tellers. De motiverende oproep van Isabeau bij de korte mededelingen was zeker een extra duwtje in de rug voor heel wat aanwezigen.
Het was een perfecte reclamespot voor onze vogelwerkgroep.

Isabeau in actie

Kek-plons

De lezingen zijn altijd boeiend. Niet alleen geven ze veel informatie, maar ook een ruimere kijk op wat er zich nog allemaal afspeelt in die natuur rond ons. Vaak zijn de boodschappen minder leuk, maar dat geeft aan dat onderzoek door vrijwilligers en burgers superbelangrijk is om de vinger aan de pols te houden.
Zo weet ik nu dat er een Belgisch kampioenschap regenwormen bestaat en dat de winnaar meer dan 50 regenwormen kon naar boven lokken op een oppervlakte van 3 bij 3 meter. Ook weet ik nu dat koolmezen wel een paar processierupsen lusten. Idem voor de parasitaire soorten die een thuis vonden in natuurlijke wegbermen en processierupsen als gastheer gebruiken. Zo werd de populatie van deze ambetante rupsjes met 70% naar beneden gehaald op 4 jaar tijd. Les die we leren hieruit. De natuur lost het altijd wel op als we ze de kans geven.

Ik leerde ook dat een stierkikker niet welkom is bij ons – terecht, hij eet graag onze lokale fauna op zoals ik kon zien op een van beelden – en roept als een kleine stier. Tenzij hij nog klein is, dan doet hij ‘kek-plons’. Ook vernam ik dat elke ‘speciale’ boom op een kaart werd gezet en als hij op je dak staat dan kap je hem niet te snel om, maar laat je hem door iemand van de bomenwerkgroep verplaatsen. Straffe mannen die bomenkenners.
Statistiek en natuur gaan ook samen blijkbaar. De soorten ongewervelden die de revue passeerden tijdens deze lezing waren voor mij allemaal nobele onbekenden. Via een héél lange formule konden losse waarnemingen omgezet worden in statistieken waaruit blijkt of een soort in de problemen zit of niet. Toen ik het spitsprobleemspinnetje zag voorbij komen wist ik al vooraf in welke categorie die zou zitten. Met zo een naam vraag je er gewoon om.
Bij de boeiende uiteenzetting over invasieve exoten bleek dat de nijlgans haar koppositie moest afstaan aan de Aziatische hoornaar. Er bestaat zelfs een tool waarmee men natuurbeheerders kan waarschuwen als er zulke soorten opduiken in hun gebieden. Een gewaarschuwde beheerder is er twee waard.

Toch vogels

Uiteraard kwamen er ook heel wat vogels aan bod. Naast de korte mededeling van onze vogelwerkgroep woonde ik een lezing bij door vogelkijk-icoon Gerald Driessens. Hij gaf een update over de binnenkort te verschijnen nieuwe Vogelatlas. Het veldwerk zit er op en de schrijvers draaien blijkbaar overuren.
Limburg is wat betreft soorten top, maar de tellers lieten het een beetje afweten. Volgens Gerald speelt de leeftijd van onze huidige pool van vogelkijkers hierin een belangrijke rol. De vergrijzing slaat ook hier toe. Een feit dat ik door even rond te kijken in de zaal met mijn eigen ogen kon vaststellen. Hoewel, een blik in een spiegel brengt mij vermoedelijk naar dezelfde conclusie.
Heel wat soorten passeerden op het grote scherm. Zwarte mees gaat achteruit. De oorzaak is op het eerste zicht een gevolg van analfabetisme. De letterzetter krijgt de schuld. Of heb ik dat verkeerd begrepen? Akkervogels blijken de rekening te betalen van een steeds intensievere landbouw. Kievit komt in de winter nog in grote getale voor. Maar jongen groot krijgen in een landbouwwoestijn is zo goed als onmogelijk. Een minder leuke – maar ondertussen bij iedereen wel bekende – boodschap. Voor de ringmus is het bijna game-over. Deze ooit talrijke soort is zo goed als helemaal verdwenen uit Limburg. Idem voor de matkop. Het gaat niet goed met heel wat van onze vogels. Dat mag duidelijk zijn. Deze boodschap onderbouwen is belangrijk. Nog eens kwam de boodschap om waarnemingen dan ook correct en met de nodige details – juiste locatie en broedcode indien van toepassing – in te geven. Gelukkig kwamen er ook succesverhalen voorbij. Zoals de Cetti’s zanger. Waren maar alle grafieken zoals die van deze knallende rietvogel.

Geitenmelker

De lezing die mij het meest bijbleef was die van Michiel Lathouwers over zijn onderzoek rond de nachtzwaluw. Een langlopende en vooral zeer uitgebreide studie met steeds boeiende verhalen rond deze mysterieuze soort.
Zo blijkt dat de meest oostelijke vertegenwoordigers van de Europese nachtzwaluw toch kiezen om te gaan overwinteren in Afrika. Ze vliegen maar liefst 15.000 km naar het uiterste zuiden van Afrika. Dit terwijl ‘onze’ nachtzwaluwen ‘slechts’ 7.000 km afleggen. Afrika, you hate it or you love it. Voor hen blijkbaar de tweede keuze.
In hun overwinteringsgebied werd er onderzocht wat de invloed is van kunstlicht op hun foerageergedrag. Waarom dat niet hier doen? Wel, omdat er in ons landje vol met lichtjes en lampen geen enkele nachtzwaluw kan gevonden worden die op een natuurlijke manier voedsel zoekt. Te veel lichtvervuiling. Tja, ook een boodschap die voor velen de wenkbrauwen deed fronsen.

Nachtzwaluw (illustratie Thorburn)

Alweer een geslaagde LIKONA contactdag. Met hopelijk veel nieuwe vrijwilligers die een deel van hun tijd willen steken in onderzoek. Want dit blijft noodzakelijk. Zelf tankte ik alweer heel wat motivatie om aan de slag te gaan en die natuur te helpen ondersteunen. Mijn batterijtje is alweer wat voller. Gelukkig, want de komende maanden is het voor het inventariseren en opvolgen van broedvogels alle hens aan dek. Druk, druk druk. Misschien dit toch ook even laten weten aan mijn werkgever? Moest hij dit al niet weten.

Lentekriebels

Het mag beginnen wat mij betreft. Ik bedoel dan het broedseizoen. De voorbije week waren de vrije momenten niet vogelkijk-geschikt. Regen was de spelbreker. Mijn vrije woensdag bracht ik door met het opruimen van mijn bureautje thuis. Ook nuttig, maar vogels kijken is toch leuker.
Zaterdag kon ik dan toch even samen met Wouter op pad. Onze zoektocht naar matkop in een mooi natuurgebiedje in Egoven bleef vruchteloos. Wel een schitterend nieuw gebied ontdekt. De rest van de voormiddag werd besteed aan het tellen van watervogels. Kleine zilverreiger en in-extremis een barmsijsje in een groep sijzen waren de kersen op de teltaart.

Nu bleek dat de zondagvoormiddag veel beter was dan dat onze weervoorspellers hadden aangekondigd. Een lekker winterzonnetje na een koude nacht met een staalblauwe lucht. Prima voor een mooie wandeling. De keuze viel op de bossen rond Jesseren. Ik liep door een geweldig landschap en kon onderweg nog een middelste en een kleine bonte specht noteren. Maar alweer geen spoor van matkoppen. De echte bossen waren verboden terrein, dus ik moest het met de plekken doen die daarbuiten lagen of de vogels die ik hoorde vanaf de wandelpaden. Maar ook dat was de moeite. Ik sloot het deel vogelkijken van dit weekend af met een prachtig mannetje appelvink dat even netjes in de zon ging zitten om zich te laten bewonderen. Alsof hij mij wilde belonen omdat ik alweer ging zoeken naar die onvindbare matkoppen. Of was de beloning de zoektocht zelf? Want de tocht is belangrijker en vooral leuker dan het doel.

Gluurders

Vogels krijgen stilaan lentekriebels. De deuntjes van heggenmus en koolmezen worden steeds talrijker. Nog even geduld oefenen en we kunnen volop aan de slag om weer een voorjaar broedende vogels te bespieden. Dit zonder dat we worden aangeklaagd als gluurders. Want daar lijkt het soms toch een beetje op.

In dit Valentijnsweekend gaan we de romantische toer op. Wat gedacht van ‘baltsend paar (ook paring)’? Hier is de term ‘gluurder’ trouwens wel heel dichtbij. Want wij kijken ongegeneerd naar het liefdesspel van onze vogeltjes. Soms het voorspel, maar vaak ook de daad zelf. Een beetje raar, maar wel het bewijs dat er een mogelijk broedgeval op komst is. Vogels trekken zich er weinig van aan. Als ik de houtduiven van katoen zie geven op de telefoondraad in mijn buurt terwijl ik er vlak bij sta,… tja. Zonder scrupules bedrijven ze voor mijn ogen de liefde. De natuur is niet preuts. Als je zo een porno-momentje meemaakt, zeker ingeven. Geen angst, we gaan het nooit als bewijs tegen jou gebruiken. Integendeel.

De code ‘waarschijnlijke nestplaats’ vind ik persoonlijk een moeilijke. Wanneer beslis je om dit in te geven? De meeste andere codes geven dit aan, maar dan gebruik je toch die bewuste code. Tja, ze staat ertussen. Wie weet kom ik toch een situatie tegen waar ik ze gebruik. Voorlopig nog niet dus. Misschien als je een nest ontdekt, maar je bent niet zeker dat het bezet is.

Signalen

Heel vaak geven broedvogels in het broedseizoen signalen die duiden op een territorium of nest in de buurt. Denk maar aan een alarmerende vogel. Dit komt vaker voor dan we denken. Tjakkende merels, tikkende zwartkoppen. Dit geluid maken ze als er gevaar in de buurt is. Dat gevaar zijn wij op dat moment. Niet om zichzelf te waarschuwen, maar een partner op het nest of jongen in de buurt. Dus een meer dan waarschijnlijk broedgeval. Dan geven we ‘alarmerend/ nestindicerend gedrag’ in op onze smartphone.

Er staat ook de code ‘vogel met broedvlek’ tussen. Wel, die in het veld zien is wel een hele opgave. Zelden zie je een vogel even zijn buik tonen. Zeker als daar een kale plek zit. Hoe zou je zelf zijn? Want dat is een broedvlek nu eenmaal. Om de eieren beter warm te kunnen houden ruien broedende vogels hun buikveren en ontwikkelen ze extra bloedvaten op die plek. Als ringer kan je dit goed bekijken met een vogel in de hand. Je blaast dan de buikveren uit elkaar en dan wordt die broedvlek mooi zichtbaar. Het is op deze manier dat wij bijvoorbeeld mannetjes en vrouwtjes steenuil uit elkaar kunnen houden in het broedseizoen. Daarbuiten is dat zo goed als onmogelijk. Bij steenuilen bestaan er voorlopig geen nieuwe mannen. Die laten het broeden over aan de vrouwtjes. Een steenuil met een broedvlek is altijd een vrouwtje. Dus dan kunnen wij eventueel deze code ingeven. Alleen staan wij dan vaak naast een bezette nestkast met eieren erbij. Dan zijn er wel betere en hogere codes.

Als er een vogel voorbij vliegt met een deel takjes of strootjes in zijn of haar snavel, dan weten we ook wat er aan de hand is. Die is bezig met een nest te bouwen. Alweer een code, weer een stapje hoger dan de vorige, die je kan ingeven en die zorgt voor het registreren van een broedgeval. ‘Nestbouw’ kies je deze keer.

Tenslotte heb je ook vogels die ons om de tuin willen leiden als we te dicht bij hun nest komen. Zo een voorbeeld is de kievit. Die gedragen zich als een gewonde vogel wanneer iemand te dicht bij hun nest komt. Met een afhangende vleugel strompelen ze dramatisch rond. Ze vertolken een glansrol als een ware actrice. Ondertussen houden ze hun belager – deze keer ook vaak mijzelf – goed in het oog. Meter voor meter lokken ze mij weg van hun nest. Om dan plots te veranderen in een gezonde vogel en weg te vliegen. De alarmroep die ze dan laten horen klinkt als hoongelach in mijn oren. Een glansprestatie die hen dicht bij een oscar brengt. Zelf tik ik dan beteuterd ‘afleidingsgedrag’ in bij activiteit. Want ‘goed geacteerd’ staat er niet tussen.

Nul is ook een nummer

Als je een oproep doet, dan moet je zelf ook het goede voorbeeld geven. Dus werd de voorbije week eentje die ik deels doorbracht in de Haspengouwse bossen. Of wat die titel daar mag dragen. Want uitgestrekte bossen waar je in kan verdwalen zijn in onze regio niet echt aanwezig. Met een stevige tred ben je er vaak zo doorheen.

Kleine

Op dit moment zijn er een aantal soorten die al actief zijn in hun territorium waar ze denkelijk een nestje jongen gaan grootbrengen. Kleine bonte specht en matkop horen daarbij. Die twee waren dan ook mijn doelsoorten.
Ik startte op woensdag in mijn ‘local patch’, de Herkvallei. Daar kon ik alvast een actief mannetje kleine bonte specht opschrijven. Minutenlang mooi voedsel zoekend vlak voor mijn neus tegen de dikke takken van een populier. Genieten!
Omdat de met onze ‘bird-ketiers’ geplande uitstap naar een kleine burgemeester in Moeskroen in duigen viel – het beestje bleef de dag er voor spoorloos – ging ik zaterdag alweer op zoek in een bos vlakbij: BelleVue-bos in Kortessem. Daar geen kleine, maar wel een middelste bonte specht. Niet één, maar mogelijk drie roepende mannetjes. Die soort doet het echt goed. Daarna pikte ik nog even een paar appelvinken mee in een minuscuul bosje op de grens met Wellen waar ze elke winter wel zitten. Nu weer opnieuw dus. Prachtige dikbekken zijn het.
Pierre deed mee met mijn plan en ging diezelfde voormiddag ook op pad. Hij koos voor Jongenbos. Buiten middelste bonte en appelvink wist hij ook een zwarte specht te scoren.
Maar de dag was nog niet voorbij. Wouter, onze jongste ‘bird-ketier’, stuurde een berichtje of iemand zin had om mee te gaan naar een locatie waar mogelijk een oehoe zou zitten. Ook deze soort kan momenteel al opgeschreven worden als kanshebber voor een territorium. Dus zat ik even laten in zijn passagierszetel op weg naar nog een volgende bos. De locatie houden we liever voor onszelf, want deze grote, stoere uilen blijken toch niet zonder angst. Want ze worden op dit moment snel verstoord. Daarom wil ik de fotografen die de foto veel belangrijker vinden dan de vogel – jawel, ze bestaan – dit liever onthouden. Net voor de zon slaapwel zei waren we ter plekke. Nog geen kwartiertje later hoorden we de diepe roep van de oehoe. De indicatie van een nakend broedgeval, het tweede voor de Fruitstreek volgens mij.

Hornebos

Zondag ging ik bij zonsopgang opnieuw op pad. Mijn plannen om het bos, waar we de oehoe hoorden, uit te kammen liet ik achterwege. Het laatste wat ik wil is deze iconische uil verstoren. Dus reed ik naar het Hornebos tegen de taalgrens. Daar kon ik twee keer kleine bonte specht optekenen. Eentje roepend en daarna een koppeltje dat zonder zich te laten horen in de struiken op zoek was naar eten. Als ik vijf minuten eerder of later was voorbijgekomen had ik ze zonder twijfel gemist. De reden waarom je een gebied best meerdere keren bezoekt.

Matkop, foto uit mijn oude doos

Een soort die bij elk bezoek op mijn lijstje of dat van Pierre ontbreekt is matkop. Deze mees met zijn kenmerkende kermis-trompetjes-roep hoorde ik nergens. Ooit was het anders. Niet zo heel lang geleden – pakweg 10 jaar – broedden er nog meerdere paartjes in de Herkvallei. De foto hierboven is daar trouwens genomen. Deze soort die zich liefst vestigt in natte bosgebieden met veel dood hout is trouwens in heel de provincie en met uitbreiding heel Vlaanderen aan het verdwijnen.

Waarnemingen Fruitstreek

De grafiek laat dit duidelijk zien voor onze regio, de Fruitstreek. De voorbije twee jaar werden er geen meer gezien. Dit jaar waren er twee meldingen. Maar of die correct zijn durf ik niet te zeggen. Want deze mezensoort heeft een dubbelganger, de glanskop. Die doen het iets beter. Je vergissen is snel gebeurd. Enkel het geluid is totaal anders. Voor de rest lijken ze echt heel veel op elkaar.

Nulwaarnemingen

Dat matkoppen ooit een gewone verschijning waren bewijst onderstaande beeld uit het bekende boekje ‘Zien is weten’ uit de jaren ’70. Ik heb bewondering voor de vogelkijkers die met dit boekje ooit vogels hebben op naam gebracht. Het contrast met de huidige vogelgidsen is enorm. Hou met deze tekeningen en omschrijving maar eens een mat- en een glanskop uit elkaar. De roep wordt wel goed beschreven, maar voor de rest is het behelpen denk ik.

Matkop (uit Zien is kennen)

Zoals je kan lezen was op dat moment de matkop een vrij algemene stand- en broedvogel. Nu is het een zeldzame verschijning. Voorlopig staat de teller voor mij op nul waarnemingen. Jammer. Toch is het blijven zoeken naar deze soort belangrijk. Zelfs als we er geen enkele zouden vinden is ons werk niet voor niets geweest. Want een nulwaarneming is ook een waarneming. Het is een mogelijk bewijs dat matkop daar niet meer zit. Een signaal voor de analisten om de achteruitgang te documenteren. Gegevens die dan weer kunnen gebruikt worden om de overheid of andere instanties te wijzen op het verlies van bepaalde soorten. Geen leuk nieuws, maar wel belangrijk om vast te stellen. Nullen tellen mee, maar hopelijk niet te vaak. Ik heb toch liever wat hogere nummers om op te schrijven.

Eén klik maakt het verschil

Het was een hectische week. Niet enkel moest ik afscheid nemen van mijn trouwe viervoeter, maar het was ook pokkedruk op het werk. Daarom bleef het aantal uurtjes vogeltjes kijken beperkt. Een extra bewijs dat je je lijstje van af te werken plannen realistisch moet houden. Zaterdag ging ik kort even wandelen op mijn local patch, maar daar bleef het stil. Voormiddag ging ik nog eens op pad met de muisjes. Ook hier was het een rustige ochtend. Buiten een buizerd die op de bal-chatri kwam – maar door voorbijrijdende auto’s werd opgejaagd – bleef de teller op nul staan. Lege akkers en dan nog wat regen. Mijn muizen mogen – denkelijk – hun werkkledij in de kast hangen tot volgende winterperiode. Zondag scheen er een mooi winterzonnetje, maar ik reed naar een platenbeurs in Hasselt. Tja, te veel hobby’s zeker. Kiezen is verliezen. Hoewel die LP van Jan De Wilde waar ik al lang naar zocht staat nu wel te blinken in mijn kast. ‘De eerste sneeuw’ klonk al door mijn living. Topschijf!

Clusteren

Zijn liedje komt wat te laat denk ik. Langzaam maar zeker zie ik nu al overal de eerste signalen van de lente. Wilgenkatjes, opkomende narcissen in mijn tuin en deze morgen al een fanatiek zingende heggenmus. Het kriebelt. Ook bij mij. In onze regio van de vogelwerkgroep heb ik de kans gekregen om de broedvogels op te volgen. Dit gebeurt door het clusteren – samenbrengen – van zo veel mogelijk waarnemingen. Ook die van jou. Een reeks gegevens komen uit de gebieden die door een vogelkijker volledig worden geïnventariseerd. Daar hoor je later meer over. Maar er wordt ook gebruik gemaakt van losse waarnemingen. Dat aantal is veel groter. Daar wil ik het deze keer eens over hebben.

Heel veel vogelkijkers geven hun waarnemingen in op ‘ObsMapp’ of ‘Observations’ waardoor ze dan terecht komen op de website ‘waarnemingen.be’. Een immense database met miljoenen gegevens. Toch blijkt dat heel wat van die waarnemingen een minieme bijdrage leveren. Hieronder zie je de kaart van het gebied dat ik opvolg met alle losse waarnemingen van blauwe reiger in 2025.

Een mooi aantal verspreid over gans het gebied. Maar de meerderheid van deze waarnemingen werden ingegeven als ‘ter plaatse’. De info die zo een waarneming aanlevert is dat er op dat ogenblik een blauwe reiger aanwezig was op die locatie. De locatie is vaak ook niet echt duidelijk. Vaak slaat een waarnemer die op vanaf de plek waar hij of zij staat. Je wil het aantal watervogels niet weten dat blijkbaar op de dijk zit te niksen. Niet dus, daar stond de vogelkijker die ze heeft opgeslagen met zijn smartphone. Als het systeem – vroeger moesten we dat op papier zelf doen, nu met een simpele klik – deze waarnemingen beoordeelt en clustert dan krijgen we dit.

Slecht twee locaties waar er blauwe reigers zouden broeden. Terwijl ik er 200% zeker van ben dat het er meer zijn. De reden is dat buiten deze twee, alle andere waarnemingen niet voldoen aan de criteria om er een territorium van te maken. Jammer, want met iets meer info zou dat wel het geval kunnen zijn.

Beetje moeite

Die criteria zijn de door SOVON opgestelde voorwaarden om een territorium – soms ook een bewezen broedgeval – te bepalen. Hieronder het voorbeeld voor de kleine bonte specht.

Bij de geldige waarnemingen staat welke broedcode minimaal moet ingegeven worden om in aanmerking te komen voor een gedrag dat duidt op een territorium. Hier gaat het dus over een adulte vogel in de juiste periode, een paar in de juiste periode, territoriaal gedrag of een bezet nest. Minimaal vereist geeft het aantal bruikbare waarnemingen binnen de datumgrenzen die er moeten zijn. Hier dus eentje. De periode voor kleine bonte specht loopt van 25 januari tot 16 juni. Die twee data zijn de zogenaamde datumgrenzen. Elke waarneming daartussen met de juiste broedcode telt mee. Bij fusieafstand kan je zien op welke afstand de paartjes minstens van elkaar kunnen zitten.

Het systeem van Natuurpunt om het aantal territoria te bepalen houdt automatisch rekening met deze criteria. Maar dan moeten je waarnemingen ook de juiste informatie bevatten. In dit geval is het ingeven van een adulte vogel al voldoende. Maar vaak is dat niet zo (zie ons voorbeeld van de blauwe reigers). Maar bij spechten kan je ze vaker horen dan zien. Je hoort onze kleine bonte specht wel eens roffelen in deze periode. Als je dan kiest voor ‘zingend/baltsend’ en je zet je pointer op de kaart netjes op de plek waar je hem hoort, dan is met twee kliks jouw waarneming plots een stuk waardevoller geworden.

Jouw steentje

Voor sommige soorten is het broedseizoen trouwens al gestart. Binnen onze regio van Vogelwerkgroep Fruitstreek hebben wij 60 soorten geselecteerd die we willen opvolgen. De komende weken zullen ze allemaal de revue passeren. Wie nu wat beter oplet en deze soorten ingeeft met de juiste broedcodes kan ons – of de actieve werkgroep in jouw streek – een stuk vooruit helpen.

Momenteel zijn volgende soorten die in ons lijstje staan al actief: oehoe, havik, kerkuil, halsbandparkiet, kleine bonte specht, matkop of slechtvalk. Waarnemingen ingeven voor deze soorten met de juiste broedcodes en correcte locatie levert vanaf nu al belangrijke informatie op. Het door jou ingegeven vogeltje komt dan vermoedelijk in ons overzicht terecht als bezet territorium. Uiteraard kan je voor andere soorten die broedgedrag vertonen dit ook al zo ingeven. Om het simpel te houden doe je dit vanaf nu gewoonweg voor elke vogel die je ziet. Waarvoor dank.

Wat zijn nu die broedcodes? Het zijn er in totaal 16. Wij bekijken ze in mijn blog de komende weken allemaal even.
We beginnen vanaf nummer 1. Dit is ‘adult aanwezig‘. Wat je hier ingeeft is dat je een adulte vogel hebt gezien die totaal geen broedgedrag vertoonde. Eigenlijk komt dit overeen met ‘ter plaatse’. Wel even de locatie juist zetten. Dit kan vaak wel wat verschil maken. Het is vooral belangrijk voor het systeem om de fusieafstanden goed te kunnen beoordelen. Een locatie 100m verkeerd ingeven kan een territorium meer of minder betekenen.

Dan komt ‘zingend/baltsend‘. Dit is de vaakst in te geven code. Je hoort of ziet een vogel zingen – of zoals bij onze kleine bonte specht roffelen – en geeft dit dan ook zo in. Je zal merken dat je dit heel vaak kan gebruiken. Zeker in het broedseizoen. Een kleine moeite maar een wereld van verschil.

Zie je een paartje van een soort. Dan geef je ‘paar aanwezig‘ in. Dit is een stapje hoger. Want een mannetje kan maanden lang zitten zingen. Als hij geen vrouwtje kan versieren, dan zal er ook geen nestje komen. Maar zie je ze allebei samen, dan is de kans op een broedgeval weer een stukje hoger.

Geef jij je waarnemingen in? Zet er dan even de juiste locatie en vooral de broedcode bij. Zo worden ze waardevoller en – vooral belangrijk – zorg je voor belangrijke data om onze vogels op te volgen en bedreigde of soorten die achteruitgaan te helpen. Want onderbouwde data is nodig om de overheid of andere instanties aan te zetten tot actie. En daar kan jij een steentje aan bijdragen.

Er was een plan

Eind januari. Iedereen kent zonder twijfel op dit moment het gevoel wanneer je de net voor of na nieuwjaar gemaakte goede voornemens ziet verdwijnen als sneeuw voor de zon. Stoppen met roken, terwijl je je eerste sigaret voor 2026 weer aansteekt. Voor mij niet van toepassing, want ik rookte nog nooit. Een slok van je eerste glas wijn, terwijl je ging stoppen met alcohol. Zelf ben ik een minimale gelegenheidsdrinker bij een etentje of zo, dus geen spek voor mijn bek. Die beet ik een chocoladereep, terwijl je ging proberen suiker en chocolade te vermijden. Euh, even geen commentaar. Wel dat gevoel had ik dit weekend.

Op verkenning

De reden is te zoeken bij twee voorvallen die ik zelf heb veroorzaakt. Het begon met een verkenning van een paar kilometerhokken die ik had geclaimd om te gaan tellen dit jaar in kader van de ABV (Algemene BroedVogel) tellingen. Met mijn gekende zwakke eigenschap van over-enthousiasme en nog een lepeltje overschatting erbij stonden er voor de komende jaren een tiental op mijn kaartje.
Dus reed ik met goede moed op zaterdagmorgen naar de Voerstreek. Mijn GPS gaf een aankomst aan die een uurtje verder lag. ‘Tja, twee uurtjes onderweg van en naar mijn locatie, dat is stevig.’ Maar tot dan was er niks aan de hand. Ik arriveerde ruim een uurtje later in Homburg. Een gezellig dorpje net ten zuid-oosten van de Voerstreek. Hier moest ik zes telpunten gaan zoeken, zodat ik ze in het telseizoen netjes kon afwerken. Punt 1 lag vlak bij het oude station – nu blijkbaar een restaurantje – waar ik mijn auto had geparkeerd. Ideaal. Punt twee bleek in een weide te liggen die met vier strakke prikkeldraden was afgespannen. Dus even wat verleggen en dus ook te doen, zonder mijn broek onnodig te scheuren. Punt drie lag in een bosje langs het fietspad dat ik tot nu toe had gevolgd. Het probleem was een steile afdaling er naartoe. Na rijp beraad en een inschatting van mijn onbestaande klimtalenten, besloot ik dit punt ook even te verplaatsen tot vlak tegen het fietspad. Moet kunnen. Op naar het volgende telpunt.

Dit lag blijkbaar in een natuurgebiedje. Het uitzicht voor ik er naartoe wandelde was adembenemend. ‘Hier mogen tellen is toch een voorrecht’. Dat was wat ik op dat moment nog dacht. Het probleem was om in dat reservaatje te raken. Opnieuw een stevige omheining. Na wat zoeken vond ik toch een plaats waar ik tussen de draden door kon glippen. Hoewel, mijn verstand zij dat dit ging lukken, mijn buik was er niet zeker van. Na wat wringen stond ik toch aan de andere kant van de draad zonder kleerscheuren. Voor mij lag een steile afdaling richting het telpunt. Dat ging redelijk vlot. Beneden kabbelde een idyllisch riviertje. Het bleek de thuisbasis van een familie bever. Een stevige dam en een mooie plas water was het bewijs hiervan. Prachtig. Ik stapte vol goede moed richting het telpunt, tot ik tot boven mijn enkels in de modder zakte. Ternauwernood kwam ik vast te zitten. Snel klom ik iets verder terug de helling op. Maar daar was het nog wat zompiger. Een paadje gelopen door de galloways die ik tegenkwam was mogelijk de oplossing. Maar ook dit was door hen veranderd in een modderpad. Mijn mooie tocht werd plots een stevige uitdaging. Toen ook nog eens bleek dat ik op dezelfde plaats als de kudde het beekje moest oversteken werd het helemaal te gek. Met veel sukkelen bereikte ik mijn volgende telpunt. Helemaal buiten adem en ruim drie kwartier onderweg. Maar ik gaf nog niet op. Onderweg naar telpunt vijf. Even later stond ik alweer voor vierprikkeldraden en zag ik in de verte – midden in een net bemeste weide – mijn volgende locatie liggen. Op dat moment zakte de moed in mijn ondertussen in modderklompen herschapen schoenen. Terug naar de auto, dacht ik. Maar hoe geraakte ik uit die weide? Gelukkig vond ik na een kwartiertje zoeken een overstapje – denkelijk daar ooit gezet door de plaatselijke jagers – waardoor ik weer verder kon. Een steile helling waar een touw klaarlag – dit keer denkelijk dankzij de plaatselijke jeugd – om je aan omhoog te hijsen was het volgende obstakel. Helemaal uitgeput kwam ik terug aan bij het oude station. Telpunt zes heb ik maar overgeslagen. Want mijn goesting was ver zoek. Twee uur in de auto en dan bijna twee uur op pad met een trits aan hindernissen om nog eens drie keer hier te komen tellen, jawadde. Mijn plan om drie hokken in die buurt tellen was een stevige misrekening. Zeker toen bleek dat een van de andere twee geplande hokken ook vol zat met de nodig obstakels. Steile hellingen in het bos, een telpunt midden in een ondoordringbare aanplant van sparren. Deze verkenning duwde mij met de neus op de feiten. Mijn plan om 7 hokken te gaan tellen was onuitvoerbaar. Dus werd er stevig geschrapt er bleven er nog drie over.

Plannen

Dus kwam mijn kalender eenmaal thuisgekomen terug op tafel. Klaar voor een herschikking van mijn plannen. Maar ik werd opnieuw geconfronteerd met mijn overmoed waar ik al heel vaak tegenaan ben gelopen. Zo wou ik naast de ABV-tellingen ook de Caetswijers en de Herkvallei – dat gebied vlak bij mijn deur – gaan inventariseren op broedvogels. Die vallei is veel te groot om dat te doen met één bezoek, dus had ik die in een vijftal deelgebieden opgesplitst. Elk deelgebied moest een keer per maand, vanaf febrauri, geteld worden. In april en mei zelfs twee keer. Toen ik al die bezoeken op mijn kalender zette, bleek dat ik in die drukken maanden meer dan de helft van de dagen op pad moest. Wetende dat ik ook nog moet gaan werken en thuis af en toe eens wat moet doen, was dit alweer een onuitvoerbare opdracht. Schrappen dus! Zo bleven er twee gebieden over. De Caetswijers en deelgebied Broekbeemd. Zelfs enkel die twee afwerken zal een hele klus blijken.

Een goede en realistische planning op voorhand en een verkenning of inschatting van de gebieden die je wil tellen zorgen voor een haalbare uitvoering. Je voorkomt zo frustraties bij het uitvoeren van je tellingen. Want het moet plezant blijven. Daarbij moet alles passen bij je werk, gezin en eventuele andere hobby’s. Een belangrijke tip om mee te nemen.

Pareltje

Op zondag kwam die tip al van pas. Ik ging op pad met onze vogelwerkgroep. We schuimden met een 15tal vogelkijkers de Maaskant af. Op zoek naar leuke soorten. De koude deerde ons niet. Want het werd een leuke dag met heel wat waarnemingen en leuke babbels.

Parelduiker (John Gould)

Topper van de dag was zonder enige twijfel de parelduiker – nu dus een tweedejaars vogel – die nog steeds rondzwom op de grindplas aan Koningssteen. Maar een duidelijke tweede was een prachtig mannetje nonnetje in Negenoord. Met dank aan Bart B. om ons op de aanwezigheid van dit geweldige eendje te wijzen. Het blijft een van mijn favoriete watervogels. De pikzwarte tekening op het maagdelijke wit – volgens Josette de reden waarom ze de naam nonnetje kregen – lijkt door een kunstenaar met een dun penseel aangebracht. Waarom ze ook de mannetjes een nonnetje noemen vind ik wel wat vreemd. Logischer leek mij hem paterke te noemen. Maar die rare bedenking zal wel aan mijn soms wat gekke redeneringen liggen.

1 2 3 kwak

De periode dat je je PTT-telling moet afwerken is ondertussen voorbij. Maar ik tekende in op nog een telproject voor wintergasten: de watervogeltellingen. WVT zeggen ze in de interne keuken. Het concept is simpel.

Eendjes tellen

Je kiest een waterrijk gebied uit. Vraagt aan de coördinator van jouw regio of dit al op hun kaart staat (alle info op meetnetten.be). Indien dat zo is dan kan je je als teller voor dit gebied opgeven of aansluiten bij de vogelkijkers die er al tellen. Indien niet, dan doe je een voorstel om het toe te voegen aan de lijst. Meestal gebeurt dat vrij snel en kan je aan de slag. Zelf had ik drie gebieden in Zuid-Limburg aangevraagd. De Caetswijers – het gebied waar ik ook ga inventariseren-, Bernissem – een wachtbekken dat ooit top was maar momenteel door recreatie wordt overspoeld – en de vijver van Maupertuus – die het omgekeerde deed, vroeger recreatie en nu natuur.

Voor dit project moet je zes keer op pad. Vanaf oktober tot maart wordt er elk weekend dat het dichtst bij de 15de van de maand ligt geteld. Je bezoekt dan je gebied vanaf de late ochtend – want ochtendtrek willen we vermijden in onze cijfers – tot ten laatste tot zonsondergang. Je telt alle watervogels en indien je dat wil ook meeuwen en steltlopers. Noteert de aantallen per soort of geeft ze in op waarnemingen.be. Om ze dan nadien op de pagina van dit project in te vullen bij jouw telling. Simpel en vooral heel leuk.

Teal

De gebieden die ik uitkoos zijn zeker geen toppers wat overwinterende watervogels betreft. Die liggen vooral meer noordelijk in Limburg en langs de Maas. Maar hier tellen is zeker een meerwaarde voor het project en voor onze plaatselijke vogelwerkgroep. Na een bezoek aan de drie gebieden – wat op iets meer dan drie uur gefikst was – stonden er toch ruim 500 vogels op de teller. Wilde eend ging aan de haal met de gouden medaille met meer dan 200 exemplaren. Gevolgd door kokmeeuw, dankzij een grote groep die in Bernissem blijkbaar graag komt uitrusten. Brons ging naar krakeend met 55 stuks. Heel leuk waren de meer dan 20 wintertalingen die nog aanwezig waren. Een stevige groep in Bernissem en een paartje in de Caetswijers. Vooral dat laatste was boeiend. Wetende dat ik daar de broedvogels ga opvolgen vanaf maart. Hopelijk kom ik ze dan terug tegen. Het mannetje kuifeend op de vijver van Maupertuus zat er trouwens ook nog. Die vindt het daar blijkbaar gezellig.

Wintertaling (John Gould)

Lentekriebels

Voormiddag ging ik samen met mijn kersverse collega-ringer Kristof op pad om steenuilenkasten te controleren. We noemen het wintercontroles en hebben nu de kans om de koppeltjes samen in de kast aan te treffen. Maar dat was gerekend zonder dat aangename winterzonnetje. Veel steenuilen zaten blijkbaar ergens te genieten van die warmte. Hoe zou je zelf zijn. De eerste tien kasten waren allemaal leeg. Toch konden we nog twee koppels controleren. Eentje bleek het gekende paartje dat er al een aantal jaren zit. Maar op een andere locatie was een totaal nieuw koppel aanwezig. Het mannetje werd door mijzelf geringd in 2024 in een nestkast op pakweg 400 meter van de kast waar hij nu ging beginnen aan een gezinnetje. Het vrouwtje was een jaartje jonger. zij werd door een collega ringer – Andre – vorig jaar geringd in een nestkast in Zepperen. Hier was de afstand iets meer dan anderhalve kilometer. En bij onze bioboer Jon hadden ze elkaar gevonden.

Dit verhaal en waarschijnlijk ook dat lekkere zonnetje gaven mij alvast lentekriebels. Die werden nog wat versterkt door de voorjaarsbloeiers die hier en daar hun kopje al boven de grond steken. De eerste bloeiende sneeuwklokjes staan al op de foto.
De triggers om het woord lente met hoofdletters in mijn hoofd te schrijven waren zingende boomkruipers, koolmezen, roffelende spechten en mijn eerste grote lijster die zich niet enkel liet zien, maar deze keer ook liet horen. De goesting om aan de andere projecten te beginnen zat er al stevig in. Laat de lente maar komen.

NaTUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research