Eén klik maakt het verschil

Het was een hectische week. Niet enkel moest ik afscheid nemen van mijn trouwe viervoeter, maar het was ook pokkedruk op het werk. Daarom bleef het aantal uurtjes vogeltjes kijken beperkt. Een extra bewijs dat je je lijstje van af te werken plannen realistisch moet houden. Zaterdag ging ik kort even wandelen op mijn local patch, maar daar bleef het stil. Voormiddag ging ik nog eens op pad met de muisjes. Ook hier was het een rustige ochtend. Buiten een buizerd die op de bal-chatri kwam – maar door voorbijrijdende auto’s werd opgejaagd – bleef de teller op nul staan. Lege akkers en dan nog wat regen. Mijn muizen mogen – denkelijk – hun werkkledij in de kast hangen tot volgende winterperiode. Zondag scheen er een mooi winterzonnetje, maar ik reed naar een platenbeurs in Hasselt. Tja, te veel hobby’s zeker. Kiezen is verliezen. Hoewel die LP van Jan De Wilde waar ik al lang naar zocht staat nu wel te blinken in mijn kast. ‘De eerste sneeuw’ klonk al door mijn living. Topschijf!

Clusteren

Zijn liedje komt wat te laat denk ik. Langzaam maar zeker zie ik nu al overal de eerste signalen van de lente. Wilgenkatjes, opkomende narcissen in mijn tuin en deze morgen al een fanatiek zingende heggenmus. Het kriebelt. Ook bij mij. In onze regio van de vogelwerkgroep heb ik de kans gekregen om de broedvogels op te volgen. Dit gebeurt door het clusteren – samenbrengen – van zo veel mogelijk waarnemingen. Ook die van jou. Een reeks gegevens komen uit de gebieden die door een vogelkijker volledig worden geïnventariseerd. Daar hoor je later meer over. Maar er wordt ook gebruik gemaakt van losse waarnemingen. Dat aantal is veel groter. Daar wil ik het deze keer eens over hebben.

Heel veel vogelkijkers geven hun waarnemingen in op ‘ObsMapp’ of ‘Observations’ waardoor ze dan terecht komen op de website ‘waarnemingen.be’. Een immense database met miljoenen gegevens. Toch blijkt dat heel wat van die waarnemingen een minieme bijdrage leveren. Hieronder zie je de kaart van het gebied dat ik opvolg met alle losse waarnemingen van blauwe reiger in 2025.

Een mooi aantal verspreid over gans het gebied. Maar de meerderheid van deze waarnemingen werden ingegeven als ‘ter plaatse’. De info die zo een waarneming aanlevert is dat er op dat ogenblik een blauwe reiger aanwezig was op die locatie. De locatie is vaak ook niet echt duidelijk. Vaak slaat een waarnemer die op vanaf de plek waar hij of zij staat. Je wil het aantal watervogels niet weten dat blijkbaar op de dijk zit te niksen. Niet dus, daar stond de vogelkijker die ze heeft opgeslagen met zijn smartphone. Als het systeem – vroeger moesten we dat op papier zelf doen, nu met een simpele klik – deze waarnemingen beoordeelt en clustert dan krijgen we dit.

Slecht twee locaties waar er blauwe reigers zouden broeden. Terwijl ik er 200% zeker van ben dat het er meer zijn. De reden is dat buiten deze twee, alle andere waarnemingen niet voldoen aan de criteria om er een territorium van te maken. Jammer, want met iets meer info zou dat wel het geval kunnen zijn.

Beetje moeite

Die criteria zijn de door SOVON opgestelde voorwaarden om een territorium – soms ook een bewezen broedgeval – te bepalen. Hieronder het voorbeeld voor de kleine bonte specht.

Bij de geldige waarnemingen staat welke broedcode minimaal moet ingegeven worden om in aanmerking te komen voor een gedrag dat duidt op een territorium. Hier gaat het dus over een adulte vogel in de juiste periode, een paar in de juiste periode, territoriaal gedrag of een bezet nest. Minimaal vereist geeft het aantal bruikbare waarnemingen binnen de datumgrenzen die er moeten zijn. Hier dus eentje. De periode voor kleine bonte specht loopt van 25 januari tot 16 juni. Die twee data zijn de zogenaamde datumgrenzen. Elke waarneming daartussen met de juiste broedcode telt mee. Bij fusieafstand kan je zien op welke afstand de paartjes minstens van elkaar kunnen zitten.

Het systeem van Natuurpunt om het aantal territoria te bepalen houdt automatisch rekening met deze criteria. Maar dan moeten je waarnemingen ook de juiste informatie bevatten. In dit geval is het ingeven van een adulte vogel al voldoende. Maar vaak is dat niet zo (zie ons voorbeeld van de blauwe reigers). Maar bij spechten kan je ze vaker horen dan zien. Je hoort onze kleine bonte specht wel eens roffelen in deze periode. Als je dan kiest voor ‘zingend/baltsend’ en je zet je pointer op de kaart netjes op de plek waar je hem hoort, dan is met twee kliks jouw waarneming plots een stuk waardevoller geworden.

Jouw steentje

Voor sommige soorten is het broedseizoen trouwens al gestart. Binnen onze regio van Vogelwerkgroep Fruitstreek hebben wij 60 soorten geselecteerd die we willen opvolgen. De komende weken zullen ze allemaal de revue passeren. Wie nu wat beter oplet en deze soorten ingeeft met de juiste broedcodes kan ons – of de actieve werkgroep in jouw streek – een stuk vooruit helpen.

Momenteel zijn volgende soorten die in ons lijstje staan al actief: oehoe, havik, kerkuil, halsbandparkiet, kleine bonte specht, matkop of slechtvalk. Waarnemingen ingeven voor deze soorten met de juiste broedcodes en correcte locatie levert vanaf nu al belangrijke informatie op. Het door jou ingegeven vogeltje komt dan vermoedelijk in ons overzicht terecht als bezet territorium. Uiteraard kan je voor andere soorten die broedgedrag vertonen dit ook al zo ingeven. Om het simpel te houden doe je dit vanaf nu gewoonweg voor elke vogel die je ziet. Waarvoor dank.

Wat zijn nu die broedcodes? Het zijn er in totaal 16. Wij bekijken ze in mijn blog de komende weken allemaal even.
We beginnen vanaf nummer 1. Dit is ‘adult aanwezig‘. Wat je hier ingeeft is dat je een adulte vogel hebt gezien die totaal geen broedgedrag vertoonde. Eigenlijk komt dit overeen met ‘ter plaatse’. Wel even de locatie juist zetten. Dit kan vaak wel wat verschil maken. Het is vooral belangrijk voor het systeem om de fusieafstanden goed te kunnen beoordelen. Een locatie 100m verkeerd ingeven kan een territorium meer of minder betekenen.

Dan komt ‘zingend/baltsend‘. Dit is de vaakst in te geven code. Je hoort of ziet een vogel zingen – of zoals bij onze kleine bonte specht roffelen – en geeft dit dan ook zo in. Je zal merken dat je dit heel vaak kan gebruiken. Zeker in het broedseizoen. Een kleine moeite maar een wereld van verschil.

Zie je een paartje van een soort. Dan geef je ‘paar aanwezig‘ in. Dit is een stapje hoger. Want een mannetje kan maanden lang zitten zingen. Als hij geen vrouwtje kan versieren, dan zal er ook geen nestje komen. Maar zie je ze allebei samen, dan is de kans op een broedgeval weer een stukje hoger.

Geef jij je waarnemingen in? Zet er dan even de juiste locatie en vooral de broedcode bij. Zo worden ze waardevoller en – vooral belangrijk – zorg je voor belangrijke data om onze vogels op te volgen en bedreigde of soorten die achteruitgaan te helpen. Want onderbouwde data is nodig om de overheid of andere instanties aan te zetten tot actie. En daar kan jij een steentje aan bijdragen.

Er was een plan

Eind januari. Iedereen kent zonder twijfel op dit moment het gevoel wanneer je de net voor of na nieuwjaar gemaakte goede voornemens ziet verdwijnen als sneeuw voor de zon. Stoppen met roken, terwijl je je eerste sigaret voor 2026 weer aansteekt. Voor mij niet van toepassing, want ik rookte nog nooit. Een slok van je eerste glas wijn, terwijl je ging stoppen met alcohol. Zelf ben ik een minimale gelegenheidsdrinker bij een etentje of zo, dus geen spek voor mijn bek. Die beet ik een chocoladereep, terwijl je ging proberen suiker en chocolade te vermijden. Euh, even geen commentaar. Wel dat gevoel had ik dit weekend.

Op verkenning

De reden is te zoeken bij twee voorvallen die ik zelf heb veroorzaakt. Het begon met een verkenning van een paar kilometerhokken die ik had geclaimd om te gaan tellen dit jaar in kader van de ABV (Algemene BroedVogel) tellingen. Met mijn gekende zwakke eigenschap van over-enthousiasme en nog een lepeltje overschatting erbij stonden er voor de komende jaren een tiental op mijn kaartje.
Dus reed ik met goede moed op zaterdagmorgen naar de Voerstreek. Mijn GPS gaf een aankomst aan die een uurtje verder lag. ‘Tja, twee uurtjes onderweg van en naar mijn locatie, dat is stevig.’ Maar tot dan was er niks aan de hand. Ik arriveerde ruim een uurtje later in Homburg. Een gezellig dorpje net ten zuid-oosten van de Voerstreek. Hier moest ik zes telpunten gaan zoeken, zodat ik ze in het telseizoen netjes kon afwerken. Punt 1 lag vlak bij het oude station – nu blijkbaar een restaurantje – waar ik mijn auto had geparkeerd. Ideaal. Punt twee bleek in een weide te liggen die met vier strakke prikkeldraden was afgespannen. Dus even wat verleggen en dus ook te doen, zonder mijn broek onnodig te scheuren. Punt drie lag in een bosje langs het fietspad dat ik tot nu toe had gevolgd. Het probleem was een steile afdaling er naartoe. Na rijp beraad en een inschatting van mijn onbestaande klimtalenten, besloot ik dit punt ook even te verplaatsen tot vlak tegen het fietspad. Moet kunnen. Op naar het volgende telpunt.

Dit lag blijkbaar in een natuurgebiedje. Het uitzicht voor ik er naartoe wandelde was adembenemend. ‘Hier mogen tellen is toch een voorrecht’. Dat was wat ik op dat moment nog dacht. Het probleem was om in dat reservaatje te raken. Opnieuw een stevige omheining. Na wat zoeken vond ik toch een plaats waar ik tussen de draden door kon glippen. Hoewel, mijn verstand zij dat dit ging lukken, mijn buik was er niet zeker van. Na wat wringen stond ik toch aan de andere kant van de draad zonder kleerscheuren. Voor mij lag een steile afdaling richting het telpunt. Dat ging redelijk vlot. Beneden kabbelde een idyllisch riviertje. Het bleek de thuisbasis van een familie bever. Een stevige dam en een mooie plas water was het bewijs hiervan. Prachtig. Ik stapte vol goede moed richting het telpunt, tot ik tot boven mijn enkels in de modder zakte. Ternauwernood kwam ik vast te zitten. Snel klom ik iets verder terug de helling op. Maar daar was het nog wat zompiger. Een paadje gelopen door de galloways die ik tegenkwam was mogelijk de oplossing. Maar ook dit was door hen veranderd in een modderpad. Mijn mooie tocht werd plots een stevige uitdaging. Toen ook nog eens bleek dat ik op dezelfde plaats als de kudde het beekje moest oversteken werd het helemaal te gek. Met veel sukkelen bereikte ik mijn volgende telpunt. Helemaal buiten adem en ruim drie kwartier onderweg. Maar ik gaf nog niet op. Onderweg naar telpunt vijf. Even later stond ik alweer voor vierprikkeldraden en zag ik in de verte – midden in een net bemeste weide – mijn volgende locatie liggen. Op dat moment zakte de moed in mijn ondertussen in modderklompen herschapen schoenen. Terug naar de auto, dacht ik. Maar hoe geraakte ik uit die weide? Gelukkig vond ik na een kwartiertje zoeken een overstapje – denkelijk daar ooit gezet door de plaatselijke jagers – waardoor ik weer verder kon. Een steile helling waar een touw klaarlag – dit keer denkelijk dankzij de plaatselijke jeugd – om je aan omhoog te hijsen was het volgende obstakel. Helemaal uitgeput kwam ik terug aan bij het oude station. Telpunt zes heb ik maar overgeslagen. Want mijn goesting was ver zoek. Twee uur in de auto en dan bijna twee uur op pad met een trits aan hindernissen om nog eens drie keer hier te komen tellen, jawadde. Mijn plan om drie hokken in die buurt tellen was een stevige misrekening. Zeker toen bleek dat een van de andere twee geplande hokken ook vol zat met de nodig obstakels. Steile hellingen in het bos, een telpunt midden in een ondoordringbare aanplant van sparren. Deze verkenning duwde mij met de neus op de feiten. Mijn plan om 7 hokken te gaan tellen was onuitvoerbaar. Dus werd er stevig geschrapt er bleven er nog drie over.

Plannen

Dus kwam mijn kalender eenmaal thuisgekomen terug op tafel. Klaar voor een herschikking van mijn plannen. Maar ik werd opnieuw geconfronteerd met mijn overmoed waar ik al heel vaak tegenaan ben gelopen. Zo wou ik naast de ABV-tellingen ook de Caetswijers en de Herkvallei – dat gebied vlak bij mijn deur – gaan inventariseren op broedvogels. Die vallei is veel te groot om dat te doen met één bezoek, dus had ik die in een vijftal deelgebieden opgesplitst. Elk deelgebied moest een keer per maand, vanaf febrauri, geteld worden. In april en mei zelfs twee keer. Toen ik al die bezoeken op mijn kalender zette, bleek dat ik in die drukken maanden meer dan de helft van de dagen op pad moest. Wetende dat ik ook nog moet gaan werken en thuis af en toe eens wat moet doen, was dit alweer een onuitvoerbare opdracht. Schrappen dus! Zo bleven er twee gebieden over. De Caetswijers en deelgebied Broekbeemd. Zelfs enkel die twee afwerken zal een hele klus blijken.

Een goede en realistische planning op voorhand en een verkenning of inschatting van de gebieden die je wil tellen zorgen voor een haalbare uitvoering. Je voorkomt zo frustraties bij het uitvoeren van je tellingen. Want het moet plezant blijven. Daarbij moet alles passen bij je werk, gezin en eventuele andere hobby’s. Een belangrijke tip om mee te nemen.

Pareltje

Op zondag kwam die tip al van pas. Ik ging op pad met onze vogelwerkgroep. We schuimden met een 15tal vogelkijkers de Maaskant af. Op zoek naar leuke soorten. De koude deerde ons niet. Want het werd een leuke dag met heel wat waarnemingen en leuke babbels.

Parelduiker (John Gould)

Topper van de dag was zonder enige twijfel de parelduiker – nu dus een tweedejaars vogel – die nog steeds rondzwom op de grindplas aan Koningssteen. Maar een duidelijke tweede was een prachtig mannetje nonnetje in Negenoord. Met dank aan Bart B. om ons op de aanwezigheid van dit geweldige eendje te wijzen. Het blijft een van mijn favoriete watervogels. De pikzwarte tekening op het maagdelijke wit – volgens Josette de reden waarom ze de naam nonnetje kregen – lijkt door een kunstenaar met een dun penseel aangebracht. Waarom ze ook de mannetjes een nonnetje noemen vind ik wel wat vreemd. Logischer leek mij hem paterke te noemen. Maar die rare bedenking zal wel aan mijn soms wat gekke redeneringen liggen.

1 2 3 kwak

De periode dat je je PTT-telling moet afwerken is ondertussen voorbij. Maar ik tekende in op nog een telproject voor wintergasten: de watervogeltellingen. WVT zeggen ze in de interne keuken. Het concept is simpel.

Eendjes tellen

Je kiest een waterrijk gebied uit. Vraagt aan de coördinator van jouw regio of dit al op hun kaart staat (alle info op meetnetten.be). Indien dat zo is dan kan je je als teller voor dit gebied opgeven of aansluiten bij de vogelkijkers die er al tellen. Indien niet, dan doe je een voorstel om het toe te voegen aan de lijst. Meestal gebeurt dat vrij snel en kan je aan de slag. Zelf had ik drie gebieden in Zuid-Limburg aangevraagd. De Caetswijers – het gebied waar ik ook ga inventariseren-, Bernissem – een wachtbekken dat ooit top was maar momenteel door recreatie wordt overspoeld – en de vijver van Maupertuus – die het omgekeerde deed, vroeger recreatie en nu natuur.

Voor dit project moet je zes keer op pad. Vanaf oktober tot maart wordt er elk weekend dat het dichtst bij de 15de van de maand ligt geteld. Je bezoekt dan je gebied vanaf de late ochtend – want ochtendtrek willen we vermijden in onze cijfers – tot ten laatste tot zonsondergang. Je telt alle watervogels en indien je dat wil ook meeuwen en steltlopers. Noteert de aantallen per soort of geeft ze in op waarnemingen.be. Om ze dan nadien op de pagina van dit project in te vullen bij jouw telling. Simpel en vooral heel leuk.

Teal

De gebieden die ik uitkoos zijn zeker geen toppers wat overwinterende watervogels betreft. Die liggen vooral meer noordelijk in Limburg en langs de Maas. Maar hier tellen is zeker een meerwaarde voor het project en voor onze plaatselijke vogelwerkgroep. Na een bezoek aan de drie gebieden – wat op iets meer dan drie uur gefikst was – stonden er toch ruim 500 vogels op de teller. Wilde eend ging aan de haal met de gouden medaille met meer dan 200 exemplaren. Gevolgd door kokmeeuw, dankzij een grote groep die in Bernissem blijkbaar graag komt uitrusten. Brons ging naar krakeend met 55 stuks. Heel leuk waren de meer dan 20 wintertalingen die nog aanwezig waren. Een stevige groep in Bernissem en een paartje in de Caetswijers. Vooral dat laatste was boeiend. Wetende dat ik daar de broedvogels ga opvolgen vanaf maart. Hopelijk kom ik ze dan terug tegen. Het mannetje kuifeend op de vijver van Maupertuus zat er trouwens ook nog. Die vindt het daar blijkbaar gezellig.

Wintertaling (John Gould)

Lentekriebels

Voormiddag ging ik samen met mijn kersverse collega-ringer Kristof op pad om steenuilenkasten te controleren. We noemen het wintercontroles en hebben nu de kans om de koppeltjes samen in de kast aan te treffen. Maar dat was gerekend zonder dat aangename winterzonnetje. Veel steenuilen zaten blijkbaar ergens te genieten van die warmte. Hoe zou je zelf zijn. De eerste tien kasten waren allemaal leeg. Toch konden we nog twee koppels controleren. Eentje bleek het gekende paartje dat er al een aantal jaren zit. Maar op een andere locatie was een totaal nieuw koppel aanwezig. Het mannetje werd door mijzelf geringd in 2024 in een nestkast op pakweg 400 meter van de kast waar hij nu ging beginnen aan een gezinnetje. Het vrouwtje was een jaartje jonger. zij werd door een collega ringer – Andre – vorig jaar geringd in een nestkast in Zepperen. Hier was de afstand iets meer dan anderhalve kilometer. En bij onze bioboer Jon hadden ze elkaar gevonden.

Dit verhaal en waarschijnlijk ook dat lekkere zonnetje gaven mij alvast lentekriebels. Die werden nog wat versterkt door de voorjaarsbloeiers die hier en daar hun kopje al boven de grond steken. De eerste bloeiende sneeuwklokjes staan al op de foto.
De triggers om het woord lente met hoofdletters in mijn hoofd te schrijven waren zingende boomkruipers, koolmezen, roffelende spechten en mijn eerste grote lijster die zich niet enkel liet zien, maar deze keer ook liet horen. De goesting om aan de andere projecten te beginnen zat er al stevig in. Laat de lente maar komen.

Kuifje in puntjesland

Een van de projecten waar ik mij dit jaar voor opgaf was PTT. Dit staat voor Punt Transect Telling. Het reeksje woorden zegt perfect waar het over gaat. Je telt tijdens een vast traject dat je afloopt op 20 punten gedurende 5 minuten alle vogels die je ziet. Het is een winterproject. Je moet je telling tussen 15 december en 15 januari uitvoeren. Doel is om een zicht te krijgen op trends of evolutie van soorten die in ons landje de winter doorbrengen.

Hoe begin je er aan?

Bij Sovon – onze Nederlandse buren – wordt Dit project het fietsrondje voor de wetenschap genoemd. Want je kan dit inderdaad ook met de fiets afwerken. Zelf deed ik het te voet en was ik toch ruim vier uur onderweg. Het tellen alleen al neemt 20 keer 5 minuten ofwel 1 uur en 40 minuten in beslag. De punten moeten ook minstens 500m uit elkaar liggen of in dichtere biotopen zoals bos 250m. Je hebt na deze telling dus al gauw 10 kilometer in de benen. Een nuttige en ook nog eens gezonde bezigheid. Ik ben alvast fan.

Om zelf aan de slag te gaan selecteer je een route. Een goed idee is om punten van het ABV – Algemene Broedvogels, waar je later nog info over krijgt – of een bestaande wandelroute te kiezen. Want het is de bedoeling om een zo goed mogelijke doorsnee van de aanwezige biotopen van het gebied waar je gaat tellen te selecteren. Zelf ga ik daar een beetje in de fout, omdat ik al mijn tellingen in het natuurgebied heb gelegd. Maar ik wilde dan ook graag een zicht krijgen op de soorten die er komen overwinteren.

Zodra je je route kent ga je best ter plaatse om de punten uit te zetten. Op geopunt kan je de afstanden – thuis op je computer – tussen de punten goed afmeten. zodat ze zeker niet te dicht bij elkaar liggen. Was even puzzelen, maar het is bij mij toch gelukt. (https://www.geopunt.be/). Daarna maak je op waarnemingen.be je telgebied aan. Goed opletten dat alle punten er netjes binnen liggen. Vanuit Natuurpunt-Studie raden ze aan om te kiezen voor een rechthoekig gebied. De reden ontgaat mij een beetje. Makkelijkste manier om te selecteren misschien?

Puntjes tellen

Daarna kan je aan de slag. Ik gaf mijn telling in via ObsMap. Vrij simpel. aangekomen op het punt klik je in het menu op ‘route/punttelling’. Vervolgens op ‘start punttelling’. Dan klik je ‘gebruik timer’ aan en zet dat op 5 minuten. En je kan beginnen tellen. Zelf ga ik dan terug naar het hoofdmenu waar ik de app op ‘spraak’ zet. Dan kan je de soorten inspreken. Zo verlies je geen tijd of je aandacht omdat je je waarnemingen moet intikken. Als de telling voltooid is krijg je een signaal. Maar dan kan je nog meer details ingeven. Aantal vogels in groepen, soorten die op het laatste moment nog opdoken,…
Wel belangrijk. Je mag enkel de soorten en aantallen doorgeven die tijdens de vijf minuten teltijd worden gezien. Net er voor of net erna is jammer. Ook vogels die je ziet als je naar een volgend punt wandelt geef je niet in bij de punttellingen. Je mag die uiteraard wel gewoon als losse waarneming ingeven.

Je slaat nadat je alle punten hebt geteld alles op en zo worden de gegevens naar waarnemingen.be gestuurd. Daarna heb je nog een beetje huiswerk. Thuis kan je dan aan je computer je project openen, de datum van je telling aanklikken, opladen en klaar is kees. Alle gegevens zitten dan netjes in de database van Natuurpunt.Studie. Bijdrage geleverd.

Kuifje

Mijn eerste bijdrage aan dit project is dus binnen. Echt leuk om te doen. Met toch een paar mooie soorten erbij.

Kuifeend – illustratie John Gould

Zo had ik op bijna elk telpunt een aantal merels. Geruststellend, aangezien deze soort de voorbije jaren stevige klappen kreeg door een hardnekkig virus. Het plezante is dat ‘gewone’ soorten die je mag aanvinken zorgen voor een ‘hoogtepuntje’ bij elke telling. Een goudhaantje dat tussen een groep mezen meelift. Een groep staartmezen. Een waterhoentje dat plots wegzwemt op de beek.

De soort van de telling was echter een mannetje kuifeend. Die dobberde op de vijver aan Maupertuus – waar ook een telpunt is – tussen een groep van 120 wilde eenden en een tiental krakeendjes. Tijdens het tellen en tegelijk afspeuren van de groep kreeg ik ze in de kijker. Voor dit natuurgebied een zeldzame soort. Ze werd in 2019 voor het eerst met zekerheid doorgegeven – door Gert uiteraard, wie anders – maar daarvoor was er geen enkele melding. Dus een leuke opsteker.

Vandaag gingen Kristof en ik op pad met de muisjes. Buiten wat buizerds – die dan ook telkens het hazenpad kozen – en een biddende torenvalkje was het huilen met de pet op. Wel prachtige landschappen dankzij de sneeuw. Hoogtepunt was een groep boomleeuweriken die – gek genoeg – vlak voor de auto op de weg kwamen foerageren. Wat ze daar zochten? Wie zal het zeggen. Ze kwamen telkens terug, zelfs al een auto ze opjoeg. Dus was er toch iets te vinden.
De dag ervoor had ik tijdens mijn sneeuw-wandeling door de Grote Beemd naast alweer een paar houtsnippen die voor mijn voeten opvlogen, ook een roepend mannetje middelste bonte specht. Buiten één melding in maart 2013 is dit ook een primeur. De aankondiging van een broedgeval? Dat zal blijken uit mijn verdere tellingen. Spannend!

Elke vogel telt dit jaar

De feesten zijn weer achter de rug. Ik ben ze zo goed als heelhuids doorgekomen. Het had verkeerd kunnen aflopen. Want ik sneed mijn duim aan de rand van een potje humus bij het openen van het beleg voor de toastjes die ik moest smeren voor onze gasten. Een voorval dat mijn huisgenoten van ver zagen aankomen. Ik ben nu eenmaal een kluns in dat soort dingen. Maar ik heb het overleefd. Met een belachelijke pleister rond mijn vinger kon ik 2025 uitwuiven en het nieuwe jaar verwelkomen. Samen met een nieuwe challenge om mijn blog mee te spijzen. Welkom in 2026!

Traditie

Ondertussen heb ik mijn eerste vogelwandeling er al op zitten. Het is een gewoonte geworden om op de eerste dag van het jaar op tijd uit mijn bed te sukkelen en in het natuurgebied vlakbij op pad te gaan. Hoewel het weer wat tegenviel – zwaar bewolkt en wat miezer – kon ik toch al wat vogels op mijn jaarlijst zetten. Waaronder ook houtsnip. Die probeer ik elk jaar op dat moment te ontdekken. Gelukt! Ze vloog voor mijn voeten op zoals enkel houtsnippen dat kunnen. Maar lijstjes zullen dit jaar veel minder een rol spelen voor mij. Niet dat ik geen leuke soorten meer ga zoeken of bekijken. Zeker wel. Want ik wil mijn Limburgse en Belgische lijst graag nog wat uitbreiden. Samen met mijn maten.
De focus zal deze keer liggen op een missie om het nuttige aan het aangename te koppelen. Want wees eerlijk. Soorten aankruisen op een lijstje, gewoon om zo veel mogelijk vinkjes te scoren is wel leuk – echt heel leuk – maar heeft op zich weinig waarde. Het is gewoon een vogel die op een bepaald moment op een – vaak onverwachte – bepaalde plek aanwezig was. Dat is het.
Voor alle duidelijkheid. Ik oordeel hier niet over wie dan ook en op welke manier je naar vogels moet kijken. Iedereen die naar vogels kijkt of er mee bezig is, levert een meerwaarde. Of je nu zit te kijken naar een groep mezen op je voedertafel vanachter je keukenraam of je een parelduiker bekijkt door je tele op een ijskoude dijk aan de kust of vogels gaat inventariseren in een natuurgebied in jouw buurt. Elke vogelkijker telt. Maar deze vogelkijker gaat nu echt tellen, vogels tellen.

Merci Simon

Dankzij een inspirerende lezing van Simon Feys kwam ik op het idee om mij volop te smijten op de projecten die in Vlaanderen lopen om te weten te komen hoe het nu juist zit met de toestand van ons vogelwereldje. Zoals je mij ondertussen wel zal kennen ga ik er 200% voor. Met de grote kans dat ik tijdens het jaar moet vaststellen dat ik de lat weer zo hoog heb gelegd, dat ik er vlot onderdoor kan. We zien wel waar we uitkomen.


De keuze aan leuke en boeiende telmogelijkheden is ruim. Maar ik wil ze allemaal wel eens uittesten. WVT, ABV, PTT, BMP, MAS. Aan afkortingen geen gebrek. Ze staan stuk voor stuk voor projecten waar slimme wetenschappers hun hoofd over hebben gebroken om een methode te ontwikkelen die de grootste kans geeft om bruikbare data te genereren. De basis is altijd dezelfde. Vaste methode, door zo veel mogelijk tellers, op zo veel mogelijk locaties die samen een doorsnee zijn van ons landschap en omgeving.
Elk van deze projecten komt dit jaar aan bod. Omdat ik ze wil leren kennen, maar ook om mensen warm te maken voor deze nuttige manier van vogels kijken. Hopelijk kan ik anderen – misschien ook jou – overtuigen om mee te tellen en een bijdrage te leveren aan die data. Want die zijn belangrijk. Om de vinger aan de vogelpols te houden. Maar ook om overheden – lokaal, landelijk en zelfs Europees – te wijzen op soorten die achteruit gaan en hen oplossingen aan te bieden om het tij te keren. Dit is dan weer de rol van grote organisaties zoals Vogelbescherming, Natuurpunt of op internationaal vlak Birdlife International of WWF. Zij zijn blij met de data die jij als ‘bescheiden’ teller aanlevert. Elke bijdrage is een stukje van een grotere en belangrijke puzzel. Op mijn blog kan je mijn deeltje van dit verhaal alvast volgen. Samen met andere vogelavonturen voor dit jaar.

Kerreget

Maar even terugkomen op mijn eerste tocht om vogels te gaan kijken. De eerste vogel voor 2026 hoorde ik al toen ik wakker werd in mijn bed. Iets later vloog hij door mijn tuin: een ekster. Ik zag hem toen ik – deze keer zonder mij te verwonden – mijn boterham aan het smeren was. Bij ons noemen ze dat een ‘kerreget’. Niet ok als je de titel van je blog moet verklaren.

Ekster (A. Thorburn)

Zoals je kan zien geen foto van een ekster, maar een oude afbeelding. Ik ben namelijk een grote fan van de illustrators en kunstenaars die in oude vogelboeken platen schilderden om de pracht van vogels aan ons te tonen. In mijn kast staan al een heleboel van die oude boeken. Ik kan ze niet laten liggen in stoffige boekenwinkels of op rommelmarkten. Er komen er voortdurend bij. Ze zijn dan ook prachtig. Daarom ga ik mijn blogs van dit jaar zo veel mogelijk met zulke afbeeldingen opfleuren. Als eerbetoon aan deze geweldige artiesten. Zoals in dit geval Archibald Thorburn. De originele uitgave van zijn werk bevat vier delen met 82 kleurplaten. Jammer genoeg heb ik die nog niet in mijn boekenkast staan. Wie weet ooit,…

Waarom was ik blij met deze ekster? Wel, meestal gaat de houtduif met de prijs van eerste vogel van het jaar lopen. Niet dat ik iets tegen houtduiven heb. Maar eksters staan toch iets hoger op mijn favorietenlijstje. Het zijn dan ook prachtige dieren. Als je ze in volle zonlicht kan betrappen, dan vallen hun kleurschakeringen pas echt op. Maar vooral hun intelligentie maakt mij een grote fan. Een bewondering die door veel mensen niet gedeeld wordt. Jammer, want hun beschuldigingen aan de ekster en andere kraaiachtigen is totaal onterecht.

Onschuldig

De mensen die mij al aanspraken over het feit dat die wrede moordenaars al hun vogeltjes in hun tuin hebben verslonden, zijn heel talrijk. Wel, ze hebben allemaal ongelijk. Het verhaal dat eksters systematisch vogelnesten zoeken en de jongen naar binnen spelen is klinkklare onzin. Uiteraard zullen ze wel eens een nestje oppeuzelen, maar dat is eerder de uitzondering dan de regel.

Zo las ik onlangs een artikel in het magazine van Sovon. Toch niet de eerste de beste bron. Daar werd in een artikel over eksters dieper ingegaan op hun voedsel. Het zijn echte generalisten. Naast zaden, bessen en fruit staan er ook insecten, aas, kleine zoogdieren, jonge vogels, eieren en afval op het menu. Ze trekken zelfs hun neus – of snavel, als je die al kan optrekken – niet op voor een lekkere portie hondenpoep. Smakelijk. Vogeltjes staan er toch bij, hoor ik jullie al zeggen. Klopt, maar in welke hoeveelheid?
Uit een Engels onderzoek waar de maaginhoud van heel wat eksters werd onderzocht bleek dat hun jaarrondmenu voor slecht 2% bestaat uit resten van vogels. Daar zat ook aas bij.
In Nederland werd ook een onderzoek uitgevoerd via zichtwaarnemingen en maagonderzoek. Hier werd ontdekt dat hun menu vooral veel insecten en ongewervelden bevatte, alsook vruchten en plantaardig materiaal. Vogeltjes: minder dan 1%.
In Praag werd dan weer een vergelijking onderzocht tussen eksters in steden en die op het platteland. De eksters op de buiten aten vooral ongewervelden. In steden leefden ze vooral van de afval die de inwoners achterlieten. Makkelijke keuken. Van de meer dan 1.000 prooien in de stad werden er twee met jonge vogels gevonden. Op het platteland was de score nul.
Tenslotte was er een onderzoek in een buitenwijk van Parijs waar men het effect van eksters op de vogelbevolking wilde meten. Ook daar was het aantal eksters stevig gestegen. Net als in de meeste steden. Men selecteerde twee zones. In eentje werd een groot deel van de eksters weggevangen. Tot meer dan 40%. In het andere gebied liet met de eksters met rust. Wel, uit tellingen bleek dat het wegvangen van de eksters totaal geen effect had.
Uit een literatuurstudie bleek dan ook nog eens dat in 81% van de onderzochte gevallen kraaiachtigen geen negatieve invloed hebben op het broedsucces van andere soorten. Er is zelfs sprake van een positief effect. Zo is hun alarmerend gedrag bij de aanwezigheid van predators zoals katten of roofvogels voor andere vogels vaak een signaal om hun biezen te pakken.
De stelling dat eksters vogelmoordenaars zijn is dus totaal onwaar. Spread the message.

Eerste ring

Uiteraard gaat er ook nog geringd worden. Hopelijk zelfs meer dan de voorbije jaren. Niet alleen kan ik er weer wat meer tijd voor vrij maken. Maar het enthousiasme van onze kersverse ringer Kristof en onze ringer in wording Thomas werkt aanstekelijk. Vooral tijdens het broedseizoen ga ik zeker actiever worden. Jonge vogels op het nest ringen levert belangrijke en interessante gegevens op. Dus in de spirit van ‘elke vogel telt’ gaan we hier weer aan de slag. Vandaag ging ik voor het eerst dit jaar op pad, samen met Kristof. De eerste vogel die we konden ringen was een buizerd. In een besneeuwd landschap dook hij van zeker 100 meter ver naar de balchatri. Altijd spectaculair om te zien. Verder konden we drie torenvalken vangen, waarvan de laatste al een ring had. Een mannetje dat vorig jaar uit het ei kroop. Via Eddy, onze ringoverste, kreeg ik de melding dat het geen vogel van onze werkgroep was. Dus waar dat ei juist lag is nog even afwachten. Altijd spannend.

Op de valreep

Het leek er op – met nog 3 blaadjes aan mijn scheurkalender in het toilet – dat ik mijn jaar vogels kijken ging stranden op een mooie 222. Maar dat bleek niet zo te zijn.

Nr. 223 – Parelduiker

Want op zondag zag ik ’s avonds dat er in Kessenich – waar anders – een parelduiker was ontdekt door Miel, de vaste vogelkijker van de Maaskant. Het werd al donker, dus het zou voor de volgende dag worden. Dat ik dat pas zo laat zag is alweer een bewijs dat ik toch niet zo een geweldige twitcher ben. De harde kern was al gepasseerd meldde mijn smartphone. Dat op dat moment Jacotte ook nog even kwam vertellen dat er dikke mist op komst was, was nog een dompertje op mijn plannen voor de volgende dag.

Toch zette ik mijn wekker om 7 uur om bij het krieken van de dag aan de plas te staan in Kessenich. Ze gingen mij daar ondertussen wel kennen zeker, want ik was er de laatste tijd regelmatig te gast. Nu bleek die mist goed mee te vallen. Het was wel volledig bewolkt. Een foto in het zonnetje van deze bonussoort zou niet lukken. Maar eerst moest ik hem nog vinden uiteraard. Dat bleek een fluitje van een cent. Auto parkeren, even praatje slaan met een fotograaf die ook kwam zoeken, alles uitpakken, mijzelf inpakken, dijk over en in de richting kijken waar de fotograaf – die al aan de oever in fotopositie zat – naartoe wees en daar was hij dan: de parelduiker. Ook nog eens een nieuwe soort op mijn Limburgse levenslijst. Dubbele pret.

Parelduiker – Kessenich – 29 december 2025

Met deze parelduiker scoor ik drie duikers dit jaar in Limburg. Op 4 januari zag ik een ijsduiker op de Paalse plas en diezelfde dag een roodkeelduiker op het Albertkanaal in Diepenbeek. Tja, blijkbaar bestel ik ze steeds per twee. Want de parelduiker van vandaag combineerde ik met een ijsduiker in Lanaken. Roodkeel, parel en ijs. Een leuk trio. Zeker zo een aantal dagen na kerst. Ze doen mij denken aan de drie wijzen uit het oosten. Maar hier gaat het over de drie duikers uit het noorden. Zonder cadeaukes.

Doel gehaald

Mijn voornemen om 200 soorten te zien in Limburg bleek achteraf gezien niet echt ambitieus. Want op 1 augustus had ik die kaap al gerond met een kleine jager aan het Schulensmeer. Gevonden door wie anders dan Geert Beckers. Hij had trouwens een topjaar. Maar liefst 230 soorten in Limburg dit jaar. Een nieuw record voor onze provincie. Maar vooral het feit dat hij er heel veel zelf heeft ontdekt vind ik een geweldige prestatie. Ik doe heel nederig mijn petje voor hem af.
Zelf eindig ik dit jaar op 223 soorten gezien dit jaar in Limburg. Ik ben er toch een beetje fier op. Een mooi avontuur dat ook nog eens 17 nieuwe Limburgse soorten opleverde. Daar zit ik nu aan het mooie ronde getal – en jullie weten ondertussen dat ik daar van hou – van 260. Maar ook nog eens 9 nieuwe Belgen. Qua aantal soorten veruit mijn beste jaar ooit.
Daarbij ringde ik ook nog eens 4.587 vogels. Ruim 4.400 kregen een ring rond de poot van mij. De rest waren controles. Hiervan waren er dan weer 69 met een ring die niet door mij was dichtgeknepen. Als ik alles bekijken durf ik het een boerenjaar noemen.
Eindigen deed ik dinsdag met een waarneming van een prachtig mannetje smelleken. Ondanks dat ik deze soort al op mijn jaarlijst had staan, was deze ontmoeting toch een opsteker. Zo een prachtige wintergast in vol ornaat in een laat winterzonnetje kunnen bewonderen. Dat lukt niet elk jaar.

Smelleken – Mielen-boven-Aalst – 30 december 2025

Topje drie

Als ik terugkijk naar die jaarlijst dan zijn er toch een paar hoogtepuntjes bij.
De bronzen plak gaat naar de cirlgors die ik op 9 juni ging twitchen. Gevonden door Jos Rutten in de Vallei van de Ziepbeek. Mooi zingend op een prikkeldraad schitterend kunnen bekijken.
Het zilver gaat naar de griel gevonden door Carlo Menten op 15 april in Rutten. Vooral omdat het in de regio van mijn Vogelwerkgroep gebeurde. Een uurtje nadat hij hem vond, stond ik er naar te kijken door mijn telescoop. Zoals een echt twitcher het zou doen.
Maar met stip op één staat zonder twijfel mijn eigen vondst van een havikarend. Die vloog op 19 april over mijn hoofd. Of toch bijna, redelijk ver weg maar toch kunnen hard maken dankzij wat foto’s. Heel onverwacht en dus een complete verrassing. Jammer dat ik er alleen stond. Deze ervaring had ik graag met mijn maten of anderen gedeeld. Die dag aan het militaire domein in Helchteren zal ik niet snel vergeten. Verdiend goud.

De scheurkalender is ondertussen bijna helemaal opgescheurd. Morgen heb ik andere taakjes gekregen en zal er niet naar vogeltjes gekeken worden vrees ik. Het was een leuk en boeiend jaar. Ondertussen staan de volgende plannen en uitdagingen al klaar in mijn hoofd en ook al deels op papier en mijn kalender van 2026. We gooien het over een totaal andere boeg. Maar daarover hoor je volgende keer meer.

Toppertje

Topper – Koningssteen Kessenich – 26 december 2025

Nr. 222 – Topper

Tweede kerstdag reed ik nog eens richting Koningssteen. Een verre verplaatsing met als doel het vinden van een topper. Deze overwinterende eend kon ik hier al vaker vinden. Raar, hoe je toch steeds weer terug grijpt naar vroegere ervaringen. Want eigenlijk is de kans dat ze elders opduiken veel groter.
Met een koude wind in je nek op de dijk eendjes afkijken. Dat is geen cadeau. Een eerste scan leverde wel grote zaagbekken, wilde eenden, kuifeendjes, slobeenden, wintertalingen en krakeendjes op. Maar geen topper. Dus zette ik mijn wandeling verder. Gelukkig, zo kon ik mij een beetje opwarmen. Vanaf de andere zijde van de plas kon ik heel wat eenden wat dichterbij bekijken. Het was – zoals wel vaker – in de laatste groep kuifeendjes dat ik plots een vrouwelijk exemplaar zag met een wel heel grote witte vlek aan de snavel. Even opletten, want ook vrouwtjes kuifeend hebben dat wel. Maar hier was het toch anders. De kop was ook mooi rond, geen enkel spoor van een kuif of wat de aanzet zou kunnen zijn. Toen ook de flanken wat grijziger toonden dan die van de vrouwtjes kuifeend die in de buurt zwommen, was de determinatie rond. Ik had mijn topper gevonden. Zo kon ik die drie tweetjes opschrijven. een mooi getal om het jaar te eindigen? Misschien, want dat jaar telt nog een drietal dagen.

Speuren

Ondertussen ging ik ook een paar keer op pad om torenvalken en buizerds te ringen. Het bleek een ware speurtocht. Op woensdag zag ik 12 buizerds, waarvan er geen enkele bleef zitten of interesse had voor mijn muisjes. Wel kon ik twee torenvalken strikken. Het waren de enige twee die ik zag na een rit van meer dan 100 kilometers. Waar zitten ze allemaal?
Vandaag ging ik samen met Thomas opnieuw op pad. Bestemming waren de akkers rond Tienen. Opnieuw hetzelfde scenario. Redelijk wat buizerds, waarvan we er tegen de middag in extremis toch nog eentje konden vangen. Maar weer heel weinig torenvalken. We vingen er drie. Twee geringde en eentje zonder ring. Maar ons gespeur werd beloond met een paar andere leuke waarnemingen. Een vrouwtje en een geweldig en dichtbij voorbijvliegend mannetje blauwe kiekendief. En als extra kerstcadeautje een vrouwtje smelleken dat zich prachtig liet zien. Jammer genoeg stonden we in Vlaams-Brabant. Dus geen streepje op mijn Limburgse jaarlijst.

Speld gevonden

We hobbelen stilaan naar het jaareinde toe. Met nog enkel verlofdagen op mijn agenda toch wel wat tijd om vogeltjes te kijken. Maar dat viel tegen. Familiale verplichtingen – jawel, die zijn er ook nog -, wat regendagen en een hardnekkige keelontsteking waren de party-poopers. Toch kon ik nog een soortje scoren voor mijn jaarlijst.

Nr. 221 – Kleine rietgans

Ik heb de voorbij week veel ganzen gezien, héél veel. Want de kleine rietgans zwierf nog steeds rond in de Maasvallei. Dinsdag dus terug op pad. Bestemming was Bichterweerd. Bij het water zaten bijna geen ganzen, maar ik hoorder er wel wat snateren in de verte. Toen die zo vriendelijk waren om even op te vliegen wist ik waar ik naartoe moest en begon ik aan een wandeling in hun richting. Op een grasland en akker zaten er honderden. Dus de telescoop neergezet en gansjes kijken.

Ik vond er opnieuw eentje met een halsring. Deze had veel minder kilometers op haar teller dan de vorige die ik kon aflezen. Ze werd in november vorig jaar geringd door alweer Gerard Müskens. Dan bleef ze tot in februari van dit jaar wat rondhangen in Nederland, om uiteindelijk door mij afgelezen te worden in Stokkem. Het blijft een leuke bezigheid, dat ringen aflezen. Ga ik meer doen.
Dan kreeg ik ook een rare kolgans in de kijker. Deze viel echt op tussen de rest omdat ze veel bruiner van kleur was. Eentje met een foutje in haar kleerkast.

Melanistische kolgans – Stokkem – 16 december 2025

Maar van de kleine rietgans geen spoor. Dus zonder nieuwe soort terug naar huis. Donderdag ging ik opnieuw op missie. Het zoeken van een kleine speld in een grote berg ganzen. Nu bleken op heel wat plaatsen helemaal geen ganzen te zitten. Dan wordt het wel echt moeilijk. In Aldeneik had ik dan toch mijn eerste grote groep. Wel heel ver weg. Toch probeerde ik ze een voor een te checken. Niet dadelijk iets wat op een kleine rietgans leek. Dus reed ik door naar Heppeneert. Daar zitten vaak grote groepen. Ook zo deze keer. Honderden. Ze allemaal afkijken was een stevige klus. Maar ook hier kon ik mijn doelsoort niet vinden. Dan nog maar eens doorrijden tot Koningssteen. De graslanden aan de grote plas waar vorige keer een grote groep zat lagen er verlaten bij. Een tegenvaller. Omdat het nog geen middag was reed ik nog maar eens naar Heppeneert. Misschien waren er ganzen bijgekomen of had ik die ‘kleine’ gewoon gemist.
Het bleek een goed idee. Want na een uurtje gansjes kijken kreeg ik eindelijk een exemplaar in de kijker die een kanshebber was. Redelijk ver weg. Maar ik kon een voor een de kenmerken afvinken. Mijn kleine rietgans was binnen. Toen ik nog een foto wou maken strooide een wandelaar met een – uiteraard loslopende – hond roet in het eten en vloog de groep waar mijn fotomodel tussen zat op. Jammer.

Kleine rietgans – Foto: Maarten Drybooms 2021

Eeuwige liefde

Geen nieuwe soort voor mijn jaarlijst. De al een paar gemelde kleine rietgans kon ik niet vinden tussen een groep van meer dan 500 kolganzen. En de vandaag in Montenaken ontdekte hop was te ver weg voor mijn elektrische auto. Daar ging ik niet meer geraken zonder duwwerk. Geen optie dus.

Koppeltje

Wat ik dinsdag wel kon ontdekken waren twee geringde kolganzen. Niet enkel met een wetenschappelijk ring rond hun poot, maar ook met een opvallende halsband rond hun nek. Die kan je tenminste aflezen met je telescoop. Aan zo een metalen ring heb je op afstand nadda. Sommigen mensen vragen mij of dat niet hinderlijk is, zo een ring rond je nek. Wel, als je deze twee bezig zag, dan weet je dadelijk het antwoord. Ze vertonen totaal hetzelfde gedrag als de rest van de bende.

Ik had trouwens niet dadelijk door dat het er twee waren. Eerst had ik eentje ontdekt en die halsring kon ik snel aflezen: grote T en dwarse 5A. Snel ze ook even op foto zetten, want mijn geheugen is ook niet meer van de beste. Op foto kan ik ze niet vergeten. Voila, mooi in beeld en klik. Maar bij het bekijken van de foto’s zag ik inderdaad een grote T, een 5 maar dan een D. Had ik mij zo vergist? Na een kijkje door mijn telescoop werd het mysterie snel opgelost. Er waren twee kolganzen met een halsring. Vlak bij elkaar.

Kolgans met halsring – Kessenich – 9 december 2025

Thuis gaf ik de ringnummers in op de website https://submit.cr-birding.org/. Daar krijg je ogenblikkelijk een zogenaamde ‘life history’. Een overzicht van de waarnemingen van deze vogels. Het was de moeite.

Ze werden op 14 december 2022 gevangen en geringd door Harry van Kessel – die overleden is ondertussen, zelfs dat kon ik daar zien – en Gerard Müskens. Daarna bleven ze nog even in Nederland rondhangen. Vervolgens vlogen ze met een tussenstop in Duitsland (Mannhausen) naar hun broedgebied in Finland. Daar werden ze op 9 mei 2024 afgelezen in Alavus. In de winter van 2024 doken ze terug op in Nederland met vier meldingen. Het volgende broedseizoen kwam er opnieuw een melding op 23 april 2025 vanuit Finland, Kutila deze keer. Beide plaatsen in Finland liggen in vogelvlucht minder dan 200 km van elkaar. Vermoedelijk waren ze op weg naar Alavus. In oktober passeerden ze weer in Duitsland. Om dan op 9 december door mij afgelezen te worden in Kessenich. Altijd met hun tweetjes samen. dit is toch echte liefde.

Buteo buteo

Twee dagen ging ik weer op pad met de muisjes. Een keer in gezelschap van Toon Willems, een ringer van het noorden van Limburg. Die wou eens zien hoe ik dat aanpakte. Met maar liefst zeven torenvalkjes in mijn val was de demonstratie meer dan geslaagd. Toon was danig onder de indruk.

Vandaag ging ik opnieuw op pad. Deze keer in mijn eentje. In Bilzen kon ik een vrouwtje en een mannetje torenvalk strikken. Op minder dan 200 meter van elkaar. Vermoedelijk ook een echtpaar. Dan was het een paar uurtjes rondrijden zonder succes. Tot ik in Hoeselt een buizerd zag zitten. Mijn balchatri werd uitgezet. Volgens mijn ervaring wel heel dichtbij, maar zonder succes. Na een halfuurtje wachten besloot ik om ze nog wat dichter te zetten. De vogel zou wellicht gaan vliegen. Maar hij bleef tot mijn verbazing mooi zitten. Nadat ik achteruit reed kwam hij op een paal dichterbij zitten. Om vervolgens naast de val plaats te nemen. Uiteindelijk schoot hij in actie en werd gevangen. Wat ik al dacht gezien te hebben, werd bevestigd. Hij was al geringd. Een controle van een buizerd. Die heb je niet vaak. Benieuwd wat zijn ‘life history’ zal zijn?

Tipje van de sluier

Op zaterdag reed ik naar de Caetswijers in Diepenbeek. Een natuurgebied dat momenteel in de steigers staat, figuurlijk dan. Het ziet er echt niet uit. Deze vijverketting wordt grondig onder handen genomen door Limburgs Landschap vzw.

Werken Caetswijers Diepenbeek – 13 december 2025

Alle opslag wordt verwijderd, de dijken hersteld, het sluizensysteem volledig vernieuwd en in verschillende vijvers worden met het vuile slib dat er door de jaren heen in is gekomen rieteilanden gemaakt. Ik wil wel eens weten welk resultaat dit gaat geven. Volgens mij wordt dit een van de mooiste natuurgebieden in de regio. Dus ga ik het kort opvolgen. Echt boeiend. Hoe? Dat hou ik nog even voor mezelf. Maar het is een hint naar mijn plannen voor 2026.

Rond gerond

Wie mijn blog al even volgt, weet dat ik een fan ben van ronde getallen. Daarom was mijn 220ste soort voor dit jaar in Limburg eentje waar ik een dubbel vreugdedansje – figuurlijk, want mijn dansmoves zijn even sterk als die van een oranje staatshoofd in Amerika – voor zou doen.

Nr. 220 – Bokje

Met nog drie ‘haalbare’ vogels op mijn lijstje met doelsoorten, was de info die ik kreeg van een lokale vogelkijker in Zonhoven zeer welkom. Hij wees mij een locatie aan waar hij regelmatig bokjes zag. De bestemming voor onze weekenduitstap lag dan ook heel snel vast. Deze kleine snipachtige is niet zo makkelijk te zien. Hij heeft de gewoonte om zich liever te verstoppen dan weg te vliegen. Als hij actief is, dan doet hij dat op een slinkse manier, liefst in een rietkraag. Het bleef dus een uitdaging om deze soort bij te schrijven op mijn jaarlijst.

Zoekplaatje bokje – eigen archieffoto

Samen met Gert en Simon deed ik een poging. Het duurde wel even voor we er eentje konden opstoten. Hij vloog vlak voor mij op uit een stukje riet. Maar deze waarneming was heel kort en niemand van ons drie kon goed de kenmerken zien. Gert had het beestje zelfs helemaal gemist. Maar de manier van opvliegen – pas als je er heel dichtbij bent -, de stille vlucht en de rechte lijn deden ons toch sterk vermoeden dat we ons eerste bokje van dit jaar hadden gespot. Watersnippen vliegen meestal roepend op en dit in een zig-zagvlucht. Gelukkig kregen we iets later een groepje in de kijker dat op de grond zat. De warmtekijker die Gert gebruikte had hen verraden. Maar zelfs dan was het niet makkelijk. Toen ze opvlogen zagen we duidelijk dat het een vijftal watersnippen waren met daartussen twee kleinere exemplaren. Nu waren we zeker. Nummer 220 was binnen. Ook Simon kon een rond getal afvinken met zijn 200ste soort voor dit jaar in Limburg.

Nieuwe wind

Vrijdagavond stond er – wat mij betreft – weer een van de leukste momenten van het jaar op mijn programma. De samenkomst voor Limburgse vogelkijkers georganiseerd door de LIKONA Vogelwerkgroep. Hier hebben sinds vorig jaar een aantal nieuwe bestuursleden de fakkel overgenomen van het ‘oude’ bestuur. Zonder afbreuk te doen aan de prestaties van hun voorgangers, doen ze dit met een aanstekelijk enthousiasme. Zo aanstekelijk dat ik ook lid ben geworden van deze leuke bende. Naast tal van activiteiten organiseren ze dus jaarlijks een avond waar heel wat leuk nieuws te rapen valt over het voorbije vogelkijkertjes-jaar. Resultaten van trektelposten, ringwerk, oproep voor tellers van broodnodige projecten, een ondertussen beruchte kwis en als kers op de taart een hoofdspreker die iets te vertellen heeft over vogels in Limburg.

Deze keer was het een dikke kers. Koen Leysen kwam op zijn ongeëvenaarde wijze een prachtig en vooral inspirerend verhaal vertellen over zijn loopbaan als vogelkijker gekoppeld aan een geweldig gebied waar hij enorm veel uren doorbracht: het Schulensbroek. We werden meegenomen in een meeslepend epos over wilde zwanen, roodborsttapuiten, middelste jagers, boze jagers, veldleeuweriken en kwartelkoningen. Met een foto uit een wel heel oude doos als afsluiter bracht Koen een positieve boodschap dat natuurherstel wel degelijk het verschil maakt. Iedereen die voor deze lezing met een zwaar gemoed rondliep en het idee dat de natuur voorgoed verloren was, ging terug naar huis met een pakje hoop dat het nog lang niet zo ver is. Waar een wil is, kan een weg plaats maken voor prachtige natuur.

Dankzij deze bende leuke mensen en hun acties heb ik mij alvast voorgenomen om weer wat steentjes extra bij te dragen aan die natuur. Hoe? Dat hou ik nog even voor mezelf.

Muizentijd

Ondertussen ga ik wekelijks toch een paar keer op pad met mijn muisjes. Met acht torenvalken en drie buizerds voorzien van een ring mogen we niet klagen. Maar het is al duidelijk geworden dat er veel minder roofvogels te vinden zijn in de Zuid-Limburgse akkers dan de voorbije jaren. Een slecht broedseizoen en een lege landbouwwoestijn zijn volgens mij de hoofdredenen hiervoor. Maar we gaan er voor. Met de vangsten van begin dit jaar erbij zit ik op 25 torenvalken – waarvan drie terugmeldingen – en 10 buizerds. Daar gaan er zonder twijfel nog heel wat bijkomen. Mijn muizen hebben dit trouwens bevestigd en beloven hun uiterste best te doen.

Daarnaast blijf ik gaan voor een zo lang mogelijke Limburgse jaarlijst. 220 is dan wel een mooi rond getal. Maar 222 vind ik ook wel aantrekkelijk. Twee soorten

NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research