Het was een hectische week. Niet enkel moest ik afscheid nemen van mijn trouwe viervoeter, maar het was ook pokkedruk op het werk. Daarom bleef het aantal uurtjes vogeltjes kijken beperkt. Een extra bewijs dat je je lijstje van af te werken plannen realistisch moet houden. Zaterdag ging ik kort even wandelen op mijn local patch, maar daar bleef het stil. Voormiddag ging ik nog eens op pad met de muisjes. Ook hier was het een rustige ochtend. Buiten een buizerd die op de bal-chatri kwam – maar door voorbijrijdende auto’s werd opgejaagd – bleef de teller op nul staan. Lege akkers en dan nog wat regen. Mijn muizen mogen – denkelijk – hun werkkledij in de kast hangen tot volgende winterperiode. Zondag scheen er een mooi winterzonnetje, maar ik reed naar een platenbeurs in Hasselt. Tja, te veel hobby’s zeker. Kiezen is verliezen. Hoewel die LP van Jan De Wilde waar ik al lang naar zocht staat nu wel te blinken in mijn kast. ‘De eerste sneeuw’ klonk al door mijn living. Topschijf!
Clusteren
Zijn liedje komt wat te laat denk ik. Langzaam maar zeker zie ik nu al overal de eerste signalen van de lente. Wilgenkatjes, opkomende narcissen in mijn tuin en deze morgen al een fanatiek zingende heggenmus. Het kriebelt. Ook bij mij. In onze regio van de vogelwerkgroep heb ik de kans gekregen om de broedvogels op te volgen. Dit gebeurt door het clusteren – samenbrengen – van zo veel mogelijk waarnemingen. Ook die van jou. Een reeks gegevens komen uit de gebieden die door een vogelkijker volledig worden geïnventariseerd. Daar hoor je later meer over. Maar er wordt ook gebruik gemaakt van losse waarnemingen. Dat aantal is veel groter. Daar wil ik het deze keer eens over hebben.
Heel veel vogelkijkers geven hun waarnemingen in op ‘ObsMapp’ of ‘Observations’ waardoor ze dan terecht komen op de website ‘waarnemingen.be’. Een immense database met miljoenen gegevens. Toch blijkt dat heel wat van die waarnemingen een minieme bijdrage leveren. Hieronder zie je de kaart van het gebied dat ik opvolg met alle losse waarnemingen van blauwe reiger in 2025.

Een mooi aantal verspreid over gans het gebied. Maar de meerderheid van deze waarnemingen werden ingegeven als ‘ter plaatse’. De info die zo een waarneming aanlevert is dat er op dat ogenblik een blauwe reiger aanwezig was op die locatie. De locatie is vaak ook niet echt duidelijk. Vaak slaat een waarnemer die op vanaf de plek waar hij of zij staat. Je wil het aantal watervogels niet weten dat blijkbaar op de dijk zit te niksen. Niet dus, daar stond de vogelkijker die ze heeft opgeslagen met zijn smartphone. Als het systeem – vroeger moesten we dat op papier zelf doen, nu met een simpele klik – deze waarnemingen beoordeelt en clustert dan krijgen we dit.

Slecht twee locaties waar er blauwe reigers zouden broeden. Terwijl ik er 200% zeker van ben dat het er meer zijn. De reden is dat buiten deze twee, alle andere waarnemingen niet voldoen aan de criteria om er een territorium van te maken. Jammer, want met iets meer info zou dat wel het geval kunnen zijn.
Beetje moeite
Die criteria zijn de door SOVON opgestelde voorwaarden om een territorium – soms ook een bewezen broedgeval – te bepalen. Hieronder het voorbeeld voor de kleine bonte specht.

Bij de geldige waarnemingen staat welke broedcode minimaal moet ingegeven worden om in aanmerking te komen voor een gedrag dat duidt op een territorium. Hier gaat het dus over een adulte vogel in de juiste periode, een paar in de juiste periode, territoriaal gedrag of een bezet nest. Minimaal vereist geeft het aantal bruikbare waarnemingen binnen de datumgrenzen die er moeten zijn. Hier dus eentje. De periode voor kleine bonte specht loopt van 25 januari tot 16 juni. Die twee data zijn de zogenaamde datumgrenzen. Elke waarneming daartussen met de juiste broedcode telt mee. Bij fusieafstand kan je zien op welke afstand de paartjes minstens van elkaar kunnen zitten.
Het systeem van Natuurpunt om het aantal territoria te bepalen houdt automatisch rekening met deze criteria. Maar dan moeten je waarnemingen ook de juiste informatie bevatten. In dit geval is het ingeven van een adulte vogel al voldoende. Maar vaak is dat niet zo (zie ons voorbeeld van de blauwe reigers). Maar bij spechten kan je ze vaker horen dan zien. Je hoort onze kleine bonte specht wel eens roffelen in deze periode. Als je dan kiest voor ‘zingend/baltsend’ en je zet je pointer op de kaart netjes op de plek waar je hem hoort, dan is met twee kliks jouw waarneming plots een stuk waardevoller geworden.

Jouw steentje
Voor sommige soorten is het broedseizoen trouwens al gestart. Binnen onze regio van Vogelwerkgroep Fruitstreek hebben wij 60 soorten geselecteerd die we willen opvolgen. De komende weken zullen ze allemaal de revue passeren. Wie nu wat beter oplet en deze soorten ingeeft met de juiste broedcodes kan ons – of de actieve werkgroep in jouw streek – een stuk vooruit helpen.
Momenteel zijn volgende soorten die in ons lijstje staan al actief: oehoe, havik, kerkuil, halsbandparkiet, kleine bonte specht, matkop of slechtvalk. Waarnemingen ingeven voor deze soorten met de juiste broedcodes en correcte locatie levert vanaf nu al belangrijke informatie op. Het door jou ingegeven vogeltje komt dan vermoedelijk in ons overzicht terecht als bezet territorium. Uiteraard kan je voor andere soorten die broedgedrag vertonen dit ook al zo ingeven. Om het simpel te houden doe je dit vanaf nu gewoonweg voor elke vogel die je ziet. Waarvoor dank.
Wat zijn nu die broedcodes? Het zijn er in totaal 16. Wij bekijken ze in mijn blog de komende weken allemaal even.
We beginnen vanaf nummer 1. Dit is ‘adult aanwezig‘. Wat je hier ingeeft is dat je een adulte vogel hebt gezien die totaal geen broedgedrag vertoonde. Eigenlijk komt dit overeen met ‘ter plaatse’. Wel even de locatie juist zetten. Dit kan vaak wel wat verschil maken. Het is vooral belangrijk voor het systeem om de fusieafstanden goed te kunnen beoordelen. Een locatie 100m verkeerd ingeven kan een territorium meer of minder betekenen.
Dan komt ‘zingend/baltsend‘. Dit is de vaakst in te geven code. Je hoort of ziet een vogel zingen – of zoals bij onze kleine bonte specht roffelen – en geeft dit dan ook zo in. Je zal merken dat je dit heel vaak kan gebruiken. Zeker in het broedseizoen. Een kleine moeite maar een wereld van verschil.
Zie je een paartje van een soort. Dan geef je ‘paar aanwezig‘ in. Dit is een stapje hoger. Want een mannetje kan maanden lang zitten zingen. Als hij geen vrouwtje kan versieren, dan zal er ook geen nestje komen. Maar zie je ze allebei samen, dan is de kans op een broedgeval weer een stukje hoger.
Geef jij je waarnemingen in? Zet er dan even de juiste locatie en vooral de broedcode bij. Zo worden ze waardevoller en – vooral belangrijk – zorg je voor belangrijke data om onze vogels op te volgen en bedreigde of soorten die achteruitgaan te helpen. Want onderbouwde data is nodig om de overheid of andere instanties aan te zetten tot actie. En daar kan jij een steentje aan bijdragen.
















